Part 6
Welk een verwoesting had hij in enkele uren tijds aangericht! 't Geheele strand lag met de overblijfselen van schip en lading als bezaaid. Hier en elders vond men ook het lijk van een ongelukkigen zeeman, en daar ginder, tusschen den Grooten en Kleinen Slufter (twee diepe geulen in het strand, die tot den duinvoet doorloopen) vertoonde zich het wrak van het gestrande vaartuig. Straks -- als de eb was ingevallen -- zou men het misschien te voet kunnen bereiken en er droogvoets om heen kunnen loopen. Nu echter stond er nog eenige voeten water omheen, en verscheidene visschersschuitjes lagen het reeds op zij, om van de lading nog zooveel mogelijk te redden en daarmee een eerlijk bergloon te verdienen.
Ook de scheepspapieren, waaruit de naam van schip en gezagvoerder, alsmede de plaats van herkomst en bestemming kon blijken, werden uit het wrak gehaald en aan wal gebracht. Onder die papieren bevond zich o. a. ook de indertijd door kapitein Smartt opgemaakte en door de geheele equipage der Franklin onderteekende verklaring omtrent het op de Amerikaansche kust opgevischte tweetal, welke verklaring den bootsman zeer te stade kwam, om de afkomst der nu op nieuw geredden voldingend te bewijzen.
Overigens was ons Willempje er zelf om daaromtrent te overtuigen. Door het hem bijgebleven gezicht van oom Piet toch leefden ook zijn sluimerende herinneringen omtrent moetje en vader weer op, en toen het nu onafscheidelijke drietal eenmaal de straat opkwam en de voormalige woning van Jan Vroolijk passeerde, liet de kleine op eens de hand van oom Piet los en holde onder den uitroep: "Moetje toe! Moetje toe!" de openstaande deur binnen.
Moetje was er echter niet! Wel had de familie enkele dagen te voren nog een brief van haar ontvangen, waarin de arme vrouw -- hoe goed ze 't overigens ook had in de Nieuwe Wereld, -- op hartroerende wijze over haar verloren lieveling klaagde.
"Kom maar, mijn jongen!" had de bootsman toen met een kwalijk weerhouden traan gezegd, "je gaat spoedig met oom Piet naar je moetje toe, hoor! We zullen haar eens foppen, hé?"
Foppen, verrassen, heerlijk verrassen! Ja, dat wilde hij de nog immer treurende ouders.
Daarom had hij met de familie afgesproken, om alles aan hem over te laten.
"Men sterft wel niet van blijdschap," zei hij, "maar het is toch goed, ze een weinig op hun onverwacht geluk voor te bereiden. Ik heb al een plannetje bedacht." En het genot, dat hij zich van de verwezenlijking daarvan voorstelde, maakte, dat hij zich van genoegen in de handen wreef. "Maar," liet hij er ernstig op volgen, "laten we ons maar niet te spoedig verheugen. Een ongeluk ligt soms in zoo'n klein hoekje. En tusschen hier en daar ginds is de afstand nog zoo groot! 'k Zal blij zijn, als we eerst den overkant alvast maar te pakken hebben; want op zee is geen heil voor den jongen, al heeft hij er ook tot nog toe het leven afgebracht!"
Een week later bracht hetzelfde rijtuigje, dat nu ongeveer een jaar geleden Jan Vroolijk, met vrouw en kind naar de havenplaats van het eiland had gereden, den kleinen Willem op nieuw daarheen, nu echter van twee andere begeleiders vergezeld.
"Zal je vooral goed op hem passen, Piet?" riepen twee, drie stemmen tegelijk, die het ventje slechts met hartzeer weer zagen vertrekken.
"Daar zal niets aan mankeeren, hoor!" antwoordde de bootsman; "reken daar gerust op!"
En van het achterbankje, waarop Ami naast Willem had plaats genomen, om zich -- misschien voor de eerste maal in zijn leven -- ook eens gemakkelijk te laten rijden, klonk het: "Waf! Waf!" alsof het wakkere dier zeggen wilde: "Anders ben ik er ook nog!"
