Chapter 13
De Keizerin Domitia was er binnen gekomen, tusschen de Virgo Maxima der Vestalen en Domitilla, des Keizers zusters kind, en men juichte haar allen toe, niet uit liefde maar uit eerbied voor zoo vorstelijk schouwspel van binnenkomst. Paleisofficieren groepeerden zich om de Keizerin, hare paleisvrouwen volgden; de vijf andere Vestaalsche Maagden volgden de Opperpriesteres. Zij zetten zich op hare zetels; het Tribunaal vulde zich achter met de lijfeigenen, met de slavinnen der Keizerin. En men wees elkander, tusschen de in suffibulum omhuifde hoofden der Vestalen, de hoog rond opgekapte kruldiademen van Domitia, Domitilla, van Crispina en Fabulla, die haardracht door de gestorvene Julia, Titus' dochter, kort geleden nog in de mode gebracht.
--Door Titus' dòchter? vroeg de Alexandrijnsche, die, steeds aan haar rekenbord, niet op de hoogte was van de dingen in Rome.
--Ja.... ja, luisterden Flacca, Prisca en Matta: door Julia....
--Die is door Domitianus zélf....
--Pas op de verklikkers, fluisterde Taurus.
--Zoo?
--Ja, door haar óom.... Weet je niet? Dat was toch bloedschande wat ze deden.... fluisterden de meiden, geschandalizeerd.
--En toen ze zwanger was.... siste toch Taurus, rond kijkend, voorzichtig.
--Ja, toen heeft ze de oude Galla bij zich geroepen....
--Ach, de arme! Galla....?? Dat monster! verontwaardigde de Alexandrijnsche.
--Pas op, zei Taurus; daar zit ze....
--En is Julia gestorven....
--Natuurlijk!! meende de moeder van Nilus, of het wel niet anders gekund had.
En zij schudde weemoedig het hoofd: het was niet àlles, die grootheid daar.
--.... Fabulla! wees Colosseros, de "kolossale "Eros"," blond, met zijn blauwe jongensoogen, op den bovensten ommegang, aan Carpoforus.
--Dus, jij....?
--Ja, ik.... Ze heeft eerst op mijn knie gehost, bij de worstjes van vriend Nilus, en de volgende nacht....
--Waar??
--Bij Galla.... Bij de oude Galla....
--Bij Herkles! vloekte Carpoforus.... Hij was zelf een Herkules: donker, reusachtig; even ouder dan Colosseros, had hij reeds keer op keer in de arena gezegevierd, zéer in de gunst van Domitianus, door Martialis gevierd in zijn epigrammen; hij worstelde en kampte met wilde dieren; leeuwen, everzwijnen en tijgers; hij werd de Jager bijgenaamd, hij was tevens lanista der allerjongste gladiatoren, hun schermmeester; uit zijn leêren tuniek staken bloot zijn gebruinde, monsterlijk zwaar gespierbundelde schouders en armen; de zwellende kabels vertakten er langs; de litteekens van de wilde-dierklauwen gloeiden aan zijn wang, hals en bovenarmen zichtbaar met vurige plakkaten; zijn donker ruig omkroesde kop was klein, zijn besnorkroesde mond kort en dik en zijn oogen waren gróot, donker en goed als van een lief beest, als van een zachtmoedigen bruut, die zoû toe laten, dat een kinderhand hem zoû streelen.
--Bij Herkles! vloekte hij; die meiden dáar zijn allen zoo....
--Domitilla's moeder ken ik, van vroeger! zei Priscus: met Verus was hij een veteraan; de Keizer had hun jaren geleden beiden te gelijker tijd den rudis gegeven, schermstok en staf-van-ontslag-en-vrijlating, sinds eenmaal in het Colosseum het publiek voor beiden genade geëischt had, nadat zij uren te zamen gestreden hadden en beiden even sterk waren gebleken.
--Dat wil ik gelooven, zei Nilus, ter zij van Carpoforus; in Alexandrië is het nièt anders!
