De kleine Zwerveling

Part 2

Chapter 24,041 wordsPublic domain

Eten?

Kom, een klein stukje toch! De reis naar Rotterdam is zoo lang!.... Maar de bete blijft in de keel steken.

Hoor! daar rolt een rijtuig door de stille dorpsstraat. Voor de deur der woning houdt het stil.

"'t Is tijd, vrienden!" zoo klinkt de stem van den koetsier.

Werktuiglijk staan allen op.

Nog een kus, nog een handdruk, nog een laatste blik her- en derwaarts, en zij zitten in het rijtuig.

"Dag! dag!" roept de kleine Willem boven alles uit, en hij klapt in de handen van pret, dat hij mee uit rijden mag gaan.

"Ga met God en gelukkige reis!" is het laatste, wat zij hooren, en daar gaat het.... het dorp uit en den weg op!....

Aan de boot, die ter afvaart gereed ligt en den achteraankomenden door een schel en snijdend gefluit tot spoed aanmaant, vinden we hen terug. Hun bagage, een groote kist, waarin 't beste en kostbaarste, wat zij bezitten is geborgen, bevindt zich reeds aan boord en na eenige oogenblikken zijn ook zij achter de hooge verschansing van het vaartuig verdwenen.

Daar, op het dek van het groote stoomschip, heerscht intusschen niet minder drukte dan aan den wal.

Het aantal passagiers bedraagt dan ook stellig eenige honderden. En niet alleen Nederlanders treffen we hier aan, verscheidene volken van Europa hebben hun deel geleverd aan het groot aantal van hen, die het gemeenschappelijk doel "Amerika" binnen deze beperkte ruimte bijeengebracht heeft.

Duitschers, Russen, Zwitsers,.... allen richten hun blik naar de Nieuwe Wereld en keeren het oude, vergrijsde Europa den rug toe, in de hoop, daar ginds bij een meer onbezorgd bestaan een minder donkere toekomst te zullen tegengaan.

Toch valt het scheiden den meesten zwaar, en ons drietal ziet zich dan ook door alles behalve vroolijke gezichten omringd.

In groepjes bijeengeschaard, naar gelang van den verschillenden land- en volksaard, tracht men elkander te troosten en te bemoedigen, wat evenwel niet belet, dat menig overkropt gemoed een oogenblik later weer in tranen en snikken uitbarst.

Geen wonder, dat ook de pas bedwongen smart van Jan Vroolijk en zijn vrouw zich, te midden van zooveel treurigheid, op nieuw deed gelden.

In een afgezonderd hoekje zette de moeder zich neer. Met haar kleinen Willem, die het moede hoofdje tegen haar liet aanvallen en weldra in slaap viel, op den schoot, zat zij in stilte te weenen, en ook Jan kwam tot de ontdekking, dat de laatste loodjes niet het minst zwaar wegen. "Waren we maar goed en wel in zee!" zuchtte hij in zich zelf, toen een hand op zijn schouder gelegd werd en hij, zich omkeerende, een ouden bekende voor zich zag staan.

"Wat drommel, vroolijke Jan, zet eens een ander gezicht, opdat ik zien kan, of ik den rechten wel voor heb! Je lip hangt zoowaar op 't derde knoopsgat." Aldus schertsende stak Piet Vlug, een schoolkameraad van Jan Vroolijk en nu als bootsman op de Maasdam in dienst, den toegesprokene de hand toe, die Jan, aangenaam verrast, met warmte drukte.

"En jij, Keetje, ken jij me niet meer?" ging Piet Vlug in één adem voort. "We hebben mekaar ook in zoo lang niet gezien. Maar je herinnert je toch immers Vlugge Piet nog wel, al noemde je hem ook meestal: 'Nare Piet', omdat hij je altijd zoo'n beetje voor den gek hield! Komaan, meid, droog je tranen en ga jelui maar met mij mee, dan zal ik je wel zoo'n beetje terecht helpen. Ik onderstel toch, dat je hier niet per abuis verzeild bent, maar plan hebt, om met ons naar den overkant te gaan!"

