De komedianten

Chapter 14

Chapter 143,464 wordsPublic domain

--Het is prachtig, moèst de dominus wel weêr erkennen. Dit alles is in Rome héel mooi. Mooier dan wij het in Klein-Azië en Alexandrië krijgen. Maar het is bijna àl te mooi, dit triclinium van een Atheensche hetære. Ik vrees, dat zoo mooi decor afleidt van het spel zelf. Je begrijpt, in Plautus' tijd was het veel eenvoudiger. Al dat ivoor en verguld en al die rozen, en dat pauwebed.... Zijn die gordijnen van zij....?!

--Met zij doorweven, zei de eerste choragus en zij allen voelden aan de zware stof. In Rome, dominus, wìl het publiek het zoo, vooral het publiek van de cavea....

--Hmm....! bromde beneden de beer: de ezel, nerveus maar wel-opgevoed, stampte alleen met de hoeven.

--En dan, zei de tweede choragus; moet je niet vergeten, dominus, we zijn betrekkelijk eenvoudig geworden. Lentullus Spinther liet, toen hij zijn spelen gaf, de meubels met echt zilver beslaan, Petreïus met goud en Nero wilde, dat àlles goud was, echt goud: alle meubels, requizieten en alle ornament op de costuums. Heusch, onze ædilen zijn nog verstandig je het niet nog mooier en echter te geven.

--Die pracht, zei de dominus, brauwefronsend; zal de dóod zijn van Terentius en Plautus.

--Kom, dominus, zei de choragus; je jongentjes zullen er toch maar wàt goed tusschen doen, hoor....

En hij verschikte het lange rozenfestoen, dat de tooneelknecht van bronzen lamp had geslingerd naar geurvat verguld.

--Trek dan maar het siparium dicht, beval de dominus.

De exostra draaide terug, achter de zij-zuilen; het siparium schoof toe: het tweede gordijn, dat het tooneel verdeelde in een grooteren achtergrond en kleinen voorgrond, alleen voor den Proloog.

--Het is alles in orde, dominus, verzekerden de choragi.

In de cavea weêrklonk ongeduldig gestamp van zware schoenen en lichtere sandalen.

--Vooruit dan maar, zei de dominus. Mijn komedianten zullen wel klaar zijn....

In de cavea stampten zij, stampten zij heviger. Toen hielden de fonteintjes van geur op te spuiten hun sprenkelstraaltjes; het water vloeide niet meer.

--O-o-o-h! juichte het volk, omdat het nu zoû beginnen.

Want het aularium daalde, rolde op naar beneden. Maar het siparium bleef nog toe geschoven. En de Prologus, op den voorgrond, reed te voorschijn, als Silenus op een ezel. Hij was de tweede senex van den troep, op den ezel van Nilus.

--Zie je, zei Nilus triumfeerend en wees den gladiatoren. Het is mijn ezel, waarop ik naar de markt ga!!

--Wij hadden best ònzen ezel kunnen verhuren, mompelden de bedel-Gallen ontevreden, nijdig. Onze ezel is ten minste een ezel van de Moeder der Goden.... En dus geschìkter voor de Megalezische Spelen.... Er ìs geen gerechtigheid meer in de wereld!

De tweede-senex reed voor. Hij had, als Silenus, een rijk kostuum van violetten mantel over amethystkleurige tuniek; zijn buik plooide zwaar te voorschijn; hij droeg den maskerkop van een ouden gluimigen sater, met druivetrossen en ranken, en ook ranken vertuitten den ezel, die rijk was getuigd; druivetrossen hingen hem langs zijn ooren. Hij balkte niet meer, maar de beer onder de planken maakte hem zenuwachtig en hij zweepte ontevreden met den staart.

Kinderlijke pret om ezel en Silenus had de cavea; er was een gedruisch van stemmen, terwijl wat de Prologus galmde, uitstekend van pas kwam:

Verwonderd zoû ik zijn zoo in hun zetels Al wie daar zit mij niet belachlijk vond, Niet praatte en proestte en poefte en hoestte en mij Door eindeloos gemompel 't niet heel moeilijk Zoû maken.... Heeft beroemde mimus-speler Of jong blankvellig komediantje niet Al moeite zich op deze planken te Handhaven....? Hoe zal ik dan, oude heer Op m'n ezel, u een óogenblik maar boeien....!

