Chapter 16
--Hij is het nièt!! riepen de gladiatoren.
Allen zagen ademloos toe. Zij zagen.... dat het niet Lentulus was. En boven het Theater donderde het en de stortregen stroomde neêr uit een grauwe lucht.
--Bij alle goden! riep Nilus. Weet je wie het is? Het is die weggeloopen slaaf, die met dien dief zoo dikwijls in mijn taveerne kwam!
Maar van beneden, uit de cavea, ruischte het plotse gerucht, stemmedruischend naar omhoog.
--Het is een weggeloopen slaaf! Hij wordt in de plaats van Lentulus gekruisigd als Laureolus! Hij wordt gekruisigd! Het is de moordenaar van Nigrina!!
--O-o-o-oh! ruischte het, met den regen, door de toeschouwers heen.
Het velarium was geheel wèg gerold. De regen stroòmde. Maar duizenden nog, in een verwarring, zagen naar de vreeslijke verrassing, die Domitianus bevolen had. De weggeloopen slaaf, die gedacht werd de moordenaar van Nigrina te zijn, werd voort gesleept door werkelijke beulen. Het décor stelde nu een somber heuvelig landschap voor, waarin de T van het kruis zich verhief, overstriemd voor des toeschouwers oogen door de straffe regenstralen, die stroomden in de cavea, hoewel niet op het proscænium, dat afdak beschutte. Allen waren opgestaan, zagen ademloos toe....
--Zal het dìt zijn, riep Quintilianus, alle voorzichtigheid en mogelijkheid van verklikkers vergetende; waartoe de Grieksch begonnen voorstelling verloopt!
--Grieksch is de mode, spotte bitterlijk Juvenalis; zoo lang Latijnsche bloedlust niet spreekt!
--Laat ons gaàn! drong Plinius.
--Ja, laat ons gaan, vrienden! smeekte bijna de oude Verginius Rufus.
--De Keizer zèlve is gegaan en ziet deze afschuwelijkheid niet aan!! riep Tacitus.
--Ik hoor hier, zei Frontinus; van deze Senatoren, dat een beer den ongelukkige aan het kruis zal verslinden!
--Het einde van "Laureolus"! spotte verontwaardigd Suetonius.
--Gaat, vrienden, zei Martialis. Ik blijf.
--Blijft ge?? riepen zij allen.
--Ik blijf, zei Martialis ernstig. Dit is mijn tijd. Dien wil ik zien. Ik wil mijn tijd toeschouwen om hem te kennen....
--Ga meê! drongen zij.
--Gaat! Ik begrijp, dat gij allen gaat. Ik, ik blijf.... Ik wil dit zien. Dit is mijn tijd.
--Onze tijd, zei Tacitus somber; dien ik eenmaal zal boèken, opdat het nageslacht weten zal!
--Ja, riep Juvenalis. Dit is onze tijd, dien ik eenmaal zal geeselen!!
--Ik, zei Martialis; niet anders dan tòch bezingen, omdat ik niet meer dan dichter ben. Verontschuldigt mij, vrienden en gaat. Gij zijt meer dan ik en ik begrijp, dat gij niet blijven wilt.
Hij drong ze zelve zacht weg. Hij was zeer bleek. Hij zag toe.
--O-o-oh! kreunde het door de menigte.
Het kruis werd uit het proscænium gelicht en neêr gelegd. De fluitmuziek, door den regen heen, krijschte....
En de slaaf schreeuwde, maar een prop werd hem geduwd in zijn mond....
Toen werd hij gelegd op het kruis, de armen wijd.... De hamers der beulen klonken op de groote spijkers, die zijn handen doorboorden....
--O-o-oh! kreunde het overal.
De voeten van den slaaf hadden een wanhopigen ruk. Te vergeefs. De beulen grepen zijn voeten en knelden ze vast....
--O-o-oh! kreunde het steeds, als in weêrzin, door het Theater, door de staande, als bezeten starende toeschouwers heen. De regen stroomde recht neêr uit de zwarte en grauwe lucht. De donder rolde. Het weêrlichtte telkens....
--A-a-ah!! riep de menigte.
