Chapter 3
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Voor mij gemaakt, heer? 'k Heb hem niet besteld.
ANGELO. Niet eens of twee keer, maar wel twintigmaal. Ga, neem hem, en verras uw vrouw er mee; Ik hoop van avond bij u aan te komen En haal dan voor den ketting zelf het geld.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ontvang, heer, liever thans het geld, want anders Ziet gij misschien noch geld noch ketting ooit.
ANGELO. Gij drijft den spot er mee. Tot weerziens, heer!
(Angelo af.)
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Een vreemd geval! wat is dit nu alweer? Dit weet ik slechts: geen mensch zoo dwaas, die niet Een gift aanvaardt, die men zoo hoff'lijk biedt. En ik erken, hier is nog wel te leven, Als vreemden zoo maar gouden ketens geven. Doch naar de markt, en Dromio gewacht; Want zeilt een schip, dan reis ik voor de nacht.
(Antipholus van Syracuse af.)
VIERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een open plein.
Een Koopman, Angelo en een Gerechtsdienaar komen op.
KOOPMAN. Gij weet, met Pinkst'ren was de som verschuldigd, En sedert drong ik niet bijzonder aan, En zou het nog niet doen, maar 'k moet op reis Naar Perzië, waartoe ik geld behoef. Gelief mij dus onmidd'lijk te betalen, Of deze man voert u ter gijz'ling heen.
ANGELO. Gelijk bedrag als ik u schuldig ben, Heb ik te vord'ren van Antipholus. Zoo even vóór ik u ontmoette, heb ik Aan hem een keten overhandigd, en Te vijf uur zou ik daar het geld voor innen. Wil mij dus begeleiden naar zijn huis, Dan doe ik daar, in dank, mijn schulden af.
(Antipholus van Ephesus en Dromio van Ephesus komen op.)
GERECHTSDIENAAR. Dien weg kunt gij u sparen; ziet, daar komt hij.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Koop gij, terwijl ik naar den goudsmid ga, Mij een eind touw, want dat heb ik bestemd Voor mijne vrouw en die haar helpers waren Om op den dag mij buitenshuis te sluiten. Maar stil, ik zie den goudsmid daar. Ga vlug, En koop het touw en breng 't mij thuis.
DROMIO VAN EPHESUS. Dat is 20 Wel duizend ponden 's jaars mij waard! een touw!
(Dromio van Ephesus af.)
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Nu, die op u vertrouwt, is wel bediend! Ik zeide ginds uw komst toe en den ketting, Maar noch de keten, noch de goudsmid kwam. Dacht ge onze vriendschap al te hecht, wanneer zij Werd saamgeketend? kwaamt gij daarom niet?
ANGELO. Uw scherts alle eer! maar zie, hier is de nota, Hoeveel uw ketting weegt, tot op 't karaat, 't Gehalte van het goud, en 't duur fatsoen; Het is zoo omtrent drie dukaten meer, Dan ik aan dezen koopman schuldig ben; Voldoe gij hèm thans, bid ik, want hij moet Ras onder zeil en wacht op niets dan dit.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik heb op 't oogenblik het geld niet bij mij, En heb ook in de stad nog iets te doen. Breng, beste heer, den vreemd'ling naar mijn huis, En neem de keten mee en vraag mijn vrouw, Dat zij die in ontvangst neem' en voldoe. Misschien ben ik er even vroeg als gij. 39
ANGELO. Dus geeft gij haar de keten dan toch zelf?
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Neen, doe gij 't maar; ik mocht mij eens verlaten.
ANGELO. Nu, goed. Hebt gij de keten bij u, heer?
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wat ik? Ik hoop toch, heer, dat gij haar hebt; Want anders gaat gij zonder geld naar huis.
ANGELO. Neen, geef de keten, heer, in allen ernst; De koopman wordt gewacht door wind en tij, En 'k hield hem tot mijn spijt te lang reeds op.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Mijn hemel! wis moet deze scherts bewimp'len, Dat gij mij in den Egel zitten liet. Het was aan mij u daarom hard te vallen, Maar als een feeks zoekt gij het eerste twist.
