De Klucht der Vergissingen

Chapter 2

Chapter 24,171 wordsPublic domain

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, gij hebt daar harige lieden voor onnoozele halzen zonder verstand verklaard.

DROMIO VAN SYRACUSE. Hoe onnoozeler iemand is, des te eer zorgt hij het kwijt te raken; maar hij verliest het met een soort van genot.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Om welke reden?

DROMIO VAN SYRACUSE. Om twee redenen, en wel zeer gezonde.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Neen, gezonde juist niet.

DROMIO VAN SYRACUSE. Nu, zekere redenen dan.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zekere? in een zoo bedrieglijke wereld, neen. 95

DROMIO VAN SYRACUSE. Bepaalde redenen dan.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Noem ze maar op.

DROMIO VAN SYRACUSE. De een is, dat hij het geld voor friseeren uithaalt, de andere, dat zij hem aan tafel niet in zijn soep kunnen vallen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gij hadt mij nu al dezen tijd moeten bewijzen, dat er niet voor alles een tijd is.

DROMIO VAN SYRACUSE. Zeker, heer, en dat heb ik gedaan; namelijk dat er geen tijd is om haar, van nature verloren, terug te krijgen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Maar uw reden gaf den grond niet aan, waarom er geen tijd is om het terug te krijgen.

DROMIO VAN SYRACUSE. Dan wil ik het zoo versterken: de Tijd zelf is kaal en zal dus tot het eind der wereld kale volgelingen hebben.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik dacht al wel, dat het op een kaal besluit zou uitloopen. Maar stil! wie wenkt ons daar?

(Adriana en Luciana komen op.)

ADRIANA. Antipholus, ja blik maar vreemd en koud; Een ander liefje ziet gij teeder aan; Ik ben niet Adriana, niet uw vrouw. Er was een tijd, dat ge ongevergd mij zwoert: Geen enkel woord was in uw oor muziek, Geen enk'le blik welsprekend voor uw oog, Geen enk'le handdruk lieflijk voor uw hand, Geen enk'le spijs welsmakend voor uw tong, Dan woord of blik of druk of spijs van mij. Van waar thans, o mijn gade, o spreek, van waar, Dat gij thans zoo vervreemd zijt van uzelf? Uzelf, zeg ik, daar gij van mij vervreemd zijt, Van mij, die met u een, ondeelbaar, beter Dan 't beet're deel ben van uw dierbaar ik. O scheur niet, mijn geliefde, u van mij los, Want ja, geloof mij, in de woeste branding Laat ge even licht een waterdroppel vallen En schept dien onvermengd er weder uit, Verminderd noch vermeêrd, dan dat ge uzelf Aan mij ontneemt, en niet mijzelf er bij. Hoe trof 't u niet in 't diepste van uw ziel, Zoo gij slechts hoordet, dat ik trouwloos was, Dat dit mijn lichaam, heilig u gewijd, Bevlekt zou zijn met booze', onkuischen lust! Zoudt gij niet op mij spuwen, mij vertrappen, Uw naam van gâ mij sling'ren in 't gezicht, De huid mij scheuren van 't boeleerend voorhoofd, Den trouwring snijden van mijn valsche hand, Dien breken met een vloek van eeuw'ge scheiding? Ik weet, dit kunt gij doen; zoo doe het nu. Ik ben geschandvlekt met het merk van echtbreuk; Mij woelt een overspeel'ge lust in 't bloed; Want zijn wij tweeën één en zijt gij valsch, Dan stroomt het gif van uw bloed in het mijn', En door uw smetstof word ik tot boelin. Dies, heilig zij u steeds het huwlijksbed, Dan leeft gij ononteerd, ik onbesmet. 148

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Geldt mij dit, schoone vrouw? Ik ken u niet. Twee uren pas ben ik in Ephesus, En vreemder dan de stad is mij uw taal; Want, hoe ik napluis, wat ik heb gehoord, 'k Begrijp van alles, wat gij zegt, geen woord.

