De kleine Zwerveling

Part 4

Chapter 43,988 wordsPublic domain

Juist wilde ze haar man gaan opzoeken, toen deze, die haar met opzet zoolang alleen gelaten had, de kajuit inkwam. En ziedaar, het was alles gekomen, zooals kapitein Smartt zoo hartelijk hoopte! Zijn vrouw, die na den dood van haar kind steeds droevig en in zich zelf gekeerd was geweest, kwam hem met het knaapje op den arm en een glimlach op de lippen tegemoet.

Onwillekeurig deed hij echter een stap achteruit. Waarom? In het hem welbekende pakje gestoken, geleek onze krullebol zoozeer op het overleden jongetje van den kapitein, dat deze er ten zeerste door getroffen werd. En dat zijn vrouw het hierin met hem eens was, bewezen al dadelijk haar woorden: "Nu, wat zeg je van den jongen? Ik heb hem al vast maar wat aangekleed. Vind je niet, dat hij op onzen Willy gelijkt?"

"Zoozeer," sprak de kapitein met bewogen stem, "dat ik bij 't inkomen van de kajuit inderdaad een oogenblik meende, dat je ons ventje op den arm hadt. Je hebt de gelijkenis dan ook wel zeer doen uitkomen met dat pakje!" En met een zucht voegde hij er bij: "Och, dat de schijn werkelijkheid ware!"

"Maar wat belet ons," hernam nu zijn vrouw teeder, "het arm wurm, wiens ouders waarschijnlijk beiden omgekomen zijn, als kind aan te nemen. Ik gevoel, dat ik als een moeder voor hem zal kunnen zijn, en ik twijfel er niet aan, of gij zelf zult ook van het kind beginnen te houden."

Ze waren aldus sprekende, bij elkander aan tafel gaan zitten, en de kapitein zag met vreugde, hoe het op zulk een wonderbare wijze geredde kind plotseling weer een blosje op de wangen zijner schoone, doch bleeke vrouw scheen teruggetooverd te hebben.

"Toch moeten we ons niet te zeer aan het ventje hechten," bracht hij voorzichtig in het midden; "want het zou kunnen wezen, dat zijn ouders nog wel degelijk leven, en 't is natuurlijk onze plicht, zoo spoedig mogelijk onderzoek daarnaar te doen. En als ze dan teruggevonden mochten worden....."

"Zal ik het knaapje met liefde aan zijn moeder teruggeven," viel zijn vrouw hem in de rede. "We weten immers beiden wat het zegt, een bemind kind te verliezen!"

"Nu, dan is 't goed," sprak kapitein Smartt gerustgesteld. "Maar zou 't jongske zelf ons misschien niet iets kunnen zeggen of beduiden, waaruit het een of ander is op te maken?"

"Ja, hij heeft al genoeg gebabbeld; maar ik versta hem niet."

"Komaan, laat mij 't dan eens probeeren. Misschien, dat het mij gelukt, uit zijn gekeuvel wijs te worden."

De kapitein, die verscheidene talen sprak, nam nu onzen Willem op zijn knie en deze, die op de Maasdam al zooveel vreemde gezichten gezien en op zoo menige knie geschommeld had, toonde zich ook tegenover hem volstrekt niet schuw. Maar of hij Willem in 't Engelsch of Fransch of Duitsch aansprak, de kleine verstond titel noch jota van 't geen hem gevraagd werd.

"Moetje weg, vader weg, allemaal weg! Schip ook weg!" riep hij op 't laatst in zijn onnoozelheid.