"O, wat treffen we dat, Jan!" zei Keetje, die zich een hart onder de riem gestoken voelde bij deze onverwachte ontmoeting. "Zeker ken ik je nog, Piet!.... En vaar jij hier op dit schip?".....

Zij was inmiddels opgestaan met het kleine ventje, dat zijn hoofdje tegen haar had aangevlijd en onder alle aandoeningen zijner ouders rustig doorsliep. "Lag je maar goed en wel in je bedje, mijn jongen!" zuchtte zij, voorzichtig een kus op zijn voorhoofdje drukkend.

"Wacht, daar is raad voor!" sprak Piet Vlug, haar op zijde komende. "Geef dien kleinen kleuter maar hier en volg mij dan maar. Ik zal jelui in mijn logies brengen, dan kan je daar alvast een beetje van den schrik bekomen."

Zij gingen nu naar het voorschip, waar zich het logies van de bemanning bevindt en waar Piet Vlug als bootsman zijn afzonderlijke hut met kooi had. Daar aangekomen, lei de goedhartige zeeman het kleine mannetje voorzichtig onder de dekens, bood vervolgens zijn oude kennissen elk een vouwstoeltje aan en spoedde zich toen met de woorden: "Zie zoo, kom nu eerst maar een beetje tot je zelf", naar de kombuis, om aan den kok een keteltje koffie te vragen.

Belast en beladen kwam hij een oogenblik later weer terug, zette een en ander op een klein kleptafeltje, dat aan den wand hing en nu op- en vastgezet werd en sprak toen: "Zie zoo, dat is beter, dan daar boven aan dek te midden van al die narigheid! Als ik je nu een goeien raad mag geven, eet en drink dan eens wat; want daar zal zeker vandaag nog niet veel van gekomen zijn; dan kom je van zelf weer wat op je verhaal. Als ik dan strakjes, wanneer we in 't ruime sop zijn, eens een slippertje kan maken, kom ik een half uurtje bij jelui praten. Je hebt immers je papieren en staat op de scheepsrol?.... Mooi! blijf dan maar rustig bij mekaar, en doe of je thuis waart, net als die daar in mijn kooi! Als de rol afgelezen wordt, zal ik je wel even waarschuwen. Tot straks!".... Met wipte hij de hut uit en was in een ommezien weer aan dek, waar men reeds druk in de weer was, om de kettingen en trossen, waaraan het schip gemeerd lag, los te maken en binnen boord te halen, daar het oogenblik van vertrek -- op de minuut af bepaald -- met rassche schreden naderde.

De kapitein en de loods bevonden zich op de brug; de officieren liepen heen en weer op het dek en deelden hun bevelen uit; het scheepsvolk trok onder het aanheffen van een vroolijk matrozenliedje aan de touwen; de machinisten beneden brachten de machine in beweging, zoodat het schip door al zijn leden trilde, evenals de passagiers, die begrepen, dat nu het beslissende oogenblik gekomen was.

Zij, die familieleden aan den wal hadden staan, rekten zich nogmaals over de verschansing van het zwaaiende schip heen, om nog een laatsten groet -- een allerlaatst vaarwel -- op te kunnen vangen, en dan zoolang naar dezelfde plek te staren, tot alles zich voor hun beneveld oog in een grauwe, golvende massa oploste, waaruit zij echter toch nog altijd de gelaatstrekken der hunnen meenden te kunnen herkennen.

Jan Vroolijk en zijn vrouw bleven, den raad van hun vriend opvolgende, stilletjes beneden in de hut; maar de eerste slagen der machine deden niettemin ook hen geweldig schokken. Willem bleef echter, ten spijt van alle geweld en geraas, rustig doorslapen, en als zoo iets in staat was, hen weer tot kalmte te brengen, dan was het zeker wel het gezicht van hun slapenden lieveling!

