Part 7
Onze Leander en Hero dan, die van daag hun optrek in orde brengen, zullen mijn meening juist van pas toelichten. Beiden zijn tot nog toe niet veel meer dan kinderen geweest,—beiden afgodisch vereerd in den kring, waarin zij zijn groot gebracht, als toonbeelden van goeden smaak;—natuurlijk hebben beiden het zeer eigenaardige van dien smaak vrij wat verscherpt en veel daaraan toegegeven. Zij koesteren voor elkander waarachtige, innige achting en liefde, die op den hechtsten en heiligsten grond steunt: omdat er overeenstemming tusschen hen bestaat in de hoogste aangelegenheden. Beiden zijn edel van hart en diepgevoelig,—beiden uiterst beschaafd, schrander, kiesch van smaak,—beiden waarachtig godsdienstig; en toch moet ik u zeggen, dat het eerste jaar in de geschiedenis van hun huwelijksleven geen anderen naam verdient, dan: _een jaar van gevechten_.
Ja, die beiden geliefden, zoo trouw, zoo innig verknocht, in menig opzicht zoo voortreffelijk, kunnen zich in 't echtelijk leven niet met elkander vereenigen, zonder dat er een opbruising volgt, even hevig als bij 't vermengen van loogzout met een of ander zuur; en 't zal niet uit te maken wezen, wat de meeste schuld daaraan heeft, het zuur of het loogzout, omdat beide van de beste qualiteit zijn.
De reden daarvan is, dat beiden „stijf op hun stuk staan,” en dat er geen twee menschelijke wezens te vinden zijn, die altijd en in alles volkomen overeenstemmen. Beiden hebben een zeer bepaalden smaak en zijn zeer beslist in hun keus. In de eenvoudigste dingen hebben beiden een _gevoelen_, een bepaald gevoelen,—dat zij voor geen geld ter wereld zouden opgeven. Er is geen wensch zoo gering, geen kleinigheid zoo nietig, dat zij niet zouden weten, wat zij er van verlangden,—en daarin kan noch redeneering noch vloed van lieve woordjes verandering brengen!
't Is een heerlijke morgen, stralende van licht en geluk: in haar luchtig ochtendgewaad, met haar keurig sluitende laarsjes, klimt ze over de kisten en koffers, die in de veranda uitgepakt zijn; en hij, zalig in 't bezit van zulk een lief vrouwtje, kan 't haast niet dulden, dat zij die bevallige voetjes gebruikt, en zoekt allerlei voorwendsels, om haar telkens over de kisten heen te tillen en in triomf naar haar nieuwe woning te voeren.
De kleeden zijn gelegd, en nu zullen de meubelen ingedragen worden.
„Zet de piano maar voor het raam,” zegt mevrouw.
„Neen, niet voor het raam,” zegt mijnheer.
„Wel beste! 't spreekt immers van zelf, dat zij voor het raam moet komen. Wat zou zij ergens anders leelijk staan. Ik heb de piano's nooit anders dan voor de ramen zien staan.”
„Lieve! je wilt toch het mooie uitzicht, hier uit dit raam, niet wegnemen door er een piano voor te zetten. De beste plaats is dáár, in den hoek. Probeer het maar eens!”
„Lievert! mij dunkt, dat zij daar heel .... vreemd zou staan; 't zou de heele kamer bederven.”
„En mij dunkt, beste! dat de kamer er juist van bederven zal, als we de piano voor die vensterbank zetten. Denk eens, wat een prettig plaatsje het wezen zal, om dáár te zitten.”
„Net alsof wij niet achter de piano konden zitten als wij dat verkozen,” brengt mevrouw in 't midden.
„Maar toch, hoeveel ruimer en gezelliger ziet de kamer er uit, als je meteen bij 't binnenkomen door het raam 't uitzicht op de kleine vallei hebt en eventjes in de verte de spits van den dorpstoren ziet!”
„Maar ik kan er mij nooit meê vereenigen, dat de piano zoo in een hoek gestopt wordt”, zegt Hero. „_Ik sta er op_, om haar voor het raam te zetten. Zoo staat de piano van mama ook, en van tante Jans, en van mevrouw Wilson: iedereen heeft zijn piano zoo staan.”
„Als je begint te spreken van er op te staan,” zegt Leander „dan kan ik dat van mijn kant even goed doen.”
„Maar, schat! je weet toch wel, dat de huiskamer tot het departement van de vrouw hoort.”
