De komedianten

Chapter 15

Chapter 153,787 wordsPublic domain

De menigte, allen druk plotseling vergetende bij hun schitterende wederverschijning, barstte los in gerhythmeerd maar razend gejuich, in maat kletterend handengeklap en -geklater. De jongens dansten.... En het blijspel ontrolde geleidelijk. Het boeide. De Keizer bewoog niet meer. Als aandoeningloos zat hij te kijken, vroeg nu en dan, ernstig, iets aan zijn nar. Met de anderen sprak hij niet, zelfs niet met Crispinus. Nu en dan blikte hij onverwachts in het Theater, dook weêr terug in zijn purper, loenschte zijlings naar het schouwspel. Het scheen wel, dat hij belang ging stellen. De klassieke, hoogere komedie, de palliata werd met de moderne opvatting, die de dominus, trots zijn liefde voor de antieke schrijvers onvermijdelijk achtte, in volmaaktheid gespeeld. Na het groote tooneel van de twee meretrices en den adulescens was weêr uitbùndig rhythmiesch gejuich. Syrus, die de rol van Chrysalus speelde, de listige slaaf, die het noodige geld altijd weêr voor zijn jongen meester weet te tooveren door handige intrigue en verwikkeling, wàs prachtig! Hij was heerlijk van drieste onbeschaamdheid: hij was de volijverige servus currens, die, altijd haastig doende, intrigeert en het terrein behoudt, al bederft zijn verliefde jonge meester ook telkens alles. En dan de senex!! De eerste vooral, Nicobolus! O, die beide "grijsaards" met hun groote maskerkoppen, die grijnsden boos aan de eene zijde en gemoedelijker grappigden ter andere! Hoe de menigte om hen làchte als zij eerst den eenen, dan weêr den anderen kant van hun maskerkop draaiden naar het publiek. Geheel vergeten was het, dat Domitianus daar zat. Hij zat immers zoo rustig in zijn purper gedoken, te kijken.... Ja, hij keek: hij volgde die klassieke Plautus-intrigue, met die twee vaders, die, terwijl zij hunne zoons willen verlossen uit de strikken dier verleidelijke Bacchides, er zelve in vallen! O, het slot, als die "grijsaards", terwijl te voorschijn draaide de schitterende exostra met de rozenkransen en het pauwe-bed en de, met verguld vaatwerk beladen, citroenhouten tafel, door de twee meretrices worden verlokt, verleid, beleerd, belachen, tot zij nooit meer hun zonen ièts zullen durven verwijten! Hoe zij speelden de beide "grijsaards", de beide "jonge-rollen", de beide "vrouwe-rollen" vooral! Hoe hij speelde, de "eerste-slave-rol"! De "paraziet"? Nu, die trad maar éven op: je merkte hem bijna niet.... Jammer, een "paraziet", die een goede rol had, was altijd wel aardig. Maar deze "paraziet" had bijna geen rol.... Hij speelde ook slecht: hè, die "paraziet"!

--Ik begrijp er àlles van! zei, verrast over zichzelf, Sila, de matrozenmeid, tot haar matroos.

Het was ook niet moeilijk al was het zoo mooi. Het werd alles zoo regelmatig ontwikkeld. Het werd een weinig statig en in niet te snel tempo "statariesch" gezegd en gedanst en gerekt. De dominus, tusschen de zuilen der scæna, lette nauwkeurig op, dat het tempo werd ingehouden. Nergens mocht het worden een klucht, zelfs niet als de "slaaf" hijgende, dravende op kwam.

En toen het einde! O, het heerlijke eind! De beide Bacchides, op de òpgesnerpte fluitmuziek--kattegemiauw, vond Quintilianus!--dansten rond met de beide vaders harer minnaars, die kwamen kijken om een hoek.... Zij dansten op de exostra, op het proscænium; zij dansten van huis uit op straat, van op straat weer in huis; zij omstrengelden de "grijsaards" met de rozenfestoenen, zij schonken hun de vergulde bekers in, uit de vergulde kannen....