"Nu, vaarwel dan!".... "Dag Willem!".... "Dag beste jongen!".... klonk het verward dooreen, en.... voort rolde het rijtuig, tot groot vermaak van het kleine ventje, dat nog evenveel schik in het rijden had als een jaar te voren.
Aan boord van de nieuwe Maasdam, die door de Maatschappij ter vervanging van het verongelukte stoomschip in de vaart was gebracht en gereed lag om over een paar dagen haar eerste reis te doen, werd het drietal met een luid "hoezee" verwelkomd. Iedereen schudde den wakkeren, braven bootsman even hartelijk de hand; niet het minst de kapitein, die hem bovendien zijn bijzondere tevredenheid te kennen gaf. Piet Vlug had zich namelijk gehaast, om direct na de schipbreuk der Franklin zijn kapitein per telegram een korte en daags daarna per brief een uitvoerige mededeeling van het gebeurde te doen.
"En zou je den kleinen zwerveling nu maar niet bij mij achteruit brengen, bootsman!" vroeg de kapitein. "Hij mocht anders nog eens weer zoek raken!"
"Als de kapitein 't mij toestaan wou, zou ik toch maar liever zelf op hem passen," antwoordde Piet beleefd. "'k Ben wel niet voor kindermeid in de wieg gelegd, maar Ami zal me wel een handje helpen."
Nu, de kapitein had er niets tegen, en een beter oppasser dan Ami was bezwaarlijk te vinden. Het trouwe dier was nu weer recht op zijn gemak en speelde en stoeide met Willem, dat het een aard had. Soms zetten de matrozen den krullebol zelfs op zijn rug en lieten hem zoo langs het dek rondrijden. Dan zong de kleine ruiter:
"Hop, hop! Tra-ra! Hop, hop! Tra-ra! "Wij rijden naar Amerika,"
tot groot vermaak van de passagiers, die zijn geschiedenis al spoedig te weten waren gekomen en hem tengevolge daarvan allen even hartelijk gezind waren. De eerste reis van het nieuwe stoomschip was al bijzonder voorspoedig. Van mist of nevel, die de oude Maasdam zoo noodlottig waren geweest, was ditmaal volstrekt geen sprake. Zonnige dagen en heldere, vriendelijke nachten wisselden elkander af. Daarbij was de zee zoo kalm en rustig en speelden de golfjes zoo vroolijk om den boeg van het schoone vaartuig, dat zelfs de vreesachtigste voor zijn plezier zulk een tochtje naar de Nieuwe Wereld zou hebben gemaakt.
's Avonds vóór den verwachten dag van aankomst vertoonde zich dan ook reeds het reusachtige vrijheidsbeeld aan den ingang van de haven van New-York, dat met zijn schitterend electrisch licht den landverhuizers als 't ware het welkom na volbrachte reize toeriep. Nog één nacht -- en de bevolking van Amerika telde weer een vijfhonderdtal zielen meer.
Veel geluk, gij allen, die in een nieuw vaderland hoopt te vinden, wat het oude u niet meer of slechts in onvoldoende mate kon aanbieden, -- werk en brood! Dat gij al uw wenschen en verwachtingen moogt bevredigd zien!
Ginds dampt al het stoompaard, dat gereed staat de emigranten naar de plaats hunner bestemming heen te voeren; want slechts weinigen blijven in New-York, de meesten gaan landwaarts naar het Westen, honderden uren ver!
Wie komen daar nog op het laatste oogenblik aansnellen, om een plaatsje in den trein te nemen?
Een luid geblaf, dat over het perron weerklinkt, zegt het ons reeds. Piet Vlug staat gereed, om zich van het laatste gedeelte der op zich opgenomen taak te kwijten en den kleinen zwerveling, dien hij op den arm draagt, in den kring der zijnen terug te voeren.
Reeds te Cocksdorp had hij een plannetje bedacht; nu komt het er nog slechts op aan, dit naar behooren ten uitvoer te brengen.