"O, nu zijn we er!" riep de kapitein verrast, maar tevens vol ontzetting uit bij het hooren van zooveel ongeluk. "'t Is een Hollandsch kind, en wat hij daar vertelt, is inderdaad allertreurigst. Vader weg, moeder weg, schip weg! Er moet dus bepaald een aanvaring plaats gehad hebben; want slecht weer is het de laatste dagen niet geweest, en lang heeft het ventje ook bepaald niet rondgezwalkt." En zich daarop weer tot Willem wendende, vroeg hij -- maar nu in 't Hollandsch -- naar alles, wat den kleinen schipbreukeling wedervaren was. Veel wijzer werd hij echter niet. 't Ventje kon hem slechts weinig en gebrekkig inlichten. Vader en moeder heetten bij hem, als bij de meeste kleine kinderen eenvoudig "vader en moeder," en hij zelf was "Willem," zonder meer.

"Dus de kleine heeft tot zelfs den naam met onzen jongen gemeen," merkte de kapitein met zichtbare ontroering op.

"O, dat is heerlijk! Die naam is mij zoo lief!" antwoordde zijn vrouw levendig. "'k Wilde je juist voorstellen om hem William te noemen." En het knaapje, daarop beide handen toestekend, vervolgde zij: "Willy, we zullen elkaar wel spoedig leeren verstaan!"

"Begrijpen doet hij je ten minste nu al," sprak de kapitein lachend, toen Willem dadelijk de toegestoken handen greep en op haar schoot plaats nam. "En voor de rest zal ik wel zoo'n beetje voor tolk spelen. Maar nu ga ik het gebeurde in het scheepsjournaal boeken. Bovendien zal ik er een acte van opmaken en die door de geheele equipage laten onderteekenen. Misschien kan dat stuk den knaap nog eenmaal dienen om iets omtrent zijn ouders of familiebetrekkingen te vernemen, als dat ons niet gelukken mocht."

Terwijl de kapitein nu een uitvoerig relaas van 't gebeurde opstelde, begaf mevrouw Smartt zich met Willem aan dek, gevolgd door Ami, die door het gesprek der beide echtgenooten uit zijn dutje ontwaakt was en nu bedaard achter haar kwam aanstappen, alsof hij er bij behoorde en hier al zijn leven thuis geweest was.

De geheele bemanning van "de Franklin" was opgetogen over den aardigen, blozenden krullebol, en Ami werd om zijn moedig gedrag door ieder om 't zeerst aangehaald en geprezen.

Eenige oogenblikken later verscheen ook kapitein Smartt weer aan dek. Hij had de bewuste acte reeds in de hand en gaf nu bevel, dat allen achter den grooten mast op het halfdek zouden verschijnen, om het stuk te hooren voorlezen en van hun naamteekening te voorzien.

De lange zomerdag spoedde intusschen ten einde, en voor onzen Willem, over wiens jeugdig hoofdje gedurende de laatste vier-en-twintig uren zooveel gevaren waren heengegaan, was het meer dan bedtijd geworden. Dit begreep mevrouw Smartt ook, en als een echte moeder spreidde zij het verweesde kind een zacht en mollig bedje, waarop hij weldra zoo gerust en heerlijk insliep, alsof zijn eigen moetje hem zooeven den nachtkus gegeven had.

VIJFDE HOOFDSTUK.

+Het gevonden spoor.+

Sidney in Australië en het stadje Holland in Noord-Amerika, welk een afstand! En toch -- hoe ver beide plaatsen ook van elkander verwijderd mogen zijn -- hebben wij onze kennissen, die wij tot dusver gevolgd hebben, zoowel hier als daar terug te zoeken.

Langen tijd zweefde Jan Vroolijks vrouw tusschen leven en dood, en dikwijls vreesde de arme man ook zijn Kee te moeten missen. Hartverscheurend was het, de kranke soms in de koorts plotseling te zien oprijzen en daarbij, wild en woest om zich heen grijpende, om haar kind te hooren roepen, om eindelijk, afgemat en uitgeput, in haar kussen terug te vallen.