Het kruis richtte zich op in de knuisten der beulen. Rondom gebaarden mimen, kluchtig, juichten allen, die "Laureolus" had bestolen, verrezen de schimmen van wie hij vermoord had. Fluitgesnerp door regengeruisch.... Toen hing de gekruisigde, tegen het theaterlandschap, overstriemd zichtbaar door werkelijke regenstralen....
--O-o-o-oh!
En het bròmde....
--De beer! De beer!! riepen zij.
Het gerucht, dat de beer den misdadiger verslinden zoû aan het kruis, was overal in de cavea nu door gedrongen....
--Proces duurt in Rome làng, grinnikte Taurus tot de Alexandrijnsche. Maar een moordenaar wordt er gekruisigd binnen twee dagen....
--Maar ze zeggen, riepen de matrozen uit Ostia; dat hij niet de moordenaar is!
--Wie dan? Wie dan? werd geroepen.
--Een dief, die mèt hem was.... meende de slavenkoopman.
--De dief? Neen, deze slaaf hier!! was de voller bijna zeker.
--Neen, de dièf!!! schrilden de Gallen.
--Dus hij....? riep het uit de slagers en warmoeziers.
--.... zoû onschuldig zijn....?? klonk het overal.
--.... Sst! De verklikkers.... fluisterde het.
--De verklikkers! De verklikkers....!
Allen zwegen. Allen zagen toe.... Duidelijk bromde de beer achter de schermen, waar hij aangehitst werd door de bestiariï. Plotseling waggelde hij te voorschijn....
--A-à-ah! kreten de vrouwen....
Zij waren bang, dat de beer in de orchestra zoû springen....
Leêg was de orchestra gevloeid; ter zijde slechts, op de præcinctiones, stonden in den regen silhouetten in witte toga's, te kijken. Voor de eerste ridderbanken stond Martialis.
De beer keek, kop schuddend, de cavea in. Hij bromde. Achter de schermen hitsten de bestiariï, die hem aan een ketting hielden, aan. Zij trokken hem dichter bij het kruis.
--O-o-oh! kreunde het door het Theater.
De beer snoof het bloed, dat tappelde van de voeten en handen van den gekruisigde. En met een razenden sprong wierp hij zich, staande plots, reusàchtig, op het slachtoffer. Zijn klauwen sloegen in de naakte borst: hij rukte en zijn muil spalkte zich over de bloedende vormenloosheid, die daar hing als een druipende, roode, lillende lap....
Cecilianus, nieuwsgierig, oogen gesperd, had zich los gemaakt uit de armen van Carpoforus, uit diens mantel. Hij was op gerezen, hij stond te kijken.... Toen sloeg hij de armen op....
--A-àh!! snerpte de radelooze gil van den knaap. Zijn armen bewogen in de lucht, en hij viel flauw.
--Mijn broêrtje!! kreet Cecilius.
Allen drongen weg, de laatsten uit de ridderbanken, het volk uit de cavea.... Ook de soldaten, de matrozen, de gladiatoren....
--Mijn broêrtje! huilde Cecilius.
Carpoforus tilde den bezwijmden knaap op; het blonde hoofd viel op den massieven schouder van den Jager.
--Zal je hem dragen, Carpoforus? snikte, smeekte Cecilius.
De Jager knikte. Allen daalden de trappen af, sprongen van omgang op omgang. Alles stroomde in den stroomenden regen het Theater uit. De Jager met zijn last--pluimelicht woog de knaap hem in zijn arm, over zijn schouder--volgde zijn makkers. Colosseros troostte Cecilius.
--Kom meê, zeide hij. Kom meê.... Niet huilen, Cecilius: Carpoforus zorgt wel voor Cecilianus....
De Jager, langzaam, daalde.... Daar ginds, vergaten, in de ontzetting, de tooneelknechten het aularium te doen rijzen....
Zichtbaar bleef, in de doorregende schemering--de beer weg getrokken door de bestiariï--de vage T van het kruis, zich af teekenen met de lillende, roode lappen van vleesch.... De Jager zag er naar om, terwijl hij daalde, het kind in de armen, trede na trede; omgang daalde hij na omgang; telkens, als kon hij zijn blik niet àf wenden, zag hij naar de verschrikkelijkheid. Gluurden zijn oogen--die van een lief, groot, sterk beest--er angstiglijk heen. Gluurde hij schuiner, angstiger.... Drukte hij dichter tegen zich het bezwijmde knapelijf en glúurde hij....