Daartoe had hij zich eerst naar het telegraafbureau begeven en daar aan oom Willem -- of liever aan den heer Willem Vroolijk te Holland in den Staat Michigan -- het volgende telegram verzonden:
"Vertrek heden met trein 8 uur van New-York naar Holland. Kom mij bij aankomst aldaar afhalen. Kom vooral alleen. Zeg niemand iets. Breng blijde tijding mee." P. VLUG.
"Hier, bootsman! hier is nog ruimte," hoort hij zich toeroepen uit een waggon, waarin verscheidene landgenooten hebben plaats genomen. Hulpvaardige handen worden uitgestoken en nemen het kind van hem over. Ami wipt er achteraan, en ten slotte stapt ook Piet Vlug in, waarop het portier wordt dichtgeslagen.
Nog een oogenblik en de trein vertrekt!....
"Een telegram uit New-York!.... Van wien mag dat zijn?" zegt oom Willem met verklaarbare nieuwsgierigheid, terwijl hij zijn bril op den neus zet en daarna het couvert haastig verbreekt.... En nu leest hij -- hardop, zooals hij steeds gewoon is -- wat Piet Vlug hem tegelijk met zijn vertrek heeft overgeseind. Gelukkig dus, dat zich niemand in het vertrek bevond; anders zou hij het geheim van den inhoud stellig verraden hebben.
"Kom vooral alleen.... Zeg niemand iets.... Breng blijde tijding mee!" herhaalt hij nog eens, met het papier in de hand het vertrek op en neer loopende.... "Dat is me zoowaar een raadsel, naar welks oplossing ik dol nieuwsgierig ben!"
"Blijde tijding!".... "Nu, die mogen we hier wel eens hebben; want wat er van die arme Kee nog terecht moet komen, weet de Hemel!"
Juist werd de deur geopend en zij, over wie oom Willem zich zoo bezorgd maakte, trad de kamer binnen.
Haastig verstopte de goede man nu het telegram en zich daarop tot haar wendende en haar betraande oogen ziende, zei hij zachtjes: "Al weer gehuild, mijn kind? Kom, verzet je toch eens, en wees niet altijd zoo bedroefd!"
"Och, oom!" antwoordde de arme vrouw, die er nog altijd bleek en lijdend uitzag, "herinnert ge u niet, dat het morgen net een jaar geleden is met onzen lieveling?"
"'t Is waar ook," zuchtte oom Willem deelnemend; maar tevens dacht hij aan de "blijde tijding", welke Piet Vlug kwam brengen, en nogmaals vroeg hij zich af, wat dat toch wel zijn kon. Als hij eens....
't Was, of de gedachte hem zoo in eens werd ingegeven. "God, als dat eens mogelijk was!.... Juist een jaar geleden!.... Maar hoe kom ik er aan?" ging hij een oogenblik later voort, "de dooden worden immers niet weer levend!"
Oom Willem was den geheelen dag zeer onrustig, en 's nachts kon hij zoowaar geen oog toedoen! Hij legde zich van de eene zij op de andere, doch kon den slaap maar niet vatten.
"Wat scheelt je toch, beste man!" vroeg zijn vrouw gedurig; maar ofschoon 't geheim van het telegram hem op de lippen brandde, toch hield hij zich goed, en toen hij zich den volgenden morgen naar 't station begaf, had niemand van de huisgenooten ook maar het minste vermoeden van 't geen er bij hem omging.
Jan Vroolijk ging dien dag niet naar de fabriek. Ook hem was de herinnering aan 't geen vandaag voor een jaar gebeurd was, te machtig. In elkanders bijzijn herdachten de wreed getroffen ouders hun lieveling, en met heete tranen beweenden zij zijn droef verlies.
Oom Willem stond intusschen reeds langer dan een uur op het perron van het station, om de aankomst van den trein af te wachten. Vreeselijk, wat duurde dat lang! Was hij dan zoo vroeg, of was de trein zoo laat?....
Al wel tienmaal had hij zijn horloge voor den dag gehaald, dan het telegram weer ingezien, en vervolgens zijn spoorbiljet nog eens geraadpleegd. Wachten is altijd onplezierig, en de goede man, die zich hoe langer hoe meer opwond, gevoelde al het onaangename er van. Had hij slechts even de stationsklok geraadpleegd, dan zou hij gezien hebben, dat alleen zijn horloge, dat bijna een uur vóórliep, hem zulke leelijke parten speelde.