„Niet van een getrouwde vrouw, zou ik denken. Ik geloof, dat de huiskamer even goed tot het departement van den man hoort, omdat hij er een groot gedeelte van zijn tijd in zal doorbrengen.”
„Maar mij dunkt, dat je iets niet zoo moest doordrijven als je weet, dat het mij displezier doet,” zegt mevrouw.
„En mij dunkt, dat _jij_ iets niet zoo moest doordrijven als je weet, dat het mij displezier doet,” zegt mijnheer.
En nu beginnen Hero's wangen te gloeien en kookt het van binnen, en zegt ze:
„Welnu, als je er dan op staat, dan moet de piano maar zoo gezet worden, als je verkiest, maar dan zal ik er ook nooit met plezier op spelen!” Zoo gaat ze de kamer uit en laat den overwinnaar alleen, die bitter ongelukkig met zijn overwinning is.
Hij loopt haar achterna en vindt haar boven, troosteloos en weenende, op een koffer zitten.
„Kom Hero! hoe kan je nu zoo kinderachtig zijn? Ik wil je je zin wel geven.”
„Neen—het moet nu maar zoo blijven, als je verkiest. Ik had vergeten, dat gehoorzamen de plicht van de vrouw is.”
„Gekheid, Hero! Wees toch verstandig. Laten we niet kibbelen, alsof we kinderen waren.”
„Maar 't is toch zoo klaar als de dag, dat ik gelijk had.”
„Hoor eens, beste! ik kan onmogelijk toestemmen dat je gelijk hebt; maar ik heb er niet op tegen, dat de piano naar je zin gezet wordt.”
„Ik kan maar niet begrijpen, Leander! dat je niet inziet, hoe leelijk de piano in dien hoek zou staan. 't Zou mij hinderen, zoo dikwijls ik de kamer binnen kwam en 't zou in dien hoek veel te donker zijn, om de noten te zien.”
„En ik kan maar niet begrijpen, Hero! dat een vrouw van zooveel smaak niet inziet, hoe leelijk de kamer er van wordt, als men dat raam bezet. 't Is het mooiste plekje van 't heele vertrek.”
Zoo blijven zij in denzelfden kring ronddraaiende, altijd op dezelfde manier redeneerende, gedurig meer ontstemd en stekeliger, beide ten volle bereid (zoo als zij zeggen) om in vredesnaam toe te geven, maar ook beide met alle klem betoogende, dat toch hun gevoelen het beste is, zoodat aan weêrskanten het dierlijk instinct van hoofdigheid gedurig meer toeneemt en al gaande weg sterker wordt. In de hitte van dien woordenstrijd vliegen er ondertusschen enkele schimpscheuten en hatelijkheden, even als splinters van de lansen in een tournooi. Hij zegt haar in zijn drift, dat zij zich maar slaafs aan de dwaasheden van de groote wereld houdt, zonder eenig idée van orde en bevallige schikking te hebben,—en zij op haar beurt verwijt hem, dat hij in alles de baas wil wezen en zijn eigen hoofd volgt; en zoo duurt dit gevecht den geheelen dag voort, nu en dan met tranen en kussen geschorst door een korten wapenstilstand, die echter verraderlijk telkens weer geschonden wordt door die ongelukkige woorden: „Lieve! met dat al moet je toch toestemmen, dat _ik_ gelijk had,” hetgeen natuurlijk het sein is, om het gevecht weer van voren af aan te beginnen.
Zulk een lang volgehouden kibbelarij is de moeder van een menigte kleinere schermutselingen,—daar de boven genoemde splinters van hatelijke opmerkingen en verwijten, die in het heetst van den strijd overal rondvlogen, zich in 't vleesch vasthechten, daar ontsteking veroorzaken en langzaam verzweren moeten. Schuilt er echter op den bodem des harten en in rijken overvloed echte, ware liefde, dan gaat het genot der verzoening 't verdriet van die kleine geschillen zóó veel te boven dat ze geen van beiden recht inzien wat zij doen, en van verre niet vermoeden dat zulk eene innige liefde, als zij voor elkander gevoelen, door deze kibbelarijtjes, die toch eigenlijk niets te beduiden hebben, ernstig kan bedreigd worden.
Doch de oorzaak van al die moeilijkheden, de verborgen, onbewaakte, maar geweldige macht der eigenzinnigheid in kleinigheden maakt, dat dergelijke tooneelen gedurig weer voorkomen. Bij voorbeeld, terwijl het nu eens tusschen de buitjes door helder is, bezorgt Hero voor haar Leander een „maaltijd van vrede en welbehagen”, en maakt een slaâtje voor hem klaar—neen, maar een pronkjuweel van een slaatje. Ook Leander is vroolijk en in zijn humeur; maar, na even van de sla geproefd te hebben, schuift hij zijn bord op zij.