--Het zijn mijn jongens.... dacht Crispina, in een verrassing om zichzelve.

Zij bewonderde ze, zij had ze lièf omdat ze zoo mooi waren! En ze vond het zoo vreemd, dat niemand in het Theater vermoedelijk wist, dàt het haar jongens waren, dan juist.... in dit Tribunaal, de Keizerin en deze vrouwen! Het maakte haar àngstig en toch berustigde het haar ook weêr. Ach, er was nu niets te verbergen.... Toch.... Zoû Crispinus daar ginds den Keizer ook zoo ruw....? Zoû de Keizer dan verontschuldigen....? Hij verontschuldigde wel èrger dingen; hij strafte zwaar minder vergrijp dan tweelingen hebben van een histrio en die geschenk geven aan een dominus.... O, de lieve, mooie jongens, de schatten! De twee schàtten! Zij glimlachte ze bijna toe, trouwens iedereen glimlachte. En kijk!! De Keizer glimlachte!! Gedoken steeds, glimlachte hij! Wat waren ze dan ook gratieus, in dat bacchanaal der Bacchides! Telkens, als de "grijsaards" wankelden, dronken, tegen elkaâr, kusten zij de twee "minnaars" heimelijk en omdansten dàn weer de twee vaders. En de orgie eindigde, steeds rhythmiesch, statariesch, in nooit tè hevig tempo met den bacchischen dans van alle zes: meretrices, vaders, zonen....

Toen barstte los het clare adplaudere: het klinkend, klaterend applaus, waarom de dominus-gregis zelve, in rijk slepend gewaad, de Bacchides aan zijne zijde, en omringd door den grex, vroeg, na kort slotwoord van moraal....

En groetten zij hun theatergroet tot den Keizer, de Keizerin, het publiek en rolde het aularium òp, eerst hunne soccus-voeten, ten laatste hunne hoofden veronzichtbarend....

Overal in de zaal ontloken commentaren. Van af de orchestra tot de hoogste omgang toe, was deze palliata buitengewoon in den smaak gevallen. De letterkundige groep om Verginius Rufus en Plinius waardeerde het weêr eens "Plautus te hebben gezien", al was deze vorm dan ook zéer gemodernizeerd, om het vóorspel en naspel van dans en zang der twee "vrouwe-rollen", om de nog modernere fluitmuziek ook, om al het moderne choragium: al die pracht, die Plautus zelve verbaasd zoû hebben doen staan. Maar de cavea waardeerde juist die pracht, ingeweven in de oude komedie; en de delicati, de sierlijke jongelui met de zómerringen reeds aan de vingers, in de ridderbanken, tusschen de matronen, de ontzenuwde patricische vrouwen, den kristallen koelbal tusschen de warme palmen bewegend, waardeerden, met Grieksche woorden nuffig emailleerend hunne waardeering, dat dit spel met Grièksche tint was vertoond, dat de twee Bacchides zelve zoo "Grieksch" waren geweest, omdat "Grieksch" toch eigenlijk voornaam was, de mode....

Grieksch, zeker Grieksch. Maar de voorstelling, zoo Grieksch begonnen, met een gemodernizeerde en gegræcizeerde "Bacchides" voort gezet, zoû thans worden Latijnsch, zoo Latijnsch als het kon. Aularium neêr, maar siparium nog toe, was achter het tweede groote drukte en voorbereiding voor het eerste mimus-spel, terwijl, na korte pauze slechts, dat water vloeide en geur ontspoot, een tusschenspel op het proscænium plaats had. Dat was om het volk te doen lachen, want de patriciërs praatten er rustig door heen, stonden op, begroetten elkaâr.