--Zoo.... dacht hij; eindig ik óok eens....
Op de laagste præcinctio, bij de poort, die hij uit zoû gaan, wierp hij zijn laatsten blik.
--Zoo, dacht hij weêr; eindig ik ook.... Morgen.... Of overmorgen....
In het geheel leêge, overregende Theater, in de stralen-doorstriemde schemering, die de tragische lucht neder sloeg, stond nòg, geheel alleen, Martialis te staren op het einde van "Laureolus"....
VIII.
Buiten--de slagregen stroomde uit de donkere lucht--krioelden in de portiek van het Theater de duizenden. De portiek, een vierkante, overdekte zuilenhal, voegde zich tegen de rechte achterzijde aan van het Theater. En om den dominus stond er zijn grex--zij waren door de deuren van het proscænium in de portiek gekomen--en de dominus, de vuisten gebald, snikte er als een kind, terwijl een vloed van woorden hem de lippen ontwelde. Om hem stonden Lentulus, Thymele, Latinus, Gymnazium; Cosmus kwam aan....
Zij poogden hem te bedaren, angstig ziende om zich heen.
--Het kàn me niet schelen! snikte, met woedende oogen, de dominus los. Laàt de verklikkers het hooren! Heb ik niet altijd tact gehad en beleefdheid betracht met alle officieele persoonlijkheden? In Antiochië, in Klein-Azië, in Neapolis, waar we ook maar zijn geweest? Maar nooit, hooren jullie, noòit en nèrgens heb ik zoo een kunstverkrachting moeten slikken! Ik bereid alles met zorg voor: de Hymne en Attis' Dans.... was dat bijna niet zuiver Grieksch? Kunnen wij iets beters doen dan, wat zuiver Grieksch is, benaderen? De Bacchides.... was dat niet een volmaaktheid, zoû het ten minste niet een volmaaktheid zijn geweest, als de paraziet niet zijn bokkepruik op had gezet....?
--En dat, met zijn parazietmasker al voor, dominus! schertste Latinus.
--En het was een mooi masker, prees Thymele. Met dat begeerige eène oog en die gulzige benedenlip: heusch, je hebt moòie maskers!
--Mijn senex-maskers zijn ook heel mooi, wierp de dominus in het midden; maar wat ik zeggen wilde....
Het krioelde nu dicht om hem heen.
--Wat hebben Thymele en Latinus niet van dien ouden "Koffer" gemaakt! Goden, het vervelende ding, dat ze àltijd weêr willen zien! En hoe heb ik het toch weêr gemonteerd en hoe hebben Thymele en Latinus het niet gedanst! Het was iets nieuws zoo als we het gaven: alleen die koffer zelve, was prachtig van kleur en lijn: het was een Grieksche koffer, maar grooter natuurlijk, heel groot. Het was kùnst en de tusschen-atellanæ, heb ik die ook niet....
--Mooi gegeven, dominus! riepen ze allen uit. Pappus en Maccus en de drie dikbuikige kraamgodinnen!
--Heb ik van Laureolus niet alles gemaakt wat er van zoo een kijkstuk te maken was??
--Ik heb, troostte hem Lentulus; nooit den Laureolus in zoo mooi choragium gemimeerd als van daag, dominus....
--Choragium? Het is àlles van het Theater, van de ædilen, maar heb ik niet gekòzen, die woeste landschappen zoo opgesteld, die schipbreuk met den storm aangewezen en dien dans van de geesten zoò doen uitvoeren?
--Je hebt me alleen van een te hoogen toren laten springen, dominus, zei Lentulus. Ik dacht waarachtig, dat ik mijn nek zoû breken.... En vooral, dat ik geen bloed zoû kunnen spugen.... En dàt moet toch, hè....
