Part 9
Doch met dat al is mevrouw Perfect zoo onverdraagzaam als de inquisiteur Torquemada. Zij volgt stijf en strak, evenals de locomotief, het afgebakende spoor; haar oordeelvellingen en meeningen doorsnijden de maatschappij in rechte lijnen met al het geweld van haar voorbeeld en met al den stoom van haar geestkracht, en zij gaat voor ouden noch jongen, voor zwakken noch zieken uit den weg. Zij kan en zij wil de mogelijkheid niet begrijpen, dat er nog andere karakters dan het hare zijn, en dat andere karakters een andere manier van leven en handelen hebben.
Hoe goed en gedienstig zij mag wezen, is zij toch een schrikbeeld voor haar arme, zwakke altijd tobbende buurvrouw aan den overkant, die—behalve dat haar hoofd altijd kookt en haar lendenen haar altijd zeer doen,—behalve dat zij 's nachts niet kan slapen en over dag sloven en tobben moet,—bovendien overal en altijd gebukt gaat onder de gedachte, dat mevrouw Perfect al haar tobberijen aan een verkeerde manier van huishouden toeschrijft, en beweert, dat zij evenveel als zij zou kunnen doen, zoo ze maar wilde. Daar zij zeer weinig zelfvertrouwen of gevoel van eigenwaarde bezit is ze geheel radeloos en mistroostig, als zij er om denkt; en zij denkt er den heelen dag om. Is het dan wezenlijk _haar_ schuld, dat haar kleine 's nachts bijna niets slaapt en aldoor schreeuwt, en dat geen van hare kinderen ooit kon opgevoed worden volgens die vaste regels, waarvan zij hoort, dat zij in het huishouden over de deur zoo gunstig werken? De gedachte aan mevrouw Perfect is voor haar een spook en een kwelduivel; wat deze er wel van te zeggen heeft—dat is voor haar de zwaarste last en de eerste tobberij.
Nu moet men weten, dat mevrouw Perfect afstamt van een forsch en krachtig en langlevend geslacht: „met leden breed geschoft en zenuwen van staal”. Geen schijn of schaduw van zenuwachtige aandoeningen is ooit in haar familie bekend geweest, en ze oordeelt over de ongelukkige juffrouw Sloof bijna even verstandig, als een forsche Cochinchina-kip over een colibri. Zulke Cochinchina-kippen zijn sterk en nuttig en zulke colibri's tenger en van weinig nut; maar laat ze elkander geen diëet voorschrijven of elkanders huishouden regelen. Heeft niet de een evenveel recht overeenkomstig zijn natuur te leven, als de ander?
Dit voorbijzien van 't geen een ander volgens zijn natuur noodig heeft, is een der voornaamste oorzaken van huiselijk ongeluk. De beste huishoudsters zijn zij, die haar huishouden op zulk een manier regelen, dat allerlei karakters gelegenheid hebben, zich te ontwikkelen, zonder op anderen inbreuk te maken.
Enkele vrouwen hebben er bijzonder slag van, om de karakters te begrijpen en te leiden. Zij deelen aan iedereen een gevoel van vrijheid en ongedwongenheid meê; zij weten elk zijn plaats aan te wijzen; en ontdekken terstond, waar hij geschikt voor is; zij hebben van nature de gelukkige wijsheid, niet meer van iemand te verlangen of te vragen, dan hij geven kan. Te rechter tijd hebben zij voor elk wat wils: een been voor den hond; graten voor de kat; hennepzaad voor kanarie; een boek of tijdschrift voor een geleerden logé, die zich anders vervelen zou; een vroolijk praatje voor de onbezorgde juffrouw Zeventien; breiwerk voor grootmama; hengels, gieken en buskruit voor den jongen Wildzang, wiens baard pas begint te groeien,—en nooit nemen zij 't kwalijk als de kanarievogel het been van den hond niet smakelijk vindt, of als de hond geen kanariezaad eet, of als juffrouw Zeventien het tijdschrift van den ouden heer Zestig niet wil lezen, of de jonge Wildzang geen lust in breien voelt, of als grootmama niets opheeft met pistolen en kruit.
Maar er worden ook andere vrouwen gevonden, die de grondslagen van het huiselijk leven zoo klein en beperkt en benauwd maken, dat alleen zij zelven en eenige weinigen, die precies zooals zij denken en doen, 't in dat huis kunnen uithouden. Wie zal ons vertellen, hoeveel ellende daaruit voorkomt?
