De Klucht der Vergissingen

Chapter 1

Chapter 14,179 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

DE KLUCHT DER VERGISSINGEN.

PERSONEN:

Solinus, hertog van Ephesus. Ægeon, een koopman van Syracuse. Tweelingbroeders, zonen van Ægeon en Æmilia. Antipholus van Ephesus, Antipholus van Syracuse. Tweelingbroeders, dienaren van de gebroeders Antipholus. Dromio van Ephesus, Dromio van Syracuse. Balthazar, een koopman. Angelo, een goudsmid. Een Koopman, vriend van Antipholus van Ephesus. Een Koopman, handelende met Angelo. Knijp, een schoolmeester. Æmilia, vrouw van Ægeon. Adriana, vrouw van Antipholus van Ephesus. Luciana, haar zuster. Lucie, dienstmaagd van Adriana. Een Courtisane.

Een Cipier, Gerechtsdienaars, Wachten en verder Gevolg.

Het tooneel is in Ephesus.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Een zaal in het paleis van den Hertog.

De Hertog, Ægeon, een Cipier, een Gerechtsdienaar en verder Gevolg komen op.

ÆGEON. Spreek 't vonnis uit, Solinus; en de dood, Het eind van alles, eindige ook mijn nood.

HERTOG. Koopman van Syracuse, spaar uw reed'nen; Ik volg, steeds onpartijdig, streng de wet. De bitt're vijandschap, die onlangs rees, Doordien uws hertogs wreede toren woedde Op hand'laars, wakk're burgers onzer stad,-- Die, 't geld ontberend om zich los te koopen, Zijn wet bezeeg'len moesten met hun bloed,-- Bant alle ontferming van ons gram gelaat. Want sedert tusschen uw onrustig volk En ons een diep rampzaal'ge twist ontstond, Verboden hier en ginder raadsbesluiten Zoowel aan Syracusers als aan ons, 12 Den handel tusschen beide ontvlamde steden; Ja meer, zoo een, uit Ephesus geboortig, Zich wagen durft op Syracuse's markten, Of ook, als een, uit Syracuse afkomstig, 't Gebied van Ephesus betreedt, dan sterft hij, En al zijn goed'ren zijn verbeurd verklaard, Tenzij hij duizend mark betalen kan Als boete voor zijn schuld en als zijn losgeld. Maar al uw have, op 't allerhoogst geschat, Is zeker nog geen honderd mark in waarde; En dus veroordeelt u de wet ter dood.

ÆGEON. 'k Heb dezen troost, dat, als uw wil geschiedt, De zon, die daalt, voor 't laatst mijn jammer ziet.

HERTOG. Spreek, Syracuser, meld mij nog in 't kort, Waarom ge uw vaderstad verlaten hebt, En wat gij hier in Ephesus kwaamt doen.