Eindelijk echter was de crisis gekomen, en toen die voorbij was, viel de zieke in een gerusten slaap. "Is er nog hoop?" vroeg Jan Vroolijk telkens aan den geneesheer; maar deze had iederen keer de schouders opgehaald en hem door dit ontwijkende antwoord meer te vreezen dan te hopen gegeven. Nu echter drukte de man der wetenschap hem de hand en sprak: "Dank God! Uw vrouw is gered!" 't Was Jan Vroolijk, of hem een centenaarslast van het hart werd gewenteld. Zoo innig als hij gebeden had om het behoud van haar, die hem boven alles ter wereld lief en dierbaar was, zoo vurig dankte hij nu voor haar aanvankelijk herstel! En toen zijn vrouw kort daarna de oogen opsloeg en hem met volle bewustzijn aanzag en de hand toestak, was het hem, als had hij haar uit den dood wedergekregen. Hij kuste haar vermagerde hand en besproeide ze met zijn tranen, tranen van dankbaarheid en vreugde!

De zieke nam nu wel langzaam, maar toch gestadig in beterschap toe, en eindelijk was ze in zooverre hersteld, dat men er in ernst over kon denken, om de op zoo noodlottige wijze afgebroken reis te hervatten.

Oom Willem, door Jan Vroolijk voortdurend op de hoogte gehouden van den toestand zijner vrouw, spoedde zich op dit gunstige bericht dadelijk weer naar New-York, om hen af te halen, en nadat hij alles voor hen in orde gebracht had, namen ze samen den terugtocht aan.

"Komaan, daar ben je dan toch eindelijk!" zei tante Betje, oom Willems vrouw, toen ze na de lange spoorreis haar gastvrije woning binnentraden. "Goddank, dat ik je zie, kinderen!"

"Maar we komen met ons beidjes in plaats van met ons drieën, tante!" sprak Jan op droeven toon, terwijl Keetje in snikken uitbarstte en het nog altijd zwakke hoofd aan tantes borst verborg.

"Gelukkig, dat je nog met je tweeën komt!" troostte tante. "Hoezeer hebben we niet in angst verkeerd, dat we ook Keetje niet terug zouden zien!"

En toen de geschokte vrouw nog immer voortging met schreien en Jan haar met zachte woorden tot bedaren trachtte te brengen, vervolgde ze: "Laat haar maar eens goed uitschreien, dat zal haar goed doen."

"En weet je, wat ik nu gedacht heb, moeder?" sprak oom Willem tot zijn vrouw.

"Nu, wat dan man?"

"Dat we onze gasten vooreerst maar hier bij ons moesten houden. Ons huis is groot genoeg. Ze kunnen dus gemakkelijk bij ons inwonen. Dat zal goed zijn voor jou en voor Keetje beiden, geloof ik. Ze kan dan eerst weer een beetje op haar verhaal komen, en later kunnen we dan altijd nog zien."

Hoezeer sprak de goede man naar het hart van zijn brave vrouw. Ook zij had het zwaar beproefde ouderpaar reeds een plaatsje in haar woning toegedacht, en daar Jan Vroolijk en zijn vrouw van hun kant ook niets liever wenschten, was alles weldra in orde.

Werk was spoedig gevonden en voor Keetje was het dagelijksch bijzijn van tante Betje, die innig deelnam in het ongeluk van haar zusters eenig kind, een ware troost.