En terwijl de Prologus voort ging stilte te vragen en te verklaren wat het onderwerp van het op te voeren blijspel was, traden langs de zuilen, links en rechts, uit de fluitspelers, rechts drie met dubbelfluiten, hooge; drie links met lage dubbelfluiten.

En zij zetten zich, geheel voor op het proscænium, op lage schabellen en begeleidden komiesch met lange, weeke uithalen en getremoleer de woorden van den Prologus.

--Het is, zeide Quintilianus ontevreden tot Plinius; die wulpsche muziek, die onzen tijd ontzenuwt. Hoor, het is als kattengekrijsch!

--Ge waardeert toch muziek, beste vriend, zei naast hem Verginius Rufus.

--Ge hebt ons zelfs geleerd, zei Plinius ter andere zijde van den grijsaard; dat Caïus Gracchus, de grootste redenaar van zijn tijd, bij zijn redevoeringen zich door een fluitist liet begeleiden, die hem op zijn tonarion-fluit den toon aangaf.

--Wij hebben tegenwoordig, zei Quintilianus; geen tonarion meer maar psaltherion en spadix en dan die Lydische fluiten daar, wier klanken verweeken wat er nog mannelijk in ons Romeinen gebleven is....

Achter hen, op de ridderbank, fluisterde Martialis tot Suetonius:

--Hij is geleerd en braaf, onze Quintilianus. Maar hij heeft een groote fout....

En die is? vroeg Suetonius.

--Hij is niet modern. Dit is moderne muziek. Dat is wulpsch, wellustig, verdòrven als je het zoo noemen wilt. Dit hysterische kattegemiauw van die hooge, hooge rechterfluiten preludeeren wat ons de Bacchides geven gaan: Cecilius en Cecilianus. Ik hoor mijn tijd weêrspiegeld in die muziek, die snerpt. Caïus Gracchus is reeds lang dood....

En hij zag naar Suetonius, schuin, wat de jonge man dacht....

--Een droge ziel, dacht Martialis. Jong, maar droog en hij daar voor mij, wijs, maar ouderwetsch....

Hij zag verder naast zich en dacht:

--Tacitus, de melancholie, Juvenalis, de verbitterdheid om hun tijd.... Verginius Rufus, de antieke Romeinsche voornaamheid.... Frontinus, de brave soldaat met verborgen dichterziel.... Plinius, Plinius is wien ik bemin en bewonder.... Hij begrijpt alles, hij verontschuldigt àlles bijna, en hij zelve is zoo hoog en eenvoudig en rein.... O, beminnelijkste ziel!.... En ik.... De onverbeterlijke levensgenieter....! Waarom niet?

Op het proscænium week het siparium open, rechts en links: de Atheensche straat verzichtbaarde....

--Hoor....! dacht Martialis. De weeke, wulpsche, weelderige fluitmuziek gièrt omhoog.... Ik hoû van dat krijschen, die schrille steeds hoogere snerpingen.... Quintilianus, Quintilianus, dàt zijn de accoorden van onzen tijd! O, het is goed jong te zijn, niet te betreuren wat het Verleden ook goeds bood, maar te leven, zelfs onze vervallenheid: te leven het oogenblik, te plukken den dag! Carpere diem!! Bravo, bravo, de knappe knaapjes!

En zijn laatste woord juichte hij luid. Want de Prologus op zijn ezel, wijzende, toonde de beide Bacchides, die verschenen. Er ging een bewonderend gemompel door heel het Theater.

--O-o-o-oh! mompelde goedkeurend de cavea. Wat zijn ze mooi! En de een is net als de ander!

Maar de Prologus riep:

't Is Bacchus, die de Bàcchides u zendt; Bacchanten, die haar Bacchanaliën dansen.... Het zijn twee zusters; Samische Bacchanten, Hetære van Athene, de eene; tweeling- Zustren gelijken zij elkander als twee Droppelen water, dropplen witte melk! Haar oudrenpaar, gewijd in Bacchische Mysteriën, noemden beiden Bacchis; Bacchis Is de eene, de Atheensche; Bacchis ook Is de andere, die komt van de reize.... -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --

En zelfs op de ridderbanken, in de orchestra, in het Tribunaal was een ontroering van bewondering. De Atheensche Bacchis trad uit haar huis met hare slavinnen en verwelkomde hare zuster Bacchis, die van de reize kwam, en wie ook slavinnen omringden. De slavinnen waren vrouwen maar de twee hetæren waren Cecilius en Cecilianus. Zij waren beiden geheel en al aan elkander gelijk, behalve dat Cecilianus, om te doen uitkomen, dat hij (zij) van de reize kwam, een dunne sluier geheel omhulde, dien hij af wierp in de handen der slavinnen voor hij (zij) zijne (hare) zuster omhelsde. Gekapt met de torenvormige, blonde pruiken, hunne eigene blonde krullen krullende onder den haarband links en rechts, de gouden rozen breed aan de slapen, waren hunne gezichten geschilderd naar de antieke maskers van Plinius met bizondere kunst: de grime geleek op een masker maar bleef toch een menschelijk gelaat om het gespeel der trekken, den lach om de oogen en mond. Groot waren de oogen, zwemmende in het zwart en het blauw onder de opgelegde, verlengende brauwen; blank en roosrood waren de wangen en de mond was met verhoogd aangetinte bovenlip toch verlengd, zoodat het type van den maskermuil was bewaard en de beide frissche jongensgezichten herschapen waren tot de even exotische, vreemd pervers ontroerende aangezichten van Cypersche beeldhouwkunst--aangetinte blanke kalksteen--kunst uit archaïschen tijd. Dat archaïsche kwam ook nog uit door het breede en hooge maar platte van hunne achterkapsels, waardoor het scheen, dat geheel hun maskergelaat ook platter werd; dat archaïsche kwam ook uit door hunne kleeding. Zij droegen beiden de zelfde peplos van ragfijn geplooid geel gaas--geel was de traditioneele kleur op de planken voor hetæren en symbolizeerde haar goùdzucht--; de peplos was kort, tot de knieën, liet hun efebe-beenen bloot, de vier punten vielen zeer lang ter zijde met lange, gouden franje en kwasten, maar het ondergewaad van geel, met schelle gouden rozen doorweven, scheen er schitterend bij iedere beweging door heen en het geheele gewaad herinnerde om het nauwsluitende en dun plooierige aan de archaïsche Helleensche sculptuur. De beide jongens schoeide de soccus: de komedie-schoen, in onderscheid met de cothurnus of tragedie-laars, iets lager van zool en hak, maar toch vrij hoog van hak en zool hen boven de planken heffend. En omdat Cecilius en Cecilianus geboren komedianten waren, gevoelden zij zich, zoodra hen de soccus schoeide, niet meer wie zij waren, maar wel wie zij voor moesten stellen. Gekapt, gekleed konden zij nog als bengels doen achter de scæna; geschoeid met den soccus werden zij plotseling comoedi, tooneelspelers, artiesten, waren zij Grieksche hetæren, waren zij de beide Bacchides. Liepen zij nu ook op elkander toe met den tooneelpas, dien de soccus eischte, niet zoo wijd als de tragici loopen, maar wijder en rhythmischer dan wie ook loopt in het gewone leven. Gebaarden zij op de òpkrijschende, nerveuze snerpingen der Lydische fluitmuziek, hunne vreugde elkander te zien, omhelsden zij elkander....

--"Mijne zuster!"

--"Mijne zuster!"

En dansten te zamen.

Hun kreet had hel zuiver het Theater door geklonken. Wat maalden zij nú nog om den beer, die onder hun voeten in het gewelf bromde! Zij dachten om niets dan om hun dans. Zij zongen al dansend, eenstemmig, hun blijdschap. Hun maskermonden openden zich tuitende toe naar het verste en hoogste punt: naar de gladiatoren. Zij herkenden ze, maar wat gaf het hun wie daar zàt! Wie in de orchestra, wie in het Tribunaal! Zij zongen, zij dansten, terwijl de Prologus weg reed op zijn ezel.

En waren hunne aangezichten en kleeding archaïesch, vooral archaïesch herschiepen zij zich door hun rhythmiesch afgemeten beweeg. Op den gelijkmatig wijden soccus-tred, die hun nauwe gewaad verwijdde, het gazen geplooi telkens uit waaierde, met de houdingen hunner schrale efebe-armen, die bogen rechthoekig de ellebogen en uitspreidden de bejuweelde vingers met opgezette, héel-lange nagels, als vreemde vlinders of vogelvlerken, bezielden zij hunne uiterlijkheid tot een levend archaïesch beeld, dat wel af stak in het nieuw-Grieksche décor en vooral in dit modern Latijnsche Theater, maar dat, zag de toeschouwer alleen naar hen, hem ontroerde als een uiting van verfijndste en toch zuiver geblevene kunst. Zij dansten, reciteerden, bewogen, zongen....