ÆGEON. 't Is wel het zwaarst, wat gij mij op kunt leggen, Dat ik mijn onuitspreek'lijk leed u meld; Maar opdat elk getuig', dat drang des harten, Niet lage misdaad, schuld is van mijn dood, Wil ik verhalen, wat mijn smart mij toelaat. Ik stam uit Syracuse en was gehuwd; Mijn vrouw zou heel mijn heil en ik het hare Geweest zijn, had niet onheil ons vervolgd. Wij leefden recht gelukkig; onze rijkdom Nam toe door meen'ge welgeslaagde reis Naar Epidamnum, tot mijn factor stierf En mij de zorg om de onbeheerde goed'ren Uit mijner gade zoete omarming reet. Nog geen zes maand was onze scheiding oud, Toen zij, schoon bijna door de zoete straf Bezwijkend, die de vrouw te dragen heeft, Zich toerustte om mij na te reizen, en Voorspoedig veilig aankwam waar ik was. Zij had er nog niet lang vertoefd, of werd De blijde moeder van twee flinke zoons, En, wonder! de een den and'ren zoo gelijk, Dat naamverschil alleen verschil kon geven. Terzelfder uur en in hetzelfde huis Was ook een vrouw van lagen stand verlost Van tweelingknaapjes, evenzoo gelijk. Die kocht ik,--de ouders leden broodsgebrek-- Opdat zij dienaars werden van mijn zoons. Mijn vrouw, niet weinig trotsch op zulk een paar, Hield dag aan dag op onze huisreis aan; Onwillig stemde ik toe; helaas! te vroeg Betraden wij een schip. 62 Wij waren pas een mijl van Epidamnum, Daar gaf de zee, den wind steeds onderdanig, Reeds teekens, boden van een bitt'ren nood, En dra was alle hoop voor ons vervlogen. Het duist're licht, dat ons de hemel schonk, Bracht ons beangst gemoed, in steê van troost, De zekerheid van de' onvermijdb'ren dood, Dien ik voor mij wel daad'lijk hadde omarmd, Maar 't stâge jamm'ren van mijn gade, die Vooruit beweende, wat zij naad'ren zag, En 't bitter schreien van mijn lieve kleinen, Die weenden nu zij 't and'ren zagen doen, Deed mij naar uitstel streven van ons lot; Want uitstel mocht het zijn, iets anders niet. Het scheepsvolk zocht zijn redding in de boot En liet aan ons het zinkend vaartuig over. Mijn vrouw, voor de' eerstgeboor'ne meest bezorgd, Bond dezen aan een kleinen noodspriet vast, Zooals de zeeman meevoert voor een storm, En met hem een van de gekochte kind'ren; En evenzoo deed ik met de andre twee. En daarop bonden wij, mijn vrouw en ik, Steeds turend op het voorwerp onzer zorg, Onszelven vast aan de einden van den spriet; En dreven met een sterke stroom, zooveel Wij gissen konden, naar Corinthe toe; En eind'lijk brak de zon weer helder door En dreef de neev'len weg, die ons verdierven. En bij het stralen van 't gewenschte licht Werd ook de zee weer rustig en wij zagen Twee schepen uit de verte tot ons naad'ren, Een van Corinthe en een van Epidaurus. Doch eer ze er waren,--o, verlang niets meer; Gis, uit wat voorging, noodlots ommekeer.

HERTOG. Neen, oude, breek niet af; want mededoogen Mag ik u schenken, schoon genade niet.

ÆGEON. O, hadden zoo de goden zich erbarmd, Dan zou ik niet terecht thans wreed hen noemen. De schepen waren nog tien mijlen ver, Daar stieten we op een scherp en kantig rif; Geweldig was door onze vaart de schok, Zoodat ons noodschip in het midden brak. Zoo deelde ons dan het lot, bij 't wreed verbreken Van onzen echt, gelijk'lijk beiden toe, Wat ons geluk en wat ons droef'nis bracht. Het deel van haar, die arme, dat gewis Wel min gewicht droeg, maar niet minder wee, Werd sneller voortgedreven door den wind, En ik zag alle drie aan boord genomen, Door visschers van Corinthe, naar 't ons scheen. In 't eind kwam òns een ander schip op zijde; En toen zij zagen, wie er was gered, 114 Was liefdevolle hulp ons deel; zij hadden De visschers gaarne van hun prooi beroofd, Waar' niet hun bark te slecht bezeild geweest; Doch daarom werd er koers gezet naar huis.-- Zoo weet gij nu, hoe mij 't geluk ontvlood En 't ongeluk mijn leven heeft gerekt, Opdat ikzelf mijn rampen zou verkonden.

HERTOG. Deel nog om hunnentwil, die gij betreurt, Welwillend mij volledig mede, wat Aan hen en u tot nu weervaren is.

ÆGEON. Mijn jongste zoon, doch oudste zorg, begon, Toen hij een achttien jaar was, naar zijn broeder Te willen zoeken, en hield telkens aan, Dat ik zijn dienaar,--wien, gelijk zijn meester, Van zijnen broeder slechts de naam nog bleef,-- Hem mee zou geven, dat zij samen zochten, 't Verlangen naar het lang verloren kind Deed mij 't verliezen van mijn eenling wagen. Ik heb in 't verste Griekenland vijf zomers Gezworven en heel Azië doorkruist, En kwam naar Ephesus op mijn terugweg, Wel zonder hoop, maar hier als overal, Waar menschen zijn, in 't zoeken onverdroten. Doch hier is 't einde van mijn leed en leven, En zeeg'nen zou ik mijn verhaasten dood, Wist ik door al mijn zwerven slechts: zij leven.

