Chapter 4
GERECHTSDIENAAR. Twee honderd stuks dukaten.
ADRIANA. En waarvoor?
GERECHTSDIENAAR. 't Is voor een ketting, aan uw man geleverd.
ADRIANA. Hij heeft er een besteld, doch niet ontvangen.
COURTISANE. Zeer kort, nadat vandaag uw man als dol Bij mij in huis drong en mijn ring me ontnam,-- Dien ik daareven aan zijn vinger zag,-- Kwam ik hem tegen met een gouden keten.
ADRIANA. Het kan zoo zijn, maar ik zag nooit die keten.-- (Tot den Gerechtsdienaar.) Kom, breng mij naar den goudsmid; ik verlang Te weten, wat er van dat alles is.
(Antipholus van Syracuse komt op, met getrokken degen, gevolgd door Dromio van Syracuse.)
LUCIANA. God sta ons bij, daar zijn zij weder los!
ADRIANA. En 't zwaard ontbloot! komt, hulp gehaald om hem Op nieuw te binden!
GERECHTSDIENAAR. Voort! het geldt ons leven!
(Adriana, Luciana en de Gerechtsdienaar af.)
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik zie, die heksen zijn voor zwaarden bang.
DROMIO VAN SYRACUSE. Die zich als vrouw u opdrong, liep nu weg.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Naar den Centaurus nu! haal daar ons goed; O, waren wij reeds goed en wel aan boord!
DROMIO VAN SYRACUSE. Inderdaad, blijf hier van nacht nog; men zal ons zeker geen kwaad doen; gij hebt gezien, hoe vriendelijk men ons toespreekt en ons goud geeft. Een recht beleefd volk hier, dat moet gezegd zijn;--en was hier die dolle vleeschmassa niet, die mijn vrouw wil heeten, dan kon ik wel over mijn hart krijgen hier nog te blijven en ook heksenmeester te worden.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik blijf om heel de stad van nacht niet hier; Dus voort, en alles nu aan boord gebracht!
(Beiden af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Voor een vrouwenklooster.
De Koopman en Angelo komen op.
ANGELO. Het spijt mij, heer, dat ik uw reis vertraagde, Maar 'k zweer u, dat ik hem de keten gaf, Al is hij laag genoeg om dit te looch'nen.
KOOPMAN. Hoe staat de man hier in de stad bekend?
ANGELO. Hij heeft een besten naam, heer; zijn crediet Is onbeperkt, hij algemeen bemind; Hij is van de allereersten van de stad, Ja, meer dan mijn vermogen geldt zijn woord.
KOOPMAN. Spreek zacht, want als ik wel zie, komt hij ginds.
(Antipholus van Syracuse en Dromio van Syracuse komen op.)
ANGELO. Hij is 't; met de eigen keten om den hals, Die hij, bij hoog en laag, nooit had gezien! Verzel mij, waarde heer, ik spreek hem aan.-- Signor Antipholus, ik sta verbaasd, 13 Dat gij in ongelegenheid mij brengt, En, waarlijk niet in 't voordeel van uw naam, Door woord en eed de ontvangst geloochend hebt Der keten, die gij openlijk nu draagt. Gezwegen nog van de aanklacht, schande en gijz'ling, Deedt ge onrecht, schade aan deez' mijn wakk'ren vriend, Die, had hem onze twist niet opgehouden, Nu onder zeil zou zijn, in volle zee. Ik leverde u die keten; kunt gij 't looch'nen?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gij deedt het, zeker; ik ontkende 't nooit.
KOOPMAN. Dit deedt gij wel, heer; ja, gij zwoert er op.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wie hoorde die verlooch'ning; wie dien eed?
KOOPMAN. Gij weet wel, dat mijn eigen ooren 't hoorden. Ellend'ling foei! 't is zonde, dat gij leeft, En nog verkeert waar brave lieden zijn.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Een lage schurk zijt gij, die zoo mij hoont. Durft gij mij staan, dan zal ik tot uw straf Mijn eer en eerlijkheid terstond u staven.
KOOPMAN. Ik durf, en staaf, dat gij de schurk hier zijt.
