De Klucht der Vergissingen

Chapter 5

Chapter 53,760 wordsPublic domain

Van de "Comedy of Errors" is geen afzonderlijke druk bekend; men kan als zeker aannemen, dat het stuk voor het eerst verscheen in 1623, in de folio-uitgave van Shakespeare's gezamenlijke tooneelwerken. In 1598 maakte Francis Meres,--zie boven blz. 120,--er gewag van, maar zeker is het verscheiden jaren ouder en onder de eerstelingen des dichters te rekenen. De bewijzen hiervoor zijn in het stuk zelf te vinden. Vooreerst merke men op, welk een uitgestrekt gebruik Shakespeare maakt van zoogenaamde _doggerel rhymes_ of knuppelverzen, die in oudere Engelsche tooneelwerken veelvuldig gebezigd worden, zoodat zelfs geheele stukken er in geschreven werden; Shakespeare gebruikt ze alleen voor boertige tooneelen of gezegden, maar oudere tooneelschrijvers achten ze ook voor ernstige onderwerpen geschikt; zoo geeft in een ernstig stuk van 1570 of daaromtrent, _Damon and Pithias_ geheeten, Dionysius zijn rechtspraak met deze woorden:

"Pithias, seeing thou takest me at my word, take Damon to thee: For two months he is thine; unbind him, I set him free; Which time once expired, if he appear not the next day by noon, Without further delay thou shalt lose thy life, and that full soon."

Behalve in dit stuk van Sh. vindt men deze verzen, die ongeveer het midden houden tusschen regelmatige verzen en proza, bijna alleen in "De getemde Feeks" (_Taming of the shrew_) en in "Veel gemin, geen gewin" (_Love's labour's lost_), beide, of ten minste het laatstgenoemde, onder Sh.'s eerste stukken te rekenen. In "De klucht der vergissingen" zijn deze verzen over het algemeen regelmatiger dan in "Veel gemin, geen gewin", waar soms alleen het rijm uitwijst, dat er verzen bedoeld zijn; men zie daar b.v. IV. 2. 29, de regels: "Zoo dorre planten" enz.--Een tweede bijzonderheid is het veelvuldig voorkomen van afwisselend rijmende verzen, die Sh. in zijn Venus en Adonis (1593) zoo meesterlijk weet te bezigen en die in de latere stukken van Sh. zelden voorkomen, maar wel in de oudere, met name in "Veel gemin, geen gewin", den "Midzomernachtdroom", en "Romeo en Julia".--Volgens velen komt in "De Klucht der vergissingen" een toespeling op de tijdsomstandigheden voor, die vermoeden doet, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is. In het tweede tooneel van het derde bedrijf geeft de Syrac. Dromio aan zijn heer een beschrijving van de keukenmeid uit het huis van Antipholus van Ephesus; hij vergelijkt haar met een globe en zegt, dat hij landen op haar onderscheiden kan. Op de vraag van zijn meester, waar dan Frankrijk ligt, antwoordt hij: _In her forehead, armed and reverted, making war against her heir_. Dit heir is in de tweede folio-uitgave in _hair_ veranderd, waarschijnlijk, omdat de woordspeling met _heir_ en _hair_ niet begrepen werd. Verstaat men _hair_, dan was het voorhoofd gewapend, bekleed met iets, dat voortwoekerend het haar doet uitvallen en het voorhoofd vergroot, een gevolg der Fransche ziekte, ook bij Bredero de Francoysen genoemd. Verstaat men _heir_, erfgenaam, dan wordt er gezinspeeld op den binnenlandschen oorlog in Frankrijk, die na het vermoorden van koning Hendrik III, in Augustus 1589, ontbrand was tegen zijn erfgenaam, Hendrik IV, en eerst een einde nam, toen deze, in Juli 1593, Parijs wel een mis waard achtte. Koningin Elizabeth had in 1591 aan Hendrik IV 4000 man hulptroepen gezonden onder Essex en diens broeder Walter en steunde hem ook later meer dan eens op gelijke wijze. De toestand in Frankrijk was dus ongetwijfeld in Londen bekend genoeg, dat zulk een woordspeling met _hair_ en _heir_ dadelijk verstaan werd.--Men weet verder, dat er in December 1594 in Gray's Inn ter eere van een groot heer een _Comedy of Errors_ vertoond werd, waarschijnlijk dit stuk. Later werd het ook wel voor Koning Jacobus I opgevoerd, naar gemeld wordt op 28 December 1604.