--Je toren moèt hoog zijn, zei de dominus. O, denk niet, dat ik je voor mijn pleizier je sprong doen laat van uit het afdak over de scæna! Mij persoonlijk, is het Theater het liefst als tooneel en niet als gymnazium. Maar een arena hoeft het nog niet te worden. En dàt is het geworden, van daag! Met dien beer! Met die verschrikkelijkheid. Met die kruisiging en dien àfschuw van dien half verslonden, rood druipenden moordenaar....
--Die misschien geen moordenaar is.... fluisterde Cosmus.
--Neen, die geen moordenaar is, fluisterde Gymnazium. Ze zeggen....
--Dat de dièf de moordenaar is van Nigrina.... zei Cosmus.
--Dat kan me niet schelen, weerde de dominus woest af. Wat mij buiten mezelven maakt, is de kùnstverkrachting.... Het was een schandaal!
--Daar gaat de beer! wees de danseres.
De beer ging er gemuilband langs de portiek, aan kettingen gehouden door zijn bestiariï. Hij waggelde onverschillig den stortregen door, onbewust, dat hij de kunst had verkracht, aan het slot van Laureolus. Andere beesten volgden hem: de geiten en bokken der atellanæ, met hunne bezitters.
--En hier ben ik op mijn ezel! zei Nilus, die de gladiatoren verlaten had, om zijn ezel te halen. Het arme dier! Het is kletsnat.
En hij poogde met zijn reeds natten mantel zijn natten ezel droog te wrijven onder de portiek.
Cecilius kwam met Colosseros en de andere gladiatoren, Murrhinus, Triumfus, Priscus, Verus.
--Bij Apollo!! kreet de dominus. Waar is Cecilianus?? Is er een òngeluk met hem gebeurd?!
Want Cecilius' gezicht stond droevig en was betraand....
--Neen, dominus, stelde Colosseros gerust. Hij is flauw gevallen en Carpoforus draagt hem....
--Hij is flauw gevallen....
--Toen hij den beer....
--"Laureolus" zag verslinden, legden de gladiatoren uit.
--Maar niet mij! kluchtigde Lentulus.
--Daar komen ze! zei Thymele.
Carpoforus droeg Cecilianus aan. Hij toefde, heel langzaam, nog buiten de portiek. Want hij dacht:
--.... Als Cecilianus zijn oogen op slaat voór ik de portiek met hem binnen ga, zal ik morgen den Numidischen Leeuw overwinnen. Als hij zijn oogen opslaat in de portiek, zal ik.... het afleggen tegen den Leeuw.
En daarom talmde hij, talmde hij, in den stortregen, in zijn arm den knaap, als een kind, wiens blonde hoofd lag op het breede, harde kussen van zijn Herkulischen schouder.... Daarom talmde hij, om Fortuna en zich een kans te geven.
Cecilianus zuchtte op, opende de oogen.
--O, lief kind! Zoete jongen!! mompelde de Jager hartstochtelijk en hij drukte Cecilianus in vervoering tegen zich aan.
Hij verhaastte zijn pas, kwam tusschen de anderen in de portiek.
--Ik breng je je Bacchis, de Reizigster, dominus! juichte bulderend Carpoforus.
--Ik ben zoo nat! zei onbehagelijk Cecilianus, dien de Jager zette op den grond. Cecilius wikkelde hem in de lacerna, die de edele Plinius hun had gelaten.
--.... Maar dàt zeg ik jullie, bulderde de dominus plotseling los.
--.... Dominus....!
--.... Dominus....!
--.... Pas toch op: de verklikkers....!
--.... Dat ik morgen nièt de Bacchides geef....
--.... Hè, dominus!
--.... dominus!! riepen de tweelingen, te leur gesteld.
--Neen! bulderde de dominus. De Hymne, dat kan niet anders--maar de Bacchides weêr geven op die zelfde planken, waar nu nog ligt het bloed van een werkelijken misdadiger....
--.... Als die maar een misdadiger wàs.... fluisterde het rondom.
--.... dat doè ik niet! betuigde de dominus. Ik geef morgen de Menæchmi!
--En de titulus? zei plotseling Martialis, die was aangekomen en den dominus had gehoord.
--Kàn me niet schelen, schreeuwde de dominus.
