De kleine vossen

Part 8

Chapter 83,927 wordsPublic domain

Nadat hij Nathalie geheel en al in zijn macht gebracht en een tijd lang zeer op zijn gemak en met een zekere voldoening haar verlegenheid en haar onrust gade geslagen heeft, ontvouwt hij haar eindelijk zijn geheimzinnige plannen, door tegen een van haar minnaars, terwijl zij er bij zit te zeggen, dat het zijn voornemen is, deze jonge dame te vragen, of zij lust heeft zijn vrouw te worden. Gedurende 't engagement echter gelukt het hem, haar kalmte te verstoren door zeer voorbarig te spreken over 't goddelijk recht van den man, en als zij dan wat kriegelig wordt, vindt hij 't, hoe lief hij haar ook heeft, maar beter hun engagement te verbreken, omdat hij niet gelooft dat ze gelukkig met elkander zullen zijn.

Het overige van den roman vertelt ons nu, wat zij beiden te tobben en te strijden hebben, welk een zee van verdrietelijkheden hen overstelpt en hoe hij met iederen dag koeler, trotscher en norscher wordt,—alles de schuld, zooals 't voorgesteld wordt, van die ondeugende Mej. Nathalie; die een heilige van hem had kunnen maken, als ze haar hoogste genot maar daarin gesteld had, dat ze hem zijn zin gaf. Haar geweten klaagt haar aan: het is alles haar schuld; eindelijk onder dien last bijkans bezwijkende, besluit zij zich te verbeteren, gaat naar zijn kamer, vindt hem alleen en werpt zich, hoe stug hij haar ook behandelt, voor hem neer, laat al haar kinderachtigen hoogmoed varen en heeft maar één verzoek: of ze als zijn meid hem mag oppassen. Maar ze wordt nu ook beloond door zijn genadige verzekering dat ze, als ze dan zoo gaarne bij hem wil blijven, _mag_ blijven als zijn vrouw: en de laatste volzin van den roman stelt haar voor op de eenige plaats, zooals we hooren, waar een vrouw wezenlijk gelukkig kan zijn, namelijk aan de voeten van haar lieven man.

Dit is dan, zooals de beschaafdste vrouwen in Engeland meenen, de oplossing van het huiselijk vraagstuk: indien wij ten minste geloof mogen slaan aan de dames romanschrijfsters.

Men mag onderstellen, dat de Britsche leeuw aan zijn eigen huiselijken haard, die daar in al zijne majesteit met zijn rug naar het vuur en zijn handen onder zijn rokspanden staat, niet zulke onbehoorlijke discussies te voeren heeft, daar zijn wederhelft geleerd heeft, zooals Miss Bronté zegt, dat haar plaats aan de voeten van haar meester is, en het voor 't grootste geluk houdt, een schilderij juist zóó te hangen en een piano juist zóó te zetten, als hij het graag heeft.

Natuurlijk zal zoo iets door onze lieve republikeinsche vriendinnen met een algemeenen kreet van afgrijzen worden aangehoord, en zullen zich evenzeer alle heeren hier te lande daaraan ergeren, die,—dunkt mij ten minste, tamelijk verlegen zouden zijn met zulk een volstrekte opperheerschappij in huis.

De aard onzer instellingen begunstigt in geenen deele het uiterlijk vertoon van gezag. Wel bestaat het noodige gezag onder ons, maar 't bestaat in stilte en werkt zoo min mogelijk naar buiten.

Onze president[1] is niets meer dan een medeburger, en staat, wat zijn persoon betreft, met alle andere burgers gelijk. Wij gehoorzamen hem, omdat wij hem verkozen hebben, en omdat wij wenschelijk achten, dat er in 't bestuur onzer aangelegenheden een hoogst beroep en een beslissende stem is.

[1] Men bedenke dat de schrijfster in de Vereenigde Staten van Amerika woonde. Vert.