Precies op de minuut af stoomde de trein het station binnen. De portieren werden geopend, de reizigers stapten uit, en voor oom Willem nog den tijd gehad had, om te midden van al het gedrang den man te herkennen, naar wien hij met zooveel ongeduld zocht, stond deze reeds in levenden lijve voor hem met Willem en Ami naast zich. "Ziezoo, daar ben ik!" zei hij opgeruimd, terwijl hij den verbaasden man hartelijk de hand drukte. "En wie denk je nu wel, dat ik hier meebreng?"
Oom Willem behoefde niet lang te raden. Wel had hij de gedachte, die zijn medelijdend hart hem gisteren had ingegeven, dadelijk als onzinnig weer verworpen; doch niettemin was ze telkens en telkens weer teruggekeerd. Ze had hem gedurende den nacht den slaap benomen en 's morgens reeds een paar uur voor de aankomst van den trein naar het station gedreven.
En nu?.... De gelaatstrekken van den kleine, die de vriendelijke blauwe kijkers naar hem opsloeg, waren te sprekend die zijns vaders, dan dat twijfel mogelijk zou geweest zijn.
"Wel man, je komt, of je van onzen Lieven Heer gestuurd bent," sprak de oude man, tot schreiens toe aangedaan. "We zitten hier zoo in de treurigheid. Die goeie Kee heeft het er nog altijd te kwaad mee.... Ze doet niet anders dan huilen.... 't Is immers vandaag net een jaar?.... Maar nu is alle leed gelukkig ten einde!"
En terwijl hij het knaapje van den grond beurde en innig geroerd een kus op het voorhoofd drukte, vroeg hij: "Wat voor wonder is er toch met jou gebeurd, kleine krullebol?"
"Dat vertel ik je zoo meteen wel," zei Piet Vlug. "'t Komt er nu slechts op aan, dat we met een beetje behoedzaamheid te werk gaan en niet te plotseling met de deur in huis komen vallen."
"Als ik dan alvast maar vooruitging en ze een weinig op je komst voorbereidde?" stelde oom Willem voor.
Maar dat lag niet in het plan, dat onze bootsman opgemaakt en tot nu toe gevolgd had.
"O, laat dat maar aan mij over! Ik zal dat zaakje wel naar behooren opknappen," zei hij met zekere geheimzinnigheid.
Middelerwijl hadden ze het perron verlaten, en daar de afstand naar oom Willems woning voor den kleinen naamgenoot wel wat ver was, om dien wandelend af te leggen, stapten zij in een der gereedstaande rijtuigen.
"Moet die hond ook mee?" vroeg oom Willem niet weinig ontsteld, toen het groote dier, dat tot nu toe minder zijn opmerkzaamheid getrokken had, mee in het rijtuig sprong. "Wel wis en zeker! Die hoort bij ons," antwoordde Piet Vlug, het goede dier lachend op den schranderen kop tikkend. "Wat zeg jij, Ami? Zonder jou zouden we waarlijk niet hier zitten, hé?"
Daarop vertelde hij oom Willem in korte woorden de gansche geschiedenis van het tweetal. De man kon zijn ooren nauwelijks gelooven bij 't geen hij hoorde, en gedurig sloeg hij de handen vol verbazing in elkander.
"Nu, mijn jongen!" zei hij eindelijk met vochtige oogen, "onze Lieve Heer heeft je wel wonderlijk gespaard, dat moet ik zeggen!..... Wat zal dat een verandering geven, als we zoo aanstonds thuis komen, Piet! Ik zie er zoowaar tegen op!"
"Zijn we er haast?" vroeg Piet Vlug.
"Met een paar minuten," antwoordde oom Willem.
"Zie, daar tusschen die boomen ligt ons huisje! Hoe zullen we het nu aanleggen?"
"Dat zal ik je zeggen," hernam Piet Vlug. "Ik stap er hier uit en neem Ami mee, terwijl gij een oogenblik met den kleine achterblijft. Het terugzien van den hond, dien zij zeker zullen herkennen, zal hen ongetwijfeld op het denkbeeld brengen, dat ook hun kind...."
