Part 1
Produced by R.G.P.M. van Giesen
_De kleine Zwerveling_ door D.P. Plaatsman [Illustratie: kaft]
[Illustratie: frontispiece]
DE KLEINE ZWERVELING.
_ZESTIG CENTS-BIBLIOTHEEK._ LECTUUR VOOR JONGENS EN MEISJES ONDER REDACTIE VAN +TITIA VAN DER TUUK.+
DE KLEINE ZWERVELING
DOOR
D. P. PLAATSMAN.
GEÏLLUSTREERD DOOR
J. A. S. Z. D. K.
DEVENTER -- Æ. E. KLUWER.
EERSTE HOOFDSTUK.
+Een gewichtig besluit.+
Eierland, dat tegenwoordig een goed bebouwde en sterk bevolkte polder is, en met Texel één geheel uitmaakt, was vroeger een afzonderlijk en bijna onbewoond eiland.
Als ik zeg "onbewoond", dan bedoel ik daarmee echter alleen door menschen, want vogels -- vooral watervogels -- huisden er in zulk een ontzaglijke menigte, dat men volgens oude schrijvers in het voorjaar bijna geen voet kon verzetten, zonder een twee- of drietal nesten met eieren onder zijn bereik te hebben. De naam Eierland wordt daaruit van zelf verklaard.
Het recht, om die eieren te zoeken, behoorde destijds aan den "Kastelein" van het Eierlandsche huis, die daarvoor, benevens voor het beweiden van het Eierland met schapen en runderen, een jaarlijksche pachtsom aan het Rijk betaalde; want het geheele Eierland was toen landseigendom of domeingrond.
Ook het Eierlandsche huis, bijna de eenige woning, welke er te vinden was, en die reeds van het jaar 1650 dagteekent, was een rijksgebouw. Op het noordelijkste deel van Eierland, aan den binnenkant der duinen in een vallei gelegen, diende het hoofdzakelijk tot onderhouding van de postgemeenschap met Vlieland; maar het had toch ook nog een andere bestemming.
Voor den ingang van het Eierlandsche gat liggen namelijk, evenals voor dien van de meeste onzer zeegaten, gevaarlijke zandbanken. Hoeveel schepen hier in den loop des tijds wel gestrand zijn, is zelfs niet bij benadering op te geven, en ontzettend groot is het aantal schipbreukelingen, dat op deze verraderlijke kust zijn graf in de golven gevonden heeft!
De noordelijkste uithoek van Eierland, welke sterk vooruitspringt, draagt dan ook met recht den naam van "het Engelsche Kerkhof", wegens de vele drenkelingen, die er begraven zijn.
Zij, die echter den dood ontkwamen, vonden in het Eierlandsche huis steeds een beschermend dak, waar zij liefdevol werden opgenomen en verpleegd.
Het groot aantal schipbreuken in de Eierlandsche gronden was oorzaak, dat eindelijk op een der hoogste duintoppen een vuurtoren werd geplaatst, waarvan het vèrschijnende en draaiende licht reeds op mijlen afstands in zee de plaats aanwijst, waar gevaar dreigt.
Ten gevolge daarvan geraakt tegenwoordig niet dan bij uitzondering een schip op deze gevaarlijke stranden verzeild. Gelukkig, niet waar?
"Gelukkig!" zeggen ook de bewoners van het meer zuidelijk gelegen dorpje De Cocksdorp, niettegenstaande zij met het wegblijven der schepen een goed deel van hun bestaan zagen verdwijnen.
De Cocksdorp, aldus genoemd naar den Rotterdamschen koopman De Cock, die in het jaar 1835 met enkele andere heeren de bedijking van Eierland tot stand bracht, ligt een weinig benoorden de zoogenaamde Roggesloot, een der talrijke kreekjes, die aan den duinvoet ontspringen en den polder in oostelijke richting doorstroomen.
