De kleine Zwerveling

Part 3

Chapter 34,006 wordsPublic domain

Een andere zaak, van het uiterste gewicht voor schepen, die den oceaan bevaren, betreft de bepalingen, welke vastgesteld zijn voor het varen gedurende den nacht en bij mistig weder. In het eerste geval dienen lantaarns, die een verschillend gekleurd licht geven, om de plaats waar zich het schip bevindt en de richting waarin het zich beweegt, aan te wijzen; in het tweede dienen daartoe kortere of langere stooten op den misthoorn of met de stoomfluit.

Hoe nuttig deze en dergelijke bepalingen zijn en hoe noodzakelijk het is, dat ze zorgvuldig nageleefd worden, blijkt maar al te dikwijls.

Niet zelden toch hebben er aanvaringen op zee plaats, die soms aan honderden menschen het leven kosten en doorgaans hun oorzaak hebben in gebrekkige naleving of verwaarloozing van de bestaande voorschriften.

Op de Maasdam werden deze echter ten strengste gehandhaafd. De kapitein gevoelde te zeer de groote verantwoordelijkheid, welke op hem rustte, om ook slechts een enkelen maatregel te verwaarloozen, welke de veiligheid van zijn schip en van hen, die zich daarop bevonden, kon bevorderen. Nauwelijks was dus de zon onder, of de lichten werden ontstoken, en den uitkijk voor op den boeg werd verdubbelde oplettendheid aanbevolen.

Ook den avond van den 29 Augustus, waarop zooveel onbezorgde vroolijkheid aan dek van de Maasdam heerschte, waren de noodige voorzorgsmaatregelen genomen, te meer noodig, nu men zich bij het naderen der kust langzamerhand te midden van drukker scheepvaart bevond. De nacht ging dan ook, zonder dat er iets bijzonders plaats had, voorbij; maar toen de dag aanbrak, hing er een zware, dichte mist over het water, die het uitzicht geheel belemmerde.

De kapitein liet dadelijk de vaart van het schip aanmerkelijk verminderen en gaf bevel tot het stipt uitvoeren der voorgeschreven signalen.

Daar weerklonk het eerste langgerekte gegil der stoomfluit, weldra door verscheidene korte stooten gevolgd.

De passagiers ontwaakten verschrikt uit hun slaap, en velen spoedden zich half gekleed naar boven, om te zien, wat er aan de hand was.

Tot de laatsten behoorde ook de vrouw van Jan Vroolijk. Door het ongewone leven ontwaakt, stond zij stilletjes op, om haar zoontje niet te wekken. En toen zij noch haar man, noch den bootsman in de kooi vond, snelde zij naar het dek, om daar van hen te vernemen, wat er aan de hand was.

De nevel was echter zoo dicht, dat het zelfs onmogelijk was, de lengte van het schip geheel te overzien en zij, naar wie de beangste vrouw zocht, schenen nergens te vinden.

Zij bevonden zich op het achterdek, waar de bootsman, voorzichtig als hij was, in alle stilte de sloepen zorgvuldig een voor een inspecteerde, om zich te overtuigen, dat alles in orde was.

"Beter bij tijds gezorgd, dan te laat geklaagd," merkte hij op. "Je kunt nooit weten...." Verder kwam hij niet. "Maak dat je bij je vrouw en kind komt, Jan!" riep hij op eens ten hoogste verschrikt uit. "Zoo aanstonds gebeurt er een ongeluk!..."

Op 't zelfde oogenblik, dat de kapitein, die met het horloge in de hand op de brug stond, bevel gaf tot herhaling van het signaal, doemde voor zijn zeemansoog, dat den nevel trachtte te doorboren, een zwarte massa op, die met onheilspellende vaart op de Maasdam scheen aan te vallen....

"Schip te loevert uit!" schreeuwde de uitkijk op den boeg. "Roer aan lij!.... Stoppen!.... Met volle kracht achteruit!" klonk het vastberaden uit den mond van den kapitein. "Passagiers aan dek en achteruit!"

Hij meende door een snelle wending van het schip een botsing nog te kunnen voorkomen; doch hoe spoedig de gegeven bevelen ook werden opgevolgd, 't was reeds te laat. Een oogenblik nog... en daar stootten de twee schepen met volle kracht op elkander!

Dit alles was in zoo korten tijd gebeurd, dat Jan Vroolijk, die zich met ontzettende moeite door de gillende en naar achteren vluchtende passagiers heendrong, het voorschip nog niet bereikt had, toen de noodlottige aanvaring reeds had plaats gehad.

