De komedianten

Chapter 10

Chapter 103,734 wordsPublic domain

--.... Wèl genoemd, kwam ouder broêrtje nijdig na.

Daarna,

lazen zij alle drie, dichter, dominus, boekhandelaar:

DE KOFFER, Mimusspel van Publilius. Gespeeld door den beroemden Latinus....

--Latinus wordt oòk al genoemd! siste nijdig Cecilius; broêrtje siste dadelijk na....

En....

ging Martialis voort, met een ondeugenden blik naar de tweelingen:

Door de zeer beroemde Danseres.....

--Oooh!! verontwaardigden zich de tweelingen.

"THYMELE"

voltooide Martialis.

--Een vrouw!! krijschten de tweelingen te zamen, de vuisten ballend. Alleen maar een danseres! Nièts dan een danseres! Thymele, verbeeldt je! Wordt die oòk al genoemd! En nog wel geschreven met zulke groote letters, heelemaal rood! Heelemaal rood!

--Dat is de gewoonte, zei Tryfo. Thymele en Latinus worden altijd genoemd. Mimus en Danseres....

--En waarom niet de comoedi?? protesteerden de tweelingen.

--Om de "traditie", komediantjes! plaagde Martialis.

--Wij mimeeren ook, wij dansen immers ook....

--.... Zijn ook mimus en danser....

Ten slotte:

viel de dominus in met autoritaire verheffing van stem om die dondersche tweelingen toch te doen zwijgen: de heele caterva nu gluurde binnen, kop na kop en las, hard-op, een voor een:

--.... De Bacchides.... Dus de Bacchides?.... Daarna....

De Koffer....? Latinus en Thymele?

LAUREOLUS Groot Exodium-Spel.

Gespeeld door den allerberoemdsten archimimus Lentulus, ving Martialis het van den dominus op.

--Allerberoemdst! Allerberoemdst!! raasden de beide jongens: de blonde koppen naast elkaâr hadden nijdige adderbewegingen rond den dominus en ze fluisterden na, ze flikkeflooiden....; mochten hun namen oòk niet....??

--Kom, pleitte Martialis; dominus! Laat nu maar schrijven door de copiïsten met véel rooden inkt:

De Bacchides van Plautus,

Waarin de hoofdrollen zullen gespeeld worden door mijn twee onvergelijkelijke tweeling-comoedi, Cecilius en Cecilianus....

Tryfo lachte. De dominus werd zenuwachtig.

--Edele Martialis, waarlijk! En jùllie jongens, hoor nu even toch.... Gaan jùllie toch dóór, naar het Theater?! donderde hij de caterva toe, die bleef kijken: de koppen, plots, verdwenen: het daglicht viel helderder neêr over den, door Tryfo steeds opgehouden, uitgespreiden titulus:

--Je weet, ik doe voor jullie wàt ik kan! Jullie zijn ook lieve, aardige jongens....

--Blonde schàtten! prees Martialis.

--Jullie spelen goed, zeggen móoi; ik geef het àlles toe, jullie spelen de Bacchides....

--Als èchte Bacchides! viel Martialis in.

--Maar....

--Maar.... echode Martialis.

--De traditie, zie je, de traditie....

--Ja, de "traditie", knikte Martialis den jongens toe.

--.... Wil niet, ging Lavinius door; wil niet....

--.... dat jullie namen worden vermeld, viel Tryfo in en rolde den titulus op....

--Neen! herwon zich Lavinius. De traditie wil het niet. En dat is heel goed.... Kijk, het mimus-spel blijft altijd een kijkspel, zonder zèggingskunst, nu ja, mimiek, dans, saltatio, dat kan alles heel mooi worden en we zullen ook pogen het zoo mooi mogelijk te doen, maar het evenaart nóoit de èrnstige, hoogere komedie, de palliata, het Grieksche blijspel, verlatinizeerd, maar tòch Grieksch, onherroepelijk Grieksch en daarom alléen al, naast de tragedie, het hoogst staand van alles wat op de planken vertoond wordt, vertoond kàn worden.... En, zie je, jongens, ziet ge, edele Martialis, we kùnnen niet, we mògen niet, in iets van de palliata mimus-manieren aannemen, zèlfs niet in den titulus, waarin noch de Grieken, noch Plautus, noch Terentius de namen van de spelers ooit hebben vermeld; we moeten trouw aan de traditie blijven, de hooge traditie en jullie mogen niet, neen Martialis, ge moògt niet aandringen op die vermelding van de namen der hoofdrolspelers, en dat nog wel met rooden inkt, veel rooden inkt: neen, Martialis, ge moògt niet!!