Het bergen van de lading der gestrande schepen bezorgde den De Cocksdorpers soms belangrijke voordeelen. Voor het overige verdienden zij grootendeels hun brood met de schelpenvisscherij op de nabijgelegen zandbanken.
Ook het laatste bedrijf werd echter van jaar tot jaar minder, en het weleer bloeiende plaatsje is tengevolge van dat alles zeer achteruitgegaan, zoodat het tegenwoordig niet meer dan ongeveer de helft van het vroegere aantal bewoners telt.
Vele van de voormalige ingezetenen hebben niet alleen het dorpje en het eiland, maar ook het land zelf verlaten en in het verre Amerika een nieuw vaderland en een nieuw bestaan gezocht.
Ook Jan Vroolijk, door zijn dorpsgenooten in den regel "Vroolijke Jan" genoemd, omdat hij als jongen zulk een vroolijke snuiter was en soms zoo aardig uit zijn huisje kon schieten, dacht er sterk over, met de zijnen den wijden oceaan over te steken.
Vroeger had hij er nooit van willen weten, hoe schoon de berichten ook luidden, welke sommige zijner familieleden, die de groote reis reeds achter den rug hadden, van tijd tot tijd overzonden; steeds had hij gezegd:
"Zoolang ik in het vaderland voor vrouw en kinderen den kost weet te verdienen, blijf ik waar ik ben."
Tot zijn vrouw, die er ook zeer tegen opzag om zulk een groote zeereis te doen, was zijn gewone zeggen altijd:
"'k Zeg maar altijd, lieve Keetje! Wat je hebt, mijn kind, dat weet je, Wat je krijgt, dat weet je niet!"
Nu, zij hadden het dan ook, vooral in den beginne, nog al zoo kwaad niet gehad. Maar de omstandigheden waren, in den laatsten tijd vooral, vrij wat en alles behalve in hun voordeel, veranderd.
Jan Vroolijk was schelpenvisscher. Acht jaar geleden -- hij telde nu dertig jaar -- was hij met Keetje, een meisje van het dorp en van zijn leeftijd, getrouwd. Drie kinderen hadden ze in dien tijd gehad. De twee oudsten, beiden meisjes, waren echter al heel jong gestorven. Alleen 't jongste, een allerliefst knaapje, was hun overgebleven. De kleine krullebol was nu ruim drie jaar, en vader en moeder waren, zooals licht te begrijpen is, allebei even gek met hun ventje. Moeder noemde hem geregeld haar oogappel, en als hij maar even klaagde, was de goede vrouw al beangst. Dan dacht zij dadelijk aan haar beide gestorven lievelingen en bekroop haar de vrees, dat zij ook haar Willem -- zoo heette het ventje -- wel eens zou kunnen verliezen. De jongen groeide evenwel als kool en had een kleur als een roos. Op en top zijn vader! Als deze thuis was, stond het huis geregeld op stelten. Geen wonder, dat de kleine dreumes 's avonds, als Jan Vroolijk met zijn schuit uit zee terugkwam, al op den uitkijk stond.
Ook nu stond hij weer te turen naar de naderende vaartuigjes, en spoedig hadden zijn heldere kijkers den man, naar wien hij zocht, in 't oog gekregen.
"Dag! dag!" riep de kleine broekeman, en hij zwaaide als naar gewoonte met zijn mutsje zijn vadertje het welkom toe.
Zag vader hem niet, dat zijn groet dezen keer niet beantwoord werd?
"Dag! dag!" riep de kleine nog al eens en nog eens weer; maar Jan Vroolijk scheen zijn jongen niet te bemerken of over 't hoofd te zien.
Neen, toch! daar zwaaide ook hij met zijn pet, en over zijn gelaat, dat er, zooals in de laatste dagen wel meer gebeurde, zeer ernstig uitzag, kwam een gelukkige glimlach bij het terugzien van zijn lieveling. 't Volgende oogenblik stond zijn gelaat echter weer net zoo strak als even te voren.
