Chapter 12
Aller oogen richtten zich van de heilige dingen naar het Huis van Livia,--het kleine, bevallige huis, waar Augustus' vrouw, Tiberius' moeder, hare laatste weduwdagen gesleten had. Het was met onderaardsche gangen vereenigd met het Flavische Paleis, dat zijn achtergevels ginds op den heuvel ten Noorden van den Rheia-tempel verhief. Het zuilde kleintjes sierlijk, een kleinood gelijk, aan den voet der reusachtige zuilen van het paleis. En tusschen die bevallige zuiltjes, als in een loge, was de Keizerin, Domitia, met hare vrouwen, zichtbaar geworden. Het wriemelde nu alles van dichte menigte; op de oeroude Trap van Cacus--trap der mythe, waarin Herkules den reus Cacus hier ter plaatse versloeg--verdrong tot stikkens toe zich het volk, om te zien het Beeld, den Navel.... nu, Domitia. In de zuilengangen van het paleis ook verdrong zich de menigte der hofbeambten, stond de, in glinsterkuras de zon weêrspiegelende, wacht der Prætorianen. Het marmer tintelde aan de lange zuilenschachten als met loodrechte lijnen van onversmeltbare sneeuw, de trappen traden met vele treden neêr in even schaduw-aangeblauwde, horizontale vegen; op de hoeken der tympanen, op de eerezuilen schitterden, schel goud, de vergulde beelden, de zegegodinnen, de beeldgroepen, de het azuur insteigerende quadrigæ.... En van overal, uit het volk, gingen de oogen naar Domitia, die daar verschenen was, hoog rond gekapt, de wijde feestchlamys om zich: het keizerinnepurper en -goud. Om haar heure vrouwen en men wees ze elkaâr, zich voorover dringende op de breede treden van de Cacustrap.
--Domitilla naast haar....? Maar Nigrina is.... Sst!
Zij spraken het niet uit, uit bijgeloof, uit eerbied voor de Megalezia èn voor mogelijke luistervinken in de menigte.
--Domitilla, zusterskind van Domitianus.... En daarnaast Crispina....?
--Ja, de zuster van Crispinus....
--Fabulla.... De vriendin van Nigrina, diè is....
--Ja, die is.... Sst!
--Domitia's nicht, Fabulla, zie je? Wel een mooie meid, hè?
--Domitilla is mager, hè?
--Gekàpt zijn ze, met die ronde krullepruiken....!
--Zijn het pruiken?
--Sst!!
--Nou, ik zeg niets....
--Crispina, die is een Egyptische, hè? En Crispinus.... een slaaf uit....?
--Ststt! Pas op!! De verklikkers....
Het fluisterde nu zachter:
--Is, wie Nigrina heeft....?
--Sst!!
--Al gepakt??
--Ze zeggen van ja.... Lang zal het niet duren, àls ze hem hebben gepakt, òf....
--Sst!
--.... Ze kruisigen hem....
--Ze kruisigen hem....
--Komt de Keizer niet kijken!
--Sssttt....----
--Mater Deum Magna Idææ!! basgalmde allerplechtigst de Archigallus. De processie trad weder den tempel uit: het Beeld werd vóor de Keizerin heen gedragen....
--Acus Matris! Acus Matris!! gilden schril de gesnedene Gallen. En de heilige Navel volgde....
Maar de Keizerin, door een hofbeambte, deed den Archigallus aanbieden een schaal, waarop haar gift in goudstukken lag....
--Mater Deum! Acus Matris!
De processies gleden den tempel weêr in....
--Het wordt tijd, roezemoesde het onder het volk, en zij zagen naar de zon.
--Zeker wordt het tijd.... Het Theater gaat open....
--We moeten er bij zijn.... Vroeg al....
--Om goede plaatsen te krijgen....
--Vooruit dan!
--Vooruit dan! Vooruit dan toch!