Twee jongelui, uit zeer onderscheiden families afkomstig en op geheel verschillende wijze opgevoed, trouwen met elkaar. Tegen een of twee sympathieën, die hen tot elkander brachten, staat menig punt van verschil over. 't Eerste wat hun te doen stond, moest zeker zijn elkanders geaardheid te leeren kennen, en zich daarnaar te schikken, omdat het zoo wezen _moet_; maar in plaats daarvan brengen de meesten hun leven door met blindweg zich tegen een karakter aan te kanten, dat van 't hunne verschilt en toch in menig opzicht even goed is, al kan 't zich nu maar niet naar hen schikken.
Een meisje, dat in een geregeld, welvarend koopmansgezin groot gebracht is, waar de vaders en de broeders den geheelen dag druk in de zaken waren, raakt verliefd op een geleerde, die niets van zulke dingen afweet, wiens lust en leven in zijne boeken en in zijn pen is. Zal zij nu hem en zich zelven ophoudelijk plagen en kwellen, omdat hij geen man van zaken is? Zal zij hem gedurig wijzen op 't voorbeeld van haar vader en haar broeders, en hem voorhouden, hoe die in dit of dat geval zouden gehandeld hebben, of zal zij 't voor den voet opnemen en eens voor al denken: „Mijn man heeft wel geen kennis van zaken: dat is zijn _fort_ niet: maar hij is toch in andere vrij wat belangrijker dingen heel knap: ik mag ook niet alles van hem verwachten; laat hem maar stil zijn gang gaan en doen wat hij kan, en laat ik trachten te doen, wat hij niet doen kan: en raken we soms ergens meê verlegen, omdat wij geen van beiden er raad op weten,—dan maar voor den voet op en moed gehouden!”
Evenzoo kiest een man uit den schoot van een gezin, dat er gek meê is, een van die teêre vertroetelde zangvogeltjes, die alleen maar geschapen schijnen, om 't leven te veraangenamen. Past het hem, zoodra hij getrouwd is, vergelijkingen te maken tusschen haar manier van huishouden of haar kunde en bedrevenheid in de dingen van het dagelijksche leven, en die van zijn moeder en zuster, die stevige en praktische vrouwen zijn en zich van der jeugd af met niets anders hebben bezig gehouden dan met huiselijke zaken? Zal hij zichzelven en haar onophoudelijk verdrietig maken door ieder oogenblik weêr te zeggen, hoe zijn moeder gewoon was 's morgens om vijf uur op te staan,—hoe trouw zij haar boekje bijhield,—hoe stipt zij alles naging en voor alles zorgde,—hoe ze nooit van regel en gewoonte afweek?
't Zou al zeer ongepast wezen. Als hij zulk eene bekwame huishoudster verlangde, waarom maakte hij dan niet, dat hij er een kreeg? Er was toch overvloed van meisjes, die verstand hadden van wasschen, en strijken, van stijven, van koken, van al wat er in een huishouden voorkomt, beter dan de kleine kanarie, waarop hij verliefd raakte, omdat hij door haar veêren en haar zang, haar flikkerende oogen, haar aardige manieren en haar guiterijtjes,—begoocheld werd. Nu hij zijn vogeltje gekregen heeft, moet hij het ook als iets teêrs en kostbaars beschouwen, het verzorgen en er op passen en net op zulk een manier behandelen, als zoo iets broos en tengers behandeld dient te worden; en zoo doende zal hij ondervinden, dat het nog lang de bekoorlijkheden behoudt, waardoor het eens zijn hart gestolen heeft. Misschien, als hij zijn colibri trouw verzorgt en er goed op past, ondervindt hij dan ook, dat ze, hoe zwak en teer ze is, toch even goed als een faisant een nest kan bouwen en haar eitjes uitbroedt en haar jongen groot brengt op colibri-manier; maar om dit te kunnen doen, moet zij niet gestoord en verschrikt worden.
Doch de rampen van huiselijke onverdraagzaamheid nemen eerst recht een begin, wanneer er kinderen komen. Even als ouders, uit verschillende gezinnen gesproten, soms eigenaardigheden hebben, die zich niet met elkander verdragen, zoo verschillen ook hun kinderen, èn met hen èn onderling, in geaardheid.
De ouders houden hun pasgeboren eersteling voor iets, dat hun geheel toebehoort en waarmeê zij dus kunnen doen, wat zij maar willen. Het wezentje, pas op den stroom des tijds aangedreven, heeft misschien eigenaardigheden in zich verborgen, vaster dan een der beide ouders bezitten, doch met dat al wordt daaraan reeds terstond de loop aangewezen, dien het te volgen heeft.