Wat was er dan gebeurd, dat Vroolijke Jan zoo uit zijn humeur had gebracht?
"Zoolang ik in het vaderland voor vrouw en kind den kost kan winnen, blijf ik waar ik ben," had hij altijd gezegd. In den laatsten tijd scheen het echter, alsof hem dit met den besten wil en de grootste krachtsinspanning niet langer mogelijk zou zijn. Sinds het voorjaar was het met de schelpenvisscherij van week tot week achteruitgegaan, en van daag was 't hem dan al bijzonder tegengeloopen! De schelpen waren bij den jongsten storm geheel onder het zand bedolven geraakt, en waar hij vroeger met het grootste gemak een rijke lading wist op te visschen, gelukte het hem nu slechts met de grootste moeite en den meesten ijver, een zeer mager vrachtje aan wal te brengen.
Daar kwam nog meer onheil bij, waardoor zijn gemoedsstemming er ook al niet op verbeterde. Tusschen de schuitjes der visscherlieden bewoog zich nu ook een stoomschip, dat van een stoomschelpenzuiger voorzien was. Daarmede werden de schelpen tot op een diepte van 10 à 20 voet uit den zeebodem losgewoeld en naar boven gebracht, om vervolgens, gewasschen en wel, in een op zijde liggend vaartuig overgestort te worden. Het eene schip na het andere werd op deze wijze soms in enkele uren met een volle lading bevracht. Dit had natuurlijk weer een ongunstigen invloed op den prijs der schelpen, waarvan in de kalkovens de metselkalk gebrand wordt en zoo kwam dus het eene ongeluk bij het andere.
Geen wonder waarlijk, dat Jan Vroolijk alles behalve prettig gestemd was.
Terwijl hij daar aan het roer zat en zijn schuitje landwaarts stuurde, was hij er in ernst over begonnen na te denken, of het toch maar niet beter zou zijn, bij tijds dit sober bestaantje op te geven en iets anders te beginnen, waarmee een beter loon te verdienen viel.
Maar wat zou hij aanvangen?
Hij was een uitstekend schipper en had een paar ferme handen aan het lijf; maar een ambacht verstond hij niet.
Onwillekeurig dwaalden zijn gedachten zoodoende af naar het verre Westen, waarheen reeds zoo vele zijner vroegere dorpsgenooten hem waren voorgegaan.
"Voor iemand, die werken kan en wil, is hier altijd geld te verdienen," schreef men steeds uit de nieuwe wereld. Nu, werken wilde en kon hij zoo goed als de beste, als het slechts brood gaf! Zooals de zaken nu stonden, ging hij echter van week tot week achteruit.
Aldus in zich zelf redeneerende, kwam hij eindelijk tot de slotsom, dat het beste was, er thuis eens ernstig met moeder de vrouw over te spreken, wat hun in deze omstandigheden te doen stond. Zóó kon het in allen gevalle niet blijven, dat stond als een paal boven water.
Aan wal gekomen, nam hij, zooals hij altijd gewoon was, zijn zoontje op den arm, om zich met hem naar huis te begeven. Maar hoe druk die twee het anders gewoonlijk ook hadden, dezen keer sprak Jan Vroolijk al bijzonder weinig, en ook Willempje scheen, onder den indruk van vaders ongewoon gezicht en weinige spraakzaamheid, van den weerstuit het babbelen en snappen geheel verleerd te hebben.
Moeder, die haar kleintje geen oogenblik uit het oog verloren had, stond hen reeds aan de deur op te wachten. Ook haar viel het dadelijk in het oog, dat Jan niet was zooals anders. Bezorgd liep ze hem tegemoet, om te vragen of hem ook iets scheelde. "We hebben een brief van oom Willem uit Amerika!" riep ze er in één adem bij. "Alles gezond volk, hoor!"