De Keizer, in zijn loge, scheen beminnelijk: hij ontbood bij zich de twee Consuls met den prætor, de ædilen: gedoken in zijn purper stond hij niet op, sprak zittende een enkel woord met de ontbodenen, die bleven staan. Hij ontbood na hen den ouden Verginius Rufus en Plinius; hij scheen zich geweld aan te doen beminnelijk te zijn: een bui, die meestal niets goeds voorspelde; tot opstaan kwam hij niet. Ziekelijk bleef hij in zijn zetel zitten. En het volk, na die wel mooie, vroolijke, maar toch wel erg "statarische" Bacchides, die het nog frisch van aandacht had kunnen waardeeren èn om de pracht, èn om Cecilius en Cecilianus vooral, ontspande in kluchtige vroolijkheid om wat gedaan werd voor het siparium....

Andere, lager komische fluitspelers dansten te gelijk, dat zij floten; hunne dubbelfluiten sloten met het capistrum--den hand--om de wangen en het achterhoofd. Zoo verloor zich ook niet de lucht, die zij bliezen. Verschillende hunner traden op met dieren: zij dansten planipes--ongeschoeid--een klein naspel, een atellana; zij waren grotesk gegrimeerd; zij kwamen op met bokken en geiten; zij zongen van obscene dingen; zij waren Maccus, Pappus, Dossenus, de drie paljas-typen, die het volk beminde; zij waren Acco, Mormo, Alfito, de drie oude, buikige vrouwen--maar door mannen gespeeld,--die zingend verhaalden en gebaarden van kluchtige geboorten en miskramen, en de kluchtgodinnen van de Vruchtbaarheid zijn; zij hadden groote ooren, dik lippige muilen, schele oogen, bochels; zij waren mal, obsceen, grotesk, vraatzuchtig; zij sloegen elkaâr, vielen plat op elkaâr over den grond. Zij zongen toespelingen, niet te gewaagd in dezen tijd, en tusschen hen liep de stupidus-græcus, de clown, die er van alle de anderen kreeg van langs en de grootste vermakelijkheid was.

En het volk lachte, schaterde, bulderde, terwijl de patriciërs deden of zij niet zagen en zich met elkander onderhielden, en aan de voeten van Domitianus, die, gedoken--rug gekeerd naar het Theater,--sprak met wie hij ontboden had, de keizerlijke nar, minachtend, strak, hóogst ernstig, bleef staren over de cavea.

Cecilius en Cecilianus, in hun kamertje, ontkleedden zich koortsig, want nu de Bacchides waren gespeeld en zij niet meer hadden te doen, wilden zij in het Theater de na-spelen zien: de atellanæ, en dan de exodium-spelen!

--Jongens, zei de dominus, stralend, alles van den beer vergeten; jullie hebben mooi gespeeld!

--Dominus, zei Cecilianus; we voèlden, dat we mooi speelden.

--.... Dat we héel mooi speelden, kwam Cecilianus na.

--Nu mogen we wel gaan kijken, hé?

--Mogen we kijken?

--Ruim netjes je boeltje eerst op....

Dat zouden ze doen. Daarvoor waren ze tè goede comoedi. En dan die kostbare costuums, die aan het Theater behoorden! De tweede choragus zelfs kwam er naar kijken, ze halen....

--Wees niet bang, choragus: kijk, we vouwen alles keurig op.

--.... keurig op!

.... en nam de costuums meê, om ze te brengen in de parascæna.

De jongens wieschen zich aan het kraantje. Maar Thymele, de beroemde danseres, kwam aan, met Gymnazium en de tonstrix achter zich.

--Jullie waren prachtig, jongens, zei Thymele; maar maak nu, dat je weg komt, vlug!

--We waren goèd, hè? bluften de jongens, zich poetsende.

--Meer dan goed, zei Gymnazium, en de tonstrix, lief lachje:

--Wat zagen ze er schàttig uit!

De kleedster kwam met Thymele's gewaad.

--Laat eens kijken! zei Cecilianus, nieuwsgierig, jaloersch.

--.... kijken! zei Cecilius, want voelde het zelfde belang, en veegde haastig te gelijker tijd langs zijn neus: hunne grime werd een mengelmoes van roode en zwarte en blauwe vegen.

--Je hebt toch geen mooiere jurk dan ik had?? vroeg Cecilianus angstig.