Zij drongen. Zij verdrongen zich over de Cacustrap, scholden, vloekten, scheurden elkander twistende de feestkleederen. De kinderen schreeuwden of toeterden met de trompetten of sloegen kletterend met de koperen cymbeltjes. De moeders hielden zich de ooren dicht of sleepten, ontzenuwd, de kinderen meê.... Naar het Theater.... Naar het Theater.... En morgen naar het Colosseum.... En dan overmorgen naar het Circus Maximus. En dan....
--Naar wat we het mooist hebben gevonden!
--Van daag is niets in het Colosseum?
--Neen, alleen in het Theater.... Scenische Spelen.
--Over drie dagen opent het Circus Maximus....
--Vooruit toch! Naar het Theater!
De straten krioelden. Het stroomde nu van alle kanten in éene richting. Door het Forum Romanum, door de keizerlijke fora, langs den Vicus Tuscus--de winkels gesloten,--over het Velabrum--geen markt!--over het Forum Boarium--geen runderen om den bronzen stier!--langs den langen muur van den Circus Maximus--nog toe!.... En het wriemelde tusschen de driehonderd zuilen van de Portiek van Octavia en langs de Theaters van Marcellus en Balbus....
--Die zijn treurig!! grappigde het volk. Omdat ze niet worden geopend!
--Die blijven rouwen.... om Attis!
--.... Attis! Attis! galmde door de menigte een troep bedelpriesters om een ezel.... Willen jullie de godin niet kussen? Willen jullie geen naveltjes koopen! Twee as! Drie as!!
--Hi-ha! balkte, woedend en verontwaardigd, door de Gallen voort getrapt, de weêrstrevende ezel, die een kastje torste onder vuilen sluier....
Uit de menigte drongen zich mannen, vrouwen, kinderen baan.... Zij drongen om den ezel....
--Vooruit! riep het naar het Theater stróómende volk.... Doorloopen!
Maar die om den ezel versperden den weg: de bedelpriesters beurden den sluier, ontsloten het kastje.... En de dringenden tegen den ezel, die balkte, kusten het armzalige beeldje.
--Vooruit! Vooruit!! schreeuwde het ongeduldige volk, duwende, zich verdeelende òm den ezel en de opstopping der bedelpriesters.... Doorloopen!
Het galmde, weêrgalmde door de lucht, tegen de huizen, van het gillen en roepen en lokken der priesters, het schreeuwen der vrouwen, het ezelgebalk en het trompetgetoeter en cymbalengekletter der kinderen. Tegen het Pompeïus-Theater golfde als een dichte, bontkleurige zee aan, waaruit de koppen dreven, de armen omhoog staken met wijdvingerige handen als van drenkelingen. Manipels hastati kwamen aan, lansen schuin, om af te zetten den weg, dien de draagstoelen der Senatoren, Consulaire-personen, Aanzienlijken, nemen zouden....
Het volk schreeuwde, gilde, galmde. De poorten van het Theater open, slurpte iedere poort de menigte op, zoog haar binnen. Het was of het Theater was een monster, een half ronde monsterkop van zuilende ommegangen, met beelden gediadeemd tegen de lucht, en dan met tal van muilen, van opene muilen, die de menigte slurpten, slurpten, zógen....
Het was de tweede ure des morgens; de dag, gelukkig, was zacht goud van zon en wazig effen blauw van lucht; de dag beloofde gunstig te zijn.... Het Theater schitterde òp, met zijn goud-grauwe tufsteen, zijn fijn dooraderd marmeren vakken en honderden zuilen, met zijn fel wit marmeren beeldenkroon. Het waren de zuivere lijnen en vormen der antieke bouwkunst, in deze Latijnsche decadentie nòg zuiver bewaard; het was een dier laatste verwezenlijkte schoonheidsideeën door Hellas aan Rome vermaakt, nog bijna geheel zuiver gehouden.... En het léefde van daag: deze schoonheid van vormen en lijn, van marmer en tufsteen; het léefde, dit immense, ronde Masker met de tallooze monden; dit Monster van Schoonheid met de tallooze muilen, die zogen de menigte in....