En allen waren het met elkander eens, dat het overal het zelfde was.
--Ja, zeide de oudere Verus, verweerd grijsaard, uitgevochten. Kùisch zijn jullie niet voor kerels, die moeten bestaan van hun krachten; die patricische meiden zijn de hèl voor jullie: ben je zeker na een patricische nacht je leven er proletariesch af te brengen in de arena, bij Herkles?
De kerels bulderden. Maar Colosseros, wijsgeerig:
--Bij Herkles, de verleiding is àl te groot voor arme drommels als wij, die wel eens een muntje gebruiken kunnen!
--Vooral voor jóu, "kolossale Eros"! plaagde Verus, die zijn vader kon zijn.
--En voor begenadigde misdadigers als ik, stemde Murrhinus toe. Ik heb een moord begaan. Maar ik was sterk; dat was mijn heil: ze vonden het te jàmmer een vent als ik te kruisigen.
--Je was drìftig, verontschuldigde Carpoforus; zoo erg is een moord niet, als je driftig wordt.... Wat erg is, dat is als je vermoordt om te gappen!
--Zoo als Nigrina vermoord is, zei Colosseros.
--De moordenaar is gepakt, zei Triumfus.
--Beide kerels? vroeg Nilus. Klanten van mij, hoor! Dat weet je? Een dief en een weggeloopen slaaf??
--Min volk! minachtte Carpoforus.
--Wie gepakt is, is een weggeloopen slaaf, zei Triumfus.
--Heeft diè dan den moord gepleegd? Of de dief? vroeg, steeds zeer nieuwsgierig, Nilus.
Triumfus was er niet zeker van. Ook hij en zijn makker waren eens, te zamen, na onbeslisten tweekamp, terwijl het publiek verdeeld was ten gunste van beiden--de eene helft voor Triumfus, de andere voor Murrhinus--door den Keizer begenadigd geworden. En zij beminden den Keizer daarom allemaal, waren Domitianus wèl genegen, verdedigden hem, verzekerden altijd, dat hij een bliksems goede kerel was.
--Pff! riep Carpoforus. Het wordt warm....
En hij bewoog wijd uit, met zijn Titanschouders.
Het wèrd warm, zoo hoog, dicht onder het toch altijd even, briesbewogene, klakkerende velum. De gladiatoren zaten, een massa van kracht, de armen gekruist, naast elkaâr, geduldig te wachten, naar de beelden der scæna te kijken.... Plotseling kon Colosseros het niet langer harden. En hij begon met de zwaar geschoeide voeten te stampen van ongeduld.
--Beginnen ze nòg niet!! bulderde hij los, plotseling boos, woedend zijn blauwe jongensoogen.
Het was een signaal. Zijn makkers stampten als hij.... De soldaten stampten als zij. Op alle rijen stampten zij nu. Het gestamp daalde regelmatig de rijen af, als bij afspraak dier duizenden. Het hield op bij de scamna, de ridderbanken.
De oogen der vrouwen in het Keizerinne-tribunaal waren omhoog gewend naar waar het eerste gestamp van ongeduld had weêrklonken.
--Ja, kijk maar! riep Colosseros, uit de hoogte en verte Fabulla's blik ontmoetend. "Hadt je me maar"; hè?! Zeg--tot zijn makkers--; te rouwen om Nigrina schijnt ze niet.... Kijk, ze lacht!
Fabulla, in der daad, lachte. Zij schaterlachte zelfs even, luid, in gescherts met Domitilla naast zich. De hooge zwarte en blonde haardiademen negen boven het gelach naar elkaâr toe. De beide vrouwen toen, achter de Virgo Maxima, die ernstig bleef, fluisterden half Grieksch, half Latijn met Domitia. Het was voornaam Grieksche woorden nu en dan te gebruiken.
Naast de Keizerin bleef Crispina gelaten.
--Ze zal ze zién.... fluisterde Domitilla tot de Keizerin, achter de Virgo Maxima.
--Haar twéelingen!! giechelde Fabulla.