De vier vrouwen lachten luid op.

--Niet zóo mooi!! troostte Thymele. Kom lievelingen, hoepel op. Gymnazium moet mij nu kappen. Of liever, kom: laat mij je eerst flink zoenen op je lieve bakkesen....

--Thymele, ik ben nog rood en blauw! riep Cecilianus.

--.... En ik zwart en wit! protesteerde Cecilius.

--Dat doet er niet toe, zei Thymele.

Zij was bijna zoo lang als de jongens, rank en mager. Zij had zelve iets van een jongen. En schertsend greep zij Cecilius in haar armen en zoende, zoende hem.

De vrouwen lachten van de pret.

--Dan zoen ik Cecilianus, zei de kleedster en omgreep Cecilianus en zoende hem.

--Wil je wel eens laten! riep Cecilianus, als een maagd, die bedrongen werd.

Maar Cecilius riep:

--Dan zoen ik de tonstrix, omdat ze me zoo mooi heeft gekapt!

En hij omgreep de lief lachende tonstrix en zoende haar: zij gierde van pleizier en zoende terug.

--En wat nu met mij? riep de voormalige, de dikke Gymnazium. Waarachtig, ik word niet meer gezoend. Nou, dan zoen ik ook maar niet meer!

En zij deed of zij er treurig om was, voor de grap. Maar de jongens omgrepen haar, tolden rond met haar en zoenden, zoenden haar. Zij zoende hen terug, heel moederlijk: het waren toch aardige bengels. Toen wipten ze weg, en er was nog blauw om Cecilianus' oogen en Cecilius had éen roode wang en beider brauwen en wimpers zagen koolzwart.

--Vooruit! Vooruit! haastten de jongens elkaâr. Hè, wat hebben ons die vrouwen gezoend!

En ze veegden aan hun gloeiende wangen.

Ze slipten door deur en gang en deur. Ze waren in de præcinctio, achter het Tribunaal van de Keizerin en keken éven, tusschen de sierlijk gedoste slavinnen en vrijgelatenen door, naar de hooge vrouwen. Zij zagen dier ruggen, in de geborduurde veelkleurige stoffen harer feestmantels, die plooiden onder hare bloote schouders af. En Crispina, half ter zijde gezeten naast de Keizerin, wendde zich, zoo als eene vaag omwendt als er wie of wat ook achter voorbij gaat. Zij zag hare jongens in de oogen. Zij herkende ze niet dàdelijk. Ze waren mooi blond maar met vuile gezichten, zij gluurden onbewust pervers om die tè donkere brauwen en wimpers. Maar toen zij ze herkende, had zij even een schok, een ontroering.

Fabulla zag hen ook. En Fabulla riep tot de Keizerin, tot de Virgo Maxima, tot Domitilla:

--Kijk, de tweelingen van Crispina!

Crispina schrikte; allen keken om en lachten. Maar de jongens, betrapt, dat zij de Keizerinne-loge hadden ingegluurd, repten zich wat zij zich reppen konden, de præcinctio langs. Toen, te gelijker tijd, bleven zij staan.

--Wàt zei ze?

--.... Ja, wat zei ze?

--Wat zei die Fabulla?

--Wat zei ze toch!

--Dat wij waren....?

--.... Wij....?

--De tweelingen....?

--Ja, de tweelingen van....?

--.... van Crispina?

--Crispina? Wie is Crispina?

--Was Crispina dáar? In het Tribunaal?

--Wie is Crispina? Er zat naast de Keizerin, rechts, de Virgo Maxima.... Naast de Virgo Maxima....

--Domitilla, 's Keizers nicht. En naast die, Fabulla....

--En links van de Keizerin....?

--Was dat Crispina! Onze moeder??

--Ik weet het niet....!?

--.... Ik weet het ook niet....!?

Ze zagen elkaâr aan, toen om, en op. Het Theater, de cavea was vol. Het was broeiend warm onder het roode velarium. Het was meer dan middag; de wind had zich gelegd, het velarium hing, slap uitgegolfd, bijna roerloos. Het water, de marmeren wanden langs, tappelde. Pff.... wat was het warm: zoû er onweêr dreigen....? En nergens een plaats, naar het scheen....