Johan is verzot op geleerdheid. Zijn eigen opvoeding is eenigszins gebrekkig geweest, maar hij heeft besloten, dat zijn kinderen wonderen van geleerdheid zullen worden. Zijn eerstgeborene is een meisje, die zoo keurig als madame de Staël zal moeten schrijven, verwonderlijk knap en volmaakt.
Hij overvoert haar van haar prille jeugd af met litteratuur en leest haar een bloemlezing uit Milton voor, als zij nog pas acht jaar oud is, en heimelijk verlangt om met haar poppegoed te spelen. Hij neemt de eene gouvernante na de andere, zonder de kosten te ontzien, en als het nu eindelijk blijkt, dat zijn dochter slechts een lief, verstandig, huishoudelijk meisje is, dat veel van borduren houdt en meer aanleg heeft voor koken en strijken dan voor poëzie en geleerdheid, dan is hij teleurgesteld en behandelt haar koel; terwijl zij zich bitter ongelukkig gevoelt over 't verdriet dat zij haar ouders aandoet, omdat zij niet kan zijn, wat de natuur niet wilde, dat zij worden zou. Had Johan 't geschenk, dat Moeder Natuur hem gaf, nederig aangenomen en bedaard onderzocht, wat het was en waar het goed voor was, hij zou een gelukkig leven gehad hebben met een zedige, lieve en huiselijke dochter, die den uitnemendsten aanleg had om met den hoogsten lof in de huishoudkunde te promoveeren.
Daarentegen heeft een bedrijvige vrouw, die een meesteres is in 't koken, inleggen, breien, en al wat tot de huishouding behoort, een dochter, die bij haar breiwerk zit te peinzen, en een boek onder haar borduurpatroon verstopt,—wier gedachten in Griekenland, Rome, Duitschland rondzwerven,—die leest, studeert, denkt, schrijft, zonder te weten waarom; en de moeder doet haar best, deze neiging te onderdrukken en van haar peinzende dochter een bedrijvige, voortvarende, flinke huishoudster te maken. Wat al tranen worden er bij die onderneming vergoten, wat al humeuren bedorven, wat al dagen verspild!
Elk dezer karakters zou er, onder een verstandige leiding, wel toe gekomen zijn het ontbrekende langzamerhand aan te vullen. Van de geboren huishoudster zal wel nooit een genie groeien, maar zij kan toch aan haar huishoudelijke bekwaamheid een ordentelijke portie beschaving en kennis toevoegen,—en de geleerde droomster is er nog wel toe te brengen, om uit haar wolken af te dalen, en zoo veel van deze aarde te zien dat zij het alledaagsche paadje zonder struikelen kan loopen; doch dit moet geschieden door haar karakter te verdragen,—daaraan gelegenheid tot ontwikkeling te geven, het eerst te onderkennen en te herkennen, om dan later de gebreken, die het heeft, te verhelpen.
Een goedberekende, vindingrijke huishoudster, kan met allerlei gereedschappen te recht, en ook wel zonder gereedschappen. Als zij geen hamer en spijkers bij de hand heeft, haalt zij met een ijzeren lepel de spijkers uit het kleed, en timmert ze met een strijkijzer vast, waar zij ze wil hebben; en zij heeft verstand genoeg om niet knorrig te worden, al houdt het haar lang op. Zij begrijpt, dat zij met gereedschappen werkt, die ergens anders voor dienen, en denkt er niet aan om boos te worden als 't er niet al te best meê gaat. Maar laat ze dan ook even veel geduld hebben met een dochter, die onhandig in het huishouden, maar flink en vlug genoeg van begrip is om wat zij haar leert, als zij 't maar goed doet, te vatten.