„Beste! smaakt de sla je niet?”
„Neen, lieve! ik eet nooit iets, waar slaolie in is.”
„Geen slaolie? Hoe gek! Ik heb nog nooit van sla zonder olie gehoord.” En mevrouw ziet er alles behalve lief uit.
„Maar, lieve! zooals ik je zeg, ik gebruik ze nooit. Ik houd meer van suiker en azijn over de sla.”
„Suiker en azijn! wel Leander! hoe is het mogelijk! Dat eten de boeren immers? Je moet waarlijk nog eens probeeren, of de sla je niet smaakt,” voegt ze er bij op een vleiende toon.
„Lieve! ik probeer _nooit_, of iets mij smaakt, dat ik nog nooit geproefd heb. Ik houd me maar bij het oude.”
„Ik moet zeggen Leander dat ik dit alles behalve aardig van je vind.”
„En ik vind het niet aardig van je, dat je mij iets wilt opdringen, waar ik niet van houd.”
„Maar je zoudt er wel van houden, als je 't maar eens woudt probeeren. 't Is er net mee als met olijven: ik heb wel eens gehoord, dat enkele menschen daar vreeselijk tegen zijn, maar als zij die een keer of wat gegeten hebben, worden zij er dol op.”
„Dan dunkt mij, dat zij al heel dwaas zijn met zoo veel moeite te doen, daar er toch zeker eten genoeg is waar zij van houden.”
„Ik geloof toch niet, Leander! dat zoo iets beleefd of innemend is. Mij dunkt, wij moeten ons best doen, om ons naar den smaak van onze vrienden te schikken.”
„Welnu, schat! dan moet gij maar eens probeeren, of je niet van sla met suiker en azijn houdt.”
„Maar dat vind ik zoo iets raars en onfatsoenlijks! Heb je ooit gehoord, dat er sla met azijn en suiker aangemaakt, op een deftige tafel kwam?”
„De tafel van mijn moeder was toch, dunkt mij, deftig genoeg, en daar heb ik de sla zoo leeren eten. Je bekreunt je voor een verstandige vrouw veel te veel om de mode en wat de fatsoenlijke menschen er van zullen zeggen.”
„Dat heb je me verleden week ook al gezegd, en ik geloof dat ik zoo iets niet verdien, in 't geheel niet verdien,” antwoordt Hero met nadruk.
„Evenmin verdiende ik het verwijt, dat ik in alles de baas wil wezen en altijd mijn zin doen.”
„Maar, beste Leander! nu zal je toch wel moeten erkennen, dat er wat van aan is.”
„Dat zie ik nog niet in.”
„Je staat zoo stijf op je stuk, dat hemel noch aarde je verwrikken kan.”
„Sta ik dan meer op mijn stuk dan jij?”
„Wel zeker doe je dat,” zegt Hero.
„Dat heb je toch glad mis.”
Hero slaat hare oogen naar boven en reciteert met zekeren nadruk:
Mogen we eindelijk daarin slagen— Wie verlangt en bidt het niet?— Dat wij zóó ons zelven zagen, Als ons ieder ander ziet.
„Juist,” zegt Leander. „Ik hoop, dat je gebed voor je zelve rijke verhooring mag vinden, lieve!”
„Ik geloof, dat je er plezier in hebt, mij boos te maken,” zegt Hero.
„Maar, lievert; wat ben je toch dwaas en kinderachtig,” zegt hij weêr. „Waarom kunnen wij elkaâr toch niet met vrede laten?”
„Jij bent begonnen.”
„Neen, schat! 'k vraag je wel excuus, _jij_.”
„Stellig niet. Leander! jij begon.”
Nu kan een gesprek van dien aard uren achtereen duren, zoolang de respectieve partijen adem en kracht behouden, terwijl ze al stijver en stijver op hun stuk staan, al weten zij heel goed, dat zij met iets, al is het nog zoo weinig, toe te geven, er terstond een einde aan zouden maken.