Neemt men aan, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is, dan zal men der waarheid zeker zeer nabij zijn. Verder kunnen wij als zeker aannemen, dat Sh. bekend was met het blijspel _Menæchmei_ van den ouden Romeinschen dichter Plautus, en daaruit aanleiding putte om dit stuk te schrijven. Wel is het oude blijspel niet vóór 1595 in het Engelsch verschenen, maar Shakespeare was hoogstwaarschijnlijk het Latijn genoeg machtig om Plautus in het oorspronkelijke te lezen. Er was in Stratford een Grammarschool, dus een school, waar het Latijn hoofdvak was; deze werd ongetwijfeld door Shakespeare bezocht en men mag gerust vermoeden, dat hij zijn meesters geen oneer zal hebben aangedaan en, om Plautus te leeren kennen, niet behoefde te wachten op het verschijnen eener gebrekkige vertaling; zijn Venus en Adonis, en al zijn oudere stukken leggen getuigenis af, dat hij het Latijn vrij goed machtig was en de Latijnsche schrijvers, zooals Ovidius en Plautus, in het oorspronkelijke las; in zijn latere stukken laat hij die kennis minder uitkomen, maar men kan er toch op velerlei wijze de sporen van opmerken, tot in den zinsbouw en de beteekenis, die hij somwijlen aan de woorden toekent [1]. De folio-uitgave maakt het bovendien hoogst waarschijnlijk, dat Sh. Plautus' Menæchmi in het Latijn gelezen heeft: de Antipholus van Ephesus heet er _Sereptus_, een blijkbare fout van den afschrijver of zetter voor _Surreptus_, "de gestolene", het woord, waarmede in Plautus' stuk, de eene broeder telkens wordt aangeduid, gelijk hij ook in de inhoudsopgave, het _argumentum_, driemaal zoo genoemd wordt; de andere broeder heet in Sh.'s folio-uitgave nu eens _erotes_, dan weder _errotes_, een dergelijke fout voor _erraticus_, de zwervende, dus de reiziger, die zijn broeder overal gaat zoeken.

Ter juiste waardeering van Sh.'s stuk mag het nuttig heeten, met dat van Plautus eenigszins nader kennis te maken. Bij Plautus is geen onder 't leed gebogen vader, die, van zijn beide zoons beroofd, ze gaat opzoeken; de vader der tweelingen is lang dood; door een proloog worden wij ingelicht over het vroeger gebeurde. In Syracuse leefde een oud koopman, aan wien zijn vrouw twee geheel gelijke tweelingen schonk. Toen de jongens zeven jaren oud waren, neemt de vader den eenen mee op zijn reize naar de groote en rijke koopstad van Beneden-Italië, Tarente. Daar wordt op de markt de knaap door een koopman uit de bekende handelsstad van Grieksch Illyrië, Epidamnus, bij de Romeinen meest Dyrrachium geheeten, gestolen en naar zijn woonplaats medegenomen; de vader sterft weinige dagen later van verdriet. Toen de grootvader der tweelingen te Syracuse dit verneemt, geeft hij aan den overgebleven tweeling, Sosicles, den naam van zijn verloren lieveling en naamgenoot, en noemt hem dus Menæchmus.--De koopman uit Epidamnus, die geen kinderen had, neemt den gestolen knaap als zoon aan, bezorgt hem later een rijke vrouw, komt weldra te sterven en laat hem al zijn schatten na. Zijn broeder Menæchmus (Sosicles) heeft geen rust in Syracuse, maar gaat zijn broeder zoeken; na een jaar of zes zwervens komt hij eindelijk te Epidamnus aan.