Op eens schrikte Lavinius.

--Tryfo!! riep hij. Tryfo! De namen van de Consuls zijn toch niet vergeten onder aan den titulus?

--Heb geen vrees, Lavinius, zei Tryfo; voor de autoriteit heb ik minstens even veel eerbied als jij.... Ze stáan er op: onder het Consulaat van.... Zie je wel?--plooiende de rol nog even open. Dus alles in orde, Lavinius? Edele Martialis, vindt ge het dan goed, dat de copiïsten het schrijven van uw laatste bundeltjes staken voor van daag en morgen? En met de titulï beginnen? Er is zoo veel aan te doen! Om aan te plakken in het Forum, de Baden, bij het Velabrum, het Theater.... Ja, druk, drùk is het leven, edele Martialis, voor een boekhandelaar in Rome!

--Druk is het, beste Tryfo, voor een armen dichter, die van epigrammen leeft!

--Maar druk ook, met uw verlof, edele Martialis, zei Lavinius; voor een dominusgregis tijdens de Megalezia. Ik moet weg: repeteeren moeten we, den heelen middag....

--De Bacchides! verzekerden de jongens trotsch.

Het stond nu op den titulus; zij waren nu zeker van hun zaak. En zij namen alle drie afscheid van Martialis, die terug moest naar zijn huisje, heelemaal bij de Porta Nomentana, en te voet....

--Heb je je vijfde epigram voor den Keizer gisteren avond nog gevonden? vroeg Cecilius, al gemeenzaam met den jovialen dichter.

--Hèb je? riep Cecilianus na.

--Ik heb, ik heb, o comoedi der hoogere palliata, arme roode inktlooze slachtoffers van de traditie, blonde Bacchides-spelertjes met je aardige bakkesen! declameerde Martialis en wuifde ze toe, glimlachte ze toe met zijn Silenus-glimlach.

Zij wuifden, lachten terug; de dominus drong ze vooruit. De caterva was reeds een eind voort geslenterd; ja, de tweelingen bleven altijd de lievelingen. Wat wil je, hè; er waren er àltijd een paar, die....

De jongens, alleen met den dominus, verzekerden hem sentimenteel, dat zij èrg veel van hem hielden.... Dat zij hem nooit zouden willen verlaten, zelfs al werden ze rijk.... Ze hingen hem ieder aan een arm, gezellig slenterend met hun drieën, terwijl zij het Velabrum overstaken.... Daar was de markt nog in vollen gang; in Rome begon het huishouden laat. Daar waren de slagers, poeliers, warmoeziers, de banketbakkers, ooftverkoopers.... Daar waren de sneeuwverkoopers.... Onder bonten zeiltjes, kraampjes met afdakken, onder groote zonneschermen krioelde en woelde het marktgedoe. Vrijgelatenen, intendanten van rijke burgers, bevalen hun slaven de inkoopen in manden te bergen; vrouwen dongen, venters scholden terug, gaven toch toè, riepen dan weêr aanprijzende. Op den weg gingen onder oorverdoovend geschreeuw, geklak, gevloek, de karren elkander voorbij, reden op muilezels en ezels, ter weêrszijden beladen, de koopers met hunne korven provizies.

--Goed geluk! riep Nilus plots van zijn ezel hun toe: hij had zijn inkoopen gedaan; ter weêrszijden van zijn lastdier hingen de korven vol geladen met den voorraad voor de cena.

--Goed geluk! riepen Lavinius, de knapen: basroep tusschen soprane-gilletjes.