_Zij_ zou kunnen zeggen! „Welnu, beste: je zult de sla altijd zóó hebben, als je ze 't liefst hebt,” en _hij_ zou kunnen zeggen: „Lieve! als je 't graag hebt zal ik eens probeeren of ik van de sla, zooals jij ze klaarmaakt, houd.” Zei Hero maar het eerste of Leander het tweede, dan zou de ander van zelf toegeven. De een zou wel volgen, als de ander het maar eerst wou doen; maar zooals het nu is, doen zij mij denken aan een paar koeien, die ik eens in een weî heb zien staan met de horens vlak tegen elkander, zoodat geen van beiden een duim breed vooruit of achteruit kon. 't Is niets anders dan de dierlijke kracht van koppig volhouden; met ons verstand of ons geweten of ons godsdienstig gevoel heeft het niets uit te staan.
De geschilpunten, waarover op deze wijze door het jeugdige echtpaar getwist werd, waren verwonderlijk vele: zoo, bij voorbeeld, of de mooie gravure naar de schilderij van Turner in de huiskamer of in de zijkamer hoorde,—of ze hun landschap zouden ophangen of dat het beter op den ezel zou staan,—of de buste van Psyche op de marmeren tafel in de vestibule moest gezet worden, dan wel of ze beter voldoen zou op de boekenkast. Al deze punten werden met zulk een omhaal van woorden, zulk een rijkdom van argumenten, zulk een kracht van taal besproken, als iemand begrijpen kan, die weet, wat al redeneeringen een paar eigenzinnige menschen over iedere kleinigheid kunnen te berde brengen. Allerlei uit de klassieke oudheid, allerlei uit Kugler's „Handboek der schilderkunst”, allerlei meeningen van levende meesters, werden er bijgehaald, om niet eens te spreken van maatschappelijke, zedelijke en godsdienstige quaesties: want er is geen ding ter wereld, dat niet op de eene of andere wijze met alle andere dingen in verband staat.
Dr. Johnson heeft opgemerkt: „dagelijks komen er duizende kleine geschillen voor, waarover 't verstand nooit beslissen kan: quaesties, waarbij onderzoek te vergeefs en logika belachelijk is, gevallen, waarin iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd worden.”
Met allen eerbied voor den grooten zedekundige moet ik opmerken, dat hij door deze bewering toont, al zeer weinig begrip te hebben van de eindelooze stof tot discours, die een paar zeer beschaafde maar zeer hoofdige menschen in het kibbelen over huiselijke dingen vinden. 't Mag bespottelijk wezen er de logica bij te halen, maar zulke menschen als onze Leander en Hero kennen geen gevallen, waarin iets gedaan moet worden zonder dat er ook veel over te zeggen valt. Met dat al verwoesten en vernietigen deze ellendige en eindelooze kibbelarijen 't heerlijk ideaal van trouw en teederheid, dat zij op grond hunner innige overeenstemming en der waarachtige degelijkheid van hun karakter zich met recht mochten voorstellen. Hun huiselijk leven is niet zoo gelukkig als zij verwacht hadden: nu en dan bemerken zij met schrik, dat ze somtijds niet lief voor elkander zijn; en toch, als Leander een week van huis is en om Hero denkt, dan kan geene andere vrouw bij haar halen; en voor Hero schijnt er geen eind aan den dag te komen en het huis geheel uitgestorven te wezen, als hij weg is; beiden beschuldigen zich zelven als zij aan hunne kleine kibbelarijen denken, maar geen van tweeën weet te zeggen, hoe de kleine vos moet gevangen worden, die hun wijngaard verderft.
Wij denken veel over ons zelven na, maar 't is vreemd, hoe weinig vrucht dat draagt,—wij hooren zeer verstandige menschen over zich zelven en anderen spreken, en zich verwonderen, dat het zóó met hen is, als het is, maar—hoe vreemd!—toch brengen zij 't eene jaar na het andere door, zonder te weten, hoe zij met zich zelven of met anderen moeten omgaan, zal het beter worden:—ach, de levenswijsheid die ze bij de behandeling van gaspijpen en waterleiding dagelijks toepassen, laat hen in de steek, waar het de behandeling van hun eigen gemoed en van 't karakter hunner vrienden geldt.
„Maar _ik_ zou zulke tooneelen niet met _mijn_ vrouw willen hebben,” zegt Don Positivo. „_Ik_ zou zoo'n verstandige vrouw niet willen trouwen; zoo een is altijd eigenwijs en lastig. _Ik_ zoek een vrouw, die zacht en gedwee is, die al mijn ideeën van mij overneemt en zich geheel naar mijn smaak voegt.” Don Positivo trouwt dan ook met een aardig glad gezichtje, zoo schuchter en poezelig en zoetsappig, dat hij er vast op aan kan, dat zij in 't geheel geen wil heeft. Zij is de maan aan zijn hemel, die nooit zal schijnen, of 't licht moet van hem komen.