"Uitmuntend! uitmuntend!" viel oom Willem hem in de rede. "Dat is kostelijk overlegd! Beter kon het niet!"
"Komaan, Ami! Uitgestapt dan maar!" zei de bootsman. "Nu zal het er op aan komen, jongen!"
Ami sprong blaffend op den weg, door Piet Vlug gevolgd, terwijl oom Willem met het knaapje in het rijtuig bleef zitten, dat langzaam achter de wandelaars aanreed.
"Waar mijn man toch den geheelen morgen zitten mag," pruttelde tante Betje zoo wat binnensmonds, toen plotseling de deur geopend werd en... onze bootsman voor haar stond.
"Wel heere mijn tijd! Daar heb je zoowaar Piet Vlug!" riep ze nu, van verwondering de handen in elkaar slaande.
"In eigen persoon, moedertje!" lachte de bootsman, terwijl hij haar de beide handen toestak. "Hoe gaat het je? En hoe is het met de familie?"
"Och, niet al te best," zuchtte tante. "Onze jongelui zijn den slag nog niet te boven, en vooral vandaag..."
"Ja, ja, dat begrijp ik," viel Piet Vlug haar in de rede. "Daarom ben ik juist eens over komen waaien. Dat geeft misschien eens wat afleiding. Maar waar zitten de lui? Geen mensch thuis misschien?"
"Toch wel," sprak tante, naar de deur van het aangrenzende vertrek wijzend. "Ze hebben zich daar met hun beidjes teruggetrokken."
"Zoo, zoo!.... Is het er zoo mee gesteld," zei de bootsman daarop. "Kom, Ami! ga jij ze dan eens een beetje troosten, mijn jongen! Dat komt jou toe!"
En nu haalde hij een papier uit den zak, dat hij den hond in den bek gaf, waarop hij het gewillige dier, dat het gewicht zijner zending scheen te begrijpen, zachtjes de aangewezen kamer wist binnen te smokkelen.
Tante Betje begreep er niets van. "Wat geeft dat allemaal?" riep ze, ver van gerust over het groote, vreemde dier, dat Piet Vlug haar woning had binnengeleid. Maar deze suste haar en zei lachend: "Stel je maar gerust, hoor! 't Zal alles wel goed afloopen. Luister maar eens!...."
De deur stond op een kier, zoodat zij alles, wat daarbinnen gebeurde, konden hooren en zien.
Jan Vroolijk en zijn vrouw zaten aan de tafel. Voor hen stond een kinderportret, dat zij met vochtige oogen beschouwden. 't Was de beeltenis van hun lieveling!
[Illustratie: Hij legde het papier dat hij in den bek hield op Keetjes schoot.]
"O God, Jan!" riep Keetje op eens uit. "Zie eens! Daar heb je....!"
"Mijn Hemel! dat lijkt.... dat is.... Maar dat kan immers niet?" sprak de ontroerde man.
"Waf! Waf!" blafte de hond en meteen sprong hij kwispelstaartend tegen zijn oude vrienden op en legde het papier, dat hij in den bek hield, op Keetjes schoot.
"Lees! lees!" kreet zij met luid kloppend hart.
Daar stond Jan met de verklaring van kapitein Smartt in de handen. Het blad trilde hem tusschen zijn bevende vingers.... Hij kon den inhoud nog slechts moeielijk ontcijferen. Eindelijk echter.... daar was hij er!.... Zijn gelaat straalde van blijdschap.
"Hij leeft!.... Hij leeft!" borst Keetje uit, die haar blikken in ademlooze spanning op hem gevestigd hield. "O, mijn kind!.... Mijn lieveling!...."
"Nu is het mijn tijd," zei Piet Vlug, het vertrek binnentredend....
Juist hield het rijtuig voor de deur stil.
"Welnu, vrienden, heeft Ami de boodschap goed overgebracht?" vroeg hij, zoo kalm mogelijk.
Beiden tegelijk vlogen ze op den bootsman toe.