De plaats, door den Bijbel en het huwelijksformulier aan den man in het huisgezin toegekend, is niet hooger. In alles, wat stoffelijke belangen, de wettelijke rechten en plichten, den maatschappelijken rang en stand van 't gezin betreft, is de man het hoofd; en een vrouw, die achting heeft voor zich zelve, zal evenmin in twijfel staan in dit opzicht eerbied en gehoorzaamheid te beloven, als een staatsbeambte zich aan den president te onderwerpen. Maar omdat de president hooger in rang is dan de secretaris, volgt daaruit evenmin dat in hunne onderlinge betrekking de eene onvoorwaardelijk bevelen en de ander zich slaafs onderwerpen moet, als dat de hooger geplaatste zich het recht zou mogen aanmatigen, alle zaken en alle daden, welke dan ook, van den mindere te regelen. Er is nog een groot gebied,—ook in 't huwelijksleven,—waarop ieders persoonlijke vrijheid ongekrenkt moet blijven;—en die te schenden, die op een toon van gezag te overheerschen—welk verstandig man ziet niet in, dat hij, door zóó iets te willen, zich bespottelijk zou aanstellen?

Bij het apostolisch woord: „De man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het hoofd der gemeente is”, mogen wij de in het oog vallende punten van verschil niet vergeten, die er tusschen Christus en den man bestaan. Zeker kent het aan den man niet de rechten toe, die alleen uit almacht en alwetendheid voortvloeien, maar 't beteekent eenvoudig, dat hij in 't huiselijk leven het hoofd en de beschermer is, evenals de Zaligmaker dit is voor de gemeente. Het drukt niets anders uit, dan wat een vaste natuurwet in onze maatschappij is, geldig onder alle geslachten en alle rassen, en overal terug te vinden, waar ook maar menschen wonen.

Dat sommige—anders zeer verstandige—vrouwen zich vaak onverstandig en kinderachtig tegen deze waarheid verzetten, komt alleen, denk ik van de dwaze overdrijving, waartoe ze aanleiding geeft. Even dwaas is het over 't woord „gehoorzaam” in het trouwformulier te pruttelen, als het voor een officier zou zijn zich te verzetten tegen de krijgstucht, of voor een ambtenaar, om de gelofte van getrouwheid aan de grondwet te weigeren.

Laat van twee jongelieden, die tot denzelfden stand behooren en als vrienden met elkander omgaan, de een overste en de ander luitenant wezen. De luitenant zou even dwaas doen met zich in te beelden, dat hij aan iemand, die zijn gelijke is, niet behoeft te gehoorzamen, als de overste, met een meesterachtigen toon van gezag aan te nemen, wanneer het geen dienstzaken geldt.

Eigenlijk is de geheele quaestie over 't meesterschap tusschen twee rechtgeaarde, welopgevoede, Christelijke echtgenooten in onze negentiende eeuw even dwaas.

Om in de behoeften en 't onderhoud der zijnen te voorzien en voor hun goeden naam en hun welstand in de maatschappij te zorgen, is aan den man een zekere macht verleend, maar hij heeft daarom nog niet het recht, om in den huiselijken kring eigendunkelijk over de kleine gewoonten en liefhebberijen der zijnen heerschappij te voeren. Even weinig als hij 't zou mogen doen, wanneer hij niet het hoofd des huizes was, even weinig heeft hij nu een goddelijk recht om te eischen, dat alles naar zijn zin zal worden ingericht, al is 't ook in strijd met hetgeen zijn vrouw wenscht en verlangt. In duizende onverschillige dingen, die 't fatsoen en de deftigheid van 't gezin niet raken, moet hij evenzeer nu en dan zijn eigen zin en zijn eigen inzicht opgeven ter wille van zijn vrouw, als zij verplicht is, zich in andere opzichten aan zijn beslissing te onderwerpen. In de meeste gevallen staan man en vrouw volkomen gelijk voor God, en zoo een van beiden, wie dan ook, aan onredelijke eigenzinnigheid toegeeft, die begaat _zonde_.