Maar iedereen herkende hen. Hoewel de atellana heel grappig was, met Pappus en Maccus, zagen aller oogen hun toe. En riepen stemmen:

--Cecilius! Cecilianus!! Kom hier!

Het waren de matrozen van Ostia, het waren de slagers, warmoeziers, ooftverkoopers van het Velabrum, het waren de Gallen, het waren Taurus en zijn meiden, het waren de vollers en de soldaten. Het waren niet de voornamere winkeliers van den Vicus Tuscus; het was niet Tryfo, de boekhandelaar: die waren allen te deftig om den twee komediantjes plaats in te schikken. Maar van héel hoog bulderden de gladiatoren:

--Jòngens! Kom hier! Cecilius! Cecilianus!!

Carpoforus en Colosseros bulderden het zoo overheerschend, dat zelfs de Keizer omzag. Zijn nar eveneens. Zij keken naar boven, terwijl de jongens op den roep der gladiatoren wuifden en de trappen vlug op klauterden. En de Keizer wees Plinius en Verginius Rufus, met wie hij sprak, zeker Carpoforus, dien hij herkende, en die zijn geliefde zwaardvechter was.

De jongens bereikten de hoogste omgang. Het was er vol, vol. En het was er warm. Het was er als een roode oven zoo vlak onder het roode, brandende velarium.... En er was geen plaats. Al de gladiatoren van het Colosseum, al de wagenmenners van het Circus Maximus, met tal van soldaten hadden zich daar opgeschoten en allen waren als met rooden gloed overgoten.

--Kom dan maar weêr op mijn knie, zei Colosseros tot Cecilius.

--Zit jij maar hier boven, zei Carpoforus tot Cecilianus.

En de Jager pakte zijn korten mantel te samen als tot een kussen en deed Cecilianus daarop, op de præcinctio, zitten boven zijn hoofd; hij trok Cecilianus' ranke beenen over zijn zware schouders. De jongen lachte; hij zat kleintjes, als op een groot paard, op Carpoforus' breeden nek; hij hoste speelsch als een kind op en neêr, zijn handen aan Carpoforus' ooren, deed hij of hij mende.

--Zit je goed?

--Ik zit heel goed, Jager. Zit jij goed, broêrtje?

Cecilius zat goed. Plots riepen ze te gelijker tijd:

--Maar ze spelen een parodie op òns....!

In der daad, Pappus en Maccus, voór het siparium, speelden een parodie op de Bacchides. Het was de traditie: de atellana vertoonde zeer vaak de parodie op de vooraf gegane "statarische" palliata. De jongens hadden er dol pleizier om. Pappus en Maccus deden kluchtig Cecilius na en Cecilianus: zij liepen met den soccus-tred; zij droegen dunne, hooge pruiken; zij zongen met valsche falsetten; zij mimeerden hun bevalligheid na; de jongens schaterden van het lachen! Af van de planken, soccus uit, waren zij weêr kinderen, hadden zij pret, hoste Cecilius op Colosseros' knie, reed Cecilianus, schaterlachende, paardje op den massieven nek van Carpoforus, die zijn vuisten om de enkels van den jongen sloeg.

Het aularium òp. Applaus. Broeiende warmte; boven het velarium rolde de donder.... De toeschouwers snakten naar adem.

--Wàter! Watèr!!

.... Er stroomden de waterstralen, ontspoten de geuren daar ginds. De jongens snoven de geuren op. Lèkker vonden ze dat!

--Wat ben je nog blàuw! zei Colosseros tot Cecilius; om je oogen!

--Thymele heeft ons ook zoo gehaast, mopperde Cecilius.

--Ja.... heeft ons vreéslijk gehaast.... mopperde Cecilianus. Omdat Gymnazium haar kappen moest....