Daar zag hij zijn vrouw handenwringend over het dek heen en weer loopen en in minder dan geen tijd was hij bij haar.

"Ons kind!" riep hij in doodsangst, toen hij zijn Willem miste, "waar is ons kind?"

De arme moeder, die zoo bezorgd was geweest voor haar lieveling en hem voor het noodlottig oogenblik geen stonde uit het oog verloren had, kon geen woord spreken. In haar radeloosheid wees zij naar beneden en Jan, die geen woord noodig had, om haar te begrijpen, ijlde naar de trap....

Maar vol ontzetting bleef hij op eenmaal staan.

De toegang tot het scheepslogies was geheel versperd. Het vreemde stoomschip was met vreeselijk gekraak midden in het voorschip van de Maasdam geloopen, had het dek opengespleten en verbrijzeld en stak er met zijn steven hoog boven uit.

Arme ouders! Wat was er van hun jongske geworden? Verpletterd wellicht tusschen de verbrijzelde planken en balken, of omgekomen in het water, dat met geweld het schip binnenstroomde en den kop van 't vaartuig reeds aanmerkelijk deed zinken! Redding was dus onmogelijk, en toch zou het niet in hen opgekomen zijn, deze gevaarlijke plaats te verlaten, als Piet Vlug hen niet met geweld van daar verwijderd en naar het achterschip gebracht had.

Daar waren intusschen alle sloepen reeds te water gelaten en met passagiers gevuld. Door de kalmte en vastberadenheid van den kapitein en de stuurlieden en, dank zij het zorgvuldig onderzoek van den bootsman, zoo te juister tijd ingesteld, was alles in de beste orde afgeloopen en had men allen kunnen opnemen, daar velen, aan niets anders denkende dan aan 't behoud van hun leven, reeds direct na de aanvaring op 't vreemde schip waren overgesprongen.

Ook hier was men evenwel ver van veilig.

De "Columbus" -- zoo heette 't stoomschip, dat den weg van de Maasdam zoo ongelukkig gekruist had -- deed wel alle mogelijke moeite om zich van 't zinkende schip te bevrijden, doch hoe krachtig zij haar machines ook deed werken en achteruit liet slaan, niets mocht baten, en 't scheen wel, dat de beide zeegevaarten gedoemd waren in hun vreeselijke omarming samen in de diepte te verdwijnen.

Juist echter toen de laatste man de Maasdam verlaten en ook de wakkere kapitein in de boot plaats genomen had, ontworstelde de Columbus zich met inspanning van alle krachten aan de doodelijke omhelzing harer zuster en stoomde met volle kracht achteruit.

Met groote golven stroomde nu het water door de gapende wonde naar binnen, en de stoere zeeman, die liever met zijn schip te gronde gegaan zou zijn, dan het te verlaten, zoolang zich nog iemand aan boord bevond, zag, met een traan in het mannelijk oog, zijn schoon vaartuig hoe langer hoe meer in de diepte wegzinken.

En toch -- had hij geweten, wat die radelooze vrouw in de groote boot, die de beide handen hartstochtelijk naar het wrak uitstak en door twee mannen nauwelijks tegengehouden kon worden, om zich in de golven te storten -- had hij geweten, wat die vrouw bewoog, zich zoo wanhopend aan te stellen, hij zou stellig teruggekeerd zijn en, eigen leven geringschattend getracht hebben, de gefolterde moeder haar kind, 't zij levend, 't zij dood, terug te geven.

Nu evenwel bleef hem niets anders over, dan de arme, voor het grootste deel halfgekleede schipbreukelingen, die niets dan het leven hadden kunnen redden, aan boord van de Columbus in veiligheid te brengen. Wel had ook deze belangrijke schade bekomen; doch bij een haastig ingesteld onderzoek bleek, dat de averij zich hier meer boven dan onder de waterlijn bevond en men dus met behulp der dadelijk in het werk gestelde pompen het schip waarschijnlijk boven water zou kunnen houden.

Dat de beide kapiteins elkander met alles behalve opgewekte gezichten begroetten, valt gemakkelijk te begrijpen. Zonder evenwel voor 't oogenblik te twisten over de vraag, wie van beiden de schuldige was -- een later onderzoek zou dat van zelf aan 't licht brengen -- werd besloten, dat de Columbus, die van Charleston naar Boston bestemd en als vrachtboot volstrekt niet ingericht was om zooveel menschen te herbergen, New-York zou aandoen, om de passagiers en bemanning der Maasdam zoo spoedig mogelijk op de plaats hunner bestemming te brengen.