Na een poosje lag de Maasdam op stroom, met den steven naar den Oceaan gekeerd, zachtjes dansend op de kabbelende golfjes, die krijgertje speelden om den boeg en het schoone vaartuig hun welkom op de baren toezongen.

Nog enkele formaliteiten slechts en de reis zou beginnen. Het schip moest namelijk nog "uitgeklaard" worden, m. a. w. door daartoe van wege het Rijk aangestelde ambtenaren moesten de scheepspapieren worden onderzocht. Toen deze echter in orde waren bevonden, en toen zoowel de bemanning als de ingeschreven passagiers allen aanwezig bleken te zijn -- onze bootsman had volgens belofte zijn kennissen bijtijds van het aflezen der scheepsrol verwittigd -- en eindelijk ook de laatste boot het schip had verlaten, om naar den wal terug te roeien, belette niets meer, het anker te lichten en zee te kiezen.

Daar rammelt de zware ijzeren ketting in de kluisgaten bij het draaien aan het spil en -- de laatste boei is verbroken.

"Vooruit!" klinkt het bevelend van de brug, en het schip zet zich in beweging. Een dikke rookwolk stijgt uit beide schoorsteenen omhoog, en met de vlag aan den top van den grooten mast wordt driemaal gesalueerd, welken groet het op stroom liggende wachtschip der Marine op gelijke wijze beantwoordt.

Langzaam en statig beweegt zich nu het trotsche stoomgevaarte tusschen allerlei op- en afzeilende vaartuigen, en hoewel aller blik nog achterwaarts gericht is, gaat het toch steeds onverbiddelijk voorwaarts. Weldra heeft men de Nieuwe Maas achter zich; nog een uur, en ook de Nieuwe Waterweg is ten einde gestoomd. Reeds rollen de golven der Noordzee schuimend en bruisend op het vaartuig aan, om het welkom van daar straks luide en krachtig te herhalen.

Daar dreunt een kanonschot over het water, een oogenblik later nog een en nog een, en als tegengroet zendt ook het vaderland den vertrekkenden landverhuizers uit de stalen vuurmonden van het fort in de duinen een tot driemaal herhaald vaarwel toe!

Nauwelijks is het geluid weggestorven, of het schip bevindt zich in zee.

"Met volle kracht vooruit!" beveelt nu de kapitein, die zijn post op de brug nog niet verlaten heeft, en daar gaat het den oceaan op!

't Is omstreeks acht uur in den avond. Het Augustuszonnetje neigt ten ondergang en haar laatste stralen verlichten de toppen der duinen, de laatste punten van het steeds dieper wegzinkende land, waarop nogtans zoo velen weemoedige blikken onafgebroken gericht zijn. Daar gaat de zon onder, en ook de laatste oneffenheid aan den horizon is verdwenen. Water, niets dan water breidt zich rondom hen uit!

Wie schetst, wat daar omgaat in zoo menig hart, als het vochtig oog zich eindelijk van de verdwenen kust afwendt!

"Komaan, nu eens te loevert uitgekeken! Er valt aan lij toch niets meer te zien, al kijk je je oogen ook blind!" Met deze woorden voegde onze bootsman zich eindelijk weer bij zijn vrienden. Dezen waren, toen de kleine Willem door de geloste schoten wakker geworden was, weer aan dek verschenen en stonden nu, in gedachten verzonken, nog altijd de plek na te staren, waar het meest vooruitspringende deel der vaderlandsche kust zoo even in zee was weggedoken.

"Ja, jij hebt goed praten, Piet!" zei Jan Vroolijk bewogen, "jij keert over een week drie, vier terug; maar wij zien het vaderland hoogst waarschijnlijk nimmer weer."