Omstreeks denzelfden tijd, dat de onder den zwaren slag gebukt gaande ouders in oom Willems vriendelijke en gastvrije woning zoo hartelijk werden verwelkomd en opgenomen, zeilde "de Franklin", na een voorspoedige en gelukkige reis, de haven van Sidney binnen. En zooals het allen kleinen kinderen gaat, wanneer zij in een andere omgeving worden overgeplaatst, waar zij het zeer naar hun zin hebben, n.l.: "uit het oog, uit het hart," zoo was het ook onzen Willem gegaan. Praatte hij in den beginne nog al eens over moetje en vader of van oom Piet -- zooals hij Piet Vlug altijd noemde -- spoedig scheen de kleine het verleden geheel vergeten en gevoelde hij zich in den tegenwoordigen toestand en omgeving recht tevreden en gelukkig. Mevrouw Smartt was dan ook als een ware moeder voor hem. Moest haar man gedurende de eerste dagen nog al eens als tolk dienst doen, weldra had zij zich de nog geringe woordenschat van den aardigen babbelaar zoo goed eigen gemaakt, dat deze hulp geheel overbodig was, te meer, daar ook Willem op zijn beurt van lieverlede de Hollandsche woorden door Engelsche ging vervangen. Zoo konden zij dus binnen korten tijd naar hartelust met elkander praten en babbelen, en de aanvalligheid van het knaapje, aan wien de edele vrouw zich van het eerste oogenblik zoo gehecht had, verhoogde nog van dag tot dag haar genegenheid. Ook kapitein Smartt begon hoe langer hoe meer behagen in den vluggen en vroolijken krullebol te scheppen, en ten slotte was het moeilijk te zeggen, wie van beiden wel het meest van hem hield.

De een zoowel als de ander zou het knaapje dus wel altijd bij zich hebben willen houden. Niettemin achtte de gezagvoerder van "de Franklin" zich verplicht, dadelijk bij zijn aankomst te Sidney een onderzoek naar de herkomst van het kind in te stellen. Ook naar dezen verren uithoek der wereld zou toch wel eenige tijding omtrent het vergaan van een schip op de Amerikaansche kust en het lot der opvarenden overgewaaid zijn, meende hij. En zoo was het ook werkelijk. Evenals op de meeste voorname zeeplaatsen werd ook te Sidney een "Zeepost" uitgegeven, d. i. een nieuwsblad, waarin scheepstijdingen uit alle oorden der wereld worden opgenomen, tijdingen omtrent aankomst en vertrek der schepen en van plaats gehad hebbende zeerampen. Door een aandachtig nagaan van de laatste rubriek in de bladen, welke omstreeks den tijd, dat het ongeluk moest plaats gehad hebben, waren uitgegeven, kwam kapitein Smartt al spoedig tot de ontdekking, dat werkelijk in den vroegen morgen van den 30sten Augustus -- dus juist op den datum der opname van Willem en Ami aan boord van "de Franklin" -- bij dikken mist niet ver van de Amerikaansche kust een aanvaring had plaats gehad tusschen de stoomschepen de Maasdam en de Columbus, waarbij het eerste zoo beschadigd was geraakt, dat het na verloop van een paar uur in de diepte was verdwenen. Tevens werd in het bericht vermeld, dat de bemanning van het gezonken schip, zoomede de passagiers, aan boord van de Columbus overgegaan en behouden te New-York waren aangebracht. Alleen van de laatsten was slechts één, en wel een kind, bij de ramp omgekomen.

"Daar kan niemand anders mee bedoeld zijn dan Willy" sprak de kapitein. "Het kind, dat men dood waant, is door den hond gered!"

"En intusschen wordt hij door de arme ouders als een doode beweend," antwoordde zijn vrouw bewogen. "Wie weet, wat heete tranen er om zijn verlies geschreid worden! Misschien was hij ook wel een eenig kindje, evenals onze eigen Willy."

Verstond Ami hun gesprek, dat hij zoo met alle aandacht naar hen zat te luisteren en nu den een, dan den ander met zijn verstandige oogen aankeek?

Kapitein Smartt scheen er werkelijk zoo over te denken; want terwijl hij het goede dier streelde, zeide hij: "Kon jij maar praten, hé! dan zouden we zeker heel gauw op de hoogte zijn." En zich daarop weer tot zijn vrouw wendende, vroeg hij: "Maar wat zullen we nu beginnen?"

"Het kind blijven liefhebben en als we weer behouden in Amerika terug mogen keeren, nauwkeurig onderzoek doen naar zijn ouders," antwoordde deze; "dat is alles wat we kunnen doen."