--.... Heb al de caterva daar ginds gezien! riep Nilus van af den ezel. Heb jij van den moord gehoord?

--Ja.... Nigrina....? Maar nièt Crispina, hè?

--Nigrina.... Vermoord!! Keèl afgesneden!.... Is de moèite waard zwaardvechtster te zijn om vermoord te worden door een dièf! Of een weggeloopen slaaf!!

--Door wiè? Een dièf?.... Weggeloopen slaàf??

--Klanten van mij.... Maar niet zeker: dief òf slaaf....

De jongens keken elkander aan, zeiden niets van hun ontmoeting van gisteren avond, bang voor het gerecht in Rome.

--Beiden? vroeg Lavinius.

--Wie weet! Kom je van avond?

--Ja! Avondmalen.... Nà de repetitie!

--Zal de lange tàfel voor je open houden, hoor!

--Kooltjes in laserpicium gestoofd?? gilde Cecilius.

--Picenum-broodjes? gilde Cecilianus hooger.

--Op je lieve snoètjes!! riep Nilus.

De ezel sloeg de achterpooten naar boven. Wie volgde, vloekte. Nilus vloekte terug, reed toch voort, spoorde met de hielen het beest. De jongens schaterden, zoo maar, om de vroolijkheid....

--Vlug toch, jongens; we hebben nog zoó veel te doen....

--Ja ja, de Bacchides! De Bàcchides!! triumfeerden de jongens, vroolijk.

Zij liepen nu haastiger, duwden zich brutaal een weg door de markt.

--Bijna zoo aardig als in Alexandrië.... glunderde Cecilianus, wereldwijs, hàd de wereld gezièn. Maar aan het einde van het Velabrum was de slavenmarkt en zij hoorden de uitroepers prijzen.

--Even kijken? vroeg Cecilius den dominus.

--Ja, even kijken? kwam Cecilianus na.

--Waarom niet.... meende de dominus.

Je wist nooit.... Geld had hij nu, voorschot van de ædilen, in bewaring gegeven bij een bekenden wisselaar en àls hij op de markt eens een goed slaafje aantrof, dan was het in Rome, waar de groote slavenmarkten waren, geen kwaad zaakje er éen te koopen.... Een knaapje, om op te leiden voor vrouwerol als de tweelingen te oud zouden zijn....

Zij liepen naar de slavenmarkt. Het krioelde en joelde er en de stemmen woelden door elkaâr. Het was daar aan het einde van het Velabrum een soort baziliek, zuil-overdakt, waar de slavenkooplui hunne slaven ten toon stelden. Zij betaalden voor hunne standplaats, zooveel voor iederen slaaf. De dominus trof er den slavenkoopman Autronius, die over den voller woonde, aan wien behoorde het huis, waar de grex inwoonde. Er was hoffelijke begroeting tusschen koopman en dominus.

--Ik kom eens kijken, zei Lavinius, met de twee jongens hem ieder aan een arm slingerslenterend.

--Ik dacht, dat je Cecilius en Cecilianus verkoopen kwam, zei voor de grap Autronius; hij was dik, kaal, gewichtig-joviaal.

--Dat kan je denken! zei Cecilius.

--.... Kàn je denken; echode Cecilianus. "Hadt je me maar!"

--.... "je me maar!!"

--Misschien zie ik een slaafje op de markt, zei de dominus, keek rond.

--Wat moet je met een nieuw slaafje? stelden de jongens belang.

--Ik heb van daag niets dan Daciërs, zei Autronius. Dat is niets voor jou. Kijk, daar zijn ze!

En hij toonde zijn Daciërs; drie had hij er reeds verkocht; negen zaten er nog op een bank; zij kwamen van den Ister, drie vrouwen, zes mannen; zij zwegen, zagen weemoedig;....

--Ik dacht, zei de dominus, voor de grap; dat je niets dan dacici hadt, de gouden muntjes, die onze genadige Keizer heeft laten slaan....

--Ik had liever dacici dan Daciërs, dominus, weet dat wel, grappigde Autronius; die Daciërs zijn alleen maar sterk, maar stèrk zijn ze en jong....