Binnen vulde zich het Theater. De menigte, de poorten binnen, verdeelde zich aan weêrszijden, de præcinctiones langs--de ommegangen--de trappen op, die de amfitheater-rijen doorsneden en zocht zich plaats op de trapsgewijze stijgende cuneï van steen. Velen hadden kussens meê, lage schabellen; groepen formeerden zich reeds; er werd geroepen, gewenkt: kom hier; kom hier! Drie half ronde præcinctiones doorsneden de cuneï met breede corridors; die corridors werden op hun beurt gesneden door zeven trappen: stralen gelijk, getrokken uit een middenpunt, door den halfcirkel heen des Theaters. Bleef de orchestra, en waar de Senatoren zouden zitten, bleven de eerste veertien rijen, de ridderbanken, nog leêg, de verdere ruimte, de cavea vulde zich, meer en meer. Nu was in minder dan éen uur tijds de geheele cavea vol: een kleine veertig-duizend toeschouwers zaten op elkaâr gepakt en maakten het zich gemakkelijk. Geroezemoes als in een bijenkorf, waarboven een luid gedruisch van stemmen: vreugde van wie goed zat, teleurstelling van wie geen plaats meer vond; veertig-duizend plaatsen waren gauw ingenomen, als het de eerste dag der Megalezia was! In de poorten verdrong zich nu kwaad de opgeslorpte massa, want het Monster van Schoonheid was al verzadigd.... En noode keerden de teleurgestelden om....
--Er is geen plaats meer!
--Wij zijn te laat....!
Zij keerden om, met wanhoopsbeweging, met zich teleurgesteld-schikken; zich belovende morgen vroeger te komen: er al te zijn en zich te scharen vóór nog de poorten waren geopend. Geheele families met grootouders en kinderen keerden om: er was niets aan te doen! Van dàag zouden ze de spelen niet kunnen zien. Zie, hoe bont vol de cavea op-een geperst was! Tusschen den half ronden muur, over den immensen put der cuneï, onder de nog wazig blauwe lentelucht, die als een hooge oneindigheid koepelde over het menschengedrang en -gedring. Maar velen konden het niet verduwen geen plaats te vinden, liepen lakoniek de præcinctiones op en neêr, bespiedden in de cuneï, ontdekten een betwijfelbaar plekje, drongen zich een trap op, dan tusschen knieën en ruggen der zittenden, vroegen beleefd om het plaatsje.... Meestal werd het ingewilligd, goedhumeurs; slechts zelden ontstond twist, of was er onwil: wàs het plekje te bezitten, dan werd het afgestaan; de rug van den indringer dráaide zich tusschen de schouders der beide inschikkenden en de knieën van wie achter hen zat; zijn billen poogden dalende de zitplaats te bereiken; soms zat hij neêr op de voeten van wie achter hem zat; er waren kwinkslagen, obscene schertsjes: zoo dicht zitten op elkaâr lokte allerlei uit, maar zelden boosheid: meer aardigheid met de vrouwen, geheime liefkoozing; kleine intriguetjes tusschen onbekenden werden voorbereid met een drukje van knie of voet en flegmatische gezichten strak-uit: een stukje kussen werd aan geboden, een bundel mantel werd tot kussen gerold: pakjes met brood, worst, kaas en ooft werden geopend en kleine kruikjes wijn.... Mannen moesten voor hun vrouwen zorgen, zagen toe op voeten en knieën achter haar; op te dicht dij-geschuif ter andere zijde; zitten naast elkaâr in het Theater zoo dicht, zoo lang, broedde wel eens sympathietjes uit. Het werd al spoedig gezellig warm-krijgen naast elkaâr, zweeten schouder aan schouder: de zon rees en de lucht blauwde. Veel hadden de opzichters niet te doen: zij bewaakten alleen de ridderbanken, de orchestra, dat daar geen onrechtmatige binnen sloop, wie géen bronzen tessera had--biljet met maskerkop--; in de cavea deden ze maar als ze wilden.