LUCIANA. Foei, zwager, zijt ge een ander dan voorheen? Wanneer hebt ge ooit mijn zuster zoo bejegend? Zij liet door Dromio voor het maal u roepen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Door Dromio?

DROMIO VAN SYRACUSE. Door mij?

ADRIANA. Door u, en met dit antwoord kwaamt gij thuis: Hij had u afgeranseld en, bij 't slaan, Mijn huis als 't zijn, mij als zijn vrouw geloochend.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dus hebt ge met deze edelvrouw gesproken? Van waar die afspraak? en wat wilt ge ermee?

DROMIO VAN SYRACUSE. Ik, heer? ik heb haar nooit gezien voor nu.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gelogen, knaap! want juist, wat gij daar zegt, Was uwe boodschap aan mij op de markt.

DROMIO VAN SYRACUSE. Ik heb haar van mijn leven nooit gesproken.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe komt het dan, dat ze ons bij name noemt? Of is dit door een geest haar ingefluisterd?

ADRIANA. Hoe kwalijk strookt het met uw waardigheid, Dit guichelspel te spelen met uw slaaf, Hem aan te zetten, dat hij dus mij terg'! Lijd ik het onrecht, dat gij mij verlaat, Hoop niet op onrecht onrecht door uw smaad. Laat toe, dat ik om u mijn armen sla; Ik ben een wingerd, gij een olm, mijn gâ; Mijn zwakheid, om uw forschen stam gerankt, Gevoelt, erkent, dat ze alle kracht u dankt: Wat tusschen ons zich dringe en u omvaam', 't Is onbeschaamd klimop of mos of braam; Het snoeimes kappe 't weg; 't zou u verderven, Uw groei verstikken, leven van uw sterven.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Het is tot mij, dat zij die reed'nen houdt! Wat! ben ik in den droom met haar getrouwd? Of slaap ik nu en meen ik, dat ik hoor? Wat vreemde waan verdwaast mijn oog en oor? Maar kom, tot mij dit raadsel wordt verklaard, Zij de opgedrongen dwaling thans aanvaard.

LUCIANA. Dromio, ga, zeg hun, 't eten op te dragen. 189

DROMIO VAN SYRACUSE. Mijn rozenkrans! en fluks een kruis geslagen! Dit is een tooverland! O wee ons, wee! Al wie hier spreekt, is spook en uil en fee. Verzetten we ons, dan brengen ze ons in 't nauw, En knijpen voor het minst ons bont en blauw.

LUCIANA. Wat praat gij in uzelf en staat nog daar? Dromio, gij doeniet, slak, gij leuteraar!

DROMIO VAN SYRACUSE. Ik ben vervormd, betooverd, heer, niet waar?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ja, zeker is 't uw geest, zooals de mijne.

DROMIO VAN SYRACUSE. Naar geest en lichaam beide, of ik slaap.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Uitwendig niet.

DROMIO VAN SYRACUSE. Ja toch ik werd een aap.

LUCIANA. Wat zoudt gij wezen, als 't geen ezel was?

DROMIO VAN SYRACUSE. 't Is waar, zij drijft mij en ik snak naar gras. Ja 't moet wel zijn, dat ik een ezel ben, Wijl zij mij kent, ik haar volstrekt niet ken.

ADRIANA. Kom, kom, zoo dwaas wil ik niet langer wezen, Dat ik mij de oogen wrijf en bitter ween, Nu heer en dienaar spotten met mijn nood. Kom, man, aan tafel.--Dromio, wees portier.-- 'k Wil heden boven met u spijzen, man; Gij zult mij al uw dolle streken biechten.-- Knaap, als u iemand naar uw meester vraagt, Dan spijst hij elders: laat geen sterv'ling toe.-- Kom, zuster.--Dromio, wees een goed portier.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat is het, hemel, hel of aarde, hier? Slaap, waak ik? Ben ik wijs of buiten west? Ik ken mijzelven niet en zij mij best. Hoe 't zij, 'k wil meegaan zonder verder vragen, En blindlings in dit avontuur mij wagen.