(Zij trekken de degens.)
(Adriana, Luciana, de Courtisane en Anderen komen op.)
ADRIANA. Houd op, doe hem geen leed; hij is waanzinnig.--33 Dringt tot hem door, ontwapent hem; en bindt Ook Dromio, en voert hen naar mijn huis.
DROMIO VAN SYRACUSE. Loop, meester, loop; ga, red u in een huis, In 't klooster hier; vlucht, of wij zijn verloren!
(Antipholus en Dromio van Syracuse vluchten in het klooster.)
(De Abdis komt op.)
ABDIS. Stil, menschen! Wat is 't doel van dezen oploop?
ADRIANA. Mijn van 't verstand beroofden man te halen. Ach, laat ons in, opdat wij hem weer binden En ter verpleging voeren naar zijn huis.
ANGELO. Ik wist wel, dat hij in de war moest zijn.
KOOPMAN. Nu is 't mij leed, dat ik den degen trok.
ABDIS. Hoe lang is 't, dat uw man waanzinnig werd?
ADRIANA. Hij was, de gansche week, zwaarmoedig, stil, Ontstemd, een ander man dan ooit te voren, Doch niet dan dezen middag heeft zijn stemming Zich in een vlaag van razernij geuit.
ABDIS. Is hem een kostlijk schip op zee vergaan? Een dierb're vriend gestorven? Heeft zijn oog Misschien zijn hart verleid tot laakb're min? Die zonde is vaak een zwak van jonge mannen, Die al te vrij hun oogen zwerven doen. Wat van dit alles was het, dat hem trof?
ADRIANA. Niets van dit alles, of misschien het laatste: Een liefje, dat hem aftrok van zijn huis.
ABDIS. Hadt dan daarover ernstig hem berispt!
ADRIANA. Dit deed ik wel.
ABDIS. Misschien niet streng genoeg.
ADRIANA. Zoo streng als mij de zedigheid maar toeliet.
ABDIS. Als gij alleen waart?
ADRIANA. Ook wel in gezelschap.
ABDIS. Maar moog'lijk niet genoeg.
ADRIANA. O, wel genoeg; nooit sprak ik van iets anders; In bed, geen slaap ooit, want ik wees er op; Alleen met hem, was dit mijn onderwerp; En waren we onder menschen, 'k doelde er op; "'t Was laag en slecht", ziedaar mijn gansch gesprek.
ABDIS. En daardoor werd de man ten laatste gek; 't Venijnig razen van jaloersche vrouwen Doodt wisser dan de beet eens dollen honds; Door uw gekijf werd hij belet te slapen, En daardoor werd hij eindlijk zwak in 't hoofd; Met uw verwijten werd zijn maal gesausd; Onrustig eten stoort de spijsvertering; 74 Zoo werd het woedend vuur der koorts gewekt; En wat is koorts, zoo niet een vlaag van waanzin? Gij zegt, uw kijven stoorde zijn vermaken; Maar roof eens ied're vroolijkheid,--wat volgt? Wat, dan droefgeestigheid, dof, zwart, de zuster Van radelooze, onstuimige vertwijf'ling Met haren langen stoet, verderf verspreidend, Van bleeke kwalen, vijanden van 't leven? Wie in zijn maal, vermaak en slaap aldoor Gestoord wordt, mensch of dier, bezwijkt er voor, Wordt suf of dol. Dus: voor uw ijverzucht Nam wis uws mans verstand in 't eind de vlucht.
LUCIANA. Wat ze ooit verweet, zij deed het zacht, ja schuw; Al was ook zijn gedrag wild, woest en ruw.-- Wat hoort gij haar verwijten, en zegt niets?
ADRIANA. Zij heeft mij bitter zelfverwijt gewekt.-- Naar binnen, vrienden! haalt mijn man nu hier!
ABDIS. Neen, neen; geen schepsel treedt mijn woning binnen.
ADRIANA. Geeft dan uw dienaars last mijn man te brengen.
ABDIS. Ook dit niet; in een vrijplaats borg hij zich; En die zal hem beschermen voor uw hand, Tot ik hem zijn verstand hergeven heb, Of al mijn moeite en zorgen ijdel blijken.