Juist na zijn aankomst begint het stuk van Plautus. Eerst treedt de Parasiet of Tafelschuimer van den Epidamnischen Menæchmus op, die bij zijn begunstiger wil gaan eten. Weldra komt deze zelf uit zijn huis, onder het uiten van verwijten tegen zijn vrouw, die jaloersch is, en altijd weten wil waar hij heengaat. Het arme schepsel heeft er wel reden toe, want haar man wil juist naar een liefje, een lichtekooi, gaan, met name Erotium; hij heeft zelfs een fraai opperkleed van zijn vrouw bij zich, dat hij heimelijk heeft weggekaapt en aan Erotium schenken wil. Hij treft deze bij haar huis aan, geeft haar het gewaad, en zegt, dat hij, na op de markt geweest te zijn, met zijn Parasiet bij haar zal komen eten. Erotium zendt haar kok uit om de noodige inkoopen te doen en gaat in huis.

Nu komt de broeder uit Syracuse, Menæchmus-Sosicles, op. De kok, die van zijn boodschappen terugkeert, is de eerste, die hem voor zijn broeder aanziet; weldra doet ook Erotium, die uit haar huis te voorschijn komt, hetzelfde; de man staat verbijsterd, dat zij niet alleen zijn naam weet, maar ook dien zijns vaders en nog andere bijzonderheden uit Syracuse, doch gaat op haar aandringen met haar eten, na eerst zijn geldbuidel aan zijn slaaf Messenio te hebben toevertrouwd.--Weldra komt de Parasiet op, die van zijn begunstiger is afgeraakt en reeds ontevreden is, dat hij nog niet aan het lekkere maal zit. Daar ziet hij zijn Menæchmus, zoo hij meent, uit het huis komen; deze neemt het oppergewaad mee, met de belofte, dat hij dit nog zal laten verfraaien. De Parasiet spreekt hem aan, maar wordt afgegrauwd, zoodat hij woedend besluit, aan Menæchmus' vrouw het gedrag van haar man te gaan verklappen. Juist als Menæchmus-Sosicles heen wil gaan, komt de dienstmeid van Erotium uit het huis met een gouden ketting, vroeger, zoo zij zegt, door hem van zijn vrouw gestolen, hij belooft op haar verzoek, dat hij dien zwaarder en nieuwerwetscher zal laten maken en dan aan haar meesteres zal terugbrengen; hij is echter wel degelijk van plan dien, zoowel als den mantel, voor zich te houden.--De Parasiet heeft inmiddels Menæchmus' vrouw met de ontrouw van haar man bekend gemaakt, en haar ook gemeld, dat deze het gestolen opperkleed bij zich heeft, om het nog mooier te laten maken; beiden wachten den man op, die door zaken is opgehouden en zich nu naar zijn liefste spoedt. Zoodra zij hem ontwaren, heeft hij het hard te verantwoorden; liegen en ontkennen helpt hem niet; zijn vrouw wil hem niet meer het huis laten betreden, als hij het kleed niet meebrengt en gaat in huis. Hij gaat naar Erotium, maar wordt door haar, als hij beweert nòch mantel nòch ketting van haar te hebben ontvangen, met verwijten overladen en buiten gesloten, en gaat zijn vrienden over het geval raadplegen. Nu komt de andere Menæchmus, met den mantel om, op, wordt door de vrouw zijns broeders met verwijtingen begroet; ten hoogste verontwaardigd, dat hij haar niet wil kennen, laat zij haar vader roepen, die haar wel de les leest over haar wantrouwen en jaloerschheid, maar eindelijk, daar de gewaande echtgenoot nòch vrouw nòch schoonvader wil kennen, en zich ook opzettelijk als een dolle aanstelt, het met haar eens is, dat hij gek is, zoodat een geneesheer ontboden wordt. Hij weet echter te ontkomen alvorens deze er is. De geneesheer treft daarentegen den anderen Menæchmus nabij zijn huis aan, houdt hem om zijn ontkentenis van het gebeurde voor waanzinnig, en ontbiedt helpers, die den dolleman willen grijpen en medevoeren. Deze wordt echter ontzet door den slaaf Messenio, die zijn heer in gevaar meent te zien, en tot loon voor dezen dienst zijn vrijheid verzoekt, maar hem wel wil blijven dienen, en terstond het toevertrouwde geld, dat veilig in de herberg geborgen ligt, gaat halen. De gehuwde Menæchmus gaat nog eens beproeven den mantel zijner vrouw terug te krijgen. Nu ontmoet Messenio zijn echten heer, die niets van den bewezen dienst en de vrijlating van zijn slaaf afweet, maar onder het gesprek komt de tweelingbroeder op en dan wordt, door bemiddeling van den slaaf, alles opgehelderd; de broeders besluiten samen Epidamnus te verlaten; de slaaf wordt vrijgelaten en mag den verkoop van het huis en de goederen des Epidamniërs bekend maken; als er maar een kooper komt opdagen, is zelfs de vrouw te koop.