En de Maasdam zelf?

Evenals een lijkkist in de groeve wordt neergelaten en na een oogenblik voor 't gezicht der schreiende omstanders verdwijnt, zoo zonk ook zij al dieper en dieper in den Oceaan, die haar zoo lang en zoo dikwijls had gedragen, om zich eindelijk over haar te sluiten en haar graf met zijn rustelooze golven te bedekken. De nog altijd hangende nevel en de afstand, welke gaandeweg tusschen beide schepen ontstaan was, maakte evenwel, dat de laatste doodstrijd van het schoone vaartuig aan het oog der geredden onttrokken werd.

Zoo snel, als de toestand, waarin het schip verkeerde en het beperkte uitzicht slechts toelieten, werd nu recht op de Amerikaansche kust aangehouden, om zoo mogelijk, voor den avond New-York nog te bereiken.

Eindelijk, daar week de nevel, en evenals de matrozen van Columbus bij de ontdekking van Amerika den kreet: "Land! land!" hadden aangeheven, toen het onbekende werelddeel zich eindelijk aan hun oog vertoonde, juichten ook de landverhuizers aan boord van het naar hem genoemde vaartuig, toen zij eensklaps de kust uit de zee zagen oprijzen.

"Land! land!" jubelden honderden stemmen tegelijk, en alle leed scheen op eens vergeten en voor blijde hoop plaats te hebben gemaakt.

Wie er echter niet jubelden, dat waren Jan Vroolijk en zijn vrouw, die zonder hun kind in het verre, vreemde land zouden aankomen!

De ongelukkige moeder lag in een ijlende koorts, en de vader zat in stomme smart bij haar, bevreesd, dat het verlies van hun jongske, ook den dood van zijn vrouw ten gevolge zou hebben!....

Aan den landingssteiger, waar de stoomschepen der Maatschappij hun ligplaats hadden, heerschte intusschen al geruimen tijd een buitengewone drukte. De Maasdam werd reeds den geheelen dag verwacht. Eindelijk, daar meende men haar te zien naderen. Maar neen, dat was de Maasdam, niet. Toch richtte het schip den steven naar de gewone aanlegplaats om er zijn ongewone lading af te zetten, en weldra ging het nieuws van de plaats gehad hebbende ramp van mond tot mond.

Wie drong daar zoo ontstuimig naar voren, alsof hij kennissen of bloedverwanten zocht onder de aangekomenen?

Niemand anders dan oom Willem, die reeds den vorigen dag uit Holland, een meest door Nederlanders bewoond stadje in den staat Michigan dicht bij Chicago, te New-York was aangekomen, om zijn familieleden af te halen.

"Allen behouden?" vroeg hij gejaagd bij het vernemen van de ramp.

"Allen, op een jongetje na," was het antwoord, en op 't zelfde oogenblik stond Piet Vlug naast hem.

"Komaan, daar zie ik al vast een bekend gezicht," riep hij nu verheugd uit. "En waar zijn Jan en zijn vrouw, met hun jongen?"

Piet Vlug vertelde hem nu van het droeve ongeluk en den wreeden slag, die juist hen zoo noodlottig getroffen had.

"Maar dat is ontzettend!" riep de man diep getroffen uit, terwijl hij zich naar de bedroefde ouders liet brengen.

Dat was een heel andere ontmoeting, dan hij gehoopt en verwacht had! Sprakeloos drukten de mannen elkander de hand en de kranke vrouw herkende hem zelfs niet!

Van meegaan was natuurlijk geen sprake. De zieke moest in het hospitaal worden opgenomen, en daar 't niet in Jan opkwam, zijn vrouw alleen te laten, nam oom Willem den volgenden dag de terugreis weer aan, om aan de zijnen het treurige nieuws mede te deelen.

VIERDE HOOFDSTUK.

+Gescheiden.+

Wij keeren nogmaals naar het tooneel der zeeramp terug. Zooals wij zagen, had de dikke mist het zinkende wrak der Maasdam reeds op geringen afstand aan het oog der schipbreukelingen onttrokken. Erger evenwel was het, dat ten gevolge van de buitengewone verwarring en drukte aan boord van de Columbus ook aan hun gehoor ontsnapte, wat de nevel hun belette te zien. Anders toch hadden zij kunnen en moeten hooren, hoe zich daar ginder nog leven bevond, dat op luide en angstige wijze om hulp en redding vroeg. Wat kon dat zijn?...