DROMIO VAN SYRACUSE. Is 't uw wil, heer, dat ik de wacht hier houd?

ADRIANA. Laat ge iemand in, weet dat het u berouwt!

LUCIANA. Kom, kom, Antipholus, of 't maal is koud.

(Allen af.)

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Voor het huis van Antipholus van Ephesus.

Antipholus van Ephesus, Dromio van Ephesus, Angelo en Balthazar komen op.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Vriend Angelo, maak gij het voor ons goed; Als ik niet op mijn tijd pas, kijft mijn vrouw. Zeg, dat ik met u in de werkplaats was, En naar het maken van haar halssnoer keek, En dat gij 't morgen thuis bezorgen zult. Maar denk eens, deze schelm houdt stokstijf staande, Dat ik hem op de markt ontmoette, sloeg, En duizend mark in goud van hem begeerde, En ook mijn vrouw verloochende en mijn huis.-- Spreek op, gij drinkebroêr, wat meent ge er mee?

DROMIO VAN EPHESUS. Zeg wat gij wilt, heer, maar ik weet, wat ik weet, Dat uw groete bestond in het slaan, dat gij deedt; Waar' mijn vel perkament en waren uwe slagen inkt, 'k Had een schrift'lijk bewijs, dat gij zoo mij ontvingt.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij zijt een ezel, zie ik. 15

DROMIO VAN EPHESUS. Dat dacht ikzelf ook alreê, Want ik word uitgescholden en slagen krijg ik mee, Maar dan zou ik achteruitstaan, en als gij dat bedacht, Dan naamt ge u voor mijn hoeven en de' ezel in acht.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij zwijgt, heer Balthazar, ik hoop nu maar, dat het maal Beantwoordt aan mijnen wensch, dan vindt gij een goed onthaal.

BALTHAZAR. Hoog schat ik uwe vriendlijkheid, al waar' ook 't eten schraal.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Een schraal onthaal is vriendlijkheid; veel liever zie ik den disch, Heer Balthazar, beladen met keur van vleesch en visch.

BALTHAZAR. Goed eten tel ik minder, dat schaft soms een lomperd ook.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik meer dan hoff'lijke woorden; een woord vervliegt als rook.

BALTHAZAR. Zij de spijs ook gering, bij een vriendlijken waard ga ik gaarne te gast.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Voorwaar, dan zijt gij een gast, die een vrekkigen gastheer past. Maar is een eenvoudig maal u goed, neem dan voor lief, wat ik bied; Vindt gij elders ook lekkerder schotels, een vriend'lijker welkomst niet.-- Doch zie, mijn deur gesloten! knaap, roep eens, en klop aan! 30

DROMIO VAN EPHESUS. Hé, Trui, Brigit, Marianne, Kaat, Rika, Martha, Jaan!

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Bloed, domoor, ezel, schaapskop, lompe beer! Pak u weg van de deur of zet op de stoep u neer! Wat roept gij hier deernen op, en dat zoo bij 't dozijn, Als één reeds een te veel is? Van hier, loop rond, verdwijn!

DROMIO VAN EPHESUS. Wat lomperd werd portier hier?--Doe open, mijn meester wacht.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Hij ga van waar hij kwam, en neem voor de koû zich in acht.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wie maakt daar praatjes? vlug wat! laat ons door.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Ja heer, 'k zeg u wanneer, als gij mij zegt, waarvoor.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Waarvoor? ik kom eten, ik at vandaag nog niet.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). De deur is dicht van daag; wacht tot gij ze open ziet.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wie houdt mijn deur mij dicht en beschimpt mij daar zoo?

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Wel, die vandaag portier is, en mijn naam is Dromio.

DROMIO VAN EPHESUS. Staalt gij mijn dienst en naam, gij zult het, o schurk! u beklagen; De een bracht mij nooit crediet en de ander dikwijls slagen. Hadt gij den heelen dag maar voor Dromio gespeeld, Dan waren u mijne namen en klappen toebedeeld.