't Is mijn vaste overtuiging, dat zulke boeken als ik straks met een enkel woord heb besproken, een allernadeeligste uitwerking hebben, daar zij aan den man een vrijbrief voor zelfzucht en stijfhoofdigheid geven en bij de vrouw de onware gedachte doen post vatten, dat ze in alles maar, tot in 't onredelijke toe, onderdanig moet zijn.

Is 't gelukkig voor een man in zijn vrouw iemand te vinden, die zijne eigenliefde streelt en zijn zelfzuchtige grillen zwijgend verdraagt,—is 't gelukkig voor hem gevierd en gevleid en gevoed te worden in al zijn gebreken en pruttelarijen, zoodat iedereen in den huiselijken kring aanbiddend neêrknielt voor zijn wil? Is dit het ware middel, om een rechtgeaard en Christelijk echtgenoot van hem te maken? Ik geloof zeker, dat vele zoogenaamde goede vrouwen, indien haar echtgenooten slechte Christenen zijn, er vrij wat schuld aan hebben.

De kleine alledaagsche dingen, waarin man en vrouw 't niet eens zijn, moeten natuurlijk geregeld worden, maar niets dwazer, niets verkeerder voor de goede orde is er, dan die te regelen alleen door gezag. Al het romantische, al het poëtische, al het schoone is voor altijd uit 't huwelijk verdwenen, zoodra man en vrouw om het meesterschap beginnen te strijden. Neen, er bestaat geen ander middel om moeielijkheden van dien aard uit den weg ruimen, dan door van beide kanten daarin te handelen, zoo als gezond verstand en godsdienst ons voorschrijven.

Met eenig nadenken zal ieder die gezetheid op kleinigheden uit het toegeven aan 't instinct van eigenzinnigheden ontstaan, bij zich zelven kunnen waarnemen en tot waakzame zelfbeheersching gedrongen worden.

Onder allen, die op beschaving en ontwikkeling hunner vermogens prijs stellen, moest er niemand zijn, die niet de kunst bestudeerde, hoe men op de aangenaamste wijze zijn gevoelen kan opgeven. Wat ons in hoogere gezelschapskringen vooral aantrekt is de ongedwongenheid, de gemakkelijkheid, waarmeê de een zich voegt naar den ander, diens vormen overneemt en door denzelfden smaak als hij zich besturen laat.

In zulke kringen vindt ge geen stijve spoorwegen, die recht door alles heen snijden en telkens piepen en knarsen, maar zacht vlietende, kronkelende rivieren, die rustig en kalm hare richting veranderen, naar dat iedere bocht van de bevallige oevers het meêbrengt. Wat het bekoorlijke van beschaafde gezelschappen uitmaakt, kan even goed het bekoorlijke van 't huiselijke leven verhoogen: maar dit is alleen mogelijk indien ieder lid van 't gezin zich zelven nauwlettend bewaakt en krachtig beheerscht.

Sommige menschen hebben in dit opzicht een zwaarder strijd te voeren dan anderen. Ze zijn van nature stipt en nauwkeurig; ze hebben muurvaste gewoonten: alles moet op de minuut af gebeuren; en de minste afwijking van den dagelijkschen regel hindert en ontstemt hen.

Ongelukkig genoeg nu, ziet men het, tien tegen één, gebeuren, dat zulk een soort van menschen smoorlijk verliefd raakt op personen van een geheel tegenstrijdig karakter.

De man van de klok, die op stipte orde en regel gesteld is, laat zich geheel inpakken door een zieltje zonder zorg, dat nooit den datum weet, dat de courant verscheurt, den huissleutel laat slingeren, en papillotten van quitantiën maakt;—of ook een keurig net meisje, wier zaakjes even precies geschikt zijn als de cellen van een bijenkorf, schenkt haar hart aan een wildzang, die haar heiligdom met modderige laarzen binnen klotst, al haar kleine huisgoden omvergooit, als hij uit jagen of visschen gaat, en maar niet kan begrijpen, dat zij daar boos om wordt.