"Een brief van oom Willem!" En dat juist nu! 't Kon waarlijk niet beter treffen! De gelegenheid om met zijn vrouw te spreken over 't geen hem door 't hoofd maalde, bood zich nu als van zelf aan; want om de waarheid te zeggen, zag hij daar wel een beetje tegen op. Zijn gelaat klaarde dan ook vrij wat op, nu zulk een onverwachte bondgenoot hem als 't ware te hulp kwam. Oom Willem zou toch, even als altijd, wel weer heel veel moois te vertellen hebben.
"En wat schrijft hij?" vroeg Jan onder het naar binnen gaan, terwijl moeder den kleinen Willem van hem overnam.
"Zeg mij liever eerst eens, wat er aan hapert," antwoordde zijn vrouw. "Je bent zoo stil...."
"'t Is ook wel, om er stil onder te worden," viel Jan haar in de rede. "Er valt langer geen droog brood te verdienen. De schelpen zitten meest allemaal onder 't zand, en die er nog zijn, worden ons door die verwenschte machine voor den neus weggepikt! Als 't langer zoo moet, kunnen we onze matten wel oprollen, vrouwtje! Wist ik maar wat anders te bedenken, dan zette ik geen voet meer aan boord; want mijn zin is er glad af."
"Nu, lees dan maar eens wat oom Willem schrijft," zeide zijn vrouw, terwijl zij een dikken brief, met verscheidene poststempels er op, uit de kast te voorschijn haalde, en hem haar man overreikte.
Jan greep begeerig naar den brief en een oogenblik daarna was hij geheel in de lezing er van verdiept.
Wat oom Willem schreef?
Dit o.a.:
"We zijn nu ongeveer vier jaar hier en hebben al een aardig spaarpotje. Het huisje, dat wij bewonen en dat geheel ons eigendom is, ziet er heel aardig uit. Daarbij bezitten wij een flinken tuin en ongeveer 3 H.A. weiland. Wij hebben vier beste koeien op stal en een varken van ongeveer 150 K.G. op het hok. Dat moet over eenige weken in de kuip. Spek en vleesch eten wij zooveel wij lusten. Terwijl ik zelf thuis volop werk heb, gaan onze Gerrit en Klaas alle dagen naar de fabriek. Zij verdienen nu al een dollar daags en krijgen binnen kort weer opslag...."
Toen Jan tot zoover met de lezing van den brief gevorderd was, hield hij zuchtend eenige oogenblikken op. 't Schemerde hem voor de oogen bij de opsomming van al dat schoons, en als van zelf begon hij daarmee zijn eigen sober bestaantje te vergelijken.
"Hadden we vier jaar geleden ook maar besloten om mee te gaan, Kee," zei hij, zijn vrouw, die tegenover hem zat, aanziende; "wie weet, hoe goed ook wij het dan nu hadden. Wat oom Willem daar schrijft, is om van te watertanden. Al werk ik hier ook van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, dan kom ik nog geen steek vooruit."
"Och kom, tob daar nu maar niet over," antwoordde de toegesprokene, die inmiddels den kleinen Willem in haar schoot liet dansen. "Bedenk maar liever eens, wat kapitaal wij hier hebben!"
Dat kapitaal -- hun jongske -- scheen zich bij moeder schadeloos te willen stellen, voor 't geen hij straks bij vader te kort gekomen was, en het kereltje had een pret van belang. Vader deed zijn naam echter alles behalve eer aan. "Daar koopen we toch voor 't oogenblik geen brood voor," sprak hij gemelijk en jaloersch op ooms voorspoed.
"Waarom lees je dan niet, wat er verder staat? Misschien brengt je dat wel weer een beetje in je humeur!..."
Jan las nu verder, en Keetje merkte op, dat zijn gezicht al spoedig een geheel andere uitdrukking aannam. Geen wonder ook. Wat daar stond te lezen, was wel in staat, hem weer in een betere stemming te brengen.