Ook de Keizerin lachte.
--Wat is er toch? vroeg de Opperpriesteres.
Domitilla helde naar haar om, fluisterde, half Grieksch, half Latijn. De duim der Vestaalsche wees even, als vragende, vaagweg, naar Crispina.... Domitilla knikte, fluisterde voort. De Virgo Maxima, toen, lachte hartelijk. De Vestaalsche Maagden achter haar, wilden weten.... Fabulla fluisterde met wie dichtst achter haar zat.... De Vestale lachte, fluisterde haar buurvrouw in.... Weldra wisten allen, bleef Crispina alleen gelaten.
En steeds, als een donder, rolde het gestamp van de zwaar geschoeide voeten der gladiatoren af, de rijen van het Theater af, vermengde zich met aller gestamp. Luider druischten de stemmen, daverden nu, barstten los van ongeduld en eischten den aanvang der Spelen.
--Ter eere der Groote Moeder!
--Ter eere der Groote Godin!
--De Spelen! De Spelen! De Spelen!
In het Tribunaal schaterden ter zijde van de Keizerin hare vrouwen.... Maar plotseling bliezen van boven de trappen der scæna, uit de zijpoorten, bazuinen.
--O-o-oh! juichte het volk.
Het was het Voorspel, dat begon. Het was op Grieksche leest geschoeid: koren van, in witte peplos gekleede, zangeressen daalden de trappen af. Zij naderden de altaren rechts en links, op het proscænium, wierpen geurkorrels op de smeulende kolen: de wierook wolkte omhoog. Fluitspeelsters volgden haar. En hare handen brachten het mondstuk der dubbelfluiten ter lippen. En op het teedere moduleeren der rechterfluiten, op het diepere begeleiden der linkerfluiten zongen de zangeressen, geschaard, de hymne.... Korybanten daalden de trappen af; zij droegen zwaard en schild; tusschen de hymne door, mimeerden zij den Pyrrhischen dans en regelmatig kletterden zij zwaard tegen schild, als zij hadden gedaan toen Jupiter werd geboren.... De hymne steeg hooger op: "Attis' trad uit de "koningspoort"; hij had dit recht omdat hij half-god was, hij was ook gemaskerd, omdat hij half-god was, met het gestyleerde masker van een jongen god; het was de eerste mimus van Lavinius Gabinius: hij gebaarde zijn smart om zijn ontrouw aan Rheia Kubele; zijn gebaren vervloeiden op het rhythme van het fluitenspel: het was edel van lijn....
--Het is Grieksch, waardeerden de ridders, de Senatoren, de matronen, de vrouwen om de Keizerin.
--Een wel aardige nabootsing.... meende Quintilianus glimlachend tot Plinius.
Maar achter de scæna, voor de kleedkamers van het proscænium, raasde Lavinius Gabinius. Zoodra hij, uit glurende tusschen de zuilen ter zijde der trappen gezien had, dat zijn mimus, wat diens vijand, de adulescens, ook gedaan had om hem zijn optreden te doen mankeeren, met gratie en Grieksche bevalligheid "Attis" mimeerde tusschen het koor, keerde hij zich plots woedend om, met gebalde vuisten. Het was niet om den adulescens; trouwens, die had zich al uit de beenen gemaakt.... Het was tegen den hoofdopziener van het Theater en tegen een jongen belluarius, een dierentemmer, die naast hem stond.
--Dus het moèt?? vroeg de dominus, razend, vuisten gebald.
--Het moet, dominus, zeide de hoofdopziener kalm. Wat wilt ge; als de Keizer het wil, moet het wel, niet waar....
De komedianten kwamen van overal aan; zij waren half of heelemaal gecostumeerd: Cosmus kwam aan, Gymnazium....
--Kòmt de Keizer? vroeg de dominus razend.
--Ik geloof het niet, zei de hoofdopziener; hoewel natuurlijk alles voor en in het Keizerlijk Tribunaal in gereedheid gebracht is.