LUCIE (van binnen). Welk een leven! wie is 't, die voor de deur hier staat?

DROMIO VAN EPHESUS. Laat, Luus! wat vlug mijn heer in.

LUCIE (van binnen). Wat heer? hij komt te laat. Vertel dat uw meester. 50

DROMIO VAN EPHESUS. Mijn god, het is te gek. Kom ik binnen, geloof me, dan pak ik je bij den nek.

LUCIE (van binnen). Des te beter, dat gij daar moet blijven, gij bloed!

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Is Luus uw naam? wel Luus dan, dat antwoord was wel goed.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoor, meisje, wat is dat? gij laat ons toch in, naar ik meen?

LUCIE (van binnen). Gij hebt reeds het antwoord.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). En dat was neen.

DROMIO VAN EPHESUS. Wel zeker, ja, help haar; zij kan 't niet alleen!

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Kom, kreng, laat mij binnen.

LUCIE (van binnen). Waarvoor? vraag ik maar.

DROMIO VAN EPHESUS. Heer, bons op de deur.

LUCIE (van binnen). Ja, bons ze uit elkaâr.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En trap ik haar in, feeks, dan krijgt gij uw loon.

LUCIE (van binnen). Beproef het, dan krijgt gij het tuchthuis ter woon.

ADRIANA (van binnen). Wie maakt aan de deur toch dat heidensch gedruisch?

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Op mijn eer, in uw stad is onrustig gespuis.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zijt gij daar eind'lijk, vrouw, voorwaar, gij komt vrij laat.

ADRIANA (van binnen). Uw vrouw, schavuit? pak u weg, en vlug, is mijn raad.

DROMIO VAN EPHESUS. Dat "schavuit", heer, wis blijft het u bij, waar ge ook gaat.

ANGELO. Hier wacht noch maal noch welkomst ons, en beiden trokken ons aan.

BALTHAZAR. Wat beter was, bleef onbeslist; nu zullen zij beide ons ontgaan.

DROMIO VAN EPHESUS. Uw gasten zijn er, meester; laat hen niet buiten staan.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wij komen niet in de haven; de wind is ons hier tegen.

DROMIO VAN EPHESUS. Gelukkig is er wind, want anders stondt ge in den regen. Uw maal daarbinnen is warm en gij staat hier in de koû, 71 Verraden en verkocht; wie, die niet dol worden zou?

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Een koevoet! die deur moet omver; wat helpt ons geklop?

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Breek in, als gij durft, en ik breek u uw schurkenkop.

DROMIO VAN EPHESUS. Nu wacht maar, wij zullen dat schelden en razen wel stuiten, En spoedig genoeg u een ander deuntje doen fluiten.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Eer breekt ge uw woord dan de deur; gij gaat u in woorden te buiten.

DROMIO VAN EPHESUS. En gij zijt buiten westen. Voor 't laatst nog, laat ons binnen.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Als vogels zonder veêren zijn, en visschen zonder vinnen.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Nu dan, niet langer praatjes. Ga, haal een koevoet hier.

DROMIO VAN EPHESUS. Een koevoet zonder koe, niet waar? Doch sterker dan een stier. Spreekt hij van visschen zonder vin en vogels zonder veêren, Die enk'le voet zal aan dien knaap zijn dolheid wel verleeren.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Genoeg, haal mij een koevoet hier; komaan!