"Och kom, kwel je daar nu niet langer mee! Je bent nu toch eenmaal in het schuitje en -- wie in het schuitje zit, moet meevaren. Wie weet, hoe spoedig je voor je plezier eens een uitstapje naar Holland terug maakt!... Maar wordt het niet te koud aan dek voor dien kleinen landverhuizer, Kee?.... 't Ventje ziet zoo bleek!.... Zou hij misschien al last beginnen te krijgen van...?"

"Van zeeziekte, bedoel je?" vroeg Keetje, haar knaapje bezorgd aanziende.

"Wees wijzer, vrouw!" sprak de vader; "met die gekheid houden we ons niet op. Maar de jongen krijgt slaap. We moesten met hem naar beneden gaan, dunkt je niet?"

"Wel ja, laten we van de gelegenheid profiteeren," zei Piet Vlug. "Ik heb de hondenwacht en zou het heel prettig vinden, samen nog een uurtje te keuvelen. 't Is toch nog te vroeg om naar kooi te gaan."

"Maar waar belanden we dan straks?" vroegen man en vrouw tegelijk.

"Heb daarvoor geen zorg," Was het antwoord. "Je logies is besteld, en straks breng ik je zelf naar je logement!"

Een oogenblik daarna zaten ze samen heel gezellig in het appartement van den bootsman bij elkaar, en ontbrak het den bezoekers in den beginne ook al aan de noodige opgewektheid om veel te spreken, Piet Vlug had zooveel te vertellen en te vragen naar alles, wat op het dorpje achter de duinen van Eierland en zijn bewoners betrekking had, dat de tongen van lieverlede loskwamen en zij hun leed weldra voor een wijle konden vergeten.

Willem zat overeind in de kooi van den bootsman en liet zich bij het regelmatig op- en neergaan van het schip, waarin de jeugdige zeeman veel schik scheen te hebben, telkens met een "plof" achterover vallen. Eindelijk echter zou hij toch afgezakt zijn, waarom moeder voorstelde nu het nachtkwartier op te zoeken.

"Weet je, wat ik daar zoo dacht?" zei de bootsman daarop.

"Welnu?"

"Dat je hier maar stilletjes bij je ventje in mijn kooi moest gaan liggen. 't Is tusschendeks op 't oogenblik zoo'n verschrikkelijke herrie, dat ik er tegen opzie, om je er naar toe te brengen. Daar zijn er nu zeker minstens een paar honderd, die hun tol aan Neptunus betalen en dat is waarlijk geen aangenaam gezelschap. We hebben hier vlak bij wel een paar hangmatten in voorraad, waarin je man en ik den nacht kunnen doorbrengen. Je kunt dan morgen altijd zien. Bevalt het je hier goed, en staat de kapitein het toe, dan sta ik je met plezier gedurende de reis mijn hut af. Ik slaap toch ook eigenlijk veel liever tusschen de touwen dan op de planken."

Ge begrijpt, hoe het aanbod van den bootsman met blijdschap aangenomen en met dankbaarheid aanvaard werd.

"We konden het toch waarlijk niet beter getroffen hebben," herhaalde Keetje nog eens.

"Nu, maak het je dan maar zoo gemakkelijk mogelijk, en zorg, dat je gauw onder de wol en in slaap komt. Ik ga al vast afbrassen en zie een paar kooien op te duiken."

Met deze woorden liet hij het echtpaar alleen, stak zijn neus nog even in den wind en begaf zich daarop naar het kooienhok, vanwaar hij weldra, met bed en bulster beladen, terugkeerde.

Spoedig lag hij zeer behagelijk in zijn matje te schommelen, door Jan gevolgd, die als oud Marine-milicien het ongewone slapen in een hangmat ook nog niet verleerd was.

En terwijl de Maasdam haar reis geregeld vervolgde en, begunstigd door schoon weder, met een twaalfmijlsvaart koers zette naar "De Hoofden," zochten en vonden onze vermoeide vrienden eindelijk in den slaap de zoo noodige en gewenschte rust.