--Wat is er, vroegen de komedianten door elkaâr, nieuwsgierig; de adulescens naderde weêr; de tweelingen, met wie Gymnazium en haar tonstrix juist bezig waren, kwamen aan....
.... Terwijl op het proscænium voort ging de dans, het zangspel, het fluitspel....
--Wat er is? riep de dominus woedend.... Dat de Keizer verlangt....
Hij stikte van woede; hij kon het niet zeggen....
--De Keizer verlangt, dat aan het slot van het spel van "Laureolus".... begon de hoofdopziener uit te leggen.
De komedianten werden bleek; zij hadden een kreet van schrik, van afgrijzen.
--Een Theater is toch geen arena! riep woedend de dominus. Kunst blijft toch altijd kunst! Als ik geweten had, dat zùlke dingen konden bevolen worden in Rome....
--Wees stil, dominus! fluisterde de hoofdopziener; denk om de verklikkers....
--Het kàn me niet schelen! raasde woedend de dominus. Verklikkers of geen verklikkers! Ik herhaal, als ik ooit had kunnen vermoèden, dat zulke dingen zouden kùnnen bevolen worden op een Romeinsch Theater.... ik nièt aan het verzoek van de ædilen had toe gegeven! Ik ben een vrij man, mijn grex behoort mij.... niemand kan mij dwingen....
--Maar nu bèn je in Rome, zei de hoofdopziener; nu moèt het, dominus: er is niets aan te doen....
--Het is een barbaarsche beleediging van de kùnst! riep de dominus. Van de kunst, die wij overnamen van het Grieksche Theater, waar nooit zulke schandelijke kunstverkrachtingen voor zijn gevallen.... Het is een schànde! Het is een schànde!! Wat staan jullie allemaal hier je tijd te verliezen!? Gaat je kleeden, gauw!!
En hij dreef met een woedend gebaar den geheelen grex alle richtingen uit, naar links, rechts, naar de kleedkamers achter den scæna-muur.
De tweelingen vielen in hun kamertje neêr, voor de metalen spiegels, bleek, zagen elkander aan.... Gymnazium en de tonstrix en een kleedster volgden.
--O, Gymnazium!! riep Cecilianus, huiverbang, smorend zijn kreet....
.... Van af het proscænium, klonk, naar de Lydische wijze, het fluitspel, vierend de Lente....
--Kom kind! zei de dikke voormalige en de tonstrix had altijd haar lieve lachje. Dat is immers nièts! Zulke dingen gebeuren zoo dikwijls! In de arena meer dan op het Theater, maar tòch....
--Nóoit in Griekenland, Klein-Azië of Egypte! viel Cecilius wereldwijs in.
--Wáar laten ze het beest? vroeg Cecilianus bang. Waar wordt het opgesloten?
--Wordt het opgesloten?? vroeg Cecilius, nu niet zoo bang. Bij den ezel van Nilus? Want die treedt op in den Proloog!
--Beneden, in het gewelf, zeker, meende Gymnazium.
En de kleedster zeide:
--Ja, onder de planken!
--Onder de plànken?? vroeg bevende Cecilianus.... Ik zal niet kunnen spelen, niet kunnen zingen en dansen, als ik weet, dat er die beer daar onder de planken zit!!
Maar de dominus kwam binnen.
--Maak, dat jullie klaar zijn op tijd, hé? gebood hij.
--Zij zullen klaar zijn, dominus, verzekerde Gymnazium.
De jongens, onder den indruk, zaten naast elkaâr, bleek, voor hunne spiegels, waarin de morgenschijn door de hooge raampjes viel....
De tonstrix kapte Cecilius, terwijl Cecilianus, roerloos, wachtte. De dominus, nog woedend, zag toe. Gymnazium zag toe. Vlug was de tonstrix en handig, zij, die twintig, dertig meiden des morgens te kappen had. Van dun vlas zette zij Cecilius een pruik op als een kleine toren, een blonde mitra, goud-overstuifd, schikte zijne eigene krullen links en rechts, omgaf het geheel met den vergulden haarband, de vergulde rozen breed uit aan zijn slapen. Zij deed het in een oogwenk, en steeds met haar lachje.