Een eerzuchtig man heeft een zoon, die hij voor den geleerden stand bestemt. Hij moet de Daniël Webster van de familie worden. De jongen is sterk en gespierd,—vol levenslust en ondernemingsgeest,—helder van hoofd en scherp van zintuigen,—maar stomp en verward, als 't op abstracte begrippen aankomt. Hij kent ieder schip, dat in de haven ligt, hoe het zeilt en hoe groot het is; hij kent elke locomotief, hoe veel paardenkracht ze heeft, hoe ze loopt en de uren wanneer ze aankomt of heen gaat; hij is altijd bezig met zagen, timmeren, schaven en spitten; met ruilen en kwanselen; het hoofd loopt hem om van allerlei, dat op de buitenwereld, op tastbare dingen, betrekking heeft. In al die dingen is hij vlug van bevatting, helder van geest, scherpzinnig, verstandig, en verdient wat hij zegt, wèl gehoord te worden. Maar wat het onderscheid tusschen zelfstandige naamwoorden en eigennaamwoorden, tusschen 't onderwerp en 't gezegde van een volzin, tusschen 't betrekkelijk voornaamwoord en het aanwijzend voornaamwoord, tusschen den volmaakt- en onvolmaakt- verleden tijd betreft, daarin is hij verschrikkelijk stomp en achterlijk. Het gebied van abstracte begrippen is voor hem een gebied van spoken en geesten. Zijn jeugd brengt hij dan ook grootendeels door in een treurige woestijn van onbegrepene, onbegrijpelijke studiën, van ontberingen, laken en straffen, waarbij hem alles mislukt en tegenloopt en hij altijd beknord wordt, omdat zijn vader een geleerde wil maken van een jongen, die den Natuur voor de fabriek of voor den ploeg bestemd heeft. Hij zou een landbouwer, een machinist, een stichter van een nieuwe kolonie, een zeeman, een soldaat, een flinke koopman kunnen worden, maar hij groeit op in 't gevoel, dat alles, waar hij lust in heeft, verkeerd is, en dat hij voor niets deugt, omdat hij niet deugt voor dat ééne, waartoe zijn ouders hem reeds vóór zijn geboorte blindweg bestemd hebben.
Een andere jongen is een geboren werktuigkundige; hij begrijpt terstond hoe een machine in elkaar zit; hij is altijd bezig met onderzoeken en nakijken en het nemen van proeven. Maar zijn wielen, zijn assen en zijn katrollen worden allemaal weggegooid als prullen, waar niemand iets aan heeft; hij moet naar de Latijnsche school gaan, en er drie of vier jaar doorbrengen met iets te leeren wat hij toch niet goed leeren kan. Hij verliest allen moed, nu hij altijd de laatste van de klasse is, en verscheidene jongens, die in algemeene ontwikkeling beneden hem staan, hem vooruitkomen omdat ze die wanhopige regels van de quantiteit en de accenten in 't Grieksch kunnen onthouden, waar hij gek van wordt en die hij telkens vergeet, zooals bij voorbeeld, dat properispomena en proparoxytona, paroxytona worden, als de laatste lettergreep lang wordt terwijl paroxytona, paroxytona blijven, als de voorlaatste lettergreep kort is. Daar elk van deze regelen wel weêr zestien uitzonderingen heeft, die altijd doorgaan, behalve in drie of vier exceptioneele gevallen, wordt het nog moeielijker uit dien doolhof te geraken: en het mooiste van alles is, wanneer hij nu dien heelen rommel, met huid en haar, als zoeten koek naar binnen heeft geslagen, dat hij dan, zonder er ooit in zijn heelen studietijd iets aan te hebben, de werken der klassieke schrijvers in vrede mag gaan lezen.
Het grootste gebrek in de zoogenaamde klassieke opvoeding is dit, dat zij eigenlijk maar past voor een soort van jongens, die zij africht tot het geen hun natuurlijk aanleg reeds meêbrengt en derhalve ter nauwernood genoeg voor hunne oefening inspant, terwijl zij voor een andere, niet minder goede soort van jongens zóó veel bezwaren heeft, dat deze er moedeloos en wanhopig onder worden. Ik wil wedden, dat er van de tien jongens te Boston stellig vier zijn, en dat niet van de minste of domste, die 't onderwijs op de Latijnsche school niet zouden kunnen bijhouden zonder hun hersens en hun zenuwen zóó te overspannen, dat zij nergens meer geschikt voor waren.