DERDE HOOFDSTUK.

+Op den Oceaan.+

Wie den volgenden dag in de courant de rubriek scheepstijdingen naging, zou daar onder meer hebben kunnen lezen: "Vertrokken van Rotterdam met bestemming naar New-York, het stoomschip "de Maasdam," met 70 kajuitspassagiers, t. w. Mijnheer A... Mevrouw B... Mejuffrouw C... enz. enz. benevens 525 tusschendekspassagiers." Voegen we daarbij nog de équipage van het schip, die uit ruim 50 koppen bestond, dan zien wij, dat ongeveer 650 menschen, overeenkomende met de geheele bevolking van een flink dorp, aan boord bijeen waren.

"Hoe is het mogelijk," zegt gij, "dat zulk een groot aantal menschen binnen zoo'n beperkte ruimte plaats kan vinden? Ze mogen wel als haringen in een ton gepakt zijn!" Nu, heel veel ruimte is er dan ook voor ieder niet beschikbaar; daarin hebt gij gelijk. Maar de schepen, waarmee landverhuizers naar de Nieuwe Wereld vervoerd worden, zijn er bijzonder op ingericht, om een groot aantal passagiers te kunnen bergen, en er is zooveel mogelijk van elke beschikbare ruimte partij getrokken. Zoo vindt men o. a. in de hutten voor de passagiers, die langs de zijden van het schip zijn geplaatst, soms drie kooien boven elkander, waardoor een talrijk gezin binnen een oppervlakte van slechts enkele vierkante Meters kan gehuisvest worden.

De kajuit, die zich in het achterschip bevindt en een groot en sierlijk gemeubeld vertrek vormt, strekt tot gezelschapszaal voor de passagiers der eerste klasse, wier afzonderlijke hutten er alle op uitkomen. Ook de kapitein en de stuurlieden hebben in dit gedeelte van het schip hun verblijf.

De machinekamer, met haar reusachtige machines, welke het trotsche zeegevaarte met groote kracht en snelheid over den Oceaan voortstuwen, scheidt de kajuit van het tusschendek, waar de talrijke tweede-klasse passagiers zich zoo goed mogelijk met de beschikbare ruimte moeten behelpen.

Onder het tusschendek is het scheepsruim, waarin de lading geborgen is, en nog verder naar voren heeft de equipage, zooals we trouwens reeds zagen, haar gemeenschappelijk logies.

Ter weerszijden van het schip hangen, in zware ijzeren davids, verscheidene booten, die in geval van nood in een oogenblik tijds te water gelaten kunnen worden. Of zij echter voldoende zijn, om allen, die zich aan boord bevinden, op te nemen, daaraan valt wel te twijfelen. En toch -- maar laten we, na in hoofdzaken de inrichting van het schip te hebben medegedeeld, tot ons verhaal terugkeeren.

Van de eerste dagen der reis valt niet veel belangrijks te zeggen.

Toen de Hoofden, waar Engeland en Frankrijk het hoofd bijna aan elkander stooten, gepasseerd waren, had de loods zijn moeielijke taak verricht. Aan den ingang van het Kanaal ging hij over op den loodskotter, welke daar steeds kruisende is, om binnenvallende schepen van loodsen te voorzien, of de loodsen van uitzeilende schepen weer op te nemen. De man verliet het schip evenwel niet, zonder belast te zijn met een heele bezending in haast geschreven brieven, om de betrekkingen in het vaderland nog met eenige tijding omtrent het aanvankelijk welslagen der reis te verrassen.

Jan Vroolijk bleef natuurlijk niet achter, om te vertellen welk een onverwacht geluk hem en de zijnen te beurt gevallen was, door zijn vroegeren kameraad, Piet Vlug, hier als bootsman op de Maasdam terug te vinden. En wel mocht hij van geluk spreken; want tusschendeks, waar zooveel menschen waren opeengehoopt, was het lang niet alles. Zeeziekte, -- vooral onder degenen, die voor dezen nog nooit den voet op een schip gezet hadden, -- gevoegd bij een benauwde en drukkende warmte, maakte er het verblijf ver van benijdenswaardig.