Nu was het vol, vol, vol. Gezellig vol, en het was vòl kennissen. De gladiatoren hadden dadelijk de bovenste ommegang in beslag genomen om de ruimte te hebben voor hunne breedschouderige gewichtigheden, want gewoonlijk plofte het publiek zoo gauw mogelijk neêr op de cuneï achter de ridderbanken, om dichter bij het tooneel te zijn. Tal van soldaten verbroederden zich daar met hen en troepen slaven zaten daar ook, om niet te dicht bij hun meesters te zitten en dus vrijer te zijn, lòl te hebben, te gooien met schillen, te ròepen.... Hoogmoed was hier niet op zijn plaats: tusschen de gladiatoren--daar zat de beroemde Carpoforus--en zaten Myrrhinus met Triumfus en Priscus met Verus en Colosseros ook--en de slaven verbroederden al wat mindere winkelstand was--toch òok "veracht beroep": de vollersbaas had zijn gekrijte toga's in den steek gelaten en zat er met àl zijn vollers en volsters; Autronius, de slavenkoopman, zat er met de "kostbare" en de Daciërs, die hij nog niet verkocht had; hij vond het maar gemakkelijk al zijn koopwaar meê te nemen naar het Theater en trotsch welfde zijn buik en rondde zijn volle-maansgezicht naast de "kostbare", de Lydische en deed hij, of hij de man of de minnaar was van die mooie, Grieksche slavin, die, rijk gedost, zat aan zijn zij. Taurus zat niet ver van hem met zijn acht meiden--beter ze meê te nemen dan ze thuis op te sluiten: dan werden ze weêrspannig en braken den boel, en Pampus zat er met de zijne en die oude Galla met de hare: de heele Suburra drong er op elkaâr; zelfs de straatjongens hadden kans gezien.... Dat drong, drong op elkaâr, met de dieven en beulen, de lijkendragers, de matrozen van Ostia en hunne meiden, de bedelende Gallen, die na het eerste morgenuur toch geen zaken meer deden met hunne godin en de nietswaardige naveltjes; en al het personeel van de Thermen en al de werklieden, die werkten aan de nog niet geheel voltooide Titusbaden en het Colosseum; dat drong op elkaâr met al de slagers, de warmoeziers, de sneeuwverkoopers en ooftverkoopers van het Velabrum, terwijl de voornamere winkeliers van den Vicus Tuscus, en de wisselaars, Tryfo en de boekhandelaars van het Argiletum en de zijdeverkoopers en de juweliers zich liever een beetje bij elkander hielden, stand bij stand, in aangenaam samen zijn voor dien gehéelen dag, dat de Scenische Spelen duren zouden. Ja, zat je niet prettig, dan was het beroèrd, zoo een dag, als er een blies in je nek of spichtige knieën duwden in je rug of een luizekop vertoonde zich voor je van wie in een week zich niet had gebaad, dan was er, bij Herkles, geen pleizier aan en werd je sceniesch pleizier bedorven door je nabuurschap. Maar als je gezèllig zat, als je voet zoo een beetje zoeken, als je knie zoo een beetje drukken kon, als je hand het daarna dorst wagen--wie zàg wat in die volte, onder de plooien der kleêren!--dan werd je sceniesch pleizier, niet waar, verhóogd door wàrmte van sympathie, door klein gespeel, nadere kennismaking, en onderzoeking, luttele toevalletjes, die niemand kwalijk nam, vluchtige verliefdheidjes, die niet langer duurden dan je sceniesch pleizier zelve zoû duren....