Een aardige, vlugge jongen, die veel aanleg voor natuurkunde en werktuigkunde had, was altijd nommer één op de middelbare school. Hij behaalde de eerste prijzen, en was er zoo blij meê en zoo trotsch op, als 't behoefde. Nu ging hij naar de Latijnsche school. Hoewel vlug van bevatting, had hij toch een ellendig geheugen voor 't onthouden van woorden en regels; jongens, die altijd tegen hem opgezien hadden, kwamen hem nu ver vooruit. Zij konden een lijst van namen afraffelen, en, hoe minder zij gewoon waren, over 't geen zij leerden na te denken, des te vlugger ging het. Zij konden de Latijnsche grammatica met noten en al van buiten leeren en wisten altijd den weg in de oneindige doolhoven van Grieksche accenten en verbuigingen. Al deed hij nog zoo zijn best,—die jongen met zijn helder hoofd en vlug begrip, nu altijd achteruit gezet, altijd voor een domoor gehouden en geheel ontmoedigd, kon niet opwerken tegen dezelfde jongens, die vroeger ver beneden hem stonden. Hij begon te sukkelen en werd van school afgenomen. Menige knappe jongen is door zulk een verkeerde behandeling voor zich zelf en voor de maatschappij verloren gegaan. De Latijnsche school is evenals een groote kolenzeef; elk stukje, dat niet een zekeren omvang heeft, moet er doorheen vallen. Dit komt er bij het ziften van steenkolen nu juist niet veel op aan; maar wat dunkt u er van, als zulk een zeef eens gebruikt werd, om steenkolen van diamanten te ziften?
„Die arme jongen!” zeide Ole Bull medelijdend toen iemand van de treê van een omnibus een schooljongen wilde afjagen die ongemerkt dacht meê te rijden. „Die arme jongen! Laat hem daar staan. Wie weet, hoeveel verdriet hij heeft! Misschien leert hij wel Latijn!”
De geestige Heinrich Heine zegt, terwijl hij aan 't lijden van zijn jeugd denkt: „De Romeinen zouden de wereld nooit veroverd hebben, als zij hun eigen taal hadden moeten leeren. Zij hadden er den tijd voor, omdat zij bij hun geboorte al wisten, welke zelfstandige naamwoorden in den accusativus op _im_ uitgaan.”
Daarom keuren wij echter de studie der Grieksche en Latijnsche schrijvers niet af. 't Is een kostbaar voorrecht deze beide doode talen te verstaan; een verstandig beschaafd man, die den omgang met de schitterende vernuften van die oude tijden moet missen, verliest daarbij oneindig veel; doch daarom juist betreuren wij het, dat men maar langs dat ééne dorre, steenachtige, kunstmatige pad, langs dien éénen hobbeligen, rechten, nauwen weg den toegang naar zulk een heerlijk land van kennis vergunt. Wij gelooven niet, dat het noodig is de studie van het Grieksch en Latijn zoo afschrikwekkend te maken. Menigeen, die niet in staat is de paradigmata der Grieksche werkwoorden in geregelde volgorde van buiten te leeren of de lijsten der zelfstandige naamwoorden, die hunnen accusativus op deze of gene wijze vormen, op te zeggen, zou toch wel, als hij zich in 't vergelijken en nadenken oefende, de werken der Grieksche en Latijnsche schrijvers zoo veel kunnen verstaan, dat hij den zin hunner woorden begreep en den geest er van genoot; en daar komt het toch maar op aan. Wij hebben een jongen gekend, die met geen mogelijkheid al de uitzonderingen op de regels der Latijnsche spraakkunst kon opzeggen, maar die toch zijn zakportefeuille met aanhalingen uit de „Aeneïs” volschreef en bloemlezingen uit zijn Grieksch leesboek maakte, terwijl de rector hem alle dagen met zijn taalregels op de pijnbank zette.
Zijn er niet veel Engelsche meesters, veel schrijvers en redenaars, die de lijst van zelfstandige naamwoorden op _y_ met het meervoud in _ies_ en de uitzonderingen daarop, niet van buiten kennen? Hoe weinigen onder ons zouden dit kunnen doen! Zal het een goed schrijver en vloeiend spreker iets baten, of hij Murray's Grammar van A tot Z kan opzeggen? Raakt men wel ooit op zulk een manier waarlijk met een taal bekend?
Tegenwoordig is het paradijs der klassieke litteratuur nog even zoo afgesloten en ontoegankelijk als het Luilekkerland uit de sprookjes. Er is geen bidden aan: de rijstebrij-berg moet doorgegeten, zal men er inkomen. Maar geen wonder dan ook dat menigeen net zoolang staat te hunkeren, totdat hem de trek vergaat en hij geen moed meer heeft om met de rijstebrij te beginnen.
Die leertrant, die geen andere methode duldt of verdraagt, is uitsluitend eigen aan 't onderwijs in de klassieke talen. Veel jongens en meisjes leeren Duitsch, Fransch en Italiaansch lezen en spreken, en genieten volop het genoegen, om met een voor hen geheel nieuwe letterkunde kennis te maken, alleen omdat er een eenvoudiger, natuurlijker, minder pedante manier voor 't aanleeren van die talen bestaat.