In het voorschip daarentegen was het luchtig en frisch, en de kapitein had het verzoek van den bootsman, om zijn logies met een paar kennissen onder de passagiers te mogen deelen, gereedelijk toegestaan.

Dezen wenschten natuurlijk niets liever en maakten het er zich zoo gemakkelijk mogelijk.

Ook met de bemanning stonden zij weldra op een goeden voet. Jan Vroolijk toch, die het luieren en niets doen volstrekt niet gewoon was, en aan niets ter wereld meer hekel had dan aan stilzitten, hielp den volgenden dag reeds een handje bij het scheepswerk en gaf daarbij, nu zijn oude vroolijkheid te midden van zulk een opgewekte omgeving langzamerhand terugkeerde, ook al eens een kwinkslag ten beste. Zijn vrouw wist zich mede verdienstelijk te maken, door voor dezen en genen eens een knoop aan een broek te zetten of een scheur in een wambuis te herstellen.

En de kleine Willem?

Na twee dagen was hij de lieveling van de geheele bemanning. Hij ging van knie op knie, of lag, tot groot vermaak van Janmaat, langs het dek te rollen met den grooten scheepshond "Ami", een echte New-Foundlander, die wat in zijn schik was met zulk een aardigen speelkameraad!

Het goedige dier hechtte zich weldra zoo zeer aan het ventje, dat hij geregeld voor de deur der hut op wacht lag en de kleine dus wèl bewaakt zou geweest zijn, ook al had de moeder hem voor een oogenblik alleen gelaten. Daarvoor was deze echter veel te bezorgd. Als hem eens een ongeluk overkwam!....

Als.... Ze zou blij zijn, als ze eerst maar weer goed en wel aan wal stonden, hoe best ze het overigens ook getroffen hadden. Daaraan was evenwel nog in lang geen denken. Men bevond zich nog nauwelijks op den Oceaan. De Scilly-eilanden, het laatste wat men van Europa ziet, waren nog maar eenige uren uit het gezicht.

Ook zonder den minsten tegenspoed zou het dus nog minstens een dag of acht duren, eer aan gene zijde van den onmetelijken waterplas, waarop men zich thans bevond, het land weer voor hun oog verrijzen zou, al beweerde Piet Vlug ook schertsende, dat hij den reuk van de Amerikaansche kust al in den neus kreeg.

"Ja, de bootsman ruikt zelfs de spekpannekoeken al, die ze daar bakken," sprak een ander tot Jan Vroolijk. "Hij heeft een echten hondeneus!"

Onze gewezen schelpenvisscher bleef echter het antwoord niet schuldig. Met een ondeugend glimlachje wees hij naar het topje van den mast, en zei: "'k Dacht, dat een hond alleen vóór den wind af rook. Maar wil ik je eens wat zeggen. Jelui schiet met spek. De geur van de soep uit de kombuis zit je in den neus!"

't Was tegen schafttijd, moet ge weten. En zooals te denken is, had de kok een aardig keteltje met dat heerlijke gerecht te vuur.

Nu, waar zooveel monden moesten eten, mocht dat ook wel!

Het voedsel aan boord liet inderdaad niets te wenschen over. Al kwamen slager, bakker en melkboer hier ook niet aan de deur, zooals thuis, toch had men elken morgen versch brood en evenzoo iederen middag versch vleesch op tafel.

En melk bij de koffie ook?

Zonder twijfel. In gindsche stallen ziet ge eenige melkkoeien geplaatst, benevens het noodige vette vee, dat bestemd is om gedurende de reis geslacht te worden. Een slagerij ontbreekt dus evenmin als een bakkerij, en elken dag heeft men zoowel versch vleesch aan den haak, als nieuwe broodjes op de plaat.