Hoe moet het met zulke echtparen gaan, als zij niets weten willen van de minnelijke schikkingen die rede en verstand aan de hand doen,—als ieder zijne eigenaardigheden met de kracht van eene onverzettelijke hoofdigheid wapent en ze ten koste van den ander doordrijft?

Voor een man en vrouw, die zoo zeer in geaardheid verschillen, bestaat de ware levenswijsheid hierin, dat zij in plaats van levenslang te kibbelen en overhoop te liggen, hunne eigene wenschen en inzichten wijzigen, hunne oogen afwenden van 't geen hun niet aanstaat, om ze te richten op 't geen hun wel bevalt, en het vaste besluit nemen om, hoe redelijk 't een of ander ook wezen mag, waarop zij gesteld en waaraan ze gewoon zijn, alles liever ten offer te brengen, dan aanleiding te geven tot huiselijke oneenigheid.

Vooral één manier van volhouden is verdrietig en lastig; ik bedoel die hoofdigheid, waarmeê iemand, zoodra er maar de minste aanmerking op hem gemaakt wordt, terstond gaat tegenspreken en iets opzoekt, om zich te verdedigen.

Johan zegt tegen zijn vrouw, dat zij dien morgen een half uur te laat met het ontbijt is,—en zij ontkent dit stijf en strak.

„Kijk dan maar op mijn horloge.”

„Je horloge loopt niet goed.”

„Ik heb het met de buitenklok gelijk gezet.”

„Dat is al een week geleden: je horloge loopt altijd vóór.”

„Neen, beste! dat heb je mis.”

„Dat heb ik niet. Heb ik je het niet zelf tegen mijnheer B. hooren zeggen?”

„Lieve! dat is al een jaar geleden,—voordat ik het schoon had laten maken.”

„Hoe kan je _dat_ nu zeggen, Johan? Het is nog maar een maand geleden!”

„Lieve! je hebt het mis.”

En zoo wordt de strijd voortgezet, terwijl ieder graag het laatste woord wil hebben.

Die zucht om 't laatste woord te hebben heeft meer kwaad in de huisgezinnen gesticht en meer Christenen onchristelijk gemaakt, dan de heele zaak waard is. Duizend van die kleine oneenigheden zouden van zelf doodbloeden, als beide partijen dit maar toelieten. Laat het waar zijn, dat Johan zich vergist, als hij zegt, dat het ontbijt te laat klaar is,—laat er grond wezen of niet voor honderd kleine aanmerkingen, die wij op elkander maken,—maar zijn ze waard, dat wij er een discussie over beginnen? Zijn ze zulke stekelige woorden waard, als er altijd uit die discussies voortvloeien? Zijn ze waard, dat er vrede en liefde door verloren gaan? Zijn ze waard dat ge er het eenige, ons nog op aarde overgebleven ideaal,—een rustig gelukkig te huis—voor zoudt prijs geven?

Liever gezwegen, al hebt ge 't grootste gelijk van de wereld, dan u er aan gewaagd, dat ge uit uw humeur raakt, door er over te gaan redeneeren.

Zulk een woordenstrijd, vóór en tegen, waarbij elke partij maar al te gauw warm wordt, is nooit aangenaam in 't huiselijk leven en onder na-betrekkingen nooit zonder gevaar. Doorgaans is 't alleen een bedekt middel om hoofdigheid te believen, dat zelden een andere uitwerking heeft, dan beide partijen nog veel onverzettelijker te maken, dan vroeger.

Een kalme overweging van tegenovergestelde inzichten, een bedaarde opgave van de gronden, die ieder voor zijn gevoelen heeft, kan nuttig wezen; maar als warmte en hitte en eigendunk en de zucht om gelijk te hebben zich in het gesprek mengen, dan zijn wellevendheid en welgehumeurdheid er maar al te spoedig aan toe, om ons te verlaten.

