De komedianten

Chapter 11

Chapter 113,567 wordsPublic domain

--Moederlijk hart?? spotte hij. Ze zijn allerliefst. Ze doen je eer aan. En Manlius ook, in de Aegeïsche zee. Je kinderen-van-liefde.... Je tweelingen. Je spruiten-van-hartstocht. Ze zijn móoi.... Ga morgen zelve maar zien hoe goed ze spelen....

--Ja.... zeide zij, met een lachje blij.

Het was een verschiet van blijheid, even, tusschen de angsten door: het Feest van morgen, de Megalezia! Het Theater, haar kinderen, die zij zoû zien!! In drie jaar had zij hen niet gezien. Zouden zij lijken op hun vader? Dien zij, gek, bemind had, gevolgd, toen Titus nog leefde en heerschte, en toen, pas uit Egypte, haar broêr had gepoogd zich in Rome een weg te openen naar rang, geld, grootheid.... Toèn had hij haar bijna vermoord. Sedert, om hem te verzoenen, had zij zich door hem verkoopen laten, telkens en telkens.... Ook aan den Keizer.... Had hij zich niet gewroken.... Nu waren de jaren gewenteld....

Zij zag hem steeds aan, onderging zijn vreemde kracht, als magiesch, in zijn doorzenuwde zwakte. Maar er werd gebonsd op de deur.

--Lavinius....! riep zij.

--Bónst een komediant op de deur van Crispina? lachte hij.

Zij zelve opende. Driè vrouwen, gesluierd, haastten zich binnen. De middelste trok haar sluier weg.

--Augusta!! kreet Crispina, strekte groetend de handen; Crispinus rees op....

Het was de Keizerin, Domitia. Zij was met de jongere Domitilla, Domitianus' zusters kind en met Fabulla, hare nicht. De beide andere vrouwen ook, ontsluierden zich.... Fabulla was doodsbleek.

--De Keizer is gek! fluisterriep Domitia. Hij doet als een bezetene: hij loopt de lange spiegelgalerij af, heen en weêr en ziet in iederen spiegelsteen om, of niet iemand hem volgt....

--Wij durven niet in het Palatium blijven, zei Domitilla, bevende. Wij hebben om een hoek gekeken, in de spiegelgalerij.... O, die galerij, die krankzinnigheid! Overal die weêrkaatsing van je eigen beeld! Als een duizendvoudig spook!!

--En sedert hij heeft gehoord van mijn àrme Nigrina....! snikte Fabulla op.

--Wàt? vroeg Crispinus: de vier vrouwen stonden om den eenen man, in het kleine atrium; over hen drukte de zwoele, lage, starlooze lucht. Hij heeft tòch gehoord??

--Vreest hij ook voor zìch!! riep de Keizerin. Wil hij niemand bij zich! Jaagt hij iedereen weg, zelfs Saturio! Zelfs Parthenius!

--Zelfs hèm?? vroeg Crispinus.

--Zelfs hèm! riep Domitia woedend. Jou creatuur!

--Ik dacht den Keizer welgevallig....

--Wàt welgevallig! riep Domitilla. Niets, niemand is hem welgevallig! En wij, vrouwen, wij kunnen niets. En jij kan niets, al ben je een man. Het kan zoo langer niet duren!

--Het kàn zoo langer niet duren! riep Domitia.

--Fabulla! riep Crispinus. Jij was gisteren nacht bij Nigrina?

--Ik?! schrikte Fabulla. Néen!

--Ja, jij wàs er! Jij bent iedere nacht bij haar in de Carinæ!

--Neen! schreeuwde Fabulla. Ik was er nièt!

--Schreeuw nièt! riep Crispina, angstig. Bedenk toch....

--Jij was er, dreigde Crispinus. Toen zij vermoord was.... Met wie waren jullie?

--Ik wàs er niet! verdedigde zich Fabulla. Ik weet van niets! O, ik dàcht wel, dat ze denken zouden....!

--Jij wàs er!! zei de Keizerin. Je weet er van!