--Nou, die eene meid....

--Nog geen twintig jaar, dominus, dat verzeker ik je: een flinke deerne; wil je haar niet?? Voor tweehonderd-vijf-en-twintig sestertiën? Uitroeper, roep eens mijn Daciërs uit....

De uitroeper riep, met galmende stem:

--Daciërs, sterke Daciërs, sterke mannen, knappe vrouwen! Daciërs....

--Ik heb nooit meiden noodig, zei de dominus goedig; in mijn caterva doe ik het alles met mannen en jongens af....

De beide jongens giechelden: zij kregen van den dominus ieder een klap en een stomp.

--Die blagen! zei de dominus; ik meen....

--Blonde blagen! prees dikke Autronius; verkoop ze me maar, dominus!

--Voor meer dan Sextilianus....?

--.... Sextilianus woû geven?? blageerden de tweelingen.

Het gegil, gegalm, uitgeroep was oorverdoovend: de dominus vroeg:

--Autronius, heb je al je "kostbare" verkocht?

--Neen, nog niet, dominus: die hoû ik in eere. Ik laat haar hier niet zitten, weet je; ze is te fijn daar voor. Ze is een Grieksche, uit Lydië en ze gaat op de muziekschool. Ze leert fluit spelen, zingen, dansen.... Als je haar gebruiken kunt....

--De dominus doet het alles met.... begonnen de tweelingen te plagen.

Maar de dominus sloeg ze voor hun brutale monden.

--Kom, nog eens rond kijken, meende hij.

Een uitroeper riep een neger uit. De neger stond, breede borst, spande zijn biceps, zijn dij en de koopers voelden. De uitroeper beval den neger zijn mond te openen en toonde zijn witte tanden.

--Gaaf allemaal, gaaf allemaal! riep hij uit. Geen éen tand er in gezet! Twintig-duizend sestertiën....

--Hm! bromde de dominus; allemaal krachtpatsers vandaag; iets fijns is er niet bij.... Heb je niet een heel jong ventje, dat ik drillen kan voor mijn caterva?

--Hoe oud? vroeg de koopman.

--Zoo jong mogelijk; dan leert die goed....

--Dominus, riepen de jongens. Wat moet je nou met een jong ventje?

--Je hebt immers òns!!

De koopman had niets op dit oogenblik. Sterke slaven werden het meest gevraagd; jonge slavinnen....

--Ja, beaâmde de dominus; het moet altijd een buitenkansje zijn voor mij....

--Een gestolen jochie, hè? fluisterde de koopman, met een blik naar de tweelingen: zij voelden den neger de armen, de dijen en, vol belang, schudden zij aan zijn tanden, terwijl de neger roerloos bleef.

De dominus haalde de schouders op, minachtend; al kletste hij er nooit over, hij wist maar al te goed, dat hij de tweelingen van Manlius en Crispina nièt had gestolen.... En hij grinnikte nu, blij om zijn goede kans, dankbaar aan Fors Fortuna, en verteederd: was hij niet altijd als een vader voor hen geweest?

--Kom jongens; kom meê! riep de dominus. Jullie willen toch niet dien neger koopen....

--Waarom niet?

--.... niet? blageerden de jongens en hingen weêr aan, aan Lavinius' armen.

--We moeten voort maken, spoorde de dominus aan.

Zij liepen het Forum Boarium over, tusschen den drek der runderen: dien morgen was het veemarkt geweest.

--Abah! klaagde Cecilianus. Zoo vuil! Tusschen die groote hoopen! Het is vuìl, hier in Rome, hoor. Vergelijk dat nu eens met Alexandrië! Daar wordt alles schoon gehouden door de ibissen, die er van den reinigingsdienst zijn.

--Ja, de ibissen, zei Cecilius.

--Die eten toch geen koeiendrek! wierp Lavinius tegen. Kom toch, vlugger vooruit, dondersche slenteraars....