"Je hebt gelijk, vrouw," hernam de kapitein. "Intusschen zal ik aangifte doen van het geval, opdat het naar Holland en New-York overgeseind en in de nieuwsbladen opgenomen kan worden. Allicht komt het bericht dan onder de oogen van den een of ander, die met de zaak bekend is, of iets omtrent de ouders van het kind en hun verblijfplaats weet en ons het onderzoek alzoo gemakkelijk kan maken. Met de wetenschap toch, dat zijn ouders nog leven, kunnen we ons het knaapje onmogelijk toeeigenen, hoe 't mij ook aan mijn hart gaat, hem weer te moeten missen."

De zucht, die mevrouw Smartt ontsnapte, was wel het sprekendste bewijs, hoe noode ook zij het kind weer zou afstaan.

We moeten nu in gedachten eenige weken teruggaan en weer naar New-York, waar de schipbreukelingen der Maasdam door de Columbus waren aangebracht, terugkeeren.

In de verwarring van het oogenblik had niemand er aan gedacht, dat behalve de kleine passagier nog iemand anders ontbrak, toen aan boord van de Columbus appèl voor de geredden werd gehouden. Eerst bij de ontscheping te New-York trok het de aandacht van den bootsman, dat de hond zich niet onder hen bevond.

"Waar mag Ami toch zijn?" vroeg hij, overal rond kijkende.

Niemand had iets van het dier gezien,

"Dan is hij bepaald bij Willem in de hut geweest en op de Maasdam gebleven," dacht Piet vlug. "Het arme dier! Wat hield hij veel van het ventje! Zouden ze samen in de diepte zijn verdwenen?.... Maar als het Ami eens gelukt was, zich met het kind te redden! Als hij eens..... dat zou ontzettend zijn! En toch, hoe meer ik er over denk, hoe waarschijnlijker 't mij voorkomt. Wie weet, hoe lang het wrak nog is blijven drijven! Maar dan moeten ze ten slotte toch omgekomen zijn, of een ander schip moest ze opgenomen hebben. Wacht, ik ga zoodra mogelijk op verkenning uit! Als ik de vermisten eens terugvond! Maar laat ik er vooral Jan niets van zeggen en geen nieuwe hoop opwekken, die misschien toch ijdel zou blijken te zijn."

Vol van deze gedachten spoedde de wakkere zeeman zich -- eigen verlies vergetende -- zoodra hij kon voort, om inlichtingen in te winnen aangaande de schepen, welke dien dag de haven waren binnengekomen. Zijn onderzoek liep echter op teleurstelling uit. Ook de scheepstijdingen van elders gaven hem niet, wat hij zocht. En toch liet het eens opgevatte denkbeeld hem niet los. Integendeel, hoe langer hij nadacht en de zaak van alle kanten overwoog, hoe meer het bij hem vaststond, dat Ami wel een middel zou gevonden hebben, om zich met zijn makker aan het dreigende gevaar te ontworstelen, en daarna op de een of andere wijze gered zou zijn.

"Maar 't kan ook evengoed een uitzeilend als een binnenvallend schip geweest zijn, dat hen heeft opgenomen," redeneerde hij bij zich zelf. En nu volgde een vernieuwd onderzoek naar alle schepen, welke omstreeks den tijd van het ongeluk ter hoogte van de aanvaring konden geweest zijn. Nauwkeurig teekende hij aan, welke schepen de laatste twee dagen de haven van New-York en die van andere plaatsen hadden verlaten en waarheen ze bestemd waren, om later, bij 't bericht van hun aankomst, te kunnen nagaan, of ook de een of andere bijzonderheid vermeld werd, welke hem eenige zekerheid omtrent zijn vermoeden kon verschaffen.

Met deze gegevens voor zich doorsnuffelde hij nu van dag tot dag alle mogelijke scheepstijdingen; doch ontmoette hij ook al eens een bericht over de aankomst van een door hem aangeteekend schip, nergens was sprake van datgene, waarnaar hij met zooveel verlangen en ongeduld zocht. En intusschen naderde meer en meer de dag, waarop de bemanning der Maasdam met een ander stoomschip der Maatschappij de terugreis naar het vaderland zou aanvaarden.