Hard volhouden van 't eens aangenomen opvoedingsstelsel maakt menig huisgezin ongelukkig, omdat de familietrots heeft vastgesteld: ieder jongen uit den fatsoenlijken stand—of hij wil of niet—moet op de Latijnsche school gaan, of anders gooit hij zijn naam en eer te grabbelen.
„Niet naar de Latijnsche school?” zegt Scholasticus tegen zijn oudste. „Ik ben er op geweest,—en mijn vader en mijn grootvader en mijn overgrootvader. Zie de lijst van de leerlingen maar eens na en gij zult er telkens, van 't eerste begin af, onzen familienaam op vinden.”
„Maar ik kan geen Latijn en Grieksch leeren,” antwoordt de jongeheer Scholasticus. „Ik kan al die regels en uitzonderingen niet in mijn hoofd krijgen. Ik heb 't geprobeerd, maar ik kan niet. Als u eens voelen kon, wat ik gevoel, terwijl ik daarmeê bezig ben. En ik zou niet altijd de laatste van de klasse willen zijn, al moet ik dan ook krullenjongen worden.”
Onderstel nu, dat de jongen toch tegen wil en dank genoodzaakt wordt om iets aan te leeren, waarin hij geen lust heeft, en dat wel op een manier, waartoe hij een aanleg bezitten moet, dien de natuur hem onthield,—wat gebeurt er dan?
Hij loopt den cursus door, _of_ als een huichelaar, zijn meester en zijn ouders bedriegende, bij allen die hem kennen in minachting,—_of_ hij doet meer dan hij kan en overspant zijn geestkracht, maar blijft met dat al een middelmatig leerling en verliest zijn gezondheid voor zijn geheele leven.
Als men eens in de geleerde opvoeding die ééne methode niet zoo uitsluitend, ten koste van elke andere doordreef, maar erkende dat het groote doel is een taal te verstaan en haar litteratuur te genieten, zoodat wat daartoe volstrekt noodig is, ook hoofdzaak bij 't onderwijs was,—als aan den schildpad de tijd gelaten werd, om naar de bekoorlijke en goddelijke bronnen van den Helicon te kruipen, als het aan den vogel vergund werd daarheen te vliegen en aan den visch, er naar toe te zwemmen,—dan zouden allen er op hunne wijze komen en zich vermeien in zijn bloemen, zijn schoonheid en zijn frischheid.
„Maar,” zeggen de verdedigers van het algemeen aangenomen stelsel, „'t is een goede oefening voor den geest.”
Ik twijfel er aan: ik houd het voor tijdverkwisting.
Als een jongen geleerd heeft, dat in den genitivus pluralis van de eerste declinatie der Grieksche naamwoorden de laatste lettergreep een circumflexus krijgt, maar dat daarop de volgende uitzonderingen zijn: 1. Dat de feminina der adjectiva en participia op—ος,—η—ον in den genitivus pluralis hetzelfde accent hebben als de masculina, maar dat andere adjectiva en participia feminina, in den genitivus pluralis perispomena zijn; 2. Dat de substantiva χρῄστης, ἀφύη, ἐτησίαι en χλούνης in den genitivus pluralis paroxytona blijven,—ik zeg, wanneer een jongen dit en twintig van die dingen uit zijn hoofd geleerd heeft, dan is zijn geest geen zier meer ontwikkeld, dan wanneer hij de lijst memoriseert van de oudste dertien Staten van Noord-Amerika, het getal en de namen der later bijgekomene, den tijd van hunne aanneming en hun bevolking, hun handel, hun bedrijf, enz. Dat zijn ook niets meer dan geheugenoefeningen, maar 't zijn dan ten minste nog oefeningen in dingen die van eenig belang zijn, en waar men iets aan heeft.
Al die regels en uitzonderingen, boven vermeld, zijn zoo weinig noodig om de Grieksche litteratuur goed te begrijpen, dat ik gerust durf zeggen: er zijn vrij wat knappe jongens, die nooit iets van de meesterstukken der Grieken gelezen hebben, dan alleen in vertalingen, en die toch den geest der Grieken en de eigenaardigheden hunner taal vrij wat beter begrijpen en juister waardeeren, dan menige arme jongen, die met een barren Rector achter zich door de origineelen is voortgestrompeld en oogen en ooren vol stof heeft van de Grieksche grammatica.