"Piet!.... Beste Piet!.... Waar is hij?.... Heb je hem niet meegebracht?".... klonk het verward dooreen, terwijl elk een zijner handen vasthield.
"Ja, ja, houdt je maar bedaard!" sprak Piet Vlug aangedaan. "Waar de redder is" -- en hij wees op Ami -- "zal de geredde ook wel niet ver af zijn."
"Daar is hij al! Daar is hij al!" riep tante Betje, die nu eerst recht begreep, wat er aan de hand was. Oom Willem had namelijk op een teeken van den bootsman de deur geopend en stond nu, met den kleine aan de hand, op den drempel.
Een kreet van verrassing ontsnapte de gelukkige moeder. Snikkend van vreugde breidde zij de armen naar haren lieveling uit, die haar onder den uitroep: "Moetje! Moetje!! Daar is mijn moetje!" om den hals viel.
Naast hen knielde de niet minder gelukkige vader, die moeder en kind beiden met zijn stevige armen omvatte en aan het kloppend hart drukte. En daaromheen stonden Piet Vlug met Ami en oom Willem met tante Betje het heerlijke tooneel met tranen in de oogen gade te slaan. De kleine zwerveling was eindelijk in behouden haven aangeland....
Drie dagen bleef Piet Vlug de gast van zijn gelukkige vrienden. Wat had hij hen veel te vertellen! En met hoeveel schrik en ontzetting luisterden zij naar het verhaal van de gevaren, waaraan hun lieveling had blootgestaan. Moeder drukte hem nog vaster tegen zich aan, als vreesde zij, dat ze hem nogmaals verliezen zou!
En Ami?.... Toen de bootsman na een allerhartelijkst afscheid weer naar boord terugkeerde, vervuld van blijdschap over het geluk, dat hij zijn vrienden mocht bereiden, bleef Ami stilletjes waar hij was. Waar Willem zich bevond, was voortaan ook zijn tehuis, en van alle zijden gestreeld en geliefkoosd, had hij er een leven als een prins.
Op het Engelsche kerkhof te Eierland werden omstreeks denzelfden tijd twee drenkelingen aan den schoot der aarde toevertrouwd! Het waren Kapitein Smartt en zijn vrouw, wier lijken hier naast elkander in één graf werden bijgezet.
INHOUD.
Bladz. HOOFDSTUK " I. EEN GEWICHTIG BESLUIT . . . . 5 " II. DE LANDVERHUIZERS . . . . . . 18 " III. OP DEN OCEAAN . . . . . . . . 31 " IV. GESCHEIDEN . . . . . . . . . 46 " V. HET GEVONDEN SPOOR . . . . . 58 " VI. EEN GELUK BIJ EEN ONGELUK . . 69 " VII. BIJ VADER EN MOEDER TERUG . . 84
[Transcriber's Notes:
De platte tekst versie van dit ebook gebruikt underscores voor cursieve tekst en plus-tekens voor vetgedrukte tekst.
Voor het gemak van de lezer is in de HTML-versie de inhoudsopgave voorin het boek gezet en is een lijst van illustraties toegevoegd (direct ná de inhoudsopgave).
Dit boek bevat een aantal zetfouten. De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:
[aan dit oogenbiik] -> [aan dit oogenblik] [en zoo iets] -> [en als zoo iets] [nogtans] (2x) -> archaische spelling. [alles zeer naar wenseh] -> [alles zeer naar wensch] [het dek opgespleten] -> [het dek opengespleten] [en lekte het] -> [en likte het] ["Intuschen zal ik] -> ["Intusschen zal ik] ["Veel luk er mee]: "luk" is een archaische vorm van "geluk". [voelde bij zich] -> [voelde hij zich]
Er zijn een aantal interpunctie fouten gecorrigeerd maar die worden hier niet specifiek genoemd.
In de HTML-versie van dit boek is de originele paginanummering zichtbaar gemaakt en geplaatst onderaan de pagina's. Als u zoekt naar een tekst-fragment dat door een paginanummer in tweeën is gesplitst (of een woord, waardoor er een afbreekstreepje bij komt) dan wordt het paginanummer genegeerd.
]