HERTOG. Rampzaal'ge Ægeon, door het lot bestemd Om zulk een overmaat van leed te dragen! Geloof mij, waar' 't niet tegen onze wet, Niet tegen mijn gezag, mijn kroon, mijn eed,-- Die schoon hij 't will', geen vorst miskennen mag-- Mijn hart zou wis uw pleitbezorger zijn. Maar schoon gij tot den dood verwezen zijt, En, zonder groote schade voor onze eer, 't Geslagen vonnis geen herroeping duldt, Wil ik u gunstig zijn, zooveel ik kan. Ik schenk u dezen ganschen dag, opdat Gij hulpe zoekt, die u het leven redde. Klop aan bij al uw vrienden hier, en smeek Of borg uw losgeld bij elkaâr, en leef; Gelukt dit niet, dan blijft uw dood bepaald. Bewaker, houd hem in het oog.

Cipier. Het zal geschieden, vorst.

ÆGEON. Ik ga, maar hoop- en hulploos is mijn nood; 't Is uitstel van een reeds begonnen dood.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een plein in Ephesus.

Antipholus en Dromio van Syracuse, benevens een Koopman, komen op.

KOOPMAN. Geef voor, dat gij van Epidamnum zijt, Want anders legt men op uw goed beslag. Nog heden raakte een Syracuser koopman In hecht'nis, wijl hij hier zich heeft gewaagd; En daar hij zich niet los kan koopen, sterft hij, Zooals de wet van onze stad bepaalt, Nog eer de moede zon in 't westen zinkt. Ziehier het geld, dat ik voor u bewaarde.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hier, Dromio, ga, breng dit naar den Centaurus, En blijf er wachten, tot ik bij u kom. 't Is binnen 't uur reeds tijd voor 't middagmaal; Tot zoolang wil ik in de stad eens rondzien; De winkels eens bekijken, de gebouwen; Dan kom ik eten en een slaapje doen; Want ik ben moede en stijf van 't lange reizen; Ga, loop maar door.

DROMIO VAN SYRACUSE. Wel menig hield u bij uw woord en ging Met zulk een aardig duitje werk'lijk door.

(Dromio van Syracuse af.)

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dat is een trouwe knaap, heer, die recht vaak, Als zorg en somberheid mij nederdrukken, Mijn geest vervroolijkt door zijn luchte scherts. Maar kom, verzelt gij mij eens door de stad, En blijft gij dan van middag bij mij eten?

KOOPMAN. Ik heb een samenkomst van hand'laars, heer, En hoop, dat die mij goed wat op zal brengen; Verschoon mij dus. Maar als gij wilt, zal ik U tegen vijf uur op de markt ontmoeten, En ben tot slapenstijd dan tot uw dienst. Thans roepen mij mijn zaken elders heen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Tot vijf uur, gaarne. Nu ga ik wat slent'ren En recht op mijn gemak uw stad bezien.

KOOPMAN. Nu, ik wensch u met uzelven veel genoegen.

(Koopman af.)

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Die mij genoegen met mijzelven wenscht, Die wenscht mij toe, wat zeker niet gebeurt. Ik ben een waterdroppel in de wereld, Die in de zee een and'ren droppel zoekt, En als hij zich tot onderzoek er in stort, Bij 't zoeken spoorloos zich er in verliest; Zoo ik, terwijl ik moeder zoek en broeder, Verlies ik mij, onzaal'gen, zelf er door.

(Dromio van Ephesus komt op.)

Daar komt mijn trouwe levensalmanak. 41 Hoe is 't? wat keert gij daar zoo ras terug?

DROMIO VAN EPHESUS. Zoo ras terug? zeg eer, zoo laat pas hier! De kip brandt aan, de bigge valt van 't spit, De klok heeft lang reeds twaalf geslagen, en Mijn meesteres reeds één hier op mijn wang; Zij is ontvlamd, omdat het eten koud is, Het eten koud, omdat gij niet te huis komt, Gij komt niet thuis, wijl gij geen honger hebt, Gij hebt geen honger, wijl gij niet gevast hebt; Maar wij, vermoeid door vasten en gebeden, Wij boeten voor uw euveldaân van heden.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Leg op uw mond een slot, maar zeg mij eerst: Waar hebt gij 't geld, dat ik u gaf, gelaten?