Maar was het nog modderige, bevuilde Forum Boarium vlug over te steken, er wàs niet zoo heel vlug te gaan, onderlangs den Capitolinus en langs het Theater van Marcellus. De Portiek van Octavia krioelde stampvol tusschen hare driehonderd zuilen: vele advocaten, pleitbezorgers, processe-jagers....

--Ik word zoo moê, zei Cecilianus; hij keek naar zijn gele schoentjes, of ze niet èrg vuil waren geworden.

--Dan zullen we maar de Menæchmi repeteeren en niet de Bacchides.... plaagde de dominus.

Maar de jongens lachten, waren heelemaal niet meer bang.

--Daar zijn we er! zei de dominus.

De jongens zagen op. Gisteren nacht hadden zij het Theater van Pompeïus slechts vaag, donkerend, gezien in de nachtschaduw of doorvloeid van telkens verschemerenden maneschijn. Nu zagen zij het, in stralenden zonneschijn. Het halfrondde zijn statigen boog omhoog, onder den glorenden, blauwen ether. Het verrees hoog zijn drie verdiepingen op de eerst Dorische, dan Jonische, ten hoogst Corinthische zuilen. Marmeren beelden, glanzende blank, bekroonden den hoogsten ommegang, gebarend tegen het transparante azuur. In de nissen der muren rijden zich eveneens de beelden. De deur van het postscænium stond open; de caterva, een voor een, slipte, slenterde er door heen, toen de dominus en de jongens naderden.

Ze keken alle drie op.

--Toch een móoi Theater! bewonderde de dominus.

--Ik heb het gisteren nacht nièt goed kunnen zien, zei Cecilius.

--Het is móoier dan het Theater te Alexandrië! gaf Cecilianus toch wel toe.

Zij bleven, een oogenblik, toeven, heel ernstig nu, kijken, òp kijken. En zij waren trotsch, alle drie. De dominus, omdat hij dit maal, in den vijftienden jare der genadige regeering des Keizers Domitianus, den goddelijken Flaviër, de Megalezische Scenische Spelen zoû inwijden in dit prachtige Theater, te Rome; de jongens omdat zij er zouden optreden, morgen, voor duizenden en duizenden, in de Bacchides.... de Bàcchides!!

Maar voor zij binnen traden, zei Cecilius aan broêrtjes oor:

--Cecilianus, nóoit zeggen, dat we gisteren avond....

--Wàt?

--Dien dief en dien slaaf hebben gezien, toen zij denkelijk....

--Ik zal zoo gek zijn! zei Cecilianus.

VI.

Het was de volgende avond, vóor de Megalezia. Na twee stralende Aprildagen was somber, drukkend, sirocco-achtig deze dag geweest, het azuur verborgen achter zwaarmoedig laag hangend nevelwaas; de lucht zwanger van regen, die niet viel....

Achter het Flavische Paleis strekten de wijde tuinen en parken van den Palatinus--waar een eeuw later Septimius Severus zijn eigen paleizen zoû bouwen--zich onder den drukkenden nachthemel uit. Geen sterren drongen dien zwoelen mist door. De laurierbosschages stonden roerloos, geruischloos, met donkere massa's op, stapelden hunne schaduwen om de hier en daar verspreide woningen van hofbeambten. Geen geluid, geen lach, geen stem klonk. Het was de somberheid, die, om de zielsziekte van den Keizer, van uit het paleis zelve zich scheen te spreiden over geheel den Palatinus. Het groote gesloten paleis ginds was geheel donker, met nauwelijks den glimp van de lamp aan de paleiswacht der Prætorianen. Sinds jaren waren geen feesten gegeven, hadden geen banketten meer plaats gehad in het Triclinium met de beide nymfea--de twee sierlijke vijverzalen--, was Domitianus meer en meer versomberd, zweeg hij, verborg zich en barstte dan plotseling uit in blinde woede, onverwachte wraak.... En die ziekte van achterdocht, van vervolgingswaanzin, vol spoken van wroeging, vol angstverwekkende larven en lemuren, vol aanhitsende demonen, die de Keizer zag kronkelen om zijne, hem verpletterende, wereldmacht, drukte met een angst op alles, op allen, die hem omringden. Dat sloop in den nacht door het paleis, uit het paleis, als een wijd-uit zich spreidend spooksel, dat dreef de tuinen door, dat steeg vaal in de lucht en vermengde zich met den laag hangenden mist.... Dat hing om de woningen, de kleine villà's, hier en daar vaag verschemerd tusschen de stapelende schaduwen, en allen donker en zwijgend, omdat de Keizer geen geluid kon verdragen en schrikte bij elke stem....