--Augusta! smeekte Fabulla; zij viel op de knieën.... Augusta! ik zweer u; ik was er niet, ik was niet bij Nigrina....

--Je bent er iederen avond! zei meêdoogenloos Domitilla.

--Iederen avond! riep Crispinus, wreed verlucht een ànder angstig te zien.

--Ik was er niet! gilde Fabulla.

--Gil nièt!! riep Crispina.

Crispinus rukte Fabulla op.

--Waar was je dan?? vroeg hij ruw.

--Ik was.... Ik was....

--Waar?

--Waar??

--Waar??? vroegen de vrouwen, om haar heen dringend.

--Bij Galla! kreet Fabulla uit.

Zij lachten, de vrouwen, de man.

--Bij Galla! lachten zij. Bij de oude Galla! Bij die smerige lena....?

--In haar onderaardsche fornix, lachte Crispinus. In de gemeenste buurt van het Summenium?

--Ja! kreet Fabulla, alles zeggende om van zich af te wenden alle verdenking, dat zij weten zoû van den moord op Nigrina.

--Met wie....?? drongen de vrouwen. Zeg met wie?

--Anders gelooven we je niet! drong Crispinus.

--Met.... aarzelde Fabulla.

--Met?

--Colosseros! riep zij. Met Colosseros!!

Zij rees in doodsangst. Zij zoû àlles zeggen, liever dan nòg verdacht te worden: zij zag het martelkruis reeds vóor zich rijzen, zij zag zich levend worden begraven als de Vestale geworden was. Cornelia, die Crispinus verleid en verraden had.

--Wie is Colosseros? vroegen Domitia en Domitilla.

--Wel, de "kolossale Eros", natuurlijk een gladiator! riep Crispinus.

--Nu ja!! riep Fabulla verlucht. Nu ja! Een gladiator!

De vrouwen, driest, zagen elkaâr alle drie aan; Domitia, Domitilla, Crispina. Zij hadden, met Fabulla, geen geheimen voor elkaâr, wat betrof hare nachtelijke omzwervingen, hare vluchtige hartstochten, die zij niet telden. In de zwaarmoedige, steeds somber dreigende atmosfeer, die het Palatium vervulde, die dreef over geheel den Palatinus, hadden hare ontzenuwde zinnen en zielen onweêrhoudbare behoefte dien knellenden tooverban te ontvluchten naar het leven, naar het gloeiende, bloeiende leven, het dòlle leven, om toch te vergéten! Zij hadden allen hare minnaars; zij hadden misschien wel verstoken kinderen; vermoedden allen van elkaâr zulke dingen. Domitia was immers gedurende maanden verstooten geweest door Domitianus, om Pâris, den mimus, dien de Keizer had laten kruisigen. Zoo Fabulla, op het oogenblik, dat Nigrina vermoord was geworden, samen was geweest met dien "kolossalen Eros" in de onderaardsche krotten van de oude Galla, dan....

Crispinus, in zich, voelde de spijt, dat het hem vermoedelijk niet gelukken zoû op Fabulla verdenking te werpen. Zoo hem dit gelukte, zoû hij dadelijk in Domitianus' gunst sterker staan; de Keizer zoû Nigrina's moord immers willen wreken, al zoû het alleen maar zijn om zichzelven gerust te stellen, dat er een moordenaar minder door Rome zwierf.... Als bezeten van angst was hij voor moordenaars! En Crispinus dacht: wàt kon hij doen! De grond wankelde als onder zijn voeten....

Plotseling werd, bescheiden, op de deur geklopt. De vrouwen schrikten.

--Wie wacht je? riep Domitia, zenuwachtig, ongerust. Doet de Keizer misschien mij zoeken? Wat wil hij? O, ik kàn niet naar het paleis terug; ik ben bàng!

--Wacht je iemand? vroeg Domitilla Crispina.

--Ja, bekende Crispina.