ADRIANA. Neen, ik ben pleegster van mijn man; ik wil Zijn krankheid heelen, dit is mijne taak; En hierbij trede niemand in mijn plaats; Sta dus hem af, dat ik hem met mij neem'.
ABDIS. Bedaar; hij zal niet gaan, eer ik mijn schat Van welgestaafde midd'len heb beproefd, Mijn kruiden, dranken, heilige gebeden, Om hem een man als vroeger te doen zijn. Dit is van de gelofte, die ik deed, Een deel, een heil'ge liefdeplicht der orde; Daarom, ga heen en laat hem hier bij mij.
ADRIANA. Ik gaan, met achterlating van mijn man? Voorwaar, het is geen heilig doen, als gij De vrouw wilt scheiden van haar echtgenoot.
ABDIS. Bedaar, ga heen; ik lever hem niet uit.
(Abdis af.)
LUCIANA. Klaag over deze krenking bij den hertog.
ADRIANA. Kom mede, ik wil een voetval voor hem doen, En rijs niet, eer mijn tranen en gebeden Van hem verwerven, dat hij herwaarts koom', En aan de abdis mijn man door kracht ontrukk'.
KOOPMAN. De zonnewijzer, meen ik, wijst op vijf; Zoo daad'lijk komt de hertog zelf hier langs Op zijnen weg naar 't somber dal des doods, De plaatse, waar het halsrecht wordt gehouden; Zij ligt aan de overzij der kloostergracht.
ANGELO. Wat roept hem daar? 123
KOOPMAN. Een achtbaar man, een Syracusisch koopman, Kwam tot zijn ongeluk alhier aan wal,-- Wat tegen onze wetten strijdt,--en wordt Om dit vergrijp in 't openbaar onthoofd.
ANGELO. Daar zijn zij; wonen wij de onthoofding bij.
LUCIANA. Kniel voor den hertog, eer hij verder gaat.
(De Hertog met zijn Gevolg, Ægeon, blootshoofds, vergezeld van den Beul en andere Gerechtsdienaars, komen op.)
HERTOG. Nog eenmaal zij het openlijk verkondigd; Wanneer een vriend de som voor hem betaalt, Dan sterft hij niet; dit sta ik hem nog toe.
ADRIANA. O vorst! mijn recht! bescherm mij voor de abdis!
HERTOG. De deugdzame en zoo hoog-eerwaarde vrouw! Onmoog'lijk is 't, dat zij u onrecht deed.
ADRIANA. Vergun mij, edel vorst: Antipholus, Mijn man, dien ik, op aandrang van uw hoogheid, Tot heer van mij en 't mijne maakte, werd Deez' boozen dag van razernij bevangen, Zoodat hij, met zijn even dollen dienaar, Als een bezeet'ne door de straten liep, En tot ontstelt'nis van de burgers, binnen Hun huizen drong, juweelen roofde, ringen, Ja alles, waar zijn razend oog op viel. Ik liet hem binden, voeren in ons huis, En ging toen uit om weder goed te maken, Wat hier of daar zijn woede had misdaan. Maar,--'k weet niet, hoe zijn dolheid er in slaagde,-- Dra was hij los, ontsnapt aan zijn bewakers, Ontmoet ons weer, zijn dolle slaaf en hij; En beide', ontvlamd in woede, 't zwaard ontbloot, Zij dringen op ons aan, en wij, wij vluchten, Maar keeren dra, door hulp versterkt, terug, Om hen op nieuw te binden. Zij ontvluchten, Door ons vervolgd, in deze abdij; en hier Sluit nu de abdis de poort voor ons en weigert Aan ons verlof, dat wij hem komen halen, En weigert ook, hem aan ons uit te leev'ren. Gelast dus, eed'le hertog, dat hij ons Gebracht word' ter verpleging in zijn huis. 160
HERTOG. Uw man heeft mij in de' oorlog goed gediend, En ik heb u mijn vorstlijk woord verpand, Toen gij als heer en meester hem aanvaarddet, Door daden steeds hem alle gunst te toonen. Kloppe een van u dus aan de kloosterpoort; Ik wensch de abdis te hooren, want ik wil De zaak beslechten, eer ik verder ga.