--A-a-a-ah! bewonderden de gladiatoren, de soldaten, de meiden, de Gallen, de matrozen, de kooplui.

--Dat zijn de tweelingen van Crispina, fluisterde Fabulla, die hen pràchtig vond, tot Domitilla en de Virgo Maxima....

--Zijn dàt je jongens? fluisterde bewonderend Domitia tot Crispina.

De moeder van Cecilius en Cecilianus wendde het gloeiend gelaat naar de Keizerin.

--Ja, Augusta, bekende zij, de oogen neêr geslagen; toen glimlachend, ze op slaande naar de vraagster....

--Quintilianus.... vroeg Plinius bijna schalk; hoe vindt ge nú onze Hero en Leandros?

--Ze zijn hoogst bevallig en buitengewoon kunstvol, zei Quintilianus; maar ik geef de voorkeur aan het fijne fluitspel van Zozimus op de ongelijke twee pijpen, boven dit snerpen op zoo veel gelijke fluiten, dat overdreven wordt....

--Het is prachtig! boog Martialis zich naar hen toe. Ze zijn archaïesch en hun kunst is toch modern, omdat zij zoeken de nieuwe emoties in het oude! Zij beelden geheel en al onze eeuw uit, die moê is van alles en zichzelf en zoekt, zoekt, zoekt, zelfs in ons Verleden! Zij zijn kunstenaars, die jongens, zoo als ik er nooit heb gezien en ze weten misschien zelf niet, dat ze het zoo zijn....

--Wat mooi van hen is, waardeerde Quintilianus; is, dat zij statariesch blijven, terwijl zij in Hero en Leandros geheel en al motoriesch waren. Zij zijn telkens zoo als zij moèten zijn.

--Eischt Plautus' komedie nooit anders dan statariesch spel? vroeg Juvenalis.

--Zulke gematigde karakterspelen, zei Quintilianus; zijn meer statariesch: bedáard, hoewel komiesch, altijd hóog-komiesch en nooit motoriesch: fèl bewogen. Toen zij Hero en Leandros mimeerden, deden zij het mooi motoriesch--hartstochtelijk--zoo als het moest. Als zij dit motoriesch deden, zoû het een klucht worden, niet waar. Die jongens hebben veel maat en rhythme in hun spel en voelen zuiver hoe ver zij kunnen gaan.

--Maar dit begin is niet in Plautus aangegeven en werd nooit zoo in Plautus' tijd gespeeld, critizeerde bescheiden de jonge Suetonius.

--Wat doet er dàt toe? viel heftig Martialis in. Het modernizeert het eeuw-oude stuk.... Het verfrischt het! Het verjeugdigt het!

Hij klapte heftig in de handen.

Het Theater weêrdaverde van handengeklater en juichend geroep. De Atheensche Bacchis geleidde hare zuster in huis. De slavinnen volgden. De adulescens, ongemaskerd, trad op, rijk gekleed in veelkleurig gewaad,--veelkleurig steeds was de jonge-rol gedost--en terwijl hij, ijdel, lonkte naar Fabulla, die hij herkende uit Nilus' taveerne, sprak hij hoog uit, reciteerde hij van zijn liefde voor Bacchis, de Vreemdelinge.... die hij na gereisd was.... Terwijl de fluiten het melodrama aangaven in ondertoon.