Als ik nu één raad schuldig ben aan mijne vrienden die graag hun eigen zin hebben, dan moet ik hen waarschuwen: neemt nooit de proef met een domme vrouw; want de koppigheid van een knappe en verstandige is nog niets bij de koppigheid van een domme en een leeghoofd.
Laat Don Positivo met zoo'n vrouw maar eens trouwen. Zij wil de maan hebben en houdt vol, dat hij haar niet lief heeft omdat ze die niet van hem krijgt: te vergeefs zal hij zijn astronomische kennis te baat nemen, en haar bewijzen, dat de maan zoo maar niet te grijpen is. Zij luistert schijnbaar aandachtig, met haar hoofdje op zij, en nadat hij als Brugman gepraat heeft begint ze van voren af aan, precies met dezelfde vraag en precies op dezelfde manier.
Als zij wil, dat haar lieve Jantje van school wordt genomen, omdat de meester voor zijn plezier de wetten van het Instituut niet veranderen wil, betoogt Don Positivo haar in de keurigste en duidelijkste taal: vooreerst de wenschelijkheid, dat een jongen zich al vroeg aan zelfbeheersching en orde gewenne,—ten tweede, de onmogelijkheid dat een onderwijzer uitzondering zou maken ten gevalle van hun lieveling,—en eindelijk, de noodzakelijkheid dat de jongen wat begint te leeren. Zij hoort hem van het begin tot het einde aan, en zegt dan: „Ja, van die dingen heb ik geen verstand; ik woû alleen maar, dat Jantje van school genomen werd.” En nu weent ze, en mokt ze, en dreigt ze, en ligt ze heele nachten wakker, en heeft ze vreeselijke vlagen van hoofdpijn,—in één woord, ze toont dat een vrouw zonder verstand en beschaving op hare wijze een even geduchten tegenstand kan bieden, als de schranderste van haar kunne.
Leander kan zijn Hero somtijds in een eerlijk gevecht met de wapenen eener gezonde logica overwinnen, omdat zij een vrouw is, die naar rede kan luisteren en in staat is de kracht zijner tegenbedenkingen te gevoelen; en als hij zegeviert, streelt hem 't genot dat ze dubbel waard was bestreden te worden, en schijnt hij zichzelven een held toe. Al is ze hoofdig, ze is toch ook verstandig al heeft hij veel last van haar eigenzinnigheid, hij vertrouwt toch altijd op haar gezond verstand; maar ongelukkig de man, die een vrouw heeft, bij wie het dierlijk instinct van volhouden alles, maar ontwikkeling en oordeel en verstand gelijk nul is. Lastig, dikwijls heel lastig is het voor een man, met een vrouw overhoop te liggen, die hij acht en bewondert; maar met een vrouw, waarop hij tegen wil en dank met een zekere minachting neerziet.... dat wordt op den duur onuitstaanbaar.
Doch nu ontstaat de vraag: Wat dan te doen met al die kleine geschillen, door Dr. Johnson bedoeld, waarover 't verstand nooit kan beslissen, waarbij alle onderzoek te vergeefs en logica bespottelijk is;—die gevallen, waarin iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd worden?
Lees het werk van Mevrouw Ellis, getiteld: _De engelsche vrouwen_ en gij zult zien, hoe zij het vraagstuk oplost. De engelsche vrouwen leeren daaruit, dat zonder eenige tegenspraak alles in 't huishouden overeenkomstig de bevelen van den meester moet gaan, en dat de vrouw maar één ding moet hopen, namelijk, of 't haar gegeven mocht worden, altijd juist te weten, wat hij wil. „_L'état, c'est moi_,” is de les, die ieder getrouwde Engelschman van Mevrouw Ellis leert, en uit de voorstellingen in engelsche romans zouden wij haast moeten opmaken, dat dit ontzagwekkende „goddelijke recht” op alle kleinigheden van het huwelijksleven toegepast wordt.
Miss Edgeworth laat haren generaal Clarendon tegen zijn begaafde en bevallige vrouw over zijn „bevelen” spreken; en trekt met zulk een deftigheid aan de schel in de huiskamer, roept en ondervraagt de sidderende dienstboden met zooveel majesteit, en behandelt alles zoo vreeselijk militair, dat het waarlijk niet te verwonderen is, als de arme Cecilia, doodsbenauwd voor zulk eenen krijgshaftigen echtgenoot, zich aan een leugen schuldig maakt.