--En wie speelt Erotium, in de Menæchmi? vroeg Cecilius. Cecilianus?
--Neen jij, mopperde de dominus.
--Laat Cecilius maar Erotium spelen, dominus, zei Cecilianus. En Clarus de matrona.... Want dáar heb ik geen lust in.
--Neen, dominus, laat Cecilianus maar Erotium spelen! wedijverde Cecilius in beminnelijkheid. Maar Clarus wel de matrona....
--Ach, zei Cecilianus; die is toch zoo een matrona-jongen.... Net een oud wijf, fluisterde hij zijn broertje in.
--Cecilius speelt Erotium, besliste de dominus.
--Vrienden! zei Nilus. Het is niet om mijn zaak aan te prijzen maar hebben jullie geen honger? Ik heb van morgen voor dag en dauw al gekokereld met moeder voor jullie....
--En wij.... wij hebben nièt gekookt, zeiden Matta, Prisca en Flacca, Taurus' meiden, die met den leno en de Alexandrijnsche aan kwamen.
--Ik heb een heerlijk moretum klaar staan, hèt gerecht voor de Megalezia! verlokte Nilus.
--Nilus! zei de dominus. Dan gaan we allen met je meê. Paraziet, hoor eens....
De "paraziet", fijntjes geknepen zijn in het leven matigen, dunnen mond, gehoorzaamde.
--We spelen morgen de Menæchmi.
--Goed, dominus....
--Hoor je, senex-Eén?
--Ja, dominus.... De heilige "Bacchides" zouden op die bloedgedrenkte planken worden ontwijd.... Eerst maar de Menæchmi om ze rein te wasschen.
--Paraziet, ging de dominus voort, terwijl allen lachten om den senex. Je hebt slecht gespeeld van daag.
--Ja, dominus....
--Ik zoû je door Silus en Afer moeten laten geeselen, dat de vellen er af vlogen.
--Laten kruisigen, dominus, zei de "paraziet"; en dan laten verslinden door een beer.
--Maar niet op de zelfde planken, waar de heilige "Bacchides" zijn vertoond, treiterde de senex.
--Jij hadt maar....!
--Ja, jij hadt maar....!! vielen Cecilius en Cecilianus in.
--Een prachtige rol in die "Bacchides"!
--In die heilige "Bacchides"!
--Paraziet, zei de dominus; ik zal je niet laten geeselen.
--Neen, dominus, zei de "paraziet".
--Op éen voorwaarde.
--Ja, dominus....
--Dat je morgen zóo goed als je kunt je rol in de Menæchmi speelt.
--Ik beloof het je, dominus.
--En overmorgen? vroegen de jongens.
--De Bacchides weêr, zeide de dominus.
--Dan zijn de planken schoon gewasschen door de Menæchmi, treiterde de senex.
--Vooruit dan, vrienden! riep Nilus. Gaat iedereen meê, avondmalen?
--Ja, ja, ja, ja! riepen allen; Lentulus, Latinus, Thymele, Gymnazium....
Cosmus maakte zich uit de voeten: hij was de geùrwerker, de beroemde, van den Vicus Tuscus.... Hij ging avondmalen met Tryfo, den boekhandelaar en de zijdeverkoopers en de goudsmeden....
--Wie mag ik mijn ezel bieden? noodde Nilus. Kom, wie wil er op mijn ezel zitten?
--Alexa! Alexandra!! riepen de meiden van Taurus.
--Neen, zei Nilus' moeder. Ik ben niet moê.
--Cecilianus, zei Thymele; het lieve ventje is flauw gevallen!
--Ach wat! riep Cecilianus. Ik ben weêr beter. Het was alleen maar éven om dien beer. Ik wil niet op den ezel. Thymele, ga jij er op!
--Ja, Thymele! moest Cecilius na komen. Ga jij op den ezel zitten!
--Neen, zei Thymele; ik loop wel graag na gedanst te hebben: dàt houdt juist mijn lange beenen lenig.
--Nou, zei de voormalige, Gymnazium; als Alexa niet op den ezel wil.... ze is even zoo dik als ik....
--Alexa is dikker, zei Colosseros.