De vergelijking van beide stukken in bijzonderheden zou het bestek der aanteekeningen verre te buiten gaan en zij, naar aanleiding van het medegedeelde, aan den lezer zelf overgelaten; slechts enkele opmerkingen kunnen hier nog plaats vinden. Shakespeare heeft aan het eene tweelingpaar een tweede toegevoegd en daardoor een grootere en zeer vermakelijke verscheidenheid in de vergissingen verkregen. Hij maakte daarbij gebruik van het onloochenbare recht van den kluchtspelschrijver om toestanden te onderstellen, die onwaarschijnlijk zijn; genoeg is het, als zij slechts mogelijk zijn en tevens geschikt om den toeschouwer te boeien en te vermaken. Aan dit vereischte voldoet Shakespeare's stuk ten volle. Uit de onderstelling vloeit alles zoo geregeld mogelijk voort; en daar de toeschouwer in het geheim is en veel meer weet dan de optredende personen, vindt hij genot in het gevoel, dat hij alles, wat voor deze een raadsel is, zelf onmiddellijk kan oplossen. Als men daarbij nu nog in aanmerking neemt, dat er in het stuk wel degelijk karakterschildering is, dat er een kennelijk verschil bestaat in geaardheid tusschen de twee gebroeders Antipholus, en ook, hoewel in geringere mate, tusschen de twee Dromio's; dat Adriana en haar zuster Luciana, de oude Ægeon, de Hertog, kortom alle personen met zorg geteekend zijn,--als wij nagaan, hoe indrukwekkend de lotgevallen van den rampspoedigen vader zijn medegedeeld, zoodat zij ons gedurende het geheele stuk voor den geest staan, hoe de blij-eindende ontknooping ons inderdaad roert, geruststelt en bevredigt, dan kunnen wij niet nalaten in dit tooneelwerk van den jeugdigen Shakespeare een meesterstuk te zien.

I. 1. 13. _Verboden hier en ginder raadsbesluiten._ In een stuk, uitgevaardigd in het begin van Elizabeth's regeering, wordt erkend, dat beperkende bepalingen tot bescherming van eigen handel groot ongenoegen wekken tusschen vorsten, en aan de kooplieden veel leed en schade toebrengen. Toch riep Elizabeth zelf, weinige jaren later zulke bepalingen in het leven. Het is, of de dichter hier wil uitdrukken, welke noodlottige gevolgen zij desnoods zouden kunnen hebben.

I. 1. 41. _Door meen'ge welgeslaagde reis naar Epidamnum._ Wel staat in 't Engelsch, dat hij meen'ge reis naar Epidamnum deed, doch de bedoeling is ongetwijfeld, dat hij menig schip met koopwaren er heen zond, want eerst na den dood van zijn factor reisde hijzelf er naar toe.

I. 1. 53. _Dat naamverschil alleen verschil kon geven._ Dat de twee kinderen ooit een verschillenden naam droegen, blijkt niet bij Sh.; bij Plautus wel.