(Een Dienaar komt op.)
DIENAAR. Meest'res, meest'res, o snel! en red u, snel! Want heer en dienaar zijn weer los, de meiden Geranseld en de dokter vastgebonden; Dien zengden zij met brandend hout den baard; En als die vlamde, goten zij met kuipen Er stinkende aalt op om het haar te blusschen. Mijn meester preekt geduld hem voor, terwijl De knecht het hoofd hem kaal-knipt als een nar; Als gij niet oogenblikk'lijk bijstand zendt, Dan dooden zij den duivelbanner nog.
ADRIANA. Stil, dwaas! uw meester en zijn knecht zijn hier; Onwaar is alles, wat gij daar bericht.
DIENAAR. Neen, neen, meest'res, ik zweer u, het is waar; Ik haalde nauwlijks adem, sinds ik 't zag. Hij schreeuwt om u, en zweert, dat, heeft hij u, Hij u 't gelaat verzengt, ontoonbaar maakt.
(Geschreeuw achter het tooneel.)
Hoor, hoor! daar is hij reeds, ik bid u, vlucht.
HERTOG. Kom bij mij hier; ducht niets; de wacht treê voor.
ADRIANA. Wee mij, het is mijn man! Getuig nu zelf, Dat een onzichtb're toovermacht hem drijft! Zoo even was hij in de abdij verborgen, Nu is hij weder hier, geen mensch weet hoe.
(Antipholus van Ephesus en Dromio van Ephesus komen op.)
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Doe recht, genadig vorst, verschaf mij recht, Ter wille van mijn diensten in den krijg, Toen ik u dekte met mijn lijf als schild, Gewond werd tot uw redding; 'k vraag bij 't bloed, Dat ik voor u toen stortte, schaf mij recht.
ÆGEON. Als mij de doodsangst niet benevelt, zie ik Mijn zoon Antipholus en Dromio daar.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Verschaf mij recht, heer, tegen deze vrouw! Zij, die gij mij als echtgenoot eens schonkt, Heeft mij belaagd, beleedigd en onteerd, Heeft mij gekrenkt, ja boven alle maat. O, ongelooflijk is de smaad, dien zij Mij schaamt'loos dezen dag heeft aangedaan.
HERTOG. Zeg hoe, en u zal alle recht geworden.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zij sloot, doorluchte vorst, het huis voor mij, Terwijl zij binnen met schavuiten braste. 205
HERTOG. Een zwaar vergrijp! Zeg, vrouwe, deedt ge aldus?
ADRIANA. Neen, eed'le vorst; hijzelf, ik en mijn zuster, Wij aten samen thuis. God straff' mijn ziel, Als hij mij daar niet gruwlijk valsch beticht.
LUCIANA. 'k Wil nooit den dag meer zien, des nachts nooit slapen, Als zij uw hoogheid niet de waarheid meldt.