* * * * *

Zoo ver had Christoffel 't met zijn verhandeling gebracht, toen hij een oogenblik stil hield en naar een krachtig slot voor zijn rede zocht. Een vers of wat viel hem daarbij in, waarin zóó juist al wat hij gezegd had werd uitgedrukt, dat men 't hem wel ten goede zal houden, dat hij met die verzen zijn lezing eindigde:

Helaas! hoe nietig klein een reden Verwijderd soms een huwlijkspaar, Dat onder 's werelds tegenheden Onwrikbaar trouw bleef, van elkaar; Wier liefde stormen en gevaren Trotseerde, en nu.... daar 't zonlicht blinkt, Gelijk een schip in 't hart der baren Bij doodsche stilte,—op eens verzinkt.

Een enkel woord, een enkel teeken; Een enkle blik verkeerd verstaan: Een ademtocht—en 't is bezweken Wat door geen stormen kon vergaan. Na 't eerste woord volgt ras een tweede, Dat d' eens gemaakte bres verwijdt: Ach, straalde 't oog van liefde en vrede, Bij 't mingekoos van vroeger tijd,— Klonk toovrend toen in al hun spreken De zachte toon der teerheid door,— Voor altijd is die straal geweken, En ging die liefdeklank te loor.

Een wolk, door storm uiteengereten, Is beider hart gelijk,—een vliet, Die boven langs de heuvelketen In dartel spel haar watren schiet, Alsof ze nimmer zouden scheiden; Maar, eer zij neêrstort in de beemd, Ze heinde en ver uiteen zal spreiden, Voor eeuwig van elkaar vervreemd.

ONVERDRAAGZAAMHEID.

V.

ONVERDRAAGZAAMHEID.

„Waarover zult gij van avond in onze huiskerk preeken, Christoffel?”

„Ik zal een preek houden over _onverdraagzaamheid_,” gaf ik mijn vrouw ten antwoord.

„Over onverdraagzaamheid in den godsdienst?”

„Neen, over onverdraagzaamheid in 't huisgezin en in de opvoeding onzer kinderen,—een van de zeven doodzonden, waarvan ik er nu al vier heb gepreêkt—een van „de kleine vossen””.

Men meent gewoonlijk, dat de onverdraagzaamheid, die er in dit leven bestaat, uitsluitend op 't gebied van godsdienst gevonden wordt, terwijl toch deze soort van onverdraagzaamheid niet dan een zeer klein onderdeel is van de ingewortelde, harde, allesbeheerschende onverdraagzaamheid onzer menschelijke natuur.

Geneeskundigen zijn even onverdraagzaam als godgeleerden. Zij hebben nooit de macht gehad, om anderen wegens hunne medische gevoelens op den brandstapel te brengen, maar 't heeft hun zeker aan den wil niet ontbroken. Staatkundigen zijn onverdraagzaam. Wijsgeeren zijn onverdraagzaam, inzonderheid zij, die zich veel op hunne vrijzinnige gevoelens laten voorstaan. Schilders en beeldhouwers zijn onverdraagzaam. En huisvaders en huismoeders zijn onverdraagzaam, hatelijk en onverdraagzaam op alle artikelen van den catechismus, dien zij voor hun huishouden hebben aangenomen.

Mevrouw Perfect preêkt in haar huiskapel tegen de ontaarding van de tegenwoordige manier van huishouden, niet minder scherp dan Dominé Houvast tegen den afval van het goede oude geloof uitvaart.

„Spreek mij niet van kussensloopen, die niet geregen worden,” zegt Mevrouw Perfect; „het staat leelijk en slordig. Ik zou zoo'n kussensloop evenmin in mijn huis willen hebben als ongedierte.”