I. 1. 79. _Voor de eerstgeboor'ne meest bezorgd._ Bij Sh. staat _latterborn_, in tegenspraak met reg. 125. Daarom is hier vertaald, alsof er _elder-born_ staat.--Het is echter ook mogelijk, dat regel 125 moet gelezen worden: _my eldest boy, and yet my youngest care_, dan ware _jongst-geborene_ hier goed.

I. 1. 94. _Epidaurus_ is een stad aan de oostkust van de Peloponnesus, nabij Argos.

I. 1. 132. _Ik heb in 't verste Griekenland_ enz. Men mag vermoeden, dat hier een paar regels zijn weggevallen, waar Ægeon zal gezegd hebben, dat hij om het uitblijven van zijn zoon, besloot dezen zelf te gaan zoeken.

I. 2. 9. _Naar den Centaurus._ Blijkbaar is dit, zooals later ook de Tijger (III. 1. 95), de naam van een herberg; maar Sh. geeft ook aan huizen van bijzondere personen, zooals in zijn tijd ook ten onzent in zwang was, in dit stuk namen, zooals de Feniks (I. 2. 75), de Egel (III. 1. 116).

I. 2. 56. _Een staartriem voor mijn meesteres._ In Sh.'s tijd reden, bij reizen, ook de vrouwen te paard.

I. 2. 97. _De stad is, zegt men, vol bedrog en list._ De stad Ephesus stond reeds bij de ouden bekend als een plaats, waar veel tooverkunst uitgeoefend werd. Men vindt dit ook in de Handelingen der Apostelen vermeld, XIX, vs. 13 en 19. Dat Sh. juist daarom zijn stuk te Ephesus liet spelen, is duidelijk genoeg; men vergelijke II. 2. 191; als de gedachte aan tooverij den zoekenden Antipholus en zijn dienaar verbijstert, is het verklaarbaar, dat zij, bij al de vergissingen, niet op de gedachte komen, van nader te onderzoeken, of niet misschien juist in Ephesus hun evenbeelden wonen.

II. _Eerste Tooneel._ Wààr een tooneel speelt, wordt door de folio-uitgave niet aangegeven; de meeste uitgevers hebben hier als localiteit een openbaar plein aangegeven. Ten onrechte; Adriana en Luciana hebben niets op straat te doen, en wachten, zooals blijkt, thuis den heer des huizes af, naar wien zij hun dienaar op nieuw willen uitsturen. Men kan hierbij ook aannemen, dat de twee vrouwen zich daar in een binnenhof of in den tuin bevinden, waar de tafel voor het maal gereedstaat. Daar kunnen zij, III. 1, zeer wel met Antipholus van Syracuse het middagmaal gebruiken; op het hooren van gedruisch gaat Adriana dan naar de deur.

II. 1. 83. _Te schoppen als een bal._ Voor het voetbalspel, ook thans nog in zwang, is, zoals bekend is, de bal met leder overtrokken.

II. 1. 101. _Ik arme ben hem te oud._ In 't Engelsch: _Poor I am but his stale_. Geheel juist is de plaats niet te vertalen; in het oorspronkelijke wordt gespeeld met de woorden _deer_ en _dear_, en met de verschillende beteekenissen van het substantief _stale_ (zie "_Taming Shrew_" I. 1. 58, en III. 1. 90; "_Much Ado_" II. 2. 26, en IV. 1. 66) en van het adjectief _stale_, zie _Cymbeline_, III. 4. 53. Op deze laatste beteekenis is bij de hier gegeven vertaling vooral gelet.

II. 1. 109. _Ik zie het nu_ enz. De meest bedorven plaats in het stuk; het is nog niet gelukt, den tekst op bevredigende wijze te herstellen, het bederf schuilt vooral in reg. 112: _Wear gold_ enz.

II. 2. 35. _Op mijn bol?_ In 't Engelsch een woordspeling met _sconce_, dat "bol" of "hoofd" beteekent, en ook "schans", waarom ook het woord _ensconce_, "verschansen" volgt.