ANGELO. O, valsche vrouwen! Beiden zweren valsch; Op dit punt heeft de dolleman gelijk.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Mijn vorst en heer! ik weet wel wat ik zeg; 'k Ben niet door wijn beneveld, ben niet dol, Niet blind door woede, schoon, wat mij weêrvoer, Genoeg ware, om een wijs man gek te maken. Die vrouw sloot mij de deur bij 't middagmaal, En is de goudsmid hier niet in 't komplot, Hij kan 't getuigen, want hij was er bij. Van daar ging hij voor mij een keten halen, Die hij me in de' Egel brengen zou, want daar Heb ik met Balthazar gemiddagmaald. Toen hij na 't maal nog niet gekomen was, Ging ik hem zoeken, kwam op straat hem tegen, En deze heer was bij hem. Maar daar zwoer Die valsche goudsmid mij een duren eed, Dat hij de keten mij gegeven had, Die ik, bij God, nooit had gezien, en liet Mij daad'lijk voor 't bedrag in hecht'nis nemen. Ik heb mij niet verzet, maar zond mijn lummel Naar huis om geld; hij keerde zonder geld. Toen heb ik mijn bewaker overreed, Dat hij mij naar mijn huis zou vergezellen. Op weg daarheen ontmoetten wij Mijn vrouw, haar zuster en een gansche bent Van lage saamgezwoor'nen, onder hen Een zeek'ren Knijp, een schralen maag'ren deugniet, Een wandelend geraamte, een marktbedrieger, Een kalen kunstenmaker en voorspeller, Holoogig, scherp van trekken en in lompen, Een levend lijk. Dat aak'lig monster gaf Zich, waarlijk! uit voor duivelbanner, kijkt mij In de oogen, voelt mijn pols, en keert Brutaal zijn niet-gezicht naar mijn gezicht, En roept: "Hij is bezeten!" Toen werpt alles Zich op mij, bindt mij, sleept mij weg naar huis, En brengt mij daar, te zaam met Dromio, Gebonden, in een kil en donker hok. 247 Mijn banden reet ik met mijn tanden stuk, Herwon mijn vrijheid en liep onverwijld Hier tot uw hoogheid, wien ik dringend smeek, Genadig mij voldoening te verschaffen Voor een behand'ling, zoo vol schande en smaad.
ANGELO. Mijn vorst, in waarheid, dit getuig ik meê; Hij spijsde niet te huis, men sloot hem buiten.
HERTOG. Maar gaaft gij hem de keten, ja of neen?
ANGELO. Gewis, heer, en toen hij naar binnen vlood, Zag ieder hier de keten om zijn hals.
KOOPMAN. En ik kan ook bezweren, dat mijn ooren De erkent'nis hoorden van de ontvangst, en toch, Gij hadt die vroeger op de markt geloochend. En daarop trok ik tegen u het zwaard, En zijt gij hier het klooster ingevlucht, Van waar ge, als door een wonder, hier weer staat.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik zette nooit een voet in deze abdij; Nooit trokt gij tegen mij het zwaard, en 'k heb De keten nooit gezien. God sta mij bij! Waar gij mij meê bezwaart, 't is alles logen.
HERTOG. Dit is een zaak vol wondervreemde raadsels! Het schijnt, gij allen dronkt uit Circe's nap. Waar' hij hier ingevlucht, hij zou er zijn; En waar' hij dol, hij pleitte niet zoo kalm. Gij zegt, hij at bij u; de goudsmid hier Ontkent dit stellig.--Knaap, en wat zegt gij?
DROMIO VAN EPHESUS. Mijn vorst, hij at bij die daar ginds, in de' Egel.
COURTISANE. Zoo is 't, en trok dien ring mij van den vinger.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. 't Is waar, mijn vorst, dien ring heb ik van haar.
HERTOG. En zaagt gij hem de abdij hier binnengaan?
COURTISANE. Zoo zeker, heer, als ik uw hoogheid zie.
HERTOG. 't Is wondervreemd;--ga, roep de abdis nu hier; Gij speelt een spel, of uw verstand loopt spelen.
(Een van het Gevolg af.)
ÆGEON. Grootmoedig vorst, vergun me een enkel woord; Waarschijnlijk is een vriend daar, die mij redden, De som, die mij bevrijdt, betalen zal.
HERTOG. Spreek, Syracuser, wat gij wilt; spreek vrij.
ÆGEON. Uw naam, heer, is Antipholus, niet waar? En die man is uw dienaar Dromio? 287
DROMIO VAN EPHESUS. Tot voor een uur was ik zijn dienaar, heer; Maar thans heeft hij mijn banden doorgeknaagd, Dus ben ik, Dromio, thans door hem gediend.
ÆGEON. Gij beiden zult u mijner wis herinn'ren.
DROMIO VAN EPHESUS. Neen, wij herinn'ren ons ons-zelf door u: Wij waren pas in banden zooals gij; Doch gij zijt geen patiënt van Knijp, niet waar?
ÆGEON. Wat ziet gij vreemd mij aan? gij kent mij wel.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik heb u nooit gezien, heer, vóór dit uur.