„Maar,” brengt eene jonge huishoudster, die zich bewust is kussensloopen met bandjes in huis te hebben, zeer bescheiden daartegen in, „zoudt ge niet denken, mevrouw Perfect! dat men best buiten zulke ouderwetsche gebruiken kan? Het is waarlijk niet noodig, er zoo veel werk van te maken als men vroeger deed, met die breede zoom, die tusschenzetsels en vetergaten,—alles precies af te passen en keurig te stikken. Ik zal niet anders zeggen, of het staat heel netjes; maar als eene vrouw een huis vol kleine kinderen en een schraal inkomen heeft, dan mag zij haar heele leven wel met naaien doorbrengen, als zij alles zóó in de puntjes wil hebben. Is het niet beter dat zij er wat losser over heen loopt, en wat beweging in de open lucht neemt?”

„Spreek mij niet van lucht en beweging! Wat deed mijn grootmoeder? Wel, zij deed al haar werk zelve en naaide grootvaders jabots met de fijnste stiksteken, en ik verzeker u dat zij genoeg beweging had. De vrouwen van den tegenwoordigen tijd zijn ellendige, ziekelijke, vertroetelde schepsels.”

„Maar, beste mevrouw! denk eens aan juffrouw Sloof, hier over de deur, met haar bleek gezicht en haar acht kleintjes.”

„Een slechte huishoudster,” zegt mevrouw Perfect. „Zoo ze maar, net als ik, het geheele jaar door om vijf uur opstond, dan zou zij tijd genoeg vinden om alles netjes te doen, en er beter aan toe zijn.”

„Maar, beste mevrouw! juffrouw Sloof is zoo tenger, zoo zenuwachtig.”

„Zenuwachtig! Allemaal gekheid! Ieder mensch is tegenwoordig zenuwachtig. Zij kan 's morgens niet vroeg opstaan, omdat zij zenuwachtig is. Zij kan niet netjes naaien, omdat zij zenuwachtig is. Wel, ik zou zeker net zoo zenuwachtig geworden zijn, als ik mij ook zoo vertroeteld en verwend had. Maar ik sta vroeg op, dan ga ik vóór 't ontbijt een kwartier of een half uur omwandelen, en als ik t'huis kom, ben ik er geheel van opgefrischt. Ik naai alles zelve en geef geen stukje buiten de deur, en ik geloof toch dat mijn goed netjes genaaid is. Ik maak altijd de onderkleêren van mijn man en van mijn kinderen, en ik zeg u, dat ze gemaakt worden precies zoo als 't hoort,—en toch weet ik overvloed van tijd te vinden voor wandelen, visites maken en boodschappen. Een vaste wil en een goed overleg, daar komt het op aan.”

„Het is inderdaad verwonderlijk, mevrouw Perfect, dat ge zoo veel kunt afdoen; maar zijt ge somtijds wel niet eens doodmoê?”

„Neen, niet dikwijls. Wel moet ik zeggen, dat ik in de week vóór Kersttijd wezenlijk moê was, nadat ik op één dag achttien taarten en tien koeken had klaar gemaakt en gebakken; maar ik gaf er niet aan toe. Ik zei tegen mijn man, dat ik wel wat zou uitrusten, als wij een ritje naar New-York deden, en dit gebeurde ook. Juffrouw Sloof, denk ik, zou gezegd hebben, dat zij naar bed moest, en had zich een maand lang vertroeteld.”

„Maar, beste mevrouw Perfect! als ze nu 's nachts geen oog dicht kan doen van de schreeuwende kinderen...”

„Men hoeft geen schreeuwende kinderen te hebben; mijn kinderen schreeuwden nooit; 't hangt er maar van af, hoe men de kinderen went. Ik zou met mijn kinderen wel den heelen nacht hebben kunnen tobben, even als juffrouw Sloof, maar daar paste ik wel op. Ik nam ze 's avonds om tien uur op, gaf ze dan de borst en verdroogde ze nog eens; en dan waren ze tot 's morgens stil. Geen van mijn kinderen heeft mij nog een slapeloozen nacht bezorgd.”