KOOPMAN. De tijd gaat om; ik bid u, heer, besluit!
ANGELO. Gij hoort, hoe hij mij dringt;--de keten, heer!
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wel, geef die aan mijn vrouw, en haal uw geld.
ANGELO. Kom, kom, ik gaf haar u zoo pas; dus zend De keten, of geef een bewijs mij mee. 56
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. O foei, dat is geen scherts meer; 't gaat te ver; Waar is de ketting? 'k Bid u, toon hem mij.
KOOPMAN. Mijn zaken dulden die vertraging niet. Spreek, heer, hoe is 't? betaalt gij mij of niet? Zoo niet, dan neem' die dienaar hem gevangen.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik u betalen? wat zou ik betalen?
ANGELO. Wat gij mij voor de keten schuldig zijt.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Vóór ik de keten heb, ben ik niets schuldig.
ANGELO. Ik heb ze voor een half uur u gegeven.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij gaaft mij niets; en krenkt mij, als gij 't zegt.
ANGELO. Gij krenkt mij meer nog, heer, als gij 't ontkent. Bedenk toch, mijn krediet staat op het spel.
KOOPMAN. Neem, dienaar, hem in hecht'nis op mijn klacht.
GERECHTSDIENAAR. Ik geef gehoor.-- In naam des hertogs hebt gij mij te volgen.
ANGELO. Dit komt mijn goeden naam te na.-- Kies dus: betaal die som voor mij aan hem, Of volg voor mij dien dienaar naar de gijz'ling.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik zou betalen, wat ik nooit ontving? Neem mij in hecht'nis, schaapskop, als gij durft.
ANGELO. Hier zijn de kosten, man; neem hem gevangen.-- Mijn eigen broeder spaarde ik niet, als hij Mij zoo in 't openbaar te schande maakte.
GERECHTSDIENAAR. 'k Neem u in hecht'nis, heer. Gij hoort de klacht.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik onderwerp mij, tot ik borgtocht stel.-- Maar, heerschap, gij bekoopt die scherts zoo duur, Dat heel uw winkel zoo veel goud niet levert.
ANGELO. Nu, heer, er is nog recht in Ephesus, Dat u beschamen zal; ik ben gerust. 83
(Dromio van Syracuse komt op.)
DROMIO VAN SYRACUSE. Er is een schip van Epidamnum, heer, Dat enkel op de komst des reeders wacht, Om uit te loopen. Al ons reisgoed, heer, Heb ik aan boord gebracht en 'k heb ook de olie, Den balsem, de aqua vitae aangekocht. Het schip is zeilreê; lustig blaast de wind, Aflandig; en op niets meer wordt gewacht, Dan op den eig'naar, meester, en op u.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Weer een bezeet'ne! welk een schip, gij schaapskop, Van Epidamnum wacht alleen op mij?
DROMIO VAN SYRACUSE. Een schip, waarop ik plaats voor u zou nemen.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij dronken slaaf, gij, moest een touw mij halen; En 'k zeide u ook waarom en tot wat einde.
DROMIO VAN EPHESUS. Een touw, heer? dan toch met een schip aan 't eind? Gij zondt mij naar de haven, om een schip.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik doe die zaak wel nader met u af, En leer uw ooren beter acht te geven. Maar nu, schavuit, met spoed naar Adriana, Neem dezen sleutel, geef haar dien en zeg, Dat ze in mijn kist, met Turksch tapijt omkleed, Een beurs vindt met dukaten; breng die hier, En deel haar mee, dat ik op straat in hecht'nis Genomen ben en borg wil stellen. Vlug!-- 'k Ben tot uw dienst, man, tot het geld er is.
(De Koopman, Angelo, Gerechtsdienaars en Antipholus van Ephesus af.)
DROMIO VAN SYRACUSE. Naar Adriana? dat is waar wij aten, Waar Dowsabel tot man mij hebben wil! Ze is al te dik, naar 'k hoop, voor mijn omarming. Al heb ik weinig lust, ik moet er heen; Een meester heeft een wil, een dienaar geen.
(Dromio van Syracuse af.)