II. 2. 89. _Hij verliest het met een soort van genot._ Op de meening, dat door een losbandige levenswijze ziekten ontstaan, die het haar doen uitvallen, zinspeelt de dichter meermalen.

III. 1. 53. _Hoor, meisje, wat is dat?_ In 't Engelsch: _Do you hear, you minion? you'll let us in, I hope_. In 't Engelsch is dit gedeelte het eenige vers, dat niet rijmt. Men heeft daarom, met groote waarschijnlijkheid, vermoed, dat er een regel hier uitgevallen is, die op _rope_ eindigde en waarin Lucie met een eind touw bedreigd wordt. Theobald veranderde, om een rijm te krijgen op de volgende twee regels, _I hope_ in _I trow_. De vertaler moest hier ook met een drievoudig rijm zich redden.

III. 1. 81. _Een koevoet zonder koe._ In 't Engelsch: _A crow without a feather_. "Crow" beteekent _kraai_ en _breekijzer_. Daarop volgt reg. 83 nog _to pluck a crow together_, in het Duitsch "ein Hühnchen mit Jemandem pflücken", wat wij zeggen: "een appeltje met iemand schillen."--Opmerkelijk is, dat Plautus in zijn "Gevangenen", _Captivi_, V. 4. 9., het woord _upupa_ evenzoo gebruikt als Shakespeare hier _crow_; _upupa_ is te gelijk een vogel, de _hop_, en een _pikhouweel_, zooals voor het loswerken van steenachtigen grond gebezigd word.

III. Tweede Tooneel. _Binnenplein._ Men kan zich ook voorstellen, dat na het vertrek der vorigen Luciana en Antipholus van Syracuse uit het huis te voorschijn komen. Eigenaardiger is het echter, dat dit gesprek niet op straat gevoerd wordt, maar op een binnenplein, dat men als aan den ingang grenzend denken kan.

III. 2. 52. _Is de liefde wuft._ Men vergelijke: _Venus en Adonis_, 149.

III. 2. 117. _Zij is een kogel, een globe._ Men vergelijke in Rabelais (L. III. Ch. 28) de beschrijving van den baard van Panurge door frère Jean, aldus luidende: "Ta barbe par les distinctions du gris, du blanc, du tanné, et du noir, me semble une mappemonde. Regarde ici. Voyla Asie. Icy sont Tigris et Euphrates. Voyla Africque. Icy est la montaigne de la Lune. Vois-tu les paluz du Nil? Deça est Europe. Vois-tu Theleme? Ce touppet icy tout blanc, sont les monts Hyperborées."--Als het stuk voor koning Jacob I werd opgevoerd, bleef zeker de vermelding van Schotlands onvruchtbaarheid (reg. 123) wel achterwege. In den Koopman van Venetië (I. 2. 83) wordt een Schotsch edelman belachelijk gemaakt: in de oude quarto staat _the Scottish lord_, maar in de folio-uitgave van 1623, gedrukt nadat het stuk voor genoemden koning gespeeld was, staat _the other lord_.

IV. 1. 93. _Welk een schip, gij schaapskop?_ In 't Engelsch: "_Thou peevish sheep, what ship_" enz. In Shakespeare's tijd werden _ship_ en _sheep_ nagenoeg eender uitgesproken.

IV. 2. 22. _Misvormd naar 't lijf._ In het Engelsch _stigmatical_, door de natuur geteekend, gebrandmerkt.

IV. 2. 27. _De kievit schreeuwt_, enz. In Sh.'s tijd werd de kievit meermalen hiervoor aangehaald, ja de uitdrukking schijnt spreekwoordelijk geweest te zijn. In Lily's Campaspe leest men: "You resemble the lapwing, who crieth most where her nest is not." Shakespeare zelf herhaalt het beeld in "Maat voor Maat," I.4.32.