BALTHAZAR. Bedwing u, heer, niets overijld gedaan! Zoo deedt ge uw eigen goeden naam te kort, En bracht de vlekk'looze eer van uwe vrouw Licht in 't bereik van achterdocht en laster. In 't kort: gij kent haar lang; haar schrand're geest, Deugd, leeftijd, zedigheid, staan alle borg, Dat er een grond is voor haar doen, hoe vreemd; En zij verantwoordt, twijfel niet, volkomen, Dat thans de deur voor u gesloten blijft. Neem raad van mij aan; ga nu rustig heen, En laat ons in den Tijger saam gaan eten; En tegen de' avond gaat ge alleen naar huis, En hoort, wat tot dit buitensluiten dreef. Want tracht gij met geweld hier in te breken, Juist op dit uur van druk verkeer, dan loopen Er daad'lijk dwaze praatjes door de stad, En vinden ingang bij 't gemeene volk; En zoo wordt op uw vlekkeloozen naam Een booze smet geworpen, die blijft kleven, En na uw dood uw graf onteeren zou; Want laster, eens gezaaid, is schielijk groot, En blijft aan 't groeien, waar zij wortel schoot.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij hebt mij overtuigd. Ik wil dus gaan, 107 En, vroolijkheid ten trots, nu vroolijk zijn. Een deerne weet ik, aardig, onderhoudend, Vol geest, gevat,--ja vrij, maar toch ook zacht; Daar zullen we eten; 't is een meisje, waar Mijn vrouw,--doch ik bezweer u, zonder reden Zich vaak jaloersch om heeft getoond. Bij haar Gebruiken wij het maal.--Ga gij naar huis, En haal den ketting;--die is nu wel klaar;-- En breng hem, bid ik, met u in den Egel; Want dat is 't huis; dien ketting schenk ik nu,-- Al waar' het enkel om mijn vrouw te plagen,-- Aan onze gastvrouw; beste heer, maak spoed. 'k Werd in mijn eigen huis niet opgenomen, En klop nu elders aan om onderkomen.

ANGELO. Gij ziet mij ras daar bij u, binnen 't uur.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ja doe dat, goed.--Die grap wordt wel wat duur.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Binnenplein in het huis van Antipholus van Ephesus.

Luciana en Antipholus van Syracuse komen op.

LUCIANA. Antipholus, is 't moog'lijk? Gij verzaakt Uw plicht van echtgenoot? wat worm ontstal Uw jonge liefdebloem het hart? hoe raakt Uw jong geluk, bij de' opbouw, in verval? Naamt gij mijn zuster om den wil van 't geld, Behandel om den wil van 't geld haar goed; Mint gij thans elders, háár zij 't niet gemeld, Verberg uw valschheid diep in uw gemoed; Dat nooit mijn zuster in uw oog het leez', Uw tong uw eigen schande nooit verkonde; Blik zacht, spreek vleiend, huichel, ban haar vrees, Hul in het vlekk'loos kleed der deugd uw zonde; Schijn trouw, hoewel uw hart zijn trouw vergeet; Leer de ondeugd, hoe zij voor een heil'ge speelt; Wees heimlijk valsch; wat nut, dat zij het weet? Een domme dief, die pocht terwijl hij steelt! 't Is boos, afkeerig van haar kus te zijn, Maar dubbel, dat gij 't aan den disch verraadt; Door fraaie taal redt schande vaak den schijn, Maar booze taal is dubbel-booze daad. O, veins slechts liefde en--ach! zoo is de vrouw!-- Wij achten 't waar; gij hebt onze' angst gestild; Geeft gij aan and'ren de' arm, en ons de mouw, Toch voert ge ons om en rond, zooals ge wilt. Keer tot haar, zwager; deernis hebt gij toch! Troost, kus haar, noem uzelf haar trouwe man; Een weinig huich'lens is een vroom bedrog. Als zoete vleitaal twist bedwingen kan.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Volschoone!--wat uw naam is, weet ik niet, Noch door wat wonder gij den mijnen weet;-- Doch grooter wonder boeit mijn oog; het ziet Een hemelgeest, met lieflijkheid omkleed. Zeg, dierb're, hoe ik denken, spreken moet; Onthul voor mijn verstand, dat aardsch en zwak, Vol dwaling, bot en loom is, niets bevroedt, Den duist'ren zin van wat uw mond daar sprak. Gij doet mij twijf'len, of ik niet verschil Van wat ik was, voert me in een tooverland; Zijt ge een godin, die mij vervormen wil? Vervorm mij dan! ik geef mij in uw hand. Ben ik nog ik, dan weet ik dit voorwaar: 41 Uw zuster, die daar weent, is niet mijn vrouw; Geen eed, geen echt verbond mij ooit aan haar, Veeleer, veeleer verpand ik u mijn trouw. Lok niet in uwer zuster tranenmeer Mij, schoone meer-elf, met verdervend lied; Zing voor uzelf, Sirene, min mij weer, En spreid uw haargoud op den zilv'ren vliet; Dan kies ik dat voor leger, waar ik rust, En stel met trots mij voor, dat, als ik zink, De dood aldus gewin is, weelde en lust;-- Ja, is de liefde wuft, dat zij verdrink'!