De zool van een sandaal kraakte, sinister, bijna, in deze somberte. Een man liep het park door, van af het paleis, hield stil voor het kleine huis van Crispina, tikte op de deur. De deur opende, op het atrium.

--Ben jij het, Crispinus? vroeg een vrouw.

--Ik ben het, antwoordde de man en ging de deur in, het atrium binnen. De deur sloot.

Broêr en zuster, Crispinus, Crispina stonden in de nacht voor elkaâr.

--Lavinius Gabinius komt straks, zeide Crispinus. Ik heb hem een bewijs van doorlating laten geven, voor de wachtpoort bij het Septizonium.... Ik doe voor je wat ik kan....

Crispina was zenuwachtig, wrong hare handen.

--Geloof je, dat....?

--Dat wat? vroeg ruw haar broêr.

--Niets....

--Wat zal hij willen doen? ging Crispinus ruw voort. Wat zal hij kùnnen doen? Bekend maken, dat jij twee kinderen hebt van een mimus-speler, nog wel, zestien jaar geleden, gekregen? En dan nòg??

--De Keizer.... angstigde Crispina.

--De Keizer! Hij maalt er wat om!

--Hij heeft zijn vrouw....

--Ja, zijn vrouw verstooten, omdat zij een histrio tot minnaar had.... Hij heeft Domitia weêr tot zich genomen, op de "heilige kussens van zijn godebed" als het decreet luidde en Pâris is gekruisigd. Wat verder? Jou mimus-kerel is verdronken in de Aegeïsche zee, in een storm, en jou zal hij niets doen al hoort hij ook àlles.... Hij is toch niet meer in die kuische bui van goede zeden.... als hij was nadat hij Titus vermoord had....

--Toch.... het schandaal.... als Lavinius....

--In der tijd, zei Crispinus: heb ik de jongens hun nek willen omdraaien. Je woû het niet: je hebt ze prezent gegeven in Syracuze, aan Lavinius, nadat je ze daar drie jaren verborgen hadt.... Uit angst voor mij.... Je hebt geen angst meer te hebben.

--Crispinus....

--Mij kunnen je jongens niets schelen: ik ben tòch de gunsteling des Keizers, al heb jij bastaard-tweelingen....

--Hij heeft grillen; als het bekend wordt, Crispinus en hij jaagt mij weg van de vrouwen der Keizerin! Waar moet ik heen? Geld heb ik niet, moet ik het paleis verlaten!

Hij lachte.

--Verdien dàn je brood, zeide hij. In de Suburra. Maar steek een lamp op: ik zie hier niets....

Zij ontstak een lont, stak de pit aan van een der tuiten van de bronzen lamp, die stond in een hoek, bij een rustbank. In het vijvertje, in het midden van het atrium, tikkelde een dun waterstraaltje: als zij zwegen, droppelde het hoorbaar.

--Doe dien waterstraal zwijgen! riep hij, zenuwachtig, uit. Dat geluid maakt me gek!!

--Hoe is Domitianus van daag? vroeg zij; de fontein zweeg stil.

--Als bezeten, zeide Crispinus, neêr gevallen op het rustbed.

--Als bezeten....?? angstigde zij.

--Hij kreunt, dwaalt door het paleis rond, ziet achter de gordijnen.... We hebben den moord op Nigrina voor hem verborgen gehouden.... Hij schrikt telkens, verbergt zijn hoofd in zijn mantel en strompelt, struikelt dan.... We hebben hem nog nièts durven zeggen.... Maar het is geen leven meer in het paleis.