DROMIO VAN EPHESUS. Den schelling meent gij van verleden Woensdag, Voor--, voor een staartriem van mijn meesteres? Dien heeft de zadelmaker lang en breed.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik ben nu in geen stemming om te schertsen; Dus zeg mij en wat vlug, waar is het geld? Wij zijn hier vreemd; hoe komt het in u op, Niet zelf te passen op een som zoo groot?

DROMIO VAN EPHESUS. Heer, 'k bid u, scherts zoo, als ge aan tafel zit. Ik kom, vlug als de post, hier van uw vrouw, Doch kom ik weer, dan maakt zij mij tot deurpost, En kerft gewis uw schuld hier op mijn kruin. Is u dan niet, als mij, uw maag een klok, Wier slag u zonder bode huiswaarts drijft?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Kom, Dromio, kom, ontijdig is die scherts; Bewaar ze tot ik vroolijker gestemd ben. Waar is het goud, dat ik u toevertrouwde?

DROMIO VAN EPHESUS. Aan mij, heer? ik ontving geen goud van u.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Komaan, schavuit, genoeg van zulke grappen; Spreek op, hoe staat het met wat gij moest doen?

DROMIO VAN EPHESUS. Heer, 'k moest u zoeken op de markt en vragen, Dat ge in uw huis, den Fenix, eten komt; Daar wacht mijn meesteres u, met haar zuster.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo waar ik christen ben, gij zult mij zeggen, Waar 't geld in veiligheid geborgen is, Of ik sla u dien bol vol grappen in, Die schertsen blijft, als ik geen scherts versta. Waar zijn die duizend mark, die ik u gaf?

DROMIO VAN EPHESUS. 'k Heb een'ge merken op mijn bol van u, En enkele op mijn rug van de eed'le vrouw, Maar van u beiden saam geen duizend merken. Doch gaf ik, wat ik kreeg, u weer terug, Misschien waar' 't ras met uw geduld gedaan.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Van de eed'le vrouw? zeg, vlegel, welke vrouw?

DROMIO VAN EPHESUS. Uw vrouw, heer, vrouw des huizes in den Fenix, Die vast, totdat gij thuis om te eten komt, En vraagt, dat gij wat spoedig eten komt.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat! drijft ge in mijn gezicht den spot met mij, En dat gewaarschuwd! Vlegel! hier! hou daar!

(Hij slaat hem.)

DROMIO VAN EPHESUS. Om Gods wil, heer; houd toch uw handen thuis! Gij wilt niet, heer? dan toon ik u mijn hielen.

(Hij loopt heen.)

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo waar ik leef, door de' een of and're' streek Is al mijn geld den kerel afgezet. De stad is, zegt men, vol bedrog en list, Vol beurzensnijders die het oog bedotten, Nachttoov'naars, die verbijst'ren, heksen, die De ziel verdervend, 't lichaam tevens sloopen, Marktschreeuwers, tal van sluw vermomde dieven, En zulke godvergeten schurken meer. Zoo 't waarheid blijkt, reis ik onmidd'lijk af. Ik ijl naar den Centaurus, zoek mijn knecht, Doch vrees, er komt niet veel van 't geld terecht.

(Antipholus van Syracuse af.)

TWEEDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

In het huis van Antipholus van Ephesus.

Adriana en Luciana komen op.

ADRIANA. Mijn man blijft weg, zijn dienaar eveneens, Dien ik zoo aandreef vlug zijn heer te zoeken! En, Luciana, twee uur moet het zijn.

LUCIANA. Een koopman heeft hem moog'lijk uitgenoodigd, Zoodat hij van de markt ter maaltijd ging. Laat ons gaan eten, zusje; wees niet boos; De man is van zijn doen en laten baas; Hem is de tijd de baas; hij ziet: 't is tijd; En gaat of komt; dus zusjelief, wees kalm.