Het vee had men, om den dieren een langen en smartelijken doodstrijd te besparen, ten spoedigste gedood. Doch de hond, waar was die beland? O, die zal wel een goed heenkomen gezocht hebben, zegt ge. En toch.... klonk daar geen luid geblaf over het water? En hoor!.... waren dat niet de kreten van een kind? Zoo ja, van wien anders konden die dan zijn, dan van het knaapje, dat, dood of erger nog naar men meende, op het wrak was achtergebleven? En zoo was het ook werkelijk. Het kind was op wonderlijke wijze door zijn trouwen vriend "Ami" gered.

Toen Willems moeder bij het gegil der stoomfluit verschrikt naar boven was gevlucht, lag Ami als gewoonlijk met den kop tusschen de pooten voor de deur der hut. De openstaande deur was voor hem een uitnoodiging om binnen te treden en zijn speelkameraad een visite te brengen. Op hondenmanier gaf hij het knaapje een morgenkus, en toen deze daardoor wakker werd, noodigde hij zijn harigen vriend uit, de door moeder verlaten plaats te komen innemen.

Zoo lagen Willem en Ami rustig en wel bij elkander, toen de verschrikkelijke botsing plaats had, die beiden uit de kooi deed tuimelen en in het scheepslogies opsloot. De geheele bemanning bevond zich aan dek, en er was dus niemand om hen te helpen. Intusschen stroomde het water naar binnen, en weldra stond het zoo hoog, dat niets het hulpelooze knaapje langer een veilige schuilplaats aanbood. Nog een oogenblik -- daar dreef het kleine ventje op het water. Zeker was hij verdronken, als Ami hem niet beetgepakt en, al heen en weer zwemmende door de steeds enger wordende ruimte, met het hoofdje boven water gehouden had.

Eindelijk echter kwam er beweging; de schepen geraakten van elkander. Maar de vernielde trap en de op en door elkander geschoven balken en planken beletten het wakkere dier spoedig genoeg een uitweg te vinden. En toen hem dit eindelijk gelukt was.... hadden allen het schip reeds lang verlaten en bevond de moedige redder zich met het bewustelooze knaapje alleen op het zinkende wrak. Was hij geheel alleen geweest, zeker had hij zich zonder dralen in zee gestort, om de wegzeilenden na te zwemmen, maar nu...? Zorgvuldig zocht hij dat deel van 't schip op, 't welk zich nog het meest boven water verhief; hij legde zijn kostbare vracht daar voorzichtig neer, om vervolgens een luid geblaf aan te heffen en zoo de opmerkzaamheid tot zich te trekken. Dat geblaf bracht ook het knaapje weer tot bewustzijn, wiens geroep om "Moeder! Moeder!" echter al evenmin gehoord werd, als het blaffen van het edele, trouwe dier.

Langzamerhand was het geluid in de verte geheel weggestorven, en hoe Ami de ooren ook spitste, geen geruisch zelfs anders dan van den wind en het klokkende water drong meer tot hem door.

Het schreiensmoede knaapje was eindelijk in slaap gevallen. Maar de hond bleef waken. Met de beide voorpooten lag hij over het jongske heen, om het verkleumde kind te verwarmen, en met zijn schrandere oogen keek hij in het rond. 't Was alsof het verstandige dier zag, dat het gevaar met elk oogenblik grooter werd en of hij, voelende, dat het steeds dieper wegzinkende schip weldra geheel zou verdwijnen, naar een middel omkeek, om zich met zijn vriendje op de beste wijze aan het nakende onheil te onttrekken.

Reeds bedekten de golven het voorschip; nog een oogenblik, en ook de plaats, waar hij zich met het knaapje bevond, zou niet meer veilig zijn.

Niets ontging evenwel aan het oog van het waakzame dier. En zie, daar richtte hij zich plotseling met een blijden kreet op, greep het nog steeds slapende kind bij den schouder en was met één sprong op de verschansing. Wat was er gebeurd?

De scheepsvlet of jol, die midden op het voordek stond, was driftig geraakt en over de verschansing buiten boord geslagen. Dat had de hond gezien en vandaar zijn blijdschap en haastige bewegingen.