--Ze zijn even dik, meenden Murrhinus en Triumfus. Ja, ze zijn even dik!
--Meten! riep Carpoforus.
--Neen, weerde Nilus' moeder af. Ik ben immers veel dikker dan Gymnazium.
--Nou.... zei Gymnazium. Als dat dan alles zoo is.... dan zit ik wel graag op den ezel.
--Wachten we nog, tot de regen op houdt.... ried de dominus aan.
--Het druppelt alleen nog maar wat, zei Cecilius.
--.... Ja, zei Cecilianus, hand buiten de portiek; het druppelt alleen nog maar wat.
--Vooruit dan, spoorde Nilus aan. Gymnazium op den ezel!
--Gymnazium op den ezel! klonk het van alle kant.
Gymnazium, door Nilus geholpen, geheschen, poogde zich op den ezel te zetten, Amazone-gelijk.
--Ik glij er af!! riep Gymnazium.
--Schrijlings dan! rieden de gladiatoren.
--Ik kan niet! riep Gymnazium.
De gladiatoren kwamen te hulp. Links en rechts grepen zij een been van Gymnazium en heschen zij haar schrijlings er op.
--Heu, jongens! riep de voormalige. Is dat trekken en pakken en ruw zijn! Ik kon jullie moeder wel zijn.
--Gaan we! noodde Nilus.
--Vooruit! Vooruit! riepen allen.
Zij gingen. Het regende nauwlijks meer.
--Kan je loopen, mannetje? vroeg de Jager teeder tot Cecilianus, die geluk hem zoû aanbrengen, morgen, in het Colosseum, als hij den Leeuw moest bekampen.
--Jawel....
--Zit je niet liever op mijn schouders?
--Ja! O ja! Op je schouders! Paardje rijden! juichte Cecilianus.
--Jij op mijn schouders? vroeg Colosseros aan Cecilius.
--Ja, ja! wilde Cecilius wel. Als Cecilianus op zijn schouders zit, wil ik wel op jou schouders zitten!
--Vooruit dan!
De gladiatoren bukten, vuisten op knie. De jongens sprongen op hun ruggen. De ezel ging voor, met Gymnazium, Nilus en Alexa ter zijde. Volgden Taurus en de meiden. Volgde de geheele grex, met Latinus, Thymele, Lentulus, de "beroemde" gasten, joviaal met zelfs de minsten van den troep. Hosten ter zij van den stoet Carpoforus met Cecilianus, Colosseros met Cecilius op zijn nek. De jongens schreeuwden, van pleizier, als kinderen. Volgden de andere gladiatoren.
Allen gingen moretum eten bij Nilus; hèt gerecht van de Megalezia: wijnruit en kaas, met knoflook doorgeurd: de heerlijke koude schaal!
Martialis, alleen, zag hen bijna weemoedig na. Hij had meê willen gaan. Maar zij vergaten hem te nooden en daarbij, hij werd bij den Keizer verwacht. Naar huis, om zich te verkleeden? Heelemaal naar Nomentum, te voet? Om in plaats van dit eene rare, natte toga-tje, een ander, even raar, hoewel dan toch wat droger, om te doen!
Neen, dat zoû hij maar niet. En, door de modder, plaste hij, eenzaam, door de nog regenstroomende modderstraten der Theater- en portiekenwijk, naar het Palatium, om den Keizer te verstrooien.
IX.
Dien volgenden avond laat--hoe vol was het weêr bij Nilus!--zaten Cecilius en Cecilianus, bij de schenkbank, vlak tegenover de telkens open en dicht gaande deur, hun soep te eten. Zij hadden elkaâr den geheelen dag niet gezien, en zij zaten nu schouder aan schouder, knie aan knie en aten uit éen groot bord, hongerig: zij slurpten er uit het vleeschnat, zij vischten er uit de worstjes en vertelden elkander honderd-uit, als of zij elkaâr in maanden niet hadden gezien. Zij bemoeiden zich niet met de anderen--daar zat de heele grex; daar zaten de Gallen en gladiatoren--maar zij, hun bord in hun schoot, hun kroes in de vingers, vertelden, vertelden maar door....