"... Ik begrijp niet," zoo stond er, "wat je er nog langer tegen hebt, om tot ons te komen. Je meeste familie woont hier, en allen hebben het even goed, veel beter, dan ze het in Nederland ooit zouden gekregen hebben. Ik weet wel, men verlaat niet voor zijn plezier het vaderland, om het misschien nooit weer te zien; maar toch zeg ik: wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Denk er dus met je vrouw nog eens rijpelijk over na, en hapert het je soms aan de noodige middelen om over te komen, schrijf het dan maar gerust; want daar weten we hier wel raad voor. En als je eenmaal bij ons bent, zullen we wel zorgen, dat je onder dak komt en dat er wat voor je te doen valt. Voor iemand, die werken kan en wil, is hier altijd geld te verdienen. Er komen hier nog steeds handen te kort...."
't Was, of Jan voelde, dat zijn vrouw, terwijl hij las, de oogen op hem gevestigd hield. Toen hij dan ook opkeek, ontmoetten hun blikken elkander, en met een vragende uitdrukking op het gelaat zag de een den ander aan, alsof ze zeggen wilden: "Nu, hoe denk je er over?"
"Dus zou je me aanraden, er toe over te gaan?" vroeg Jan eindelijk, met eenigszins trillende stem. "Ik dacht anders.... Ik vreesde...."
"Ja, ik zou er ook wel erg tegen opzien, lieve man," viel zijn vrouw hem in de rede, "maar 't is, zooals oom schrijft: wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Als we hier langer geen brood hebben en 't daar zoo goed kunnen krijgen, zou het dan niet het beste zijn, er maar in tijds toe te besluiten, liever dan hier nog langer te blijven? Als 't er toch toe komen moet, dan maar hoe eer hoe beter, dunkt me."
"Weet je wat, vrouw, we zullen er ons eerst beiden nog eens ernstig op bedenken; want de zaak is te gewichtig, om zoo maar één, twee, drie een besluit te nemen, vind je ook niet?"
"Dat is zeer verstandig van je bedacht, Jan. Je kunt er dan nog eens met den een en ander over spreken ook en zien, wat men je aanraadt."
De goede vrouw, die natuurlijk ook van week tot week ontdekte, hoezeer de verdiensten van haar man verminderden, en wel gezien had, hoe zijn vroegere opgeruimdheid daarbij geheel verloren ging, had den geheelen dag reeds nagedacht over den inhoud van den gewichtigen brief, en haar besluit stond reeds vast. Zij was een verstandige vrouw en had terecht begrepen, dat van "liever" in de tegenwoordige omstandigheden geen sprake kon zijn. Wel was de plek, waar haar twee gestorven lievelingen begraven lagen, haar dierbaar en zou zij bovendien veel en velen, die haar lief waren, moeten vaarwel zeggen; maar zij zou ook weer anderen terugvinden, die zij hier miste; en wie haar boven alles en allen aan het hart lagen, had zij immers overal bij zich. Wat kwam het er, wel beschouwd, dan ook op aan, waar zij in de wereld was. De reis was het ergste; maar daar zou ze ook wel overheen komen, nu ze al met het denkbeeld verzoend was. Niettemin wilde ze haar besluit niet opdringen. 't Moest met Jans eigen vollen zin en wil gebeuren. En besloot hij tóch te blijven, welnu, ze hadden tot heden lief en leed samen gedeeld, en dat zou ook verder zoo zijn.
Een brief uit Amerika was op het dorp altijd een gewichtige gebeurtenis. Dan kwamen buren en kennissen toesnellen, om van den inhoud kennis te nemen en de groeten te ontvangen van hun verre vrienden. In de meeste gevallen ging zoo'n brief van hand tot hand of werd hij aan belangstellenden voorgelezen. En bevatte hij goede tijding, dan gaf dit dikwijls aanleiding, dat de een of ander, die het met zich zelf nog niet eens was, daardoor tot het vaste besluit kwam, om ook eerlang het Oosten met het Westen te verwisselen. Dat Jan Vroolijk nieuws had van oom Willem, ging dan ook al spoedig als een loopend vuurtje door het dorp rond, en nog denzelfden avond had hij bezoek van Jan, Piet en Klaas, die allen nieuwsgierig of belangstellend waren naar de ontvangen tijdingen.