--Wat! riep Nilus verontwaardigd in de poort.... Is er geen plaats meer? Zoû er geen plaats meer zijn voor mij?? Voor mij, die al sedert de nacht bezig ben geweest te kokerellen, zoo dat van avond de caterva wat te eten heeft?? Maar daar komt niets van in, hoor! Plaats moet ik hebben en zal ik hebben, voor mijn moeder, voor mij en mijn slaven....!
Maar de opzichters aan de poort, die hij was binnen gedrongen, tegen den stroom van de teleurgestelde laatkomers, die omkeerden, in, beduidden hem, dat het Theater vol was, dat de veertig-duizend plaatsen van de cavea waren ingenomen, dat hij morgen, als hij vroeg kwam, een kans zoû hebben....
--Morgen? riep Nilus, die er niet aan dàcht op zijn passen terug te keeren. Morgen? Maar dan is het de eerste voorstelling van het Colosseum! Nu is het de eerste voorstelling in het Theater! Bij de éerste voorstelling moet je zijn, als je in Rome iets beteekenen wil! Beteeken ik niets? Wie heeft er in de Suburra een taveerne als ik?? Ben ik niet Nilus, die van den Nijl komt!
Onder het publiek, dat hier en daar luisterde, lachten zij, vroolijk.
Het kòn heusch niet, weêrstreefden de opzichters: zie toch, het Theater was boordevol....
--Boordevol? riep Nilus. Boordevol? En wat dan nog? Zoû er, al is het Theater boordevol, geen plaats meer zijn voor mij en de mijnen? Voor mij, wiens ezel waarachtig in den Proloog optreedt! Heeft de dominus mij mijn ézel dan niet gevraagd, omdat hij zonder hem de Bacchides niet spelen kon? Willen jullie, dat ik mij wreek door mijn ézel terug te vragen, zoo dat de voorstelling niet door kan gaan?
Nu luisterden allen, wilden weten wat er toch gaande was, schaterden het uit, en overal riepen stemmen:
--Nilus! Nilus! Er is wèl plaats: kom toch hier!
--Nilus!! donderden de gladiatoren, Colosseros en Carpoforus van af de hoogste rij; hièr is een plaats voor jou!
--En mijn moeder!? riep Nilus en wees op de dikke Alexandrijnsche.
--Alexa! Alexa! noodde Taurus, tusschen zijn acht meiden, zijn overbuurvrouw. Hier is een plaats voor jou!
En zijn meiden, met hem, riepen:
--Alexa! Alexandrina!
--En voor mijn slaven?! riep Nilus.
--Hier! Hièr! Hièr! brulde, galmde, gilde het lachende van alle kanten. Hier is een plaats! Hier zijn twee plaatsen!!
De eerste ridders, de matronen, die binnen kwamen, door hunne poort, en zich begaven naar hunne zitplaatsen, zagen nieuwsgierig naar de cavea, waar zoo veel rumoer was. En de Alexandrijnsche, Nilus, de slaven stegen de verschillende trappen op en nestelden zich zoo goed als het ging: Alexa bij Taurus en zijn meiden, Nilus bij de gladiatoren, de slaven her en der.
Oorverdoovend, overdruischend lawaai! Wat stemmen van lachende, elkander herkennende, toewuivende mannen, vrouwen, van schreeuwende en nòg, trots verbod, toeterende en cymbel-kletterende kinderen! Maar de ridderbanken vulden zich en in de orchestra werden nu ook de subsellia ingenomen door de Senatoren, die bij groepen samen kwamen, door de Consulairen, door de Aanzienlijken.
--Dus de Keizer zal niet verschijnen? vroeg de oude Verginius Rufus: hij was tusschen Plinius en Frontinus binnen gekomen; zij hadden hun bronzen tesseræ, met den maskerkop er op gegraveerd, den opzichter overhandigd; zij namen plaats nadat de opzichters hunne kussens beleefderig hadden opgeschikt: zij groetten, hier en daar, toe naar de ridderbanken; zij wuifden naar de Senatoren de hand; Senatoren stonden op, begroetten hen; er was onderlinge plichtpleging.