De reis ging bij dat alles zeer naar wensch. De eene dag na den anderen verliep onder het heerlijkste zomerweder, en een goede wind en kalme zee maakten, dat ook zij, die in den beginne zeer aan zeeziekte geleden hadden, spoedig weer op hun verhaal kwamen en langzamerhand aller blikken hoopvol naar het verre Westen gericht waren.

Allerlei spelletjes werden bedacht, om zich den tijd te korten, en vooral als de warmte van den dag voor een heerlijk avondkoeltje had plaats gemaakt, heerschte er aan dek van de Maasdam een gezellige drukte.

Overal zag men troepjes landgenooten bijeen, en uit elk gezelschapje steeg bij wijlen een hartelijke lach op.

Hier vertelde men elkander van het oude vaderland; daar deelde men elkaar zijn plannen en vooruitzichten voor de toekomst mee, en ginder weer bracht de een of andere grappenmaker met zijn aardigheden de lachspieren der luisteraars in beweging.

Als dat zoo eenigen tijd geduurd had, verstomden meestal de gesprekken en richtte zich aller oog en oor naar een troepje jonge Duitschers, die met volle en schoone stem een heerlijk avondlied aanhieven en over den Oceaan deden weerklinken.

Soms ook klonken de tonen van het een of ander muziekinstrument, en in een oogenblik was dan het dek van de Maasdam in een dansvloer herschapen, waarop vroolijke en levenslustige knapen en meisjes op de maat der muziek rondhuppelden.

Ten slotte echter zocht ieder zijn kooi weer op, om te gaan slapen met de hoop, dat de volgende dag even schoon weer mocht brengen en dat men spoedig behouden in het land zijner wenschen en droomen zou mogen aanlanden.

Op soortgelijke wijze was ook de avond van den 29 Augustus, den tienden dag der reis, in de meest opgewekte stemming voorbijgegaan. Men had geschertst, gezongen en gedanst en zich eindelijk vol moed ter ruste begeven, daar de onmiskenbare teekenen van het naderend einde der reis reeds duidelijk zichtbaar begonnen te worden.

Zeevogels waren dien dag over het schip heengevlogen; en had men midden op den oceaan slechts nu en dan in de verte een zeil ontdekt, gedurende de laatste uren waren daarentegen verscheidene schepen links en rechts de Maasdam gepasseerd, van welke men er zelfs enkele gepraaid had.

Voor velen, die maar niet konden begrijpen, hoe met voorbijzeilende schepen een buurpraatje kan gehouden worden, ook al is de afstand tusschen beide vaartuigen zóó groot, dat men elkaar niet beroepen, veel minder verstaan kan, was dit nog iets nieuws geweest.

Zij zagen nu, hoe verscheidene vlaggetjes van verschillenden vorm en kleur omhoog geheschen, daarna weer omlaag gehaald en door andere vervangen werden. Zij zagen ook, hoe daar ginds dezelfde bewegingen werden verricht met vlaggen van andere kleur en vorm en waren niet weinig verwonderd, als uitkomst van dat geheimzinnig gesprek te vernemen, dat het gepraaide schip zus of zoo heette, van A. of B. kwam en naar Y. of Z. bestemd was, dat men zooveel dagen reis had, dat alles wel aan boord was, enz. enz.

Gij zult zonder twijfel begrepen hebben, dat de inhoud der gesprekken, welke op deze wijze tusschen schepen op zee gewisseld worden, vooruit vastgesteld en aan de zeelieden bekend moet zijn.

In het daartoe aangelegde "Seinboek" is alles, wat men elkaar op zee al zoo te zeggen kan hebben, opgenomen en door vlaggen voorgesteld. Met dit boek in de hand kan men dus omtrent vele dingen aan boord inlichtingen geven en ontvangen en elkander belangrijke zaken, de reis betreffende, mededeelen.