TWEEDE TOONEEL.
Binnenhof in het huis van Antipholus van Ephesus.
Adriana en Luciana komen op.
ADRIANA. Ach, zuster, heeft hij zoo uw hart belaagd? Gelooft gij, dat hij 't waarlijk meende? spreek! Zeg ja of neen! Hoe sprak zijn oog? en zaagt Ge er leed of vreugd in? was hij rood of bleek? En zaagt ge, als tusschen wolken flikkerlicht, Ook strijd des harten op zijn aangezicht?
LUCIANA. Hij zwoer: gij hadt op hem in 't minst geen recht.
ADRIANA. Wijl hij het mij niet geeft, en dat is slecht.
LUCIANA. Dan zwoer hij ook, dat hij zich vreemd'ling wist.
ADRIANA. Dan zwoer hij waar, en toch, een meineed is 't.
LUCIANA. Toen nam ik uw partij.
ADRIANA. En wat deed hij? 11
LUCIANA. Wat ik voor u hem vroeg, vroeg hij van mij.
ADRIANA. En hoe bood hij zijn valsche liefde u aan?
LUCIANA. Káns had een eerlijk aanbod, zoo gedaan. Ik was zoo schoon, mijn taal zoo zacht, zoo zoet,--
ADRIANA. Spraakt gij zoo lief?
LUCIANA. O stil toch! welk een gloed!
ADRIANA. Ik kan niet, wil niet, houd mij niet meer in; Nu hebb', zoo niet mijn hart, mijn tong haar zin! Hij is verdraaid, krombeenig, rimp'lig, oud, Van top tot teen een monster, hartloos, koud, Onvriendlijk, boos en slecht, een nar, een beer, Misvormd naar 't lijf, maar naar den geest nog meer.
LUCIANA. En plaagt u ijverzucht om zulk een man? Wie klaagt, die zulk een kwaad ontloopen kan?
ADRIANA. O, maar ik acht hem beter dan ik zeg; Als and'rer oog hem maar zoo haatlijk vond! De kievit schreeuwt, is hij van 't nest ver weg; Mijn harte bidt voor hem, al vloekt mijn mond.
(Dromio van Syracuse komt op.)
DROMIO VAN SYRACUSE. Hier, neem! de beurs! de kist! Vlug, sluit haar open!
LUCIANA. Waarom zoo buiten adem?
DROMIO VAN SYRACUSE. Is dat loopen!
ADRIANA. Waar is uw meester, Dromio? Is 't hem wel?
DROMIO VAN SYRACUSE. Hij is in 't voorportaal, neen, in de hel! Hem heeft een duivel beet, in eeuw'gen dos, Een man, wiens hart met staal benageld is; Een wreede booze geest, een wolf, neen, meer, Een kerel, gansch gehuld in buffelleêr, Zoo'n ruggevriend met grijpers, die loert en spiedt en gluipt; 37 En zich in bochten wringt, door poortjes en gangen sluipt; Een hond op 't valsche spoor, maar die zijn wild toch speurt, En arme zielen, vóór 't gericht, ter helle sleurt.
ADRIANA. Spreek, man, 'k begrijp u niet.
DROMIO VAN SYRACUSE. En ik begrijp alleen, dat hem een rakker greep.
ADRIANA. Gegrepen? spreek! wie heeft hem dan verklaagd?
DROMIO VAN SYRACUSE. 'k Weet niet, op welke klacht hij in hecht'nis is gebracht, Maar die het deed, was in een buffelleêren dracht. Wilt gij het losgeld sturen, de goudbeurs uit zijn kist?
ADRIANA. Ga 't halen, zuster. (Luciana af.)--'k Sta verwonderd, dat Mijn man zoo iets als stille schulden had.-- Waarom werd hij gegijzeld? om een schuldbrief?
DROMIO VAN SYRACUSE. Niet om papier, maar om een sterker ding; Een keten, keten was 't! Wat hoor ik, kling ling ling!
ADRIANA. Hoort gij de keten daar?
DROMIO VAN SYRACUSE. Neen, neen, de klok. Het is mijn tijd van gaan; 't Was twee, toen 'k hem verliet, en 'k hoor het één daar slaan.