--Zoo is het móoi, tonstrix! prees de dominus, vergetende van zijn woede....
Zij begon daarna Cecilianus te kappen, niet anders dan zij Cecilius gedaan had. Buiten, op de straat, naderde als een vage brom....
Allen schrikten, zagen elkander aan.... Cecilianus gaf een gil....
--Dat is de beer! riep de jongen.
--En hoor! riep Cecilius. Balkt daar niet de ezel van Nilus?
Buiten, in de lange gang van het postscænium, waar de kleedkamers op uit kwamen, roezemoesde het.
--Het is de beer! Het is de beer!! riepen de komedianten. En het is de ezel, die....
De choragus naderde, riep zacht:
--Dominus....?
--Choragus....??
--De komedianten spreken te luid achter de scæna.... Laat ze zwijgen....
--Zwijgen jullie dan toch! bezwoer, fluisterkrijschend, ontzenuwd de dominus.
Maar zij riepen het bijna:
--Het is de beer! Het is de beer! Pas op, dat hij den ezel van Nilus niet opvreet!
En ze kwamen kijken, allen, om den beer te zien, die, op bevel van den Keizer, aan het slot van "Laureolus"....! Zij hieven zich op de teenen, gingen op schabellen staan, rekten zich om uit de raampjes te kijken. En zij zagen nu bestiariï met hun belluarius, en, in hun midden, aan korte ketting een gemuilbanden beer aanwaggelen.
--Een tamme beer....? Tam, nou.... ik geloof.... Hij is toch gemúilband....?
De beer bromde.
En ergens achter het postscænium balkte, bescheiden, een ezel.
--Nou, die beer bromt.... Dus, aan het slot van "Laureolus"?
--Ja, grinnikte Lentulus, de mimus, de "beroemde", die als "gast" in den grex zoû optreden als "Laureolus"; aan het slot.... moet die beer, als ik eerst gekruisigd ben, mij verslinden!!
De komedianten geloofden niet, toch huiverig....
--Moet hij mij verslinden! verzekerde Lentulus, griezelig, maar hij lachte en dus....
--Hèm niet, zei Thymele, de danseres; maar toch wel....
--Sssst! wenkten de beide choragi, om stilte.
Van het proscænium, uit de "koningspoort", trad Lavinius' mimus, die Attis gedanst had....
.... Het koor vervolgde nog, zegevierend de stemmen om Attis' herleving: het fluitspel vervloeide.... De eerste zangeressen verschenen, nu het Voorspel eindigde, boven aan de zijpoorten der trappen, achter de scæna.
--Wat is er?? vroegen zij, toen zij de ontroering zagen.
En overal fluisterde het:
--Een beer.... Een beer.... Aan het slot van "Laureolus"....
Van uit de cavea kletterde het handengeklap.... De ezel balkte....
De tweede choragus drong de danseressen weg, naar hare kleedkamers. Allen hoorden den beer. Hij bromde, zacht maar gestadig. Of hij, nog niet heelemaal wakker, na snurkte.... De ezel, welopgevoed, balkte niet meer.
--Waar wordt de beer opgesloten? vroegen de fluitspeelsters, bleek, toen zij de houten trap af kwamen, achter den scæna-muur. Het Voorspel was geëindigd.
--In het gewelf, ònder het tooneel! zei Cecilius.
--.... Ja, ònder het tooneel! beâamde Cecilianus bleek. Verschrikkelijk!
Zij waren beiden gekapt....
--Jongens, zei de dominus. Aan het werk! Hier zijn de Grieksche vrouwemaskers van den edelen Plinius. Vooruit! Jullie zijn weêr te laat!! Het Voorspel is geëindigd en jullie zijn nog niet gekleed....
--Maar zij krijgen tòch niet op hun donder! zei de senex, gereed, op zijn maskerkop na.
Het woelde door elkaâr, achter de scæna. Beneden, in het gewelf, snurkte steeds de beer.