IV. 2. 32. _Hij is in 't voorportaal, neen, in de hel._ In het Engelsch staat: He is in Tartar's limbo; de uitdrukking schijnt aan de Engelschen uit Dante's Goddelijke Comedie gemeenzaam te zijn geworden, men vindt haar meermalen bij Shakespeare en ook in Spencer's Elfenkoningin. De _hel_ was in Sh.'s tijd, en nog een eeuw later de naam van een gevangenis. Evenzoo was _counter_ (reg. 39) de naam van een gevangenis; maar _to run counter_ is ook een uitdrukking voor een jachthond, die op een valsch spoor is of in verkeerde richting loopt.--De gerechtsdienaars waren in leder gekleed, zie K. Hendrik IV, I. 2. 48.

IV. 3. 14. _Den ouden Adam in zijn nieuw gewaad._ Adam na den val, toen hij zich met beestenvellen bekleedde.

IV. 3. 28. _Dan een Moor met zijn piek._ Er staat eigenlijk: "dan een moorenpiek". Een _morris-pike_ was een gevaarlijk wapen; gerechtsdienaars droegen als teeken van hun ambt een staf, _mace_.

IV. 3. 34. _Blijf maar zitten._ In 't Engelsch: _God give good rest_! "Rest" te gelijk voor _rust_ en _arrest_ gebezigd.--De _engelen_, waarvan reg. 41 gesproken wordt, zijn gouden munten van 10 Shill.; zie "Koopman van Venetië," II. 7. 65.

IV. 4. 44. _Respice finem._ Let op het einde. Het bijna gelijkluidende _Respice funem_, waarop hier gedoeld wordt, beteekent: "Let op het touw", of "Pas op voor het touw"; Dromio doelt op het touw, dat hij heeft moeten halen. Als men aan de papegaaien, om de toehoorders te plagen, leert zeggen: "Beware the rope's end", beteekent dit eer: "Hoed u voor den strop."--Dokter Knijp, die hier optreedt, wordt in de Folio-uitgave een schoolmeester genoemd; schoolmeesters verstonden Latijn, en konden daarom als duivelbanners optreden.

IV. 4. 78. _De keukenmaagd._ Het Engelsch betitelt haar _kitchen-vestal_, omdat zij, als de Vestaalsche maagden, het vuur moet aanhouden.

V. 1. 175. _Het hoofd hem kaal knipt als een nar._ Het was de gewoonte, bij de verpleging van narren (gekken, waanzinnigen) hun het haar zeer kort af te knippen of af te scheren.

V. 1. 205. _Terwijl zij binnen met schavuiten braste._ In het Engelsch staat: _While she with harlots feasted in my house_. Het woord _harlot_ beteekent, van mannen gebruikt, meestal "liederlijk mensch, schoelje, schavuit."

V. 1. 400. _Sinds vijf en twintig jaar_ enz. In de Folio-uitgave leest men: "Sinds drie en dertig jaar." Het is mogelijk, dat Sh. zelf zoo schreef en niet heeft nagerekend, wat hij vroeger had medegedeeld; maar drie en dertig is voor deze broeders wel wat oud en door een eenvoudige optelling van twee, door Sh. gegeven getallen vindt men vijf en twintig jaar, wat meer met den geest van het stuk overeenkomt. Ægeon heeft, I. 1. 126, gezegd, dat de hem overgebleven zoon op achttienjarigen leeftijd zijn broeder ging opzoeken, en zoo pas, V. 1. 309, dat dit vertrek eerst zeven jaar geleden is. Reeds voorlang heeft Theobald het getal veranderd en is door verscheiden uitgevers, b.v. door Knight, hierin gevolgd.

AANTEEKENING

[1] Men vindt dit boven blz. 5 en vgg. uiteengezet. Meermalen zal men in de aanteekeningen het een en ander aantreffen, dat ook in het "Overzicht van Sh.'s leven en werken" vermeld is. Op deze wijze kunnen de aanteekeningen een geheel uitmaken, dat geraadpleegd kan worden zonder dat de lezer telkens naar dit overzicht verwezen wordt.

End of Project Gutenberg's De Klucht der Vergissingen, by William Shakespeare