ADRIANA. Een uur zou weer teruggaan, wees niet dom!
DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, als het uur een rakker treft, dan schrikt het en keert om.
ADRIANA. Als of de tijd in schulden stak! hoe dol! wie hoorde 't ooit?
DROMIO VAN SYRACUSE. Tijd is bankroet; beloven doet hij, ja, op 't uur betalen nooit. En dief, dat is hij ook, ja, geef maar acht, Hoe steelsch hij komt en gaat, bij dag en nacht! Is Tijd bankroet en dief, en ziet hij een rakker, die wacht, Is dan een uur teruggaan niet goed van hem bedacht?
(Luciana komt terug, met een beurs.)
ADRIANA. Hier, Dromio, breng hem 't geld, en vlug! met spoed! En kom terstond toch met uw meester thuis.-- Ach, zuster, 'k weet niet, wat ik denken moet; Nu geeft mij 't denken troost, dan is 't mijn kruis.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Een open plein.
Antipholus van Syracuse komt op.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik kom geen sterv'ling tegen of hij groet mij, Als ware ik hun een welbekende vriend; Daarbij, een ieder noemt mij bij mijn naam; Die biedt mij geld; een ander noodt mij bij zich; Die dankt mij voor bewezen vriendlijkheid; Die biedt mij iets bijzonder fraais te koop; Daar even riep een snijder me in zijn winkel, En liet mij zijde zien, voor mij ontboden, En nam meteen mij ongevraagd de maat. Geen twijfel, 't moeten droomgezichten zijn, En Laplands heksenmeesters huizen hier.
(Dromio van Syracuse komt op.)
DROMIO VAN SYRACUSE. Heer, daar is het goud, waar gij mij om hebt uitgestuurd.--Maar waar hebt gij dat evenbeeld van den ouden Adam in zijn nieuw gewaad gelaten?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe! wat voor goud en welken Adam meent gij?
DROMIO VAN SYRACUSE. Niet Adam, den paradijsbewaarder, maar Adam, den gevangenbewaarder; die wandelt in het vel van het kalf, dat voor den Verloren zoon geslacht werd; die achter u aansloop, heer, als een booze geest, en u beval uwe vrijheid te verzaken.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Mensch, ik versta u niet.
DROMIO VAN SYRACUSE. Niet? het geval is toch zeer eenvoudig: ik meen den man, die rondliep, als een bas-viool, in een lederen foedraal; den man, die, als de lieden moe zijn, hen oppakt en laat zitten; den man, heer, die menschen in verval met een sterken arm ophelpt en in zekerheid brengt; den man, die niet rust, voor hij met zijn ambtsstaf meer exploten gedaan heeft, dan een Moor met zijn piek.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ah zoo! meent gij een gerechtsdienaar?
DROMIO VAN SYRACUSE. Ja, heer, den oppersten van de bende; die zijn banden klaar heeft voor ieder, die een verbintenis wil verbreken; een, die altijd iemand rust gunt, en zegt: "Blijf maar zitten!"
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Nu man, genoeg; gun aan uw grappen rust. Zeilt er van avond ook nog een schip uit? Kunnen wij vertrekken?
DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, heer, ik heb het u voor een uur al gemeld, dat de brik "Voorwaarts" van avond zee kiest; maar toen werdt gij door een rakker genoopt te blijven op de kogge "Rustuit". Hier zijn de Engelen, die ik halen moest om u te bevrijden. 41
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. De kerel is verbijsterd, maar ik ook; Van de eene dwaling komen wij in de and're; Een goede geest help' veilig ons van hier!
(Een Courtisane komt op.)
COURTISANE. Getroffen, heer Antipholus, getroffen! Ik zie, gij hebt den goudsmid nu ontmoet; Is dat de keten, heden mij beloofd?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wijk, Satan, wijk; beproef uw kunsten niet.
DROMIO VAN SYRACUSE. Meester, is dit mejuffer Satan?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Het is de duivel.