--Hièr?? riep heftig Domitia, in angst om zich rond ziende. Op den Palatinus? Een minnaar van je? Als óoit de Keizer dàt weet, dat je hier ontvangt.... een vreemden man.... die nièt op den Palatinus behoort.... die binnen kan sluipen in het Palatium om hem te vermóorden....!

--Augusta, ik weet alles af van den man, die daar klopt.... zei Crispinus.

--O jij, jij! riep Domitia. Denk jij, dat jij in 's Keizers gùnst bent van daag? In zijn gunst bent, sedert Nigrina vermoord is? Hij zal haar willen wreken, misschien wel op jou....

--Op mij?? riep Crispinus ontsteld. Wat kan ik....?

--Waarom niet op jou....? Waarom niet op den eersten den beste? Op een van ons, op mij?! Als hij zijn angsten maar stillen kan door een daad van bloed, door een daad van bloèd! Een moord, dien hij zelf niet pleegt, maakt Domitianus gek!

--Om der Goden wìl, Augusta!! smeekte Crispina. Spreek zachter; die man hoort misschien, buiten....!

--Hoe kunnen wij weg? vroeg Domitilla. En waarheen?

--O! riep Domitia uit. Ik kàn niet terug naar het Paleis! Ik ben bang, ik ben bang!

--Ik ook! riep Domitilla.

Zij wrongen de handen.

--Kom met mij meê, zei Crispinus bleek. Ge kunt hier niet blijven, Augusta; als de Keizer hóort, dat ge een nacht niet in het Palatium sliept....! Kom meê....

De klop op de deur herhaalde zich. Er klonk even koperen klank, als van een speer, verzet op het steen buiten.

--Er staan Prætorianen voor de deur, fluisterde ademloos Domitia. Hoe kan ik vluchten!?

--Augusta, zei Crispinus. Geloof me, ik wéet wie daar klopt.... Het is éen Prætoriaan, met....

--Met wie?

--Met wie? vielen Domitilla, Fabulla in.

--Met Lavinius Gabinius, bekende Crispina.

--Wie is dat....?

--De dominus gregis, zei Crispina; wiens troep morgen speelt.

--De Megalezia!! riep Domitia. Het is morgen de eerste dag van de Megalezia! O, de Keizer zal niet in het Theater willen komen! Het is ook beter niet te gaan.... Crispina, wat moèt je met dien dominus gregis....?

--Augusta....

--Zeg het me....?

--Hij komt haar nieuws van haar tweelingen melden, zei ruw Crispinus.

--Crispinus! kreet zijn zuster.

De vrouwen begrepen; zij lachten.

--Je tweelingen? spotte Domitia.

--Zijn ze in zijn grex?? spotte Domitilla.

--Tweelingen! riep Fabulla. In den grex, van Lavinius Gabinius! Maar ik kèn ze! Ik heb ze gezien! Ik heb jou tweelingen gezien....!

--Gezien?? riep Crispina.

--In.... fluisterde blij Fabulla, die terrein herwon; in de taveerne van Nilus; daar aten ze....!

--Haar tweelingen??

De vrouwen scháterden het uit van lachen.

--Tweelingen.... Crispina's tweelingen!

--Ik krijg nóoit tweelingen! juichte Fabulla. Onnoozele, die je geweest bent.... De oude Galla wéet hoe ze niet te krijgen!

--Augusta.... smeekte Crispina. Ik smeek u....

--Wees niet bang, Crispina, lachte Domitia en Domitilla en Fabulla schaterden van minachting. We zullen nièts, aan niemand, van je tweelingen zeggen.... Hoe kunnen we weg.... Hier langs....??

--Ja, zei Crispinus, en wees een deur.

De drie vrouwen, lachende, vergeten àl hare angsten, om zoo vermakelijke verrassing, stortten toe op de deur.... Crispina, smeekende, vouwde de handen....

--Augusta.... Zeg nóoit den Keizer....?!

--Het is immers nièts, Crispina, stelde lachende Domitia gerust. En ik zeg nièts aan den Keizer.... En wat zoû het hem nog kunnen schelen! Tweelingen....!