--De Keizer zal niet verschijnen, hoorde ik, zeide Frontinus; Domitianus is ziek.... Hij moet gisteren, na den moord op Nigrina, als bezeten geweest zijn; hij houdt zich verborgen.... Gegroet, Quintilianus; gegroet, Tacitus!
--De Keizer? Neen, de Keizer zal niet verschijnen, verzekerden Tacitus en Quintilianus.
--De Keizerin wel, verzekerden enkele Senatoren; wij waren van morgen op het Palatium genoodigd....
--Om van uit het achterperistylium de processie te zien op het Tempelplein....
--De Keizerin kwam uit het Huis van Livia....
--Zij zal komen, zij zal zeker komen....
En allen zagen links en rechts, naar de beide Tribunalen: de keizerlijke loge's ter zijde van het proscænium. De zuilen er van waren festoen-omslingerd; tapijten hingen over het marmeren hekwerk af; de zetels met kussens stonden er gereed. Twee wierookvaten stonden voor ieder Tribunaal, op bronzen drievoet, in de orchestra en hooge bronzen lampen, om ontstoken te worden mocht tot de schemering de daglange vertooning duren.... Maar de beide Consuls deden hun intrede, de Præfecten van Stad en Schat, Leger en Vloot, de verschillende Colleges van Tienmannen en Viermannen en Twintigmannen, de prætor en de ædilen, die de Spelen hadden uitgeschreven. Vol Romeinsche waardigheid vulde zich de orchestra; toga's ontplooiden zich; laticlaviæ vielen purperomzoomd langs de zetels; de cavea staarde toe, noemde namen....
--Wij komen laat! drongen zich beleefd Juvenalis en de jonge Suetonius tusschen de eerste ridderbanken.
--Ik het laatst misschien? hoorden zij een stem: het was Martialis: er was herkenning, begroeting, weêr opstaan, plichtplegerig, sierlijk en hoffelijk; er werd veranderd van plaats met eindeloos weêrzijds vergeving vragen, weigeren, aannemen dan; de letterkundige vrienden, hoewel in orchestra en ridderbanken gescheiden van elkaâr, wisselden toch woorden, konden tot elkander fluisteren.
Plotseling--de zon, rijzende, scheen feller uit de blauwe lucht en viel reeds gloeiend, trots dit derde uur van den morgen, den blank den schijn weêrkaatsenden put van het Theater in--rolde boven over de opene ruimte heen als een immense, vuurroode golf, die zich wapperend ontplooide, zich uitbreidde met immense, meer en meer van zwoele bries doorklaterde banen.... Het was het velarium, dat langs ijzeren stangen en staven aan koorden getrokken, het geheele Theater overgolfde, den marmeren put af sloot van den Aprilhemel boven en den zonneschijn door liet schemeren met een zacht rooden gloed, weldadig, weelderig van tint, een vloed van getemperd purperen dageschijn, die zich gelijkelijk verdeelde over het geheele, bont overvulde Theater, naar mate het gehéel overdekt werd....
--O-o-o-h! zuchtte de menigte op van verluchting, want reeds, zoo dicht op elkaâr, zweetende in den morgengloed.
Zoo was het móoi en goed....! Zoo was het heerlijk en zálig! Zoo was het gedempt en knùs....! Kijk, hoe de breede, roode banen zacht klakkerden, zacht wapperden, van de bries, boven die meer dan veertig-duizend koppen, die keken op. Zie je, er waren de Muzen op geschilderd, die dansten op een hemelsche bloemenweide; zie je wel, het was of de Muzen daar zweefden in den zacht rooden gloed van apotheoze, reiende haar dans over het gespikkelde gouden gebloemte....