De boot gleed rakelings langs de zijde van het schip naar achteren. Daar bereikte zij de plek, waar de hond zich op post had gezet en van het rechte oogenblik gebruik makende, sprong hij zoo behoedzaam mogelijk in het ranke vaartuigje over.

Voor het oogenblik althans waren ze gered en gelukkig juist te rechter tijd, want de jol kon nauwelijks honderd meter weggedreven zijn, of het dek van de Maasdam barstte door de spanning van de samengeperste lucht, welke zich in het hol van het schip bevond, met een vreeselijken slag uit elkander, waarop het vaartuig in eenige minuten vol water liep en in de diepte verdween.

Daar dobberde nu het kleine hulkje midden op den grooten Oceaan. Gelukkig, dat de zee kalm was, anders zou het notedopje ongetwijfeld spoedig omgeslagen zijn, en dan was alle kans op redding, zowel voor den hond als voor het kind, verloren geweest.

Maar waarheen dreef het scheepje? Waarheen richtte het den steven, zee- of landwaarts?....

Doch ook zelfs in het laatste geval zou het zeker nog minstens een paar dagen duren, voor het de kust bereikt had, en wat zou er in dien tijd van de beide vrienden worden, zonder voedsel, zonder een enkelen druppel water zelfs?

Alleen van een voorbijzeilend schip was uitkomst voor hen te wachten. En alsof de altijd wakkere Ami dat scheen te begrijpen, richtte hij zich, met de voorpooten tegen den rand der boot geleund, overeind, zoodat hem niets, wat redding kon aanbrengen, zou ontsnappen. Daarbij vergat hij echter de zorg voor zijn jeugdig vriendje niet. Bij de minste beweging van het ventje, dat op den bodem der boot lag uitgestrekt, keerde hij zich om, om evenwel dadelijk zijn vorige houding weer aan te nemen, als het bleek, dat het kind rustig bleef doorslapen.

Eindelijk, daar week de nevel, en daarmee daagde ook hier de redding! Een groot schip, dat tot op dat oogenblik onzichtbaar geweest was, vertoonde zich op eenigen afstand en naderde meer en meer de plek, waar het bootje ronddobberde. Zou het kleine hulkje daarginds opgemerkt worden?... 't Leed geen twijfel; want zie, daar draaide het schip reeds bij den wind! Een sloep werd te water gelaten en het volgende oogenblik roeiden vier paar sterke armen met krachtige slagen op de jol aan.

Kwispelstaartend en luid blaffend gaf de hond zijn blijdschap te kennen. En daarbij schudde en likte het van vreugde uitgelaten dier onzen Willem zoolang, dat deze eindelijk de oogen opende en, als verbeeldde hij zich nog bij moeder in zijn bedje te liggen, de armen om Ami heen sloeg.

Arme kleine! Wat was hij ver verwijderd van de arme vrouw, die in haar ijlen ook niets anders deed dan roepen om haar lieveling! En wat begon hij jammerlijk te schreien, toen hij zijn vergissing bemerkte en zag, waar hij zich bevond.

Maar de redding was nabij. Het geluid van het schreiende kind, dat nu ook zijn hoofdje boven de boot uitstak, werd reeds in de sloep gehoord.

[Illustratie: Het bleek, dat het kind rustig bleef doorslapen.]

De roeiers verdubbelden daarop nog hun krachtsinspanning, en met eenige snelle slagen hadden zij de jol bereikt. Daar zat het knaapje, midden op den bodem van het kleine vaartuig in zijn hemd bijna en strekte de handjes uit naar zijn redders, die het tooneel met bewogen oogen aanzagen.

"Moetje toe! moetje toe!" snikte hij, terwijl men hem met Ami in de sloep opnam.

"De stumper roept om zijn moeder," zei de matroos, die hem overtilde; want hoewel geen Hollandsch, maar Engelsch sprekend verstond hij toch de woorden van den kleine zeer goed, daar de moedernaam in de meeste talen al vrijwel dezelfden klank heeft.

"Nu, dan vrees ik zeer, dat hij die niet weer zal zien," merkte een ander op. "Er is vast een ongeluk gebeurd met den mist. Zie maar eens in het rond: daar drijven verschillende dingen, die van een schip afkomstig zijn."

Werkelijk waren, tegelijk met de boot, nog verschillende andere losse deelen van de Maasdam in dezelfde richting komen afdrijven.

De hond week intusschen niet van Willems zijde, maar keek daarbij den spreker van zoo even met zijn groote, goedige oogen zoo verstandig aan, alsof hij diens bewering bevestigen wilde.