"Goede raad is duur," zegt het spreekwoord; doch als alle raadgevingen, welke Jan Vroolijk en zijn vrouw ontvingen, goed waren -- goed gemeend waren ze in elk geval -- dan waren ze dien avond integendeel al zeer goedkoop.
"Als ik in je plaats was, Jan, dan aarzelde ik geen oogenblik," zei de een; "je zoudt dwaas zijn, als je de gelegenheid niet met beide handen aangreept," beweerde weer een ander. "'k Wou, dat het mij zoo mooi aangeboden werd; wat zou ik gauw toeslaan!" voegde een derde hem toe.
En Jan Vroolijk zelf?
Hij kon maar niet tot een besluit komen. Hoezeer hij ook naar verandering en verbetering wenschte, -- nu hij slechts had te schrijven: "Wij komen," om bijna zeker te zijn van verbetering, nu zag hij er bepaald tegen op. Vooral de vrees, dat zijn vrouw alleen ter wille van hem haar mindere ingenomenheid van vroeger had laten varen, maakte hem huiverig. Als zij eens ziek werd of berouw kreeg, of als zijn jongen eens niet bestand bleek tegen de verre zeereis, of als.... Kortom, een berg van bezwaren rees voor hem op! Het duurde dan ook een heelen tijd, voor die alle uit den weg geruimd waren.
Toen hem echter duidelijk bleek, dat zijn vrouw volkomen met het denkbeeld verzoend was en er op geen andere wijze verbetering van bestaan te verwachten was, werd op zekeren dag oom Willems brief beantwoord met de mededeeling, dat men na lang en goed beraad besloten had tot hem te komen. Die brief werd wel is waar onder tranen geschreven, maar toch, hij werd geschreven en op de post gedaan ook! En weldra verspreidde zich over het dorp het nieuws, dat Jan Vroolijk en de zijnen ook naar Amerika gingen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
+De landverhuizers.+
We bevinden ons te Rotterdam.
Wie van leven en beweging houdt, is hier aan het rechte kantoor. Geen drukker plekje toch in ons geheele land dan Rotterdam aan den Maaskant, aan de zoogenaamde Boompjes. Daar kent men geen rust; daar wordt het nooit nacht! Een onafzienbare, twee-, driedubbele rij van schepen strekt zich langs den oever uit, en zonder ophouden is men er aan het laden en lossen. Een bijenzwerm gelijk, zoo woelt en krioelt daar alles door elkander. Het geraas van honderden voertuigen, vermengd met het gegons van duizenden schreeuwende en zingende menschenstemmen en het onophoudelijk gegil der stoomfluiten doet iemand hooren en zien vergaan. Ieder oogenblik komen en vertrekken er stoomschepen en andere vaartuigen, en de rivier voor de stad biedt een tooneel aan van leven en bedrijvigheid, zooals men dat bijna nergens anders aantreft. Uit alle oorden der wereld komen reusachtige zeekasteelen hier de schatten brengen, waarmee zij bevracht zijn; naar alle hemelstreken vertrekken zij weer, voorzien van niet minder kostbare lading, dan zij hebben aangebracht!
Ziet gij daar dat groote stoomschip met zijn rookende schoorsteenen en vroolijk wapperende vlaggen aan den top der masten?
Honderden menschen verdringen zich in de nabijheid van dat vaartuig, en gedurig ziet men enkelen uit de massa de loopplank betreden en zich aan boord begeven.
Het is een passagiersboot, die tot vertrek gereed ligt!