--Zou het beest te hóoren zijn in de orchestra? vroegen elkaâr de komedianten.... Die ezel van Nilus houdt zich wel veel beter!
--Komt de Keizer?....
--Wie weet....
--Vooruit, vooruit! drongen de choragi, de dominus....
De twee jongens, in hun kamertje, zaten weêr neêr. De dominus had de maskers op het tafeltje gelegd.
--Jongens, zei de dominus bleek--Gymnazium en hare tonstrix waren de anderen bezig te kappen. Maar Cosmus verscheen, met zijn slaaf, die de verven bracht. Nu niet meer denken aan den beer....
--Neen, dominus....
--Neen, dominus....
--Nu goed je koppen maken....
--Ja, dominus....
--Ja, dominus....
--Volg dit masker na voor de oogen en dat andere voor den mond....
--Ja, dominus....
--Ja, dominus....
--.... Hm!! snurkte beneden de beer....
Cecilianus griezelde maar begon zich te schilderen met breede penseelen en staven.
--Wacht, zei Cecilius; schilder jij mij, dan schilder ik jou....
--.... Ja, zei Cecilianus; jij mij en ik jou....
En Cecilius zette zich, neus aan neus, schrijlings op Cecilianus' schoot en begon hem aandachtig te schilderen.
--De oogen héél groot, ried de dominus aan, die wel goed vond, dat zij elkander het deden; de mond niet te klein, hè....
En hij zag toe, en Cosmus zag toe, en het was een héel ernstig werk, en het was héel grappig daarbij die twee komediantjes onder de oogen van hun dominus te zien zitten de een op des anders schoot, te paard, beiden reeds met het torenkapsel gekapt als meretrices uit de hoogere palliata, en de een schilderend den ander de oogen, den mond, de wangen met blauw, roze, rood, zwart, wit....
--Als je nu alles hebt, dominus en jullie, jochies, ook, mag ik dan maar een plaatsje zoeken in de cavea, om je straks te bewonderen? vroeg Cosmus.
--Ja, Cosmus, zei de dominus.
--Ja, Còsmus, herhaalde Cecilius ter loops, bij zijn werk, terwijl Cecilianus, geknepen mondje, zweeg.
En Cosmus, door een deur en een gang en een deur weêr, bereikte de laagste præcinctio, vlak achter het Tribunaal der Keizerin, en zag uit en op in het Theater. Hoe warm was het er al! Het broeide er rood van warmte en gloeide van doorgezeefd licht en tal van stemmen riepen reeds:
--Wátèr! Watèr!
Het roezemoesde van de duizenden stemmen en de roep schrilde daar hel boven uit:
--Water! Laat vloeien het water!
De wil van het volk was somtijds de wet voor het Theater. Zelfs al ware de Keizer er geweest, hadden zij het durven roepen:
--Wáter! Wáter!! Wáter!!! Laat vloeien het water!....
Boven aan de hoogste ommegang, onder het klaterende velarium, openden de theaterslaven, op bevel van hun opzichter, tal van regelmatig aangebrachte kranen.
En het water stroomde, zachtjes tappelend, droppelend, druipelend.... Het stroomde in deze pauze, vóor de Bacchides werden vertoond, langs den hoogen theaterwand en vloot dan in gootjes, de præcinctiones en trappen langs af, lager en lager weg.
--O-o-o-oh!! juichte de cavea, blijde om de koele verfrissching. En de gladiatoren, langs den wand, hielden de handen op en dronken en in de gootjes schepten zij ook hier en daar het water, hoewel het alleen vloeide om de atmosfeer te verfrisschen, niet om gedronken te worden. Maar in de orchestra, tusschen de ridderbanken, ontsprongen lichte fonteintjes sprenkelende saffraangeur; de Senatoren doopten er hunne oraria in--zakdoeken--en wischten de voorhoofden zich.
Voor het Keizerinne-tribunaal ontsprongen fijne fonteintjes van rozegeur.