ADRIANA. Wat is 't, dat hem die meerd're vrijheid geeft?

LUCIANA. 't Is dat hij buitenshuis zijn zaken heeft.

ADRIANA. Deed ik als hij, hij nam 't mij kwalijk af.

LUCIANA. Met recht: zijn wil voert over u den staf.

ADRIANA. Een ezel is 't, die zulk een staf verdraagt!

LUCIANA. Wee haar, die aan een stug verzet zich waagt! Bij wat ge op aard, in lucht of water ziet, Voert één deel over 't ander steeds gebied; Zie 't vee, den visch, den vogel in de lucht, 't Is steeds de man, die orde houdt en tucht; De man, half god, van alle scheps'len 't eerst, Die 't breede land, de woeste zee beheerscht, Door ziel en geest, die krachtig in hem leven, Ver boven vogels, vee en visch verheven, Is van zijn vrouw de heer en vorst, dus stil! En plooi ùw willen naar des meesters wil.

ADRIANA. U schrikt van de' echt die slavernij wis af?

LUCIANA. Neen, eer maakt angst voor huwlijkszorg mij laf.

ADRIANA. Zijt ge eens getrouwd, dan wilt ge ook wel regeeren.

LUCIANA. 'k Wil onderwerping eerst, dan liefde leeren.

ADRIANA. Maar als uw man zijn toevlucht elders nam?

LUCIANA. Ik zou het dragen, tot hij wederkwam.

ADRIANA. Als niets ons tergt, geduldig zwijgt de mond; Zacht blijft men, is voor 't tegendeel geen grond. Een armen mensch, door 't nijdig lot geplaagd, Vermanen wij tot kalm zijn, als hij klaagt; Maar drukte eens òns hetzelfde leed als hem, Niet min, licht meer, verhieven we onze stem; Zie, zoo roemt gij, nog door geen man gekrenkt, Van 't voos geduld, dat dit verlichting schenkt; Maar huw eens, word gekrenkt als ik, en ras Blijkt uw geduld u dwaas en smelt als was.

LUCIANA. Nu 'k huw wel eens en neem de proef er van.--42 Daar komt uw dienaar; spoedig volgt uw man.

(Dromio van Ephesus komt op.)

ADRIANA. Nu, is de komst uws tragen heers op handen?

DROMIO VAN EPHESUS. O, spreek mij niet van zijn handen, mijn ooren weten er al genoeg van en kunnen er van meepraten.

ADRIANA. Gij hebt hem dus gesproken? en wat doet hij?

DROMIO VAN EPHESUS. Zijn doen? dat heeft hij mij aan 't oor verteld. Vervloekt zijn hand, ik kon hem nauw verstaan.

LUCIANA. Sprak hij zoo zacht, dat gij 't niet vatten kondt?

DROMIO VAN EPHESUS. Neen, hij sloeg wel zoo hard, dat ik zijn slagen maar al te goed kon voelen en met dat al zoo onduidelijk, dat het mijn bevatting te boven ging.

ADRIANA. Maar 'k bid u, zeg mij, komt hij nu naar huis? Hij leeft, zoo 't schijnt, om mij pleizier te doen.

DROMIO VAN EPHESUS. Nu, meesteres, hij is een dolle stier.

ADRIANA. Een dolle stier, gij schelm?

DROMIO VAN EPHESUS. Niet dat hij horens draagt, maar hij is dol. Toen ik hem vroeg om thuis te komen eten, Vroeg hij mij naar een duizend mark in goud; "'t Is etenstijd," riep ik; "mijn goud!" riep hij; "Uw maal brandt aan," riep ik; "mijn goud!" riep hij; "Komt gij naar huis?" riep ik; "mijn goud!" riep hij, "Waar hebt gij, zeg, mijn duizend mark, gij schelm?" "Het vleesch brandt aan," riep ik; "mijn goud!" riep hij; "Heer, de eedle vrouw,--" riep ik; "hang op uw vrouw! "Wat weet ik van uw vrouw? weg met uw vrouw!"

LUCIANA. Dat zeide, wie?