DROMIO VAN SYRACUSE. Neen, erger dan dat, zij is des duivels moêr, die in de gedaante van een lichte deerne rondwandelt; van daar, dat, als de deernen zeggen: "De Duivel hale mij", dit zooveel wil zeggen als: "Ik zou een lichte deerne willen zijn". Daar staat geschreven, dat zij aan mannen zich voordoen als licht; licht is een uitwerksel van vuur, en vuur verzengt en steekt aan; dus, lichte deernen steken aan. Kom haar niet te na.
COURTISANE. U beider boert, heer, tuigt van jolig bloed. Gaat gij weer mee? Ook 't avondmaal is goed.
DROMIO VAN SYRACUSE. Meester, als gij dat doet, reken dan op lepelkost en zorg voor een langen lepel.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom, Dromio?
DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, die met den duivel wil eten, moet een langen lepel hebben.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Weg, booze! welk een praat, welk maal? gij zijt, Zooals gij allen zijt, een tooverkol; Ga, ik bezweer u, ga, verlaat mij, voort!
COURTISANE. Geef dan den ring, dien ik aan 't maal u gaf, Of wel de keten, die gij hebt beloofd; Dan ga ik, heer, en val u niet meer lastig.
DROMIO VAN SYRACUSE. Meest vragen heksen naar een nagelsnippel, Een haar, een drupje bloed, een speld, een niets, Een noot, een kersepit, Die daar wat meer, een gouden keten, ja! Voorzichtig, heer; als gij ze geeft, dan rammelt De duivel ons er schrik mee op het lijf.
COURTISANE. Ik bid u, heer, den ring of wel de keten; 'k Hoop, zóó bedriegt gij mij toch niet, niet zóó.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Weg, heks! verdwijn! Kom, volg mij, Dromio.
DROMIO VAN SYRACUSE. "Nooit ijdel", zei de pauw; die les is niet van stroo. 81
(Antipholus en Dromio van Syracuse af.)
COURTISANE. Nu, buiten kijf, Antipholus is gek; Want anders stelde hij zich zoo niet aan. Wat! voor mijn ring, veertig dukaten waard, Heeft hij een gouden keten mij beloofd, En nu ontkent hij mij èn 't een èn 't ander. Ja, dat hij gek is, blijkt mij niet alleen Door dit bewijs van dolle drift, maar ook Door 't dwaas verhaal, dat hij aan tafel deed, Hoe hem zijn vrouw zijn deur gesloten hield. Gewis zijn haar zijn vlagen welbekend En hield zij daarom 't huis voor hem gesloten. Het best is, dat ik naar zijn huis mij spoed, En daar zijn vrouw vertel, dat hij als dol Mijn woning binnendrong en met geweld Den ring me ontnam. Ja, die manier is goed; Veertig dukaten waar' te groot bankroet.
(De Courtisane af.)
VIERDE TOONEEL.
Op dezelfde plaats.
Antipholus van Ephesus en de Gerechtsdienaar komen op.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wees niet beducht, man, ik ontloop u niet; Maar geef u, eer ik van u ga, de som, Waarvoor gij mij in hecht'nis hebt genomen. Mijn vrouw is heden wonderlijk geluimd, En schenkt misschien mijn bode geen geloof. Dat ik in Ephesus gegijzeld werd, Geloof mij, 't zal haar schril in de ooren klinken.
(Dromio van Ephesus komt op, met een eind touw.)
Daar komt mijn dienaar, denk'lijk met het geld.-- Nu, man, gij hebt toch wat gij halen moest?
DROMIO VAN EPHESUS. Zie maar, genoeg om allen te betalen.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Maar waar is 't geld?
DROMIO VAN EPHESUS. Wel, heer 'k heb met het geld het touw betaald.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Vijfhonderd stuks dukaten voor een touw?
DROMIO VAN EPHESUS. Neen, heer, dan bracht ik wel vijfhonderd touwen.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Nu, tot wat einde stuurde ik u naar huis?
DROMIO VAN EPHESUS. Om een eind touw, en 'k breng dat eind u hier. 17
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zot, met dat eind is hier uw welkomst dan.
(Hij slaat hem.)