Colosseros maakte zijn vinger goed nat met spog en veegde er meê om Cecilius' oogen. Carpoforus schepte water uit het gootje aan zijn voet en waschte Cecilianus. Als zoete kinderen lieten de komediantjes zich poetsen. De fluiten snerpten. Neêr het aularium. Heftig applaus. De patriciërs zetten zich weêr.

Eindeloos duurde, volgens de traditie, de voorstelling, sleepte zich voort met de atellanæ, die elkander volgden. In het publiek zuchtten zij op, bewogen zich te vergeefs om te verademen, puften. Het was heerlijk komedianten te zien, maar het was wel stikwarm, zoo broeiend.... Het was nu tegen het negende uur. Weg mocht niemand, nu de Keizer er was. Weg wilde ook niemand. "De Koffer" toch zien, met Latinus! "De Koffer".... Ja, "De Koffer"! Goden, het was niet meer om uit te houden! Al was de Keizer er, al was er het Hof, kwinkslagen sloegen toch links en rechts, als vogels, die de vleugels uitslaan in een kooi. Het mocht wel, binnen zekere grenzen. Het was toch een volksfeest?! Er werd wel wat geduld. Tijdens de palliata was het publiek aandachtig geweest. Nu was het toch echt om te lachen, pret te hebben. "De Koffer": het mimusspel van Publilius: overspel-tafereelen! Thymele verborg haar minnaar, die Latinus was, in een koffer. De stupidus--hij heette Corinthus--was de bedrogen echtgenoot. Hoe ze om hem lachten: Thymele dànste; hoe ze danste op, om, tegen den koffer aan! Latinus dook uit den koffer weêr, sprong omhoog.... De jongens vonden het dòl. Ze vermaakten zich als kinderen; zij, die zelve de talentvolle comoedi waren, die speelden, zongen, dansten de Bacchides. De gladiatoren bulderden om de moppen van Latinus. Nilus schaterde. De heele zaal schaterde....

Het werd heel donker.... Hoe donker werd het! En het broeide, het broeide, in den nu donkerrooden oven.

--Lùcht! riep een mannestem, naast een bezwijmende vrouw.

--Lucht! Lucht! Lucht!! riep het van alle kanten.

Een geknars. Een geruisch. Het velarium rolde open, naar de scæna toe....

--A-a-a-ah! juichten de gladiatoren, ruim ademend.

De beelden, die het Theater omkransten, verzichtbaarden in hunne verstarring. Maar de lucht was zwaar zwartgrauw met wolkgevaarte bedekt. Enkele droppelen vielen.

--O-o-oh! klonk het teleurgesteld in de cavea, omdat het te regenen begon.

Het velarium bleef ongeveer half het Theater beschutten, ten gerieve van het Hof en de Aanzienlijken. Het was pauze. Oogen keken angstig naar boven, naar de donkere, donkere lucht. Maar ze zouden "Laureolus" zien, "Laureolus", waar ze meê dweepten.

--Met Lentulus! Met Lentulus! juichten Cecilius en Cecilianus.

--"Laureolus"!! eischte de cavea, hoewel tusschenspel nog voor het siparium vertoond werd.

Het werd eén kreet:

--"Laureolus"!!!

Boven het Theater rommelde het onweêr. Scheen het af te drijven. De ondergaande zon brak de wolken door, scheen, schuin, rossig, langs de beeldenrij, die het Theater bekroonde, op het tooneel. Het siparium schoof links en rechts open.

--A-a-ah! juichte het publiek.

Het was het groote mimus-spel: "Laureolus", het meest geliefde. Allen, die daar zaten, spitsten zich, om te zien. Want het was het grootsche kijkspel. Het was "Laureolus", de zeeroover, de dief en Lentulus speelde hem! Kijk toch: het was een storm en het rooverschip van Laureolus leed schipbreuk. De muziek der fluiten raasde: de fluitspelers, rechts en links, bliezen zich, tot bèrstens toe, den adem uit achter het capistrum.... Hun aderen stonden aan de slapen gezwollen. De geesten van den storm dansten in de lucht, over de golven. Het schip verging, maar Laureolus redde zich. Hij redde zich uit alle verwikkelingen en toevallige moeilijkheden, opgestapeld in het mimus-drama. Hij redde zich, gepakt, uit de handen zijner cipiers door een ontzettenden sprong van heel boven een toren af, van heel boven uit het af dak van het proscænium....