Eindelijk was die dag daar.

Maar toen Piet Vlug zijn aanteekeningen voor de laatste maal inzag, was daarop ook bijna alles doorgehaald, waarop hij zijn hoop gevestigd had. Deze was dan ook langzamerhand vrij wat verminderd en eindelijk zoo goed als vernietigd.

Nog slechts de namen van twee schepen en daaronder die van "de Franklin" van New-York naar Sidney stonden daar, zonder dat het potlood er de noodlottige streep doorheen getrokken had, die van zijn teleurgestelde verwachting getuigenis aflegde. Op deze beide namen was dus het restje van zijn hoop gebouwd. Maar Sidney was zoo ver. Nog weken zou het duren, voor "de Franklin" aan het einde der reis was. En intusschen had hij Amerika verlaten, en daarmee was de kans om vooreerst iets omtrent de aankomst van het schip te vernemen, zoo goed als vervlogen! Wat het andere schip aangaat, daarmede was het ook al niet beter gesteld.

Zou hij dus zijn vrienden nog iets mededeelen van zijn vermoeden, voor hij naar Holland terugkeerde?

Maar dat vermoeden was al zoo dikwijls op teleurstelling uitgeloopen, dat hij ze er niet aan mocht of durfde wagen.

Na een hartelijk afscheid vertrok hij dus met het stellige voornemen, om bij aankomst in Holland direct zijn onderzoek voort te zetten. Want dat Willem en Ami verdronken zouden zijn, wilde er -- ten spijt van alles -- nog maar niet bij hem in.

"Wat men hoopt, gelooft men," zegt een spreekwoord, en zoo was het met den bootsman ook.

Het proces, ten gevolge van de aanvaring ontstaan, was middelerwijl afgeloopen en ten voordeele van de Maasdam beslist, daar uit de verklaringen, zoo van gezagvoerder en stuurlieden als van bemanning en passagiers, ten duidelijkste bleek, dat men zich aan boord van dit schip in alle opzichten aan de bepalingen, voor het verkeer ter zee vastgesteld, gehouden had, terwijl die voorschriften van de andere zijde schromelijk bleken verwaarloosd te zijn.

De reederij der Columbus werd dus tot geheele schadevergoeding van schip en lading veroordeeld, en de kapitein van de Maasdam kon, zonder dat op zijn zeemansnaam zelfs de minste blaam bleef rusten, met zijn equipage naar het vaderland terugkeeren.

Eenigen tijd later vinden we onzen bootsman dus te Rotterdam terug.

Nauwelijks aan wal, richt hij zijn schreden naar het zeemanskoffiehuis, waar hij weldra met een stapel couranten voor zich zit. Doch ook hier loopt zijn onderzoek op niets uit. Het eene blad na het andere wordt door hem op zij gelegd, tot hij eindelijk, mismoedig over zooveel teleurstelling, ook het laatste weer toevouwt en zich gereed maakt om heen te gaan. Op 't zelfde oogenblik echter verschijnt de courantenjongen aan de deur, om 't laatste nieuws af te geven. Dadelijk heeft Piet Vlug het nieuwsblad in handen.

"'t Zal wel vergeefsche moeite zijn," mompelt hij, "maar enfin! 'k Moet toch even kijken." En nu leest hij: "Aangekomen te Bombay.... Calcutta.... Singapore... Batavia.... Sidney...." Plotseling verheldert zijn gelaat en met den blijden uitroep: "Eindelijk toch gevonden!" werpt hij het blad op de tafel.