--Je moet dan weten, zei Cecilius--om hen heen roezemoesde het stemgedruisch--dat juist, toen de "paraziet" in het midden van zijn groote scène was....
De deur ging open: de matrozen uit Ostia met Sila en de andere vrouwen drongen luidruchtig binnen. En vóor het huis van Taurus zagen de jongens de meiden zitten op de hooge gestoelten: Matta, Flacca, Prisca en de anderen en ze riepen en de jongens wuifden terug, voor de aardigheid.
--Nu, wat toen? vroeg Cecilianus nieuwsgierig.
Cecilius lachte, vol ingehouden pret.
--Toen gingen de gladiatoren voorbij het Theater om naar het Colosseum te gaan en, verbeeldt je, dat hóorde het publiek--we hoorden ze stappen en dreunen, hè, en toen was het een gedrang en woû iedereen ze zien en toen liep....
--Kooltjes in laserpicium gestoofd? bood Nilus.
--Hè ja, Nilus, dank je wel....
--Dank je wel....
Het leêge bord op hun schoot was vervangen. Cecilius ging voort:
--.... toen liep het héele Theater uit om de gladiatoren te zien....
--Om de gladiatoren te zien?
--Ja.... en toen stond de "paraziet" in eens.... voor een leêge zaal te declameeren!! En vloekte die....! En omdat hij vloekte, riep het publiek: "masker af!" en moest die zijn masker af doen en werd die uitgejouwd, de "paraziet"!
De jongens stikten van het lachen, de kooltjes bol in de wangen.
--En toen? vroeg Cecilianus.
--Vertel jij nu van het Colosseum? vroeg Cecilius.
--Neen, vertel jij nu eerst van het Theater, drong Cecilianus. Ik ben zoo benieuwd te hooren....
--Nou, zei Cecilius. De voorstelling was heel mooi....
--Vol, de cavea?
--Ja, en de orchestra ook. En de ridderbanken....
--De Keizer was in het Colosseum....
--Nou ja, natuurlijk....
--En de Keizerin....
--Nou ja, natuurlijk....
--Natuurlijk: de eerste dag in het Colosseum....
--Maar al die duizenden, die den eersten dag geen plaats hadden gevonden....
--Nou ja, die waren in het Theater....
--Het was weêr stampvol, zei Cecilius. Eerst de Hymne weêr. En toen de "Menæchmi".
--Klapten ze, toen je optradt als Erotium?
--Ja, ze klapten heel erg. Gymnaziums tonstrix had me ook weêr aardig gekapt: hèel anders dan als Bacchis....
--Maar ik kon je niet schilderen....
--Neen, ik heb het zelf gedaan.... En heusch, we hebben wel móoi gespeeld.... Allemaal: de adulescens, de eerste maar de tweede ook.... En de senex----je weet, ik kan hem niet uitstaan....
--Niet uìtstaan, bauwde Cecilianus na, en loenschte naar den senex, die zat te schransen.
--Maar hij speelde pràchtig.... Zoo als die draait met zijn masker, nu den goedigen kant en dan weêr den kwaadaardigen kant....
--Toonde?
--Ja.... pràchtig! Zonder dat het opzettelijk scheen. En de "paraziet" ook.... was wel heel goed.... al hadden ze hem "masker-af" geroepen en uitgejouwd.
--Liep de zaal weêr vol?
--Ja, toen ze de gladiatoren hadden gezien.... Je kan niet overal bij zijn, hè....
--Niet overal te gelijker tijd....
--En morgen, broêrtje, spelen we samen weêr....
--Morgen, broêrtje, weêr samen....
--Ons stuk....
--De "Bacchides"!
--De "Bacchides"! De "Bacchides"!
Ze zoenden elkaâr, de lippen vet van de kooltjes.
--Jongens, riepen Colosseros en Carpoforus. Wat zitten jullie daar zoo samen te vrijen?
--Nou.... we hebben elkaâr den heelen dag niet gezien! riep Cecilianus.
--Den héelen dag niet.... Vertel jij nou, Cecilianus?
En Cecilius was vol aandacht, terwijl Cecilianus vertelde van het Colosseum.