ÆGEON. Sinds gij mij zaagt, heeft droef'nis mij veranderd; Door zorgvolle uren heeft de maag're hand Des Tijds mij vreemde trekken ingegrift: Maar zeg mij dan, mijn stem herkent gij toch?
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ook niet.
ÆGEON. En Dromio, gij?
DROMIO VAN EPHESUS. Ik ook niet, heer.
ÆGEON. Gij kent die zeker.
DROMIO VAN EPHESUS. Nu, heer, even zeker ken ik ze niet; en wat ook iemand u moge ontkennen, gij zijt nu gebonden om hem te gelooven.
ÆGEON. Mijn stem zelfs niet! O, wreede macht des Tijds! Hebt gij in zeven jaar mijn arme tong Doorboord, gesplitst, zoodat mijn een'ge zoon Den zwakken toon niet kent mijns schorren kommers? Zij mijn gerimpeld aangezicht bedekt Met 's winters doodsche vlokkensneeuw, en werden De buizen van mijn bloed verstijfd, toch heeft De nacht mijns levens nog herinnering, Mijn kwijnend lampenpaar een schemerschijn, Mijn oor, schoon doof, nog iets gehoors; en die Getuigen, die mij bleven, zeggen mij: Voorwaar, gij zijt mijn zoon Antipholus.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik heb mijn vader nooit, neen, nooit gezien.
ÆGEON. Wij scheiden voor pas zeven jaar, bedenk het, In Syracuse, knaap. Zeg, schaamt ge u, zoon, Nu ik ellendig ben, mij te herkennen?
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. De hertog, en een elk, die hier mij kent, Zijn mijn getuigen, dat het niet zoo is; Ik ben in Syracuse nooit geweest. 325
HERTOG. Ik zeg u, Syracuser, twintig jaar Was ik beschermer van Antipholus, En zoo lang was hij nooit in Syracuse. Wis maken ouderdom en angst u kindsch.
(De Abdis komt op, met Antipholus van Syracuse en Dromio van Syracuse.)
ABDIS. Zie, vorst, een man, die bitter onrecht leed.
(Allen dringen om hen heen, om hen te zien.)
ADRIANA. Twee echtgenooten, of mijn oog bedriegt mij.
HERTOG. De een moet geleigeest van den ander zijn, En zoo de dienaars ook! Wie is de mensch, En wie de geest? wie kan hen onderkennen?
DROMIO VAN SYRACUSE. Ik, heer, ben Dromio, laat dezen gaan.
DROMIO VAN EPHESUS. Ik, heer, ben Dromio, laat mij hier staan.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wie zijt gij, spreek! Ægeon of zijn geest?
DROMIO VAN SYRACUSE. Mijn oude meester! wie heeft u geboeid?
ABDIS. Wie hem ook boeide, ik maak zijn handen los, En win een echtgenoot door zijn bevrijding. Spreek, oude Ægeon, als gij 't zijt, die eens Een vrouw, met name Æmilia, bezat, Die op één dag twee schoone zoons u schonk, Als gij dezelfde Ægeon zijt, zoo spreek, En spreek dan tot die zelfde Æmilia!
ÆGEON. Als ik niet droom, zijt gij Æmilia! En zijt gij dat, zoo meld mij van den zoon, Die met u dreef op dien onzaal'gen mast.
ABDIS. Door Epidamniërs werden hij en ik, En ook de tweeling Dromio gered; Doch weldra namen visschers van Corinthe Hun met geweld mijn zoon en Dromio af, Maar lieten mij aan die van Epidamnum. Wat later van hen werd, bleef me onbekend; En mij viel 't lot ten deel, dat gij hier ziet.
HERTOG. 't Verhaal van dezen morgen gaat nu voort: Die twee Antipholussen, zoo gelijk, En die twee Dromio's, ook van uitzicht één,-- En dan wat zij daar van die schipbreuk meldde;-- Ja, dit zijn de ouders van die beide kind'ren, Die hier het toeval samen heeft gebracht. Antipholus, gij kwaamt dus van Corinthe?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Niet ik, heer, neen; ik kwam van Syracuse.
HERTOG. Treed dan ter zijde; ik weet niet, wien ik zie. 364
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ja, ik, doorluchte vorst, kwam van Corinthe.