"Kastelein!" roept hij vervolgens, terwijl hij weer plaats neemt -- "breng mij nog een half fleschje Beiersch!" en dan tot zich zelf: "Daar kan een extra glas op staan!.... Waar stond het ook?... O ja, hier is 't!...." En nu leest hij half overluid: "Sidney.... Aangekomen 'de Franklin' van New-York. Onder de Amerikaansche kust in zee drijvende gevonden een boot, waarin een kind van ongeveer vier jaar en een hond.".... "Maar hoe blikslager is dat mogelijk," zegt hij na eenigen tijd nadenkens met de hand aan het hoofd. "We hadden toch alle booten meegenomen!.... En toch -- 't kan niet anders zijn.... Haal ze den drommel! dat ze er den naam van 't kind en van den hond niet bijgezet hebben. Dan was alle twijfel dadelijk opgeheven!.... Doch" -- en hij begon hartelijk te lachen -- "hoe kan ik ook zoo dom zijn!.... Ze zullen den kleuter met zijn gebroken Hollandsch niet verstaan hebben!.... of" -- en op eens nam zijn gelaat een geheel andere uitdrukking aan -- "of zou de stumperd misschien al dood geweest zijn?.... Maar," -- en weer keek hij het korte telegrafische bericht na -- "dan zou er toch gestaan hebben: het lijkje van een kind, -- dunkt me.... 't Is waarachtig om dol te worden!.... Wat heb ik nu eigenlijk aan zoo'n bericht?.... Zijn ze 't, of zijn ze 't niet?... En zoo ja, leven ze nog, of zijn ze dood?.... 'k Dacht die arme stakkers daar ginder zoo heerlijk te verrassen!.... Maar zoo gaat het niet.... 'k Moet eerst meer zekerheid hebben. Er zit niets anders op dan nog wat geduld te oefenen en intusschen 'de Franklin' in de gaten te houden, want gelooven doe ik het toch! Wacht, ik moest die courant in mijn zak steken!.... Kastelein!"

"Asjeblieft, mijnheer!"

"Als ik je een gulden geef voor dit blad, mag ik het dan houden?"

"Met alle plezier," zegt de kastelein lachend, "als ge er zooveel belang in stelt. Maar aan het bureau en op straat koopt ge er anders een voor een stuiver."

"Dat doet er niet toe!" antwoordt Jan, een rijksdaalder uit zijn vollen buidel op tafel werpend en meteen de courant in den zak van zijn jekker stekend. "Ik verkies nu juist dit blad te hebben en geen ander!"

"Nu, zooals ge wilt," herneemt de kastelein, terwijl hij den rijksdaalder aanneemt en eenig klein geld terug geeft, dat de bootsman achteloos op zak steekt. "Veel luk er mee!.... Zeker een prijs uit de loterij, niet waar?"

"Als 't waar is, wat hierin staat," zegt Jan, op zijn jekker slaande, "dan kon je dat wel zoo mis niet hebben. Adjuus!"

En met de gewichtige tijding op zak, verliet hij het zeemanskoffiehuis.

ZESDE HOOFDSTUK.

+Een geluk bij een ongeluk.+

Nadat de Franklin gelost was en de gezagvoerder eenigen tijd te vergeefs op nieuwe lading gewacht had, besloot hij den steven naar Indië te richten, in de hoop aldaar geschikte retourvracht voor zijn bodem te vinden.

Doch te Soerabaja, waar men na eenige dagen aankwam, werd alleen scheepsruimte gevraagd voor Europeesche havens, terwijl de kapitein, ook met het oog op zijn kleinen passagier, gehoopt had naar Amerika terug te kunnen keeren.

Met een leeg schip den Oceaan over te steken, was echter nog minder gewenscht. Derhalve besloot kapitein Smartt eindelijk van den nood een deugd te maken en zijn schip naar Europa, en wel naar Hamburg, te bevrachten.

De reis zou zoodoende wel wat langer duren; maar hij mocht de belangen zijner reeders toch niet aan die van het kind opofferen. En bij nader inzien waren de laatste misschien aan deze zijde van den Atlantische Oceaan nog beter gediend dan aan gene.