Fabulla was geslagen van bewondering.... en zóo, dat zij in hare illuzie wankelde. En niet dòrst meer hopen, dat zij ooit op deze planken een "vrouwerol" zoû spelen, al reciteerde zij, zong zij, danste zij. Terwijl de adulescens naar haar lonkte, in zijn liefdesbetuig, smàchtte naar haar toe, dacht zij steeds aan Cecilius en Cecilianus. Wat!? Die bengels, die bij Nilus op de andere knie van Colosseros óver haar hadden gehost en haar hadden tegen gesproken, waren zulke artiesten?! Zij begreep genoeg om te voelen dat dit kunst was, kunst jaren lang, van kind af gevoeld en bestudeerd, kunst tot een volmaaktheid gebracht, die maar niet door een patricische zoo even na te bootsen zoû zijn. Hoe hadden zij niet zich gratievol en rhythmiesch bewogen, op de maat van de fluitmuziek, hadden zij niet gezègd en gezongen, klaar, duidelijk, hèl, overal in het Theater verstaanbaar.... In hun uitspraak was iets geweest, dat zij voelde nooit te zullen kunnen benaderen: de zeer letterkundige en daarbij theatrale uitspraak van het Latijn, die aan ieder woord zijn waarde gaf.... Zij voelde het alles zóo, dat zij op éenmaal bang werd voor eigen eerzucht en verlangen.... En zij begreep, dat de "vrouw" misschien voor dit theater niet geschikt was, en zij nooit het ideaal zoû kunnen bereiken, dat die lange, slank-heupige knapen met hun schrale, slechts even vrouwelijke efebe-leden beter uitbeeldden. Dat vreemd aandoend perverse, dat "archaïsche", dat hunne hiëratische gebaren zoo mooi hadden weêr gegeven, hunne geschoolde, uitgalmende stemmen zoo zuiver hadden zingend gezegd! Zij begreep, dat zij te klein was, te mollig, geen stem zoû hebben; zij begreep het alles in eens. In het tooneelspel moesten de vrouwerollen door knapen worden vervuld!

.... Zij stelde zich voor, dat zij daar ginds, op de planken, een der Bacchides spelen zoû.... Maar zij zoû sidderen en rillen van angst voor die duizenden oogen: zij zoû.... zij zou belàchelijk zijn! Terwijl juist die jongens waren wat zij moesten zijn!

Het was haar in haar reeds zorgvolle stemming om den moord op Nigrina, waarvan men verdacht, dat zij zoû weten, zoo een bittere teleurstelling, dat zij zich achter de andere vrouwen boog naar Crispina en haar bijna hard-op, met een hatelijken, nijdigen grijns vroeg:

--Crispina....! Ben je tevreden.... over je tweelingen??

De adulescens smachtte van liefde. De exostra draaide. Het weelderige huis van de Atheensche Bacchis verzichtbaarde in pracht van scharlaken gordijnen, pauwebed, verguld vaatwerk, rozenkransen, die de ædilen aan de scænische uitmonstering hadden verspild. Tusschen die weelde zaten de Bacchides, de zuster-hetæren; door de opene deur zagen zij den adulescens, wezen zij, fluisterden zij met elkaâr....

--O-oh! juichte de cavea. Zoo was het goed! Die pracht, dat was zoo als het behoorde! Die hoog gehakte, geel gedoste, "goudzuchtige" meretrices in die overdreven, theater-traditioneele weelde te zien vóor draaien op de exostra, terwijl wulpscher, rechts, de fluiten hooger en hooger stegen in melodie, en rommelender links begeleidden, en de "adulescens" zijn stem in recitatief verhief....

--Bromt daar een beer? vroeg Domitia.

--Neen, het zijn de linkerfluiten, meende de Virgo Maxima. .... dàt was mooi en zóo kon je nog een stuk van Plautus, een hoogere palliata zien! De intrigue was bijzaak; de ornamentatie was het voornaamste!

De cavea donderde los van applaus en nièt om den "adulescens": alleen om de twee weelderige Bacchides, te voorschijn draaiend op de beweegbare exostra....

Cecilius, Cecilianus rezen van het pauwe-bed, waar zij elkander in zusterlijke omhelzing hielden omvat: Cecilius, de Atheensche, begon:

--Zou 't niet, o zuster, 't beste zijn, zoo ik, Tèrwijl gij zweegt, sprak met dien jongeling daar? --Doe dat, mijn liefste....

viel in Cecilianus....

In het rood gezeefde licht, dat oranje en purper van onwerkelijke weelde maakte al het scharlaken en verguld om hen heen--purper de gordijnen, oranje de gewaden, oranje vooral hun goed-gestuivelde pruiken, vreemd onwaar van purperblos hun als masker geschilderde gezichten--bleven zij statariesch: kalm, glimlachend, schàlk, ondeugend, pervers sierlijk maar ónbewogen omdat dit immers de rustige palliata was, het hoogere blijspel, dat nooit kluchtig mocht worden, dat luchtig Plautiesch moest blijven.... het realisme der komedie alleen veridealizeerd door dat fijne spel, dat zangerig fluit-gesteunde zeggen, die wonderpracht van choragium.