--Hè.... hè....! snoof de cavea op, met wellustig gespalkte neusgaten.
--Hm.... bromde het ergens, en toen:
--Hi-ha....
--Balkt daar een ézel?? vroeg Colosseros.
--Mijn ezel misschien, zei Nilus, die naast hem zat.
--Neen, er bromde iets als een beer, meende Carpoforus, de Jager, uitluisterend.
--Een beer?? Dat is toch onmogelijk! vond Murrhinus.
--Het is wèl mogelijk, dat je ezel balkte, Nilus, zei Triumfus.
--Wat! Een ezel, die balkt als een beer, die bromt? vroeg Priscus aan Verus.
De gladiatoren verfrischten zich met breede handen-vol water de koppen, de armen, de schouders, namen een badje....
--Còsmús!!! riepen de boekhandelaren en de zijdeverkoopers. Kom hier! Hier is een plaats!
Cosmus wenkte, dat hij kwam. En terwijl hij de trappen op klom, knarste en ratelde het vóor het proscænium en steeg het aularium statig op. Het was het voorgordijn, dat, om een kabel in de planken en aan ijzeren staven achter de zuilen, omhoog rees. Want het rees op, tot afsluiting van het proscænium: het zoû dalen tot verzichtbaring van het tooneel.
Achter het aularium haastten zich de tooneelknechten. Zij deden uit het afdak van den scæna-muur het achterdoek vallen, dat stelde voor, in wijking van klassiek perspectief, een straat in Athene. De scæna zelve, met haar nissen en beelden en marmer en brons, werd dus geheel onzichtbaar. En de knechten ter weêrszijden zetten de huiscoulissen op van Bacchis, de Atheensche deerne en van Nicobulus, den vader van Mnesilochus. De Atheensche Bacchis zoû gespeeld worden door Cecilius, die haar tweeling-zuster, Bacchis, die van Creta komt, verwacht; Nicobulus was de nijdige senex; Mnesilochus heette de zelfbewuste adulescens. De dominus en de choragi zagen toe: het décor was zéer rijk van schildering. Het was een verschiet van Grieksche architectuur, zuilen, een tempel zeer ver, een blauwe lucht, waartegen donkere cypressen, en het was blank en blauw en donkergroen gehouden. De beide huizen ter zijde, dat van de deerne, dat van den grijsaard, waren monumentaal, ook van porticus en poort.
--Het is mooi, moest de dominus erkennen. Schuif de trappen nu achteruit van de estrade, waarop mijn jongens moeten dansen.
De tooneelknechten, tegen den achtergrond, schoven de houten trappen uit.
--Het achterdoek iets hooger, zei de eerste choragus.
Het achterdoek steeg.
--Genoeg, genoeg!! riepen de choragi.
--Iets lager.... beval de dominus.
Het achterdoek daalde.
--Genoeg! bevalen de choragi.
--Werkt de exostra goed? vroeg de dominus. Gisteren, toen wij repeteerden, haperde die....
De tooneelknechten draaiden de exostra: het draaibare zijtooneel, dat, gedraaid, vertoonde het inwendige van het huis van Bacchis en, terug gedraaid, op nieuw den gevel slechts zichtbaar liet.
De exostra draaide, heen en weêr.
--Het gaat nu, dominus, verzekerden de knechten.
--Zet dan de meubels, hang de gordijnen....
Op de exostra zetten zij de meubels, hingen zij de gordijnen. Het waren kostbare, geborduurde, scharlaken gordijnen aan ringen, die met sierlijke bochten hingen aan dikke vergulde stokken; het was een sierlijk aanligbed in den vorm van een pauw met ontplooiden staart--lectus-pavoninus--en gouden kussens; het waren schabellen van verguld en ivoor; de citroenhouten tafel werd gedekt met servies van verguld, kannen, bekers, ooftschalen vol marmeren ooft, en toen hingen de tooneelknechten dikke slingers van groen en werkelijke rozen van Pæstum langs de zuiltjes, langs het bedde, langs de gordijnen, ter zij van de deur.