--O-o-o-oh! bewonderden de gladiatoren, de soldaten, heel de cavea.

.... Met een dubbelen doodensprong kwam hij op het proscænium te recht.... Hij spuwde bloed,--het was bloèd--hij spuwde stralen bloed. Al de stupidi--de clowns, de narren,--sprongen hem, maar van véel lager verhevenheden, moeilijk na, spuwden bloed, met roode fonteinstralen, die elkander kruisten! Het tooneel was bespat en besprenkeld met bloed. Laureolus, tusschen de sprongen der stupidi, vluchtte. De tooneelschermen veranderden telkens: stelden voor een paleis, een gouden grot, waar Laureolus zijn geroofde schatten verbergt; Mercurius daalde neêr in een wolkmachine: er was een feest, er volgde een gevecht van zeeroovers en herders. De meest onwaarschijnlijke gebeurtenissen volgden elkaâr eindeloos, eindeloos op, terwijl de wolken weêr donkerden en, rood door de zwoelte, daalde de zon.

In de cavea was het publiek in de uiterste spanning, om Laureolus. Hij werd gepakt; ja, hij werd weêr gepakt: de dief, de moordenaar, de misdadiger! Er was een proces, en de rechters waren de stupidi en alles in het geding was kluchtig--de rechters deden acrobaten-sprongen--en Laureolus werd veroordeeld en kluchtigde omdat hij veroordeeld werd....

Plotseling sloeg een heftige bliksemflits boven het Theater uit in de lucht. Het donderde dadelijk na. De regen kletterde neêr.

--O-o-oh! protesteerde het volk.

In het rechtsche Tribunaal was Domitianus opgerezen, bang. Er was een tumult van vertrek, een gedrang van paleis-officieren en cubiculariï om den Keizer heen. Commando weêrklonk: de Prætorianen, schild en speer kletterend, marcheerden de trappenvlucht af om zich buiten te scharen om den keizerlijken draagstoel.

Het was als een sein. Velen vertrokken, haastten zich, uit de orchestra, de ridderbanken. De Keizerin vertrok. Het was zeer donker geworden en de regen kletste neêr....

Op het tooneel ging de voorstelling door. En de cavea trotseerde den regen. Zij wilden Laureolus zien kruisigen.

--Ik word zoo nat! klaagde Cecilianus, als een bedorven jongentje.

--Kom hier, zei Carpoforus.

Hij tilde den knaap neêr, zette hem als een kind tusschen zijn knieën, wikkelde hem bijna vaderlijk in zijn eigen kort manteltje. Colosseros en Cecilius zaten al in een mantel gedoken. Allen haalden onder zich hunne mantels uit. Het weêrlichtte en de donder rolde....

--Ben je zoo goed? vroeg Carpoforus teeder aan Cecilianus.

De knaap knikte tevreden.

Het tooneel veranderde. Het kruis werd zichtbaar, een T gelijk. Door het onweêr heen snerpten de fluiten. De orchestra stroomde leêg. In het Theater hoorde men van buiten het verwarde geschreeuw om de draagstoelen, het tumult der duizenden. Daar werd Laureolus door de beulen op het proscænium gesleept.

--Wòrdt hij gekruisigd?? riepen zij hier, daar, in de cavea.

Het was immers altijd een pop, die gekruisigd werd! Maar deze man, die zich verweerde, tusschen de vuisten van zijn beulen, was dat niet de beroemde archimimus Lentulus??

--Ja, ja, hij is het! riepen zij hier. Het is Lentulus!

--Neèn!! Hij is het niet! Hij is het niet! riepen zij daar.

--Hij is het niet! riep Nilus, overtuigd, scherp toe ziende.