--Twéelingen!! lachten de vrouwen, weg dringende door de deur.

Zij waren weg, met Crispinus.... Crispina, bleek, opende de deur.

--Domina, zei de Prætoriaan, wiens speer zij had hooren rinkelen. Hier is Lavinius Gabinius, dien ik van de Septizoniumpoort heb moeten begeleiden tot uw huis....

--Laat hem binnen.

Lavinius Gabinius trad binnen; de Prætoriaan zeide:

--Ik zal in het park op hem wachten, om hem terug te leiden....

En Crispina sloot de deur.

--Domina, groette beleefd de dominus.

Crispina, een oogenblik, zeide niets. Zij moest tot kalmte komen; haar borst deinde. Zij zette zich op de rustbank. Eindelijk sprak zij:

--Lavinius....

--Domina?

--Ik heb je bij me laten komen.... Om je te vragen....

--Wat, domina?

--Naar de kinderen....

--Zij maken het wèl, domina....

--Ik zag ze niet sedert drie jaar....

--Toen zij dansten in het mimus-spel.... Zij zijn gegroeid; zij zijn mooie knapen.... Zij spelen de "eerste-vrouwe"-rollen.... Domina zal ze morgen zeker komen zien....?

--Ik weet het niet, weifelde Crispina.

--Maar het Hof komt toch? De Keizer? vroeg Lavinius, reeds angstig. De eerste dag der Megalezia....?

--Niets is zeker, twijfelde Crispina. De Keizer is ziek.... En de Keizerin.... Lavinius....

--Domina?

Zij rees plotseling op, hoog, boos.

--Kon je niet vermijden in Rome te komen?

--Domina, de ædilen noodigden mij.... Ik was in Neapolis.... Ik ben drie jaren in Klein-Azië geweest, in Egypte.... Ik kòn niet weigeren.... Ik ben bekend, beroemd. En.... en domina.... wàt vreest ge?

--Weten zij?

--Wàt weten zij? Zij weten niets. Zij denken dáar niet over, vermoeden, dat zij vondelingen zijn.... gestolen kinderen....

--Zijn ze mooi....?

--Als uw zonen maar kùnnen zijn, domina.

--Lijken zij op hun vader? Je herinnert je hem....

--Zoû ik me Manlius niet herinneren, domina.... Zij lijken op hèm en op ù....

--Al gaat het Hof nièt, ik kom ze tòch zien.... Maar Lavinius....

--Domina?

--Zeg me eerlijk.... Wil je gèld, dat je in Rome komt?

--Geld, domina....?

--Dan heb je mis gerekend. Ik hèb geen geld; ik leef hier van de goedgunstigheid van den Keizer en dan.... ièdereen weet nu van mijn kinderen af.... Zelfs de Keizerin....

--Domina, wat zoû ik geld willen? Waarom? De tweelingen, die ge mij--meer dan twaalf jaar geleden--schònkt, zijn slaafjes, die hun geld òpbrengen, al gaf ik ze een dure opvoeding....

--Ik dacht....

--Gij dacht niet goed, domina.... Gij dacht, dat ik u lastig zoû willen vallen.... Omdat ik in Rome was.... met de jongens? Domina, ik ben een kùnstenaar: ik denk alleen aan mijn kunst; aan mijn troep, aan ons spel.... Ge hebt Lavinius Gabinius verkeerd beoordeeld....

--Omdat ik je waarschuw, dat toch ièdereen--zij haalde diep adem--het wéet....

--Behalve zijzelve....

--Laat het hen niet weten....

--Ik zal het hun niet zeggen.... En zij dènken niet aan hun moeder....

--Dènken zij niet....?

--Hoe zouden zij....? Wat kan een moèder hun schelen. Ik was hun altijd een vader....

--Je bent goed voor ze, Lavinius?

--Te goed, domina. Een komediant krijgt wel eens slaag, als hij slecht speelt. Zij hebben nóoit slaag gehad.