Maar voor hun plezier schijnen de reizigers dan toch niet uit te gaan; want het schreien staat den meesten nader dan het lachen. Velen kunnen zelfs hun tranen niet bedwingen; terwijl enkelen, die den voet reeds op de loopplank gezet hebben, nogmaals en nogmaals terugkeeren, om afscheid te nemen van hen, die achterblijven en ze tot hiertoe hebben uitgeleid.
Hier zien we een zoon, die zijn oude moeder om den hals valt; daar een man, die vrouw en kinderen teeder omhelst en innig aan het hart drukt; ginder weer een ander tooneel, dat aan afscheidnemen voor langen, zeer langen tijd doet denken.
En te midden van dat alles worden kisten en koffers aangevoerd en in het schip geladen, terwijl elke aankomende trein of boot het aantal passagiers nog doet vermeerderen.
Ziet ge geen kennissen te midden van al die vreemde, meest treurige gezichten?....
Neen?.... Ja toch, daar komt nog een klein gezelschap, dat we meer moeten gezien hebben.
't Bestaat slechts uit drie personen: man, vrouw en kind.
Wie het dan zijn?
Niemand anders dan Jan Vroolijk en zijn vrouw met hun kleinen Willem.
Begrijpt ge nu ook, wat de reden is van al die droefheid en treurigheid om u heen?
Het stoomschip, dat ge daar voor u ziet liggen, is de "Maasdam" van de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij en ligt gereed om den Atlantischen Oceaan over te steken naar Amerika.
Drie maanden geleden was met een ander stoomschip van dezelfde Maatschappij de brief verzonden, waarin zij oom Willem hun plan, om over te komen, hadden medegedeeld, en nu stonden zij gereed, de groote reis te aanvaarden.
Wat een drukte en beslommering was er evenwel aan dit oogenblik voorafgegaan!
Verkooping van huis en schuit en 't overtollige huisraad, afscheidsbezoeken aan familie en bekenden, te veel om te noemen.
Gelukkig, dat oom Willem het niet bij woorden had gelaten, maar "uit voorzorg" zooals hij schreef, alvast maar een plaatsbillet, dat hun vrijen overtocht op de boot verzekerde, had overgezonden; want toen alles verkocht was en allen, die iets van Jan Vroolijk te vorderen hadden, tot den laatsten cent waren afbetaald, schoot er waarlijk niet veel over.
Waar de visscherij geheel verviel en dientengevolge reeds zooveel woningen ledig stonden, kon de opbrengst van hun geringe bezittingen natuurlijk slechts luttel zijn.
Eindelijk stonden zij aan den vooravond van hun vertrek. Van allen hadden zij afscheid genomen, en den volgenden morgen vroeg zouden ze in alle stilte afreizen.
Nog één bezoek slechts wenschten zij af te leggen, en dat zeker wel niet het minst treffende: een bezoek aan het kerkhof.
Jan Vroolijk en zijn vrouw konden den vaderlandschen bodem niet verlaten, konden niet van hun dorpje scheiden, zonder eerst nog eenmaal de plek bezocht te hebben, waar hun twee gestorven lievelingen begraven lagen. Dat daar heete tranen geschreid werden, behoef ik u zeker niet te zeggen.
Maar gelukkig behoefden zij toch niet alles achter te laten, wat hun lief en dierbaar was! Zij hadden immers hun ventje nog, hun oogappel, zooals moeder hem noemde!
Hoe zacht en rustig sliep hij daar voor de laatste maal in zijn bedje, onbewust van alles wat hem wachtte!
Konden vader en moeder ook slechts zoo slapen! Maar de herinneringen aan het verleden en de gedachten aan de toekomst, die zij tegengingen, waren hun te machtig.
Bijna slapeloos brachten zij den nacht door en de volgende morgen vond hen al weer vroeg op de been.
't Was maar goed, dat moeder eenige afleiding vond in haar jongske, dat wat in zijn schik was met het nieuwe pakje, 't welk voor deze gelegenheid aangeschaft was en hem nu werd aangetrokken.