In den tijd van zijn engagement deelt hij op een hoogen toon aan haar moeder mede, dat hij er nooit toe zou kunnen komen, een vrouw, die vroeger een ander bemind had, tot _zijne_ vrouw te nemen; en daarom verzwijgt de arme meid een langgeleden „schoolvrijerijtje,” dat tot de ontzettendste en meest tragische tooneelen met haren heer en meester aanleiding geeft, die op een goeden morgen in eens de gordijnen van haar ledikant openrukt en haar een ouden minnebrief voorhoudt met de vraag, die als een schorre donder haar van schrik doet verstijven: „Cecilia! is dit _uw_ schrift?”
De nieuwe romanschrijfsters in Engeland stellen ons niet minder krachtig voor, hoe vast ze aan het goddelijk recht van den man gelooven. B. v. ga eens na, wat de hoofdinhoud is van zekeren veelgelezen roman: _Agatha's echtgenoot_ genoemd. Een man trouwt met een beeldschoon meisje, dat veel fortuin heeft. Vóór het huwelijk ontdekt hij, dat haar broeder, die voogd over haar geweest is, al wat ze heeft, op een schandelijke wijze bezwaard en verhypothekeerd heeft, zoodat dit alleen door de grootste zuinigheid kan verholpen worden. Om nu aan haar boek de leerzame strekking te geven, die zij bedoelt, laat de schrijfster haar held een plechtige belofte afleggen, dat hij noch aan zijn vrouw, noch aan iemand anders het bedrog zal ontdekken, waardoor zij arm geworden is.
Wij lezen dan verder hoe ontstemd de jonge vrouw er onder is, dat haar man een zeer eenvoudig huis met haar betrekt, haar alle gemakken en genoegens ontzegt, waaraan ze gewoon is, en altijd maar weigert, haar eenige aannemelijke reden voor zijne handelwijze te geven. In plaats van met blind geloof en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid tot hem op te zien zonder navraag te doen naar zijn manier van handelen, en niet alleen zonder bewijs, maar zelfs tegen alle waarschijnlijkheid in, hem te houden voor het puik van alle mannen van eer en verstand, murmureert deze goddelooze Agatha, en klaagt en denkt dat ze al heel slecht behandeld wordt, ja, ze is nu en dan zóó bedorven, dat ze (al is het dan ook zeer bescheiden) dit zelfs durft te zeggen;—waarbij haar man de rol van een martelaar vervult en in stilte lijdt.—Zoo gaat het door 't heele boek voort: beiden vergaan van verdriet, totdat eindelijk de waarheid aan het licht komt, de miskende echtgenoot den glorietroon bestijgt en de boetvaardige vrouw in het stof aan zijne voeten ligt met de bekentenis welk een verworpeling zij was, om hem ooit te kunnen verdenken.
De schrijfster van _Jane Eijre_ beschrijft de verhouding tusschen More en Shirley gedurende hun engagement nagenoeg met dezelfde woorden, alsof er over het dresseeren van een paard wordt gesproken. Shirley is wat lastig en stijfhoofdig, en More, haar minnaar en leermeester, geeft haar _Le cheval dompté_ ten gebruike bij de Fransche les: een kiesche manier om het plan, dat hij met haar voorheeft, in de hand te werken. Als ze dan ook, na langdurig verzet, aan zijn wenschen eindelijk toegeeft, spreekt hij haar aan alsof ze een leeuwin was.
„Getemd of niet, gedwee of woedend, gij zijt de mijne voor eeuwig!”
En zij antwoordt:
„Ik ben blij, dat ik mijn meester ken en aan hem gewend ben. Alleen zijn stem zal ik volgen, alleen zijn hand zal mij leiden, alleen aan zijn voet zal ik rusten.”
De begaafde schrijfster van „_Nathalie_” schildert den strijd van een jong meisje, dat geëngageerd is met een man, die veel ouder dan zij, en daarbij vreeselijk somber en heftig is,—een man van een allerzonderlingst gedrag, maar toch zoo hartstochtelijk gesteld op een blind vertrouwen, dat hij met een diepe, doffe stem u verzekert: zoo een van zijn beste vrienden ook maar één oogenblik aan zijn eer twijfelde,—zelfs al getuigden alle omstandigheden tegen hem,—dan was het tusschen hen gedaan, voor eeuwig gedaan!