GERECHTSDIENAAR. Geduld, mijn waarde heer, geduld.
DROMIO VAN EPHESUS. Neen, het is aan mij, geduld te hebben; ik ben de lijdende partij.
GERECHTSDIENAAR. Kom aan, hou je mond.
DROMIO VAN EPHESUS. Neen, beduid hem liever, zijn handen thuis te houden.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij, vervloekte, zinnelooze vlegel!
DROMIO VAN EPHESUS. Ik wou, heer, dat het waar was, dat ik mijn vijf zinnen niet had; dan voelde ik uw slagen niet.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij hebt voor niets gevoel dan voor slagen, precies als een ezel.
DROMIO VAN EPHESUS. Ja, ik ben een ezel, inderdaad; 't is aan mijn ooren te zien, die lang zijn door uw trekken.--Ik heb hem gediend van het uur van mijn geboorte tot dit oogenblik toe, en krijg voor mijn diensten niets uit zijn handen dan slagen. Als ik koud ben, maakt hij mij warm door slaan, als ik warm ben, koud door slaan; ik word er mee gewekt, als ik slaap; opgejaagd, als ik zit, uit de deur gedreven, als ik uitga, er mee verwelkomd, als ik thuis kom; ja, ik draag het op mijn schouders, net als een bedelaarster haar kind meedraagt; en ik vrees, als hij mij kreupel geslagen heeft, zal ik er mee moeten bedelen van deur tot deur.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Kom, ga nu mee; ik zie mijn vrouw daar komen.
(Adriana, Luciana, de Courtisane en Knijp komen op.)
DROMIO VAN EPHESUS. Meesteres, "Respice finem", denk aan uw einde, of liever aan de voorspelling van den papegaai: "Pas op voor het eindje touw!"
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Maakt gij nog praatjes?
(Hij slaat hem.)
COURTISANE. Wat zegt gij nu wel? is uw man niet dol?
ADRIANA. Zijn woestheid stelt het buiten allen twijfel. Gij zijt een duivelbanner, dokter Knijp; Geef, beste heer, hem zijn verstand terug, En wat gij vordert, zal ik u betalen.
LUCIANA. Och, och! wat ziet hij wild en grimmig rond! 53
COURTISANE. Ziet, hoe hij trilt en beeft van razernij!
KNIJP. Geef mij uw hand en laat me uw pols eens voelen.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Hier is mijn hand en dat uw oor die voel'!
(Hij geeft hem een oorveeg.)
KNIJP. Gij satan, die in dezen mensche huist, Ik zeg u, wijk voor mijn volheilig bidden, En spoed u heen naar 't rijk der duisternis; Bij alle heil'gen, geef gehoor, ik ban u!
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zwijg, suffe toov'naar, zwijg, ik ben niet dol.
ADRIANA. Ach, waar' dit zoo, gij zwaar beproefde ziel!
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ei, ei, mijn schat, zijn dit uw gasten? spreek! Deed die snaak daar met dat saffraangezicht Vandaag in mijne woning zich te goed, Terwijl de deur u helersdiensten deed En mij den toegang tot mijn huis ontzeide?
ADRIANA. O man, God weet, gij hebt te huis gegeten; O, hadt gij daar tot nu met mij getoefd, Dan hadt ge u deze schande en smaad bespaard!
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Te huis gegeten!--Vlegel, wat zegt gij?
DROMIO VAN EPHESUS. Te huis gegeten!--heer, neen, waarlijk niet.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En bleef de deur niet dicht, ik uitgesloten?
DROMIO VAN EPHESUS. Ja wis, uw deur bleef dicht, gij uitgesloten.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En heeft zijzelf daar, zij, mij niet beschimpt?
DROMIO VAN EPHESUS. In waarheid, heer, zijzelf heeft u beschimpt.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En heeft haar keukenmeid mij niet bespot?
DROMIO VAN EPHESUS. Voorwaar, de keukenmaagd heeft u bespot.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En ging ik niet in dolle woede weg?
DROMIO VAN EPHESUS. Ja waarlijk, heer, mijn rug kan het getuigen; Die heeft uw dolle woede wel gevoeld. 81
ADRIANA. Is dat wel goed, zijn waanzin zoo te voeden?