Buiten, onverwachts, weêrklaterden fanfaren. Het was of een bliksemende schok het Theater door voer. Iedereen stond op: de minste straatjongen tot de Keizerin toe. In ijl schoten tooneelknechten toe met brandende lonten, ontstaken den wierook in de vazen vóor het rechtsche Tribunaal. Het aularium rolde haastig op. In de keizerlijke loge verschenen paleis-officieren, schaarden zich, spere- en schilde-kletterend op de trappenvlucht, de Prætorianen.

Domitianus verscheen.

--Ave Caezar-Imperator! galmde het luid, schel, hoog, diep, bassig weêrechoënd tegen de wanden.

De patricische stemmen, de plebeïsche stemmen, van af de Consuls tot de straatjongens, riepen den galmenden groet; de waardige stemmen der Senatoren omlaag vermengden zich met die der oprecht juichende gladiatoren omhoog; die der cavea met die der ridderbanken; die der mannen met die der vrouwen; en óver het Tribunaal, waar de Keizer verscheen, had hel uit weêrklonken de groet der Keizerin en harer vrouwen....

Domitianus, langzaam, trad verder de loge in. Hij had een schuw nijdigen blik als of hij bang was en boos te gelijker tijd; bijziende, knepen zijn oogen dicht.... Hij was groot; voor zijn vijf-en-veertig jaren zag hij er oud en ziekelijk uit. Er was iets mistroostigs en lijdends in hem. Hij droeg een purperen toga en een gouden eiklof-krans om zijn bijna geheel kalen kruin. Zijn gezwollen lijf puilde onder het purper; zijn beenen stonden schraal. Hij was eenmaal welgemaakt en van mannelijke schoonheid geweest; hij scheen nu gesloopt, vervallen. Zijn lichaam was ziek en zijn ziel. Hij was in zich gek van angst, achterdocht, twijfel, berouw. Maar hij hield meestal zijn krankzinnigheid in zich geborgen, in het bijzijn van anderen. Hij was onverwachts gekomen in het Theater omdat hij dezen dag van feest te bang was geworden in het Palatium. Hij was zeer omringd, door zijn officieren, cubicularii, knapen. Een nar was aan zijn zijde, mismaakt en gebocheld. Toen Domitianus zich zette, met nauwelijks een aarzelenden hoofdknik naar wie hem toe gejuicht hadden, hurkte de nar, zonder kluchtigheid aan zijn voet en sprak héel ernstig met den Keizer. De nar grappigde niet; de Keizer, ook ernstig, antwoordde. Om hem heen zetten zich Saturius, decurio cubiculariorum--opperste der kamerlingen,--Parthenius, Sigurius en Crispinus, zijn gunsteling, en zijn lieveling: de knaap Earinus.... De wierook wolkte dik uit de schalen.

In het Theater was iedereen weêr gezeten. Maar de vorige luchtige atmosfeer was versomberd. Het was stikwarm geworden naar mate de stovende zon steeg, door het velarium neêr zevende een onweêrsachtig broeienden lentegloed. Toen het aularium neêr gerold was, vertoonde het tooneel zich met den scæna-muur. Herhaalde zich wat reeds vertoond was. Rolde het aularium weêr op. Weêrklonken hier en daar, schuchter, kreten:

--Water.... Water....

Het water ruischte als een droppelengordijn de wanden, de trappen langs; de geuren ontspoten, ook voor het Tribunaal van den Keizer. Langzamerhand dorsten de toeschouwers weêr wellustig snuiven de frischte en den geur, te spuwen, te praten, zelfs te lachen. Een overmoedige jongen dorst dieren na doen: een hond, hij blafte; een schaap, hij blerde; een haan, hij kraaide: voor minder werd men gekruisigd! In het Tribunaal der Keizerin bleven de vrouwen ernstig staren. De Keizer praatte door met den nar....

Achter het aularium haastte de dominus zenuwachtig, woedend om de herhaling, de choragi en de knechten. Zoû het begin van de Bacchides worden herhaald. Prologus op ezel reed voor, reciteerde; fluitspel snerpte; Cecilius en Cecilianus traden op als zij waren op getreden....