"Jij bent een beste, brave hond, hoor!" zei deze daarop, het goede dier vertrouwelijk op den rug kloppend. "'t Heeft je zeker vrij wat moeite gekost, om je kleinen meester tot zoover te behouden. Nu, je zult het goed bij ons hebben, hoor!"

De jol was middelerwijl aan de sloep vastgemaakt, daar men het zonde achtte, ze op nieuw te laten drijven, en nu gingen de riemen handig weer te water, om met spoed naar het wachtende schip terug te keeren.

De "Franklin" -- dit was de naam van het vaartuig -- was een groote Amerikaansche driemaster en met een lading petroleum naar Sidney in Australië bestemd. Het schip had reeds voor twee dagen de haven van New-York verlaten, maar was, door den zwaren mist opgehouden, nog weinig gevorderd. De equipage bestond, met inbegrip van den gezagvoerder, kapitein Smartt en de stuurlieden, uit vijf en twintig koppen, en passagiers bevonden zich niet aan boord, één uitgezonderd, welke men evenwel moeielijk als zoodanig kon beschouwen, daar het de vrouw van den kapitein was.

Deze vergezelde haar man liever op zijn tochten over den oceaan, dan geheel alleen, aan allerlei angst en onrust ten prooi, achter te blijven, als hij naar zee ging. Kinderen, die haar dit belet zouden hebben, bezaten zij niet, of liever bezaten zij niet meer; want hun eenig zoontje, een knaapje van ongeveer gelijken leeftijd als Willem, was voor een paar jaar gestorven.

Ge begrijpt dus, hoe de vrouw ontroerde, toen de matrozen met het geredde kind uit de sloep bij den valreep opklauterden en niets beter wisten te doen, dan haar het schreiende knaapje in de armen te leggen.

Met tranen in de oogen snelde zij met Willem naar de kajuit, op den voet gevolgd door Ami, die zijn plaats dáar achtte, waar zijn kleine beschermeling bleef.

De kapitein zag met innige voldoening, hoe zijn vrouw zich dadelijk het lot van het kind aantrok, en hij wreef zich in de handen van genoegen toen zij zich verwijderde. "Nu wordt ze weer dezelfde van vroeger," dacht hij bij zich zelf. "'t Is een geschenk der Voorzienigheid, dat ons daar is toegezonden!"

Onderwijl was er een flinke bries komen opzetten, en toen nu de sloep weer in de davids hing en ook de kleine jol binnen boord geheschen was, werd het roer opnieuw gewend, waarop het schip door den wind ging en zijn vorigen koers hernam.

In de kajuit had de kapiteinsvrouw het intusschen heel druk. Haar eerste zorg was, Willem en Ami, hongerig en dorstig als ze waren, wat te eten en te drinken te geven, wat beiden zich uitmuntend lieten smaken. Ami had al in lang zulke lekkere hapjes niet geproefd, als hij hier te bikken kreeg. Nu, die had hij ook wel verdiend!

Verzadigd legde hij zich eindelijk in een hoekje neder en keek met welgevallen in het rond. En alsof hij zijn kleinen beschermeling nu volkomen veilig achtte, lei hij ten slotte den kop tusschen de vooruitgestoken pooten, om van de welverdiende rust te genieten en op zijn gemak een dutje te doen.

Onze Willem gevoelde zich ook al heel spoedig op zijn gemak met de vriendelijke dame. Hij zat zeer vertrouwelijk op haar schoot en liet zich, als was zij zijn moedertje, zeer gewillig door haar wasschen en kleeden. De kleertjes van haar jongetje, die zij nog steeds bewaarde, kwamen haar daarbij uitnemend te pas, en het ventje zag met glinsterende oogjes, hoe mooi hij werd in het vreemde pakje, dat hem werd aangetrokken.

"Mooi! mooi! Wimpje mooi worden!" riep hij aanhoudend, en mevrouw Smartt, die wel begreep, wat de dreumes bedoelde, al verstond zij ook zijn woorden niet, begon hoe langer hoe meer schrik in hem te krijgen. De blonde krullebol zag er dan ook wezenlijk uit om te stelen! "Precies ons ventje," dacht ze, toen hij geheel aangekleed was. Schreiend en lachend tegelijk nam ze hem op en gaf hem een hartelijken kus op de blozende wangen. En toen Willem, aanvallig als hij was, daarop beide armpjes om haar hals sloeg, had hij haar hart geheel gestolen!