DROMIO VAN EPHESUS. En ik met hem.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Hierheen gebracht door hertog Menaphron, Den hoogberoemden krijgsheld, uwen oom.
ADRIANA. Wie van u beiden at vandaag bij mij?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik, eed'le vrouw.
ADRIANA. En gij zijt niet mijn man?
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Neen, neen, zeg ik daarop.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dat zeg ik ook; toch noemde zij mij zoo; En deze schoone jonkvrouw, hare zuster, Sprak steeds van zwager.--(Tot Luciana.) Wat ik toen u zeide, Dit worde, wensch ik vurig, dra vervuld, Zoo niet al wat ik zie en hoor, een droom is.
ANGELO. Dat is de keten, heer, die ik u gaf.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En mij, heer, deedt gij voor die keten gijz'len.
ANGELO. Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.
ADRIANA. Ik zond u, heer, voor uwen borgtocht geld, Door Dromio; maar 't schijnt, hij bracht het niet.
DROMIO VAN EPHESUS. Neen, niet door mij.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. De buidel met dukaten kwam tot mij; En Dromio, mijn dienaar, bracht mij dien. Zoo trof staâg de een den dienaar van den ander; Ik werd voor hem gehouden, hij voor mij, En zoo ontstonden die vergissingen.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Dat goud zij nu de losprijs van mijn vader.
HERTOG. Behoud het vrij; ik schonk hem 't leven reeds.
COURTISANE. Heer, geef mijn diamant mij nu terug.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Hier is hij, met mijn' dank voor 't goed onthaal.
ABDIS. Doorluchte hertog, sta de gunst mij toe Van met ons in de abdij te gaan, en hoor Uitvoerig, wat ons ieder is weervaren; En allen, die hier nu verzameld zijt, En meegeleden hebt door al de dwaling Van éénen dag, treedt binnen; allen zullen Ten volle, zoo ik hoop, bevredigd zijn.--399 Sinds vijf en twintig jaar, mijn zonen, was ik In arbeid over u en eerst dit uur Werd ik van mijnen zwaren last bevrijd.-- Mijn vorst, mijn echtgenoot en tweetal zoons, En gij, kalenders van hun levenstijd, Gaat op ten doopfeest; weest met mij verblijd; Wat dag, na lange smart aan vreugd gewijd!
HERTOG. Ja! gaarne zal ik peter zijn op 't feest.
(De Hertog, de Abdis, Ægeon, de Courtisane, de Koopman, Angelo en het Gevolg af.)
DROMIO VAN SYRACUSE. Zal ik uw goed, heer, nu van boord gaan halen?
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wat hebt gij, Dromio, van mij ingescheept?
DROMIO VAN SYRACUSE. Heer, wat van u in den Centaurus lag.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hij spreekt tot mij. Ik ben uw meester, Dromio; Ga thans maar mee; dat alles komt te recht. Omarm uw broeder, wees met hem verheugd.
(Antipholus van Syracuse, Antipholus van Ephesus, Adriana en Luciana af.)
DROMIO VAN SYRACUSE. Dat dikke lief van u, ginds in uw huis, Die mij voor u tot keukenman wou maken, Zal nu mijn zuster wezen, niet mijn vrouw.
DROMIO VAN EPHESUS. Mij dunkt, gij zijt mijn spiegel, niet mijn broeder; Ik zie aan u, ik ben een knap jongmensch. Komaan, naar binnen, om bij 't feest te zijn.
DROMIO VAN SYRACUSE. Ga voor, man; gij zijt de oudste.
DROMIO VAN EPHESUS. Dat is de vraag, hoe zullen wij 't beslissen?
DROMIO VAN SYRACUSE. Wij zullen om 't langste strootje trekken voor de eerstgeboorte; ga tot zoo lang voor.
DROMIO VAN EPHESUS. Neen, dan zij 't zoo: Wij sprongen samen de wereld in, als broeders, met elkander; Zoo gaan wij nu samen hand aan hand, en de een niet na den ander.
(Beiden af.)
AANTEEKENINGEN.