DROMIO VAN EPHESUS. Dat zeide hij, mijn meester; "'k Weet niets," riep hij, "van huis of vrouw of lief." 71 En zoo breng ik, door zijne schuld, mijn boodschap, Niet op mijn tong, maar op mijn schouders thuis, Want, kort en goed, zijn rans'len dreef mij voort.

ADRIANA. Terug, schavuit, en breng uw meester hier.

DROMIO VAN EPHESUS. Terug? en dan met slagen weer naar hier? Om Gods wil, laat een ander nu eens gaan.

ADRIANA. Terug, of rondom zal het hoofd u gloeien.

DROMIO VAN EPHESUS. En hij zou 't gloeien doen met rooden schijn; Zoo schonkt gij beiden mij een heil'genglorie.

ADRIANA. Weg, domme prater, haal uw meester hier!

DROMIO VAN EPHESUS. Zeide ik goedrond de waarheid, ben ik dáárom Te schoppen als een bal van hier naar ginds? Gij schopt mij weg, hij schopt gewis mij weer, Als ik dat uit zal houden, zoo naai mij eerst in leer.

(Dromio van Ephesus af.)

LUCIANA. Foei, wat misvormt de gramschap uw gelaat!

ADRIANA. Wis zit hij bij het een of ander liefje' en praat, Terwijl ik naar een enk'len lach verlang. Ontnam reeds rimp'lige ouderdom mijn wang Haar boeiend schoon? Wie heeft het mij geroofd, Dan hij? Is geest en scherts in mij verdoofd? Neemt iets aan vlug en lucht gekout den moed, 't Is barschheid, ruw en hard als steen, die 't doet, Lokt and'rer fraai gewaad hem van mijn zij, 't Is mijn schuld niet, want hij koopt mij kleedij. Wat is in mij vervallen en is 't niet Door hem? Ja, zoo hij mij vervallen ziet, Hij ziet zijn eigen werk; één zonnestraal Van hem, mijn schoon herleeft in morgenpraal. Doch grillig springt mijn hert naar jonger hout En nieuwe wei, ik arme ben hem te oud.

LUCIANA. Wat plaagt u de ijverzucht!--Foei, schaam u toch!

ADRIANA. 'k Moest dwaas, gevoelloos zijn, verdroeg ik 't nog. Ja, elders wordt zijn oog geboeid, gewis; Waarom is hij niet hier, zoo 't dit niet is? Gij weet, hij zou me een gouden keten geven, Waar' enkel dit, dit achterweeg gebleven, En steeds zijn liefde mijn, voor mij alleen! Ik zie het nu, de fijnst geslepen steen Verliest zijn glans, en blijve goud ook goud, Hoe vaak betast, zijn vol gewicht behoudt Het niet aldoor; en op den schoonsten naam Werpt valschheid en verleiding vaak een blaam. Ach, nu mijn schoon zijn oog niet meer kan laven, Wil ik 't in tranen met mijzelf begraven.

LUCIANA. Wat de ijverzucht bespott'lijk door kan draven!

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een plein.

Antipholus van Syracuse komt op.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Het goud, dat ik aan Dromio gaf, ligt veilig En wel in den Centaur; de trouwe borst Is uitgegaan, bezorgd, om mij te zoeken. Naar wat ik reken en de waard mij zeide, Kon ik hem nog niet spreken, sinds ik 't eerst Hem van de markt naar huis zond. Zie, daar komt hij.

(Dromio van Syracuse komt op.)

Zoo, man, is thans uw joligheid wat uit? Scherts weder zoo, als gij in slagen lust hebt, Gij weet van geen Centaurus? van geen goud? Mijn vrouw doet mij door u voor 't eten roepen? De Fenix heet mijn huis? Wat dolheid was 't, Zoo dol bescheid te geven op mijn vragen?

DROMIO VAN SYRACUSE. Heer, welk bescheid? en wanneer zeide ik dat?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo pas, en hier, geen half uur nog geleden.

DROMIO VAN SYRACUSE. Ik heb u niet gezien, sinds gij mij 't goud Van hier naar den Centaurus brengen liet.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat, schurk! gij hebt de ontvangst van 't goud geloochend, Van een meest'res en van een maal gesproken, Maar weet nu, hoop ik, dat die grap niet smaakt.