--Omdat zij goed spelen....?

--Zij spelen goèd, maar verdienen toch wel eens slaag.

--En dan.... krijgen ze....?

--Géen slaag.

--Ik kom ze morgen zien....

--Zelfs als het Hof....?

--.... Niet komt. Lavinius....

Zij zocht in den gordel van haar stola, vond er de beurs, die zij, voorbereid, bij zich gestoken had en, een oogenblik geleden, niét had willen geven, omdat Crispinus toch alles opzettelijk verraden had....

--Domina....

--Hier zijn duizend sestertiën.... Neem die aan.... Blijf goed voor mijn kinderen.... Mijn jongens.... die op hun vader gelijken....

--Zij zijn tenger en fijn, als gij....

--Maar tòch....?

--Zeker, zij gelijken op Manlius.... en hebben zijn talent geërfd....

Een sandaal kraakte.... Door de zijdeur kwam plotseling Crispinus.

--Je laat me schrikken, beefde Crispina.

--De Keizer is rustig, fluisterde hij. In zijn kamer.... De Keizerin, Domitilla, Fabulla hebben zich in haar kamers opgesloten. Ik blijf hier, Crispina....

--Hier??

--Het is mij hier veiliger. Als hij mij ontbieden laat, moeten zij mij zoeken en kan ik vluchten. Als hij mij nièt ontbieden laat, ga ik hem morgen begroeten, omdat er dàn geen gevaar is. Lavinius, weet wèl, dat iedereen wéet, dat mijn zuster....

--Edele Crispinus, als ik de domina zeide, heb toch geen vrees, dat ik.... Onder òns menschen dènken wij niet aan wat gij denkt, hier, in het Palatium, op den Palatinus. Wij zijn histriones, weet ge en wij hebben àndere zorgen.... Ten minste ik.... Ik verdien mijn geld op àndere wijze.... De domina gaf mij duizend sestertiën....

--Tòch?? riep Crispinus. Waarom nu? vroeg hij ruw zijn zuster.

--.... Maar, ging de dominus voort; ik heb geen rècht op dat geld. Hier is het, edele Crispinus!

Crispinus rukte hem de beurs uit de hand.

--Ik gaf het, smeekte Crispina; voor de kinderen....

--Je gaf hem de kinderen al zelf.... Voor ik ze de nekken kon omdraaien....

--Het was zeker een schoon geschenk, edele Crispinus, zei Lavinius waardig. Maar het zoû jammer geweest zijn, voor de kunst, hun de nekken te hebben omgedraaid....

--Ik kom ze morgen zien, zei Crispinus.

--Alleen, edele Crispinus, zei Lavinius rustig; ze zijn mijn sláven, niet waar....?

--Je sláven....??

--De domina stond mij haar kinderen af, als slaven, niet waar. Zij schonk ze mij, maar als slaven.... Het staat duidelijk in de akte van afstand. Ge herinnert u dat?

--Waarom....? vroeg Crispinus.

--O nèrgens om! zei Lavinius, zich nederig buigend, met afwerend armgebaar. Nergens om....

--Je denkt toch niet....?

--Ik denk nièts, edele Crispinus. Mijn arm hoofd is vòl van de voorstelling van morgen. Denk toch eens: de opening der Megalezia-spelen.... Geheel Rome.... Het Hof toch ook, hoop ik? De domina? Gij?

--Er is geen vrees, dat.... fluisterde tot Crispinus Crispina.

--Ik? fluisterde haar broêr. Ik vrees voor niets.... Ik vrees voor niets....

--Geef hem het geld terug....

--Het geld! Duizend sestertiën....??

Zij grinnikte, minachtend.

--Patriciër! spotte zij.

Hij verbleekte.

--Komediantenmeid! schold hij. Die haar kinderen als sláven weg schenkt....

--Jij zoû ze verkòcht hebben, als je geweten hadt, dat ze nog hadden geleefd, toèn....

--Jij hadt geen rècht....

--Hun vader léefde nog....