--Het is geen leven meer, herhaalde zij.

Zij viel kreunende, snikkende neêr op een kussen.

--Wees toch kalm, zeide hij, zelve zenuwachtig. Tob toch zoo niet.... Wees luchthàrtig, als ik....

Maar hij beefde; in de schemering dier eene pit der veeltuitige, bronzen lamp zag zijn zuster hem aan, om hem te doorzien. En zij zag hem bleek en bevend, trots zijn luchtige woorden. Zij leefden van de gunst van den zielszieken Keizer, en die gunst kon ieder oogenblik keeren. Om niets, om een gril, een blik, een verkeerd woord.... Hij, Crispinus, de Egyptenaar, die van Memfis kwam--een slaaf, zeide men, uit Canope, niet zeker van den oorsprong van dien intrigant,--had zich al die jaren staande weten te houden in de gunst van den Keizer.... Hij was het geweest, die den Keizer de beroemde Tarbot had aangeboden, in de Adria bij Ancona gevangen, bij den Venustempel.... De Tàrbot, waarvoor de Senaat in aller ijl was bij een geroepen, zoodat de senatoren waren aan geloopen, met nog lossen gordel, afslependen mantel.... Om te beraadslagen in welken pot of ketel zoo monstergroote Tarbot gekookt zoû worden.... De anecdote, door geheel Rome herhaald en herhaald, had Crispinus zijn roem gegeven. Sedert de Tarbot scheen hij onwankelbaar in Domitianus' gunst. Dwong hij te vergeten, wie zich herinnerde zijn plebeïsche, Egyptische afkomst, zijn plebeïschen, Egyptischen naam. Was hij, almachtige favoriet, Crispinus, Crispinus alléen, de vreemd mooie Oosterling, de blonde Oosterling, met de mat amberen gelaatskleur; de slanke, mat bleeke, blonde Oosterling, de Magiër aller wellusten en zinnelijke fantazieën; de nerveuze fantast, de ontzenuwde verfijnling, die des warmen zomers dunnere ringen droeg dan des winters; een vreemde kràcht in een lichaam van enkel zenuwen.... Hoe lang zoû hem Domitianus' gunst duren? dacht zijn zuster, neêr op hem kijkende. En háar? Zij, Egyptische,--vreemd rossig blond, als hij,--was een nog jonge vrouw, slank en fijn, maar moê en gebroken scheen zij; Egyptiesch aan haar vooral waren hare lange, gespleten oogen, donker, zwart bijna en dan nog omtint in haar even zacht gouden gelaatskleur. Zij geleken op elkaâr. Zij hadden beiden dat vreemd exotische, beiden dat moede en ontzenuwde.... Dat wachtende op òngenade, die ieder oogenblik, om nièts, zoû kunnen vallen uit die drukkende, ontzenuwende lucht boven hen. Luchthartig.... neen, zij waren het niet. Noch hij, noch zij. Hij loog, als hij zei, dat hij luchthartig was.... Maar zij, trots hare angsten en doorzieningen, had een behoèfte haar broêrs leugen te aanvaarden als waarheid. Hare lichtzinnigheid leed te veel, àdemde niet onder zoo veel bezorgdheid.

--Crispinus, smeekte zij. Geloòf je, dat....

--Dat wat....

--Dat als Lavinius....

--Wat??

--Als verklikkers misschien er achter komen....

--Dat jij tweelingen hebt....?

--De Keizer....?

Woest stond hij op, balde zijn fijne vuisten over haar; zij kroop in een.

--Had de krengen dan bij hun geboorte gesmoord! Wat geeft het nu bàng te zijn....? Lavinius heeft hen meer dan twaalf jaar in zijn troep: zij zijn komedianten....

--Drie jaar geleden zag ik ze!! steunde Crispina; ze dansten toen....

--Ik heb ze zoo even gezien, zie Crispinus.

--Waar? vroeg zij, begeerig.

--In het Theater....

--Hoe dan....?

--Zij speelden, zij repeteerden....

--Hoe zijn zij?? vroeg zij.

Hij lachte.