„En als zij tanden kregen?”

„Ook niet. Ik wist daar een middeltje op. Ik stak het tandvleesch door, net als een chirurgijn, en ik had er nooit moeite meê; 't hangt alles maar van de behandeling af. Ik speende ze allen ook zelve; al dat tobben met kinderen, die gespeend worden, is maar gekheid.”

„Mevrouw Perfect! gij zijt een geleerde huismoeder, maar 't is toch onmogelijk ieder kind op die manier groot te brengen.”

„Maak me dat niet wijs: men moet ze maar dadelijk zoo wennen, als men wil. Geloof me, ik heb het met mijn achttal wel ondervonden.”

„Maar dat ééne kind van juffrouw Sloof maakt meer leven dan al uwe acht samen. Het schreeuwt zóó geweldig dat er alle nachten iemand meê over de kamer moet loopen; de kindermeid kan het niet uithouden en de juffrouw zelve wordt er ziek van.”

„Dat behoefde volstrekt niet; 't is niet anders dan 't gevolg van een verkeerde behandeling. Denk eens, dat ik met mijn kinderen 's nachts over de kamer had moeten loopen, dan zou ik nog al wat werk gehad hebben; maar ik zet het op de rechte wijze in. Ik wilde, dat ze stil zouden blijven liggen, en zij deden het; en als zij schreeuwden, stak ik nooit een kaars aan en nam ik ze nooit op, maar nam er volstrekt geen notitie van en dan vielen zij langzamerhand in slaap. Kinderen merken gauw, of zij met hun schreeuwen wat gedaan krijgen of niet, kinderen schreeuwen alleen maar uit kwaadheid; en als ik ze op geen andere manier tot bedaren kon brengen, dan gaf ik ze een paar fiksche klappen, en zoo merkten zij al spoedig, dat al hun geschreeuw hun niets hielp.”

„Maar, beste mevrouw, gij zijt een stevige, gezonde vrouw, en uw kinderen waren het ook.”

„Nu, ik zou wel eens willen weten, of dat kind van juffrouw Sloof ook niet gezond is? 't Is immers een flink kind, dat zoo ferm groeit, als ik ooit een kind heb zien groeien. Dat kind scheelt niets anders, dan dat het zijn nukken heeft en dat zijn moeder hem vertroetelt.”

Die mevrouw Perfect staat in de buurt, waar zij woont, bekend als het model van een vrouw. Haar gebak is nooit testig; haar bont is altijd vrij van de mot; hare kleeden verschieten nooit; haar inleggoed bederft niet; de meiden doen er precies wat ze doen moeten; de kinderen maken nooit een rommel in de kamer; en zijn ze aan de borst, dan schreeuwen ze nooit, maar slapen den heelen nacht door,—en nooit van zijn leven heeft mijnheer Perfect nog behoeven te zeggen: „Lieve, er is een knoop van mijn overhemd.” Er komen nooit vliegen bij haar in de keuken, er liep nog nooit een duizendpoot in den kelder en een spin heeft nooit den tijd gehad om een web in een van haar kamers te maken. Alles bij haar aan huis blinkt en glimt en glinstert van zindelijkheid,—in de fijnste puntjes keurig en net,—en 't is mevrouw Perfect, die dat alles doet, altijd in de weêr, altijd gekleed, altijd attent, overal bij de hand en nooit vermoeid.

Terwijl nu mevrouw Perfect zoo uitmuntend haar huishouden bestuurt, is zij bovendien lid van allerlei liefdadige comité's, maakt handwerkjes voor bazaars en verlotingen, en al wat zij doet, doet zij keurig. Zij is altijd even gedienstig, behulpzaam en welwillend, en de maatschappij heeft alle reden om zich te verblijden dat zij er is.