--Een infamis! Geen burger, een rechtlooze, een histrio!

--Recht! spotte zij. Wat is rècht in onzen tijd? Zoû je nog een proces Lavinius willen aandoen?? Ik was je vóor! Géef Lavinius het geld!

--Ik bèn immers geen patriciër....

--Slaaf uit Canope! schold zij.

Hij brieschte, balde hoog over haar de vuisten.

Lavinius weerde hem af met tooneelgebaar.

--Edele Crispinus, domina! zeide hij. Twist niet om mij, of om de knapen. Wij zijn histriones. Uw aandacht niet wáard. Ik ben overtùigd, dat gij, Crispinus, nooit en nòg niet hun iets kwaads zoû willen doen. Vergunt ge, dat ik thans ga? Het is laat en morgen, vóor het derde uur, moet ik reeds àlles gereed hebben.... Bedenk tòch, de éerste dag van de Megalezia-spelen....

--Geef hèm het geld, zei Crispina.

Maar reeds, met beleefd zwierigen groet, trok zich Lavinius terug, opende plots de deur. De Prætoriaan stond buiten.... zijn oor tegen den post, om te luisteren.... verveeld, dat hij alleen onduidelijk had hooren schèlden....

Broêr en zuster waren alleen. Zij zagen elkander vol haat aan.

--Ik blijf hier, zeide hij. Als de Keizer mij nièt laat ontbieden....

--Blijf, zeide zij, mat.

Hij volgde haar, het atrium uit, naar binnen, in het kleine huis. Op den drempel bleef hij nog staan, zijn sandaal kraakte; hij schrikte, nerveus en luisterde uit....

--Stemmen.... fluisterde hij.

Zij, ook angstig, luisterde.... De nacht drukte zwoel en laag.

--Gij, edele Martialis? hoorden zij, buiten, Lavinius Gabinius verwonderd zeggen.

--Jij, Lavinius Gabinius? hoorden zij, buiten, verwonderd Martialis antwoorden. Op dit uur, in de tuinen van den Palatinus?? O, jij schalk, die zeker een Palatijnsche bemint! O, jij, histrio, dien een patricische mint.... Wacht maar! Ik zal een epigram op je dichten!.... Ik? Ik ga naar den Keizer. Ik ben bij hem ontboden; als hij héel treurig is en genoeg van zijn narren heeft, roept hij mij om hem te verstrooien. Ja, Lavinius, wij, dichters zijn somtijds narren en narren zijn dikwijls dichters.... Vale, Lavinius....

--Vale, edele Martialis! Tot morgen, in mijn Pompeïus-Theater....

--Tot morgen, in jòu Pompeïus-Theater! Lavinius Gabinius, vale!

VII.

De Megalezia! De Megalezia!! De Groote-Godinnendag, dag, vóor de nonæ van April! Reeds in den allervroegsten morgen, toen de nacht nog schemerde, was Rome ontwaakt, was Rome krankzinnig geslagen van feestkoorts. Het begon met de kinderen, die reeds vóor de dageraad toeterden met trompetten en oorverdoovend kletterend sloegen met kleine cymbalen op straat. Niemand kon slapen meer; iedereen stond, koortsig, op; in allervroegste ure werden de Baden van Titus bestormd.... Werden in de taveernen bij de Baden de kommetjes gestremde melk uitgedronken.... Liepen de slaven, vrij, galmend, op straat. En was alle bezigheid en arbeid gestaakt. Dacht niemand aan zijn proces en zijn advocaat. Stroomde het naar den Tempel van Rheia Kubele, over de legendarische Cacustrap en voor het kleine Huis van Livia, om de processie te zien....