KNIJP. Het is niet kwaad; de knaap verkent zijn stemming, Gaat met hem mee, en maakt hem goedgeluimd.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij dreeft den goudsmid aan om mij te gijz'len!
ADRIANA. Helaas, ik zond u geld voor uw bevrijding, Door Dromio hier, die 't ijlings hebben moest.
DROMIO VAN EPHESUS. Wat! geld door mij? Misschien wel goeden wil, Maar zeker, meester, geld! geen rooden duit.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zijt gij bij haar geen beurs met goud gaan halen?
ADRIANA. Hij kwam er om, en ik, ik gaf het hem.
LUCIANA. Ik kan getuigen, dat zij 't goud hem gaf.
DROMIO VAN EPHESUS. God en de touwverkooper zijn getuigen: Niets anders moest ik halen dan een touw.
KNIJP. Zij beiden zijn bezeten, heer en dienaar; Zij zijn doodsbleek, en ziet eens, welke blikken! Men boeie en breng' hen in een donk're cel.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS (tot Adriana). Spreek, waarom sloot gij heden mij de deur? (Tot Dromio.) En waarom loochent gij de beurs met goud?
ADRIANA. Maar, beste man, ik sloot de deur u niet.
DROMIO VAN EPHESUS. En, beste heer, ik heb geen goud ontvangen; Doch ik erken, de deur bleef voor ons dicht.
ADRIANA. Gij valsche schurk, gij spreekt in beide onwaar.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij valsche sloor, gij liegt, zijt valsch in alles; En zijt het met vervloekte schoeljes eens, Om hoon en smaad te staap'len op mijn hoofd; Maar 'k rijt u met mijn nagels de oogen uit, Wier lust het is, mij zoo beschimpt te zien.
ADRIANA. O bindt hem, bindt hem, houdt hem van mij af!
KNIJP. Meer hulp! de Booze is sterk, die in hem huist.
LUCIANA. Ach arme man, wat ziet hij bleek, ontdaan!
(Drie of vier Helpers komen op, om Antipholus van Ephesus te binden, die tegenstand biedt.)
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wat! legt gij 't op mijn leven toe? Gij rakker, 'k Ben uw gevang'ne; duldt gij, dat zij mij Aan u ontrukken? 114
GERECHTSDIENAAR. Mannen, laat hem los; 't Is mijn gevang'ne; gij blijft van hem af.
KNIJP. Bindt ook den knecht, want hij is ook bezeten.
(Zij trachten ook Dromio van Ephesus te binden.)
ADRIANA. Gij domme rakker, waar bemoeit ge u mee? Is 't u een lust, als een ellendig man Zichzelven kwaad en leed en schande doet?
GERECHTSDIENAAR. 't Is mijn gevang'ne; ontsnapt hij mij, dan wordt, Wat hij betalen moet, op mij verhaald.
ADRIANA. Daarvan onthef ik u, aleer ik ga. Breng mij tot hem, die 't geld te vord'ren heeft! Als ik de schuld eens weet, is ze ook betaald. En, goede dokter, breng hem ongedeerd Bij mij aan huis!--O diep onzaal'ge dag!
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. O diep onzaal'ge sloor!
DROMIO VAN EPHESUS. Nu bindt eerst, heer, een hechte band ons saam!
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ter helle, schurk! waarom maakt gij mij dol?
DROMIO VAN EPHESUS. Wilt gij voor niets gebonden zijn? Neen, meester, Wees dol! schreeuw: "Duivel! Hel!"
LUCIANA. God helpe u, armen! ach wat ijd'le taal!
ADRIANA. Gaat, voert hem weg!--Kom, zuster, ga met ons.
(Knijp en zijn Helpers af, met Antipholus van Ephesus en Dromio van Ephesus.)
Zeg thans, op wiens beklag hij werd gegijzeld.
GERECHTSDIENAAR. Van Angelo, den goudsmid. Kent gij dien?
ADRIANA. Ik ken hem wel. En hoeveel is hij schuldig?