--Het is toch móoi, ons Theater van Pompeïus! bewonderden ze hier en daar: de meiden van Taurus om de Alexandrijnsche, de matrozen, de slaven, de vollers, de kooplui van het Velabrum. Nergens was zoo een mooi Theater! Waar kòn nog zoo een mooi Theater zijn! Van binnen gehéel met marmer bekleed, met regelmatig in den ronden muur, boven de zitplaatsen, de nissen, waarin de marmeren en bronzen beelden of de groote, bronzen bekkens, die op vingen den klank der stemmen van de tooneelspelers en het geluid weêrkaatsten heen door de theaterruimte en al dat marmer en brons, overtogen met een zacht rooden gloed, die neêr zeefde uit het velarium.
En dan die weidsche orchestra, waar zoo wat zeshonderd Senatoren nu op hunne subsellia zaten met al die andere deftige, Consulaire personen en autoriteiten, en dan die twee prachtige Tribunalen, ter zijde. En dan de scæna, àchter het proscænium: waar zoû zulk een mooie scæna elders gevonden worden, dan in Rome, in hùn Theater van Pompeïus!
Want het publiek, dat wachtte, kon nog niet anders dan om zich rond en vóor zich kijken en bewonderde dus de scæna vooral. Het was de afsluiting van het proscænium, waarop de tooneelspelers zouden treden: de scæna was de monumentale muur, die afsloot het eigenlijke "tooneel": muur van twee verdiepingen, met in het midden de groote poort, de Koningspoort der tragedie, waar de vorstelijke personen werden gedacht uit hun paleis te treden; met twee zijpoorten voor de "gasten"; met de twee monumentale trappen links en rechts, toegang gevende tot hoogere poorten in de tweede verdieping, voor de "vreemdelingen" of de "boodschappers", naar de "zee" of de "stad", ook om alle mindere personages te doen verschijnen of verdwijnen en die scæna was hier een dubbele, Corinthische kolonnade, de eene òp de andere, met kolommen van de edelste steensoort, marmer van Caristo en Numidië, terwijl in de nissen van den scæna-muur, tusschen pilasters, beelden stonden en groote, schuine, geluid weêrkaatsende, bronzen schalen waren ingevoegd. De scæna verhief haar prachtigen achtergrond even hoog als de hoogste præcinctio of ommegang--die, waar langs de gladiatoren en Nilus zaten--en, beschut door een afdak, met gebeeldhouwde architraaf op hoogste zuilen, verhief zij aan hare uiteinden de marmeren draagkronkels, waarin de korte, zware, vergulde masten zich niet hooger dan éen armlengte beurden om het stangen- en stavensysteem te torsen, waaraan het roode velarium over het Theater was uitgegolfd, van de scæna dus af tot óver de hoofden der gladiatoren, wier wel eens speelsch reikende handen de purperen banen toch niet konden bereiken....
Deze wachting van het Romeinsche volk in dien immensen halfcirkel, half ronden, marmeren put, allen starende naar de blanke plooiruggen der Senatoren en Aanzienlijken, starende naar de prachtige scæna, onder het geleidelijk overal neêr zevende, roode licht, was de zalige verademing na de eerste reeds zoo drukke morgenuren. Zij zaten nu, geïnstalleerd; zij aten nu, zij dronken gezelligjes wat; er was niet meer dan een ruischend, druischend geroezemoes; de moeders hielden de kinderen zoet. Zij wisten, dat zij làng zouden wachten. Toen er fanfares kletterden buiten, van de poort van het linker-Tribunaal, spitsten zij òp, keken links.... En slaven haastten zich met brandende lonten naar de hooge wierookvaten, die links stonden op bronzen voetstukken in de orchestra, de wijde schalen ontluikende aan weêrszijden van de zuilen des Tribunaals. En zij staken den wierook aan: dadelijk wolkte de walm, spiraalde met dikke wolken omhoog, verijlde blauwig in het roode licht, verviolette weg krinkelend de ruimte door....