LUCIANA. Wat! zijt gij dwaas? niet wetend wat gij zegt?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Verbaasd, misschien verdwaasd; ik weet niet recht.

LUCIANA. Zwak moet uw oog zijn, dat u zoo doet dwalen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wijl 't, schoone zon! gestaard heeft in uw stralen.

LUCIANA. Blik waar 't behoort, en 't oog herwint zijn kracht.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zou 'k turen, mijn geliefde, in sombre nacht?

LUCIANA. Geliefde, zegt gij? noem mijn zuster zoo.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Uw zusters zuster!

LUCIANA. Mijne zuster!

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. O! Gij zijt het zelf, gij, leven van mijn leven, Oog van mijn oog, mijns harten hart, mijn streven, Mijn hoop, mijn heul, mijn heil, mijn een'ge have, Mijn aardsche hemel, een'ge hemelgave!

LUCIANA. Dat alles is mijn zuster, moest het zijn.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wees zelf uw zuster, lieve, en word dan mijn. U wijd ik mij, u zweer ik eeuw'ge trouw; Gij hebt nog geen gemaal en ik geen vrouw; Reik mij uw hand!

LUCIANA. O zwijg, heer, houd u stil! Ik haal mijn zuster hier, of zij dit wil.

(Luciana af.)

(Dromio van Syracuse komt haastig aangeloopen.)

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ho, Dromio! ho! waar ijlt gij zoo naar toe? 72

DROMIO VAN SYRACUSE. Kent gij mij, heer? ben ik Dromio? ben ik uw slaaf? ben ik mijzelf?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gij zijt Dromio; gij zijt mijn slaaf; gij zijt uzelf.

DROMIO VAN SYRACUSE. Ik ben een ezel; ik ben de slaaf van een vrouw; ik ben niet mijzelf.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Van welke vrouw de slaaf en waarom uzelf niet?

DROMIO VAN SYRACUSE. Bij mijn ziel, heer, mijzelf niet; ik behoor aan een vrouw toe, die aanspraak op mij maakt, mij vervolgt, mij wil hebben.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Welke aanspraak maakt zij op u?

DROMIO VAN SYRACUSE. Wel heer, zulk een aanspraak, als gij op uw paard maakt; en zij zou mij willen hebben als een beest; niet dat zij mij wil hebben, omdat ik een beest ben; maar zij, die een zeer beestachtig schepsel is, maakt aanspraak op mij.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat is zij voor een schepsel?

DROMIO VAN SYRACUSE. Een zeer ontzagwekkend schepsel; ja een, waarvan een man niet spreken mag zonder er bij te voegen: "met verlof gezegd." Ik vind dit huwelijk maar een mager fortuintje, en toch is zij een verwonderlijk vette partij.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe zoo een vette partij?

DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, heer, zij is het keukenmensch, en een en al reuzel; en ik zou niet weten, wat ik met haar zou moeten doen, dan een lamp van haar maken, en van haar wegloopen bij haar eigen licht. Ik verzeker u, haar plunje en het vet er in branden wel een Laplandschen winter lang; en als zij leeft tot den oordeelsdag, brandt zij een week langer dan de heele wereld.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe ziet zij er uit?

DROMIO VAN SYRACUSE. Zwartachtig als mijn schoenen, maar haar gezicht wordt op lange na zoo schoon niet gehouden, want zij zweet, heer, zij zweet; men zou tot over de schoenen in die zwartigheid kunnen waden.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dat is een gebrek, dat met water te verbeteren is.