De Megalezia! Het feest der herleving van Attis, der Godenmoeder Geliefde! Alle somberheid en rouw had uit, sedert tien dagen geleden het heilige Mysterie met eindelooze weeklacht en klaagzang gevierd was. Toèn was op den dag van het "Intrat-Arbor" de Denneboom, waaronder Attis gestorven was, viole-omkranst, door den Archigallus van Rome en de Dendroforen in processie rond gedragen, was de Rouw, om Attis, waren de Vasten geweest, hadden op den Dies Sanguinis, ter herdenking van Attis' Dood en Zelfverminking om zijn ontrouw aan der Goden Moeder, de Gallen in smart en bezetenheid zijn voorbeeld gevolgd, en zich, tot bloedens toe, dànsende, op het plein voor den tempel, de mannelijkheid verminkt en weêr verminkt: in telkens herhaald symbool, schijnbaar, het roode bloed, dat geen bloed was, zichtbaar voor de oogen der menigte vloeiende.... Toen, na zoo veel Smart en Rouw, waren de Hilaria geweest, dag van Herleving en vroolijkheid, van dwaze grappen en uitbundigheid--was het Beeld der Godin--als toen het éenmaal van Pessinus was overgebracht--met groote plechtigheid onder gedompeld in de Almo, had het volk zich daarna gebaad in de Almo....

Maar heden, tien dagen later, begonnen de Megalezia! De Megalezia!! Een week van feest, van Scenische Spelen in het Theater van Pompeïus, van Athletische Spelen in het Colosseum en Circus Maximus, van over en weêr gewisselde uitnoodigingen der patriciërs tot avondmaal nà de Spelen, van veel vrijheid voor de slaven, die de schouwspelen mochten bezoeken, van feest, féest, féest voor iedereen!! Wie op was, gebaad had, ontbeten, voegde zich in den stroom, die golfde naar het tempelplein en het óverstroomde. De menigte stond dicht op een gedrongen. De Tempel was open, de zuilen waren omkranst met lauwer en sparrefestoen; in de geurvaten tusschen de zes Corinthische zuilen walmde de wolk van wierook, spiraalde weg in de blauwluchtige lente. In korven, op de treden stapelden de viooltjes,--bloemen van Attis,--die de Gallen uitdeelden onder het volk, tegen vergoeding: ieder stak zich viooltjes in gordel, in boezem, achter het oor....

In vroegere eeuwen--die der Republiek--vóor het Keizerrijk, waren de Scenische Spelen, die nu in het Pompeïus-Theater plaats zouden hebben, vertoond op dit plein, op de traptreden des tempels. Nu echter verzamelde zich, 's vroegmorgens, het volk om den telkens herhaalden omgang te zien. De priesters, die den tempel uit traden, dragende het heel heilige Beeld:

--Mater Deum Magna Idææ! galmden zij. Groote Godenmoeder der Ida!

Zij gingen de treden af, torsende onder een baldakijn het Beeld, vormenloos, verweerd hout, maar ontzagwekkend heilig, nauwlijks zichtbaar onder een zwaar met goud geborduurden sluier, en die af hing met zware gouden franje. Priesters, als Korybanten verkleed, demonen der bosschen der Ida, dansten om het Beeld den Pyrrhischen dans, zwaard kletterend op schild: herinnering aan Rheia Kubele's barenswee, toen zij Jupiter had gebaard en hare kreten waren versmoord onder der Korybanten luidruchtig wapengekletter om haar kind te redden voor den vader, Saturnus, die het kroost opvrat tot de Eeuwige zoû worden geboren:

--Mater Deum Magna Idææ! bassebrulde de Archigallus; de Gallen galmden na.

Een tweede processie trad uit. En de Archigallus, terwijl het Beeld terug in den tempel gevoerd werd, brulde, handen geheven:

--Acus Matris! Acus Matris! Heilige Navel der Moeder!!

En de Gallen galmden na....

Priesters torsten den Navel aan: op een tafel rees de donkere, pyramide-vormige meteoor, die, uit den hemel gevallen, de Navel van Rheia Kubele was: met juweelen ingezet, schitterde de Steen onder een sluier en het volk gaapte, ontzet....

En kochten de naveltjes, die de priesters, op de tempeltreden verkochten.... Toen plotse ontroering:

--De Keizerin....!!