DROMIO VAN SYRACUSE. 't Verheugt mij, dat ge in scherts behagen hebt. Maar wat bedoelt gij, heer? wil 't mij verklaren.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, waagt gij 't weer, den draak met mij te steken? Acht gij dat scherts? Hier, neem dan dit, en dat!

(Hij slaat hem.)

DROMIO VAN SYRACUSE. Om gods wil, heer! houd op, uw jok wordt ernst. Wat jokte ik dan, dat gij mij zoo betaalt?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Omdat ik soms gemeenzaam scherts en keuvel, Als met een nar, misbruikt ge in overmoed Mijn vriendlijkheid en neemt mijn ernstige uren, Alsof ze u toebehoorden, in beslag. Maar dans' de mug ook in den zonneschijn, Zij kruipt in reten, als de lucht betrekt; Begluur, als gij wilt schertsen, mijn gelaat, En richt uw doen naar mijnen blik, of ik Leer op uw bol u beter maat te houën. 34

DROMIO VAN SYRACUSE. Op mijn bol, heer, zegt gij? als gij het slaan wildet laten, zou ik het liever voor een hoofd houden, maar als gij met dat ranselen voortgaat, moet ik een bolwerk voor mijn hoofd dienen te krijgen en het goed dekken, of mijn beetje verstand in mijn schouders zoeken te bergen. Maar ik bid u, heer, waarom word ik geslagen?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Weet gij 't nog niet?

DROMIO VAN SYRACUSE. Ik weet alleen, dat ik geslagen ben.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Moet ik dus zeggen, waarom?

DROMIO VAN SYRACUSE. Ja, heer, gaarne, want ieder waarom heeft zijn daarom, zegt het spreekwoord.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom?--vooreerst, gij dreeft den spot met mij. Waarom nog eens?--gij dorst het tweemaal doen.

DROMIO VAN SYRACUSE. Liep ergens ooit een man zoo ongerijmd als ik er in? In geen van deze twee daaroms is rijm noch slot noch zin. Toch, heer, dank ik u.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, dankt ge mij? waarvoor?

DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, meester, voor dat iets, dat gij mij gaaft voor niets.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik zal het de volgende maal weer goed maken en u eens niets voor iets geven. Maar zeg, man, is het etenstijd?

DROMIO VAN SYRACUSE. Neen, heer, ik geloof, dat aan het vleesch nog iets ontbreekt, dat ik heb.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Een mooi ding, en wat?

DROMIO VAN SYRACUSE. Het geklopt zijn.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, man, dan zal het niet malsch zijn.

DROMIO VAN SYRACUSE. Als het zoo is, heer, dan bid ik u, eet er niets van.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom niet?

DROMIO VAN SYRACUSE. Het mocht u de gal doen overloopen en mij een tweede klopping bezorgen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Nu, man, leer dan op zijn tijd te schertsen; er is een tijd voor alles. 66

DROMIO VAN SYRACUSE. Voordat gij zooveel overloop van gal hadt, zou ik dit hebben durven ontkennen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Op welken grond, man?

DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, heer, op een grond zoo glad als de gladde kale kop van Vader Tijd zelf.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Laat hooren.

DROMIO VAN SYRACUSE. Voor niemand is er een tijd, dat hij zijn haar terugkrijgt, als de natuur hem eens kaal gemaakt heeft.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Is geld niet bij machte het hem terug te bezorgen?

DROMIO VAN SYRACUSE. O ja, als hij een pruik koopt en daardoor zijn verloren haar herkrijgt van een ander man.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom is de Tijd zoo schriel met haar, terwijl het toch zulk een welige uitbotting is?

DROMIO VAN SYRACUSE. Omdat het een zegen is, waar hij beesten mee beschenkt; en wat hij den mensch in haar heeft te kort gedaan, dat heeft hij in verstand vergoed.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, maar er zijn menschen genoeg, die meer haar hebben dan verstand.

DROMIO VAN SYRACUSE. Maar ook van die heeft elk nog verstand genoeg om zijn haar te verliezen.