DROMIO VAN SYRACUSE. Volstrekt niet, heer, zij is in de wol geverfd; geen zondvloed zou het kunnen doen. 109

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe is haar naam?

DROMIO VAN SYRACUSE. Nel, heer, maar haar naam en drie verrel, dat is: 'n el en drie verrel meet haar nog niet van heup tot heup.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dus, zij is nog al breed?

DROMIO VAN SYRACUSE. Zij is niet hooger, dan zij breed is; zij is een kogel, een globe; ik kon landen op haar vinden.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Op welk deel van haar lichaam ligt Ierland?

DROMIO VAN SYRACUSE. Op haar achterdeel, heer; ik herkende het aan de moerassen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Schotland?

DROMIO VAN SYRACUSE. Dat herkende ik aan de onvruchtbaarheid, midden in de holte van haar hand.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Frankrijk?

DROMIO VAN SYRACUSE. Op haar voorhoofd, dat afvallig is en in opstand tegen zijn hoofd.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Engeland?

DROMIO VAN SYRACUSE. Ik zocht naar de krijtbergen, maar kon niets wits vinden; doch ik gis, dat het op haar kin lag, van wege den zilten stroom tusschen haar kin en Frankrijk.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Spanje?

DROMIO VAN SYRACUSE. Op mijn eer, dat zag ik niet, maar ik voelde de hitte er van in haar adem.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Amerika en de beide Indiën?

DROMIO VAN SYRACUSE. O heer, op haar neus, die over en over met robijnen, karbonkels en saffieren bezet is en zijn rijke pracht naar den heeten adem van Spanje laat hellen, dat geheele vloten uitzond, om aan haar neus lading in te nemen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar liggen België en de Nederlanden?

DROMIO VAN SYRACUSE. O heer, zoo laag heb ik niet gezocht. In het kort, deze schommel of heks maakte aanspraak op mij,--noemde mij Dromio,--bezwoer mij, dat ik met haar getrouwd was,--vertelde mij, welke verborgen teekens ik aan mijn lijf had, zooals de vlek op mijn schouder, het moedermaal in mijn nek, de groote wrat op mijn linkerarm, zoodat ik, vol ontzetting, voor haar op den loop ging als voor een heks.

En ware ik niet een en al geloof, en mijn hart niet van staal, zoo weet dit: Zij had mij verhekst tot een keukenhond en ik draaide nu zeker het spit. 151

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Begeef u oogenblikk'lijk naar de haven, Want waait er een'ge wind van land naar zee, Dan blijf ik in deez' stad geen nacht meer over;-- Steekt eenig schip in zee, zoek me op de markt; Ik loop daar op en neer, totdat gij komt. Kent ieder ons, wij niemand, dan, voorwaar! Is vluchten best en blijven vol gevaar.

DROMIO VAN SYRACUSE. Snel, als een wand'laar, voor een beer beducht, Neem ik, voor die mijn vrouw wil zijn, de vlucht.

(Dromio van Syracuse af.)

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. In deze plaats zijn enkel heksen thuis; En daarom is 't hoog tijd van hier te gaan. Denk ik, die mij gemaal noemt, als mijn vrouw, Dan rilt mijn ziele; doch haar schoone zuster, Onwederstaanbaar door bevalligheid, Betoov'rend door haar wezen en gesprek, Deed mij schier ontrouw plegen aan mijzelf. Dus, eer ik me in mijn eigen strikken vang, Sluit ik mijn oor voor haar Sirenenzang.

(Angelo komt op.)

ANGELO. Antipholus!

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ja, ja, dat is mijn naam.

ANGELO. Dat weet ik best, heer, Zie, hier is de ketting. Ik had hem u in de' Egel wel gebracht, Maar hij is pas zoo even klaar gekomen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. En wat moet ik met dezen ketting doen?

ANGELO. Heer, wat gij wilt; hij is voor u gemaakt. 175