De kleine vossen

Part 6

Chapter 64,038 wordsPublic domain

„Waar? vlak bij, onder 't bereik van 't geschut dezer vesting, waar je heele huishouding tot in de minste kleinigheden alle dagen met een inspectie bedreigd wordt.”

„Maar mama mengt zich nooit ergens in, ze geeft nooit raad,—of ik moet het haar vragen.”

„Dat kan best zijn, maar zij heeft toch invloed; ze leeft toch, ze kijkt toch, zij is er toch; en zoo lang zij er is, en zoolang je huis onder den rook van dit huis staat, zal de oude tooverkring je man weer begoochelen—en je kinderen ook, als je ze krijgt; 't zal in de lucht zitten,—'t zal je vastklemmen en overweldigen—'t zal je huis regeeren en je kinderen opvoeden.”

„O neen, nooit nooit! Dat zou ik nooit willen! Als God mij ooit een kind mocht geven, dan zal ik het niet op die nare manier groot brengen.”

„Dan, Emilie! zal de beste kracht van je leven, altijd door, stil en onmerkbaar, maar niet minder zeker, afslijten omdat al je wenschen en gevoelens onophoudelijk zullen aanschuren tegen den kouden onwrikbaren molensteen van hunne overtuiging; het zal een gevecht op leven en dood zijn met een bedaarden, onzichtbaren doordringenden geest, die zich nooit in een eerlijk gevecht vertoont, de lucht verpest die je inademt en je nacht noch dag rust laat. Allen hier aan huis hebben zooveel goeds en edels en verstandigs—hun doel is zóó heilig hun invloed zóó krachtig, hun braafheid zóó groot,—dat het je zijn zal, alsof hun wil geheel overeenstemt met hetgeen je eigen geweten je zegt en ge niet beter kunt doen, dan u geheel naar hen te plooien en u aan hen te onderwerpen. Zij hebben een vaster wil, een vaster karakter, dan gij hebt; altijd heen en weer geslingerd, nu eens om te doen wat zij willen, en dan weer om je eigen zin te doen, zult gij nooit toonen wat je kunt: 't zal altijd tobben blijven en nooit tot een goed einde komen.”

„Och, Christoffel! waarom ontmoedig je me zoo?”

„Ik dien je versterkende middelen toe, Emilie! Ik toon je werkelijk bestaand gevaar; ik maak je wakker, om het nog intijds te ontkomen. Johan verdient veel geld: er bestaat geen reden, waarom je altijd hier begraven zou blijven. Gebruik je invloed even als _zij_ doen,—iederen dag, ieder uur, ieder oogenblik, om hem nu reeds aan de gedachte te wennen, dat hij op een andere plaats met je zal gaan wonen. Laat hem niet altijd de baas wezen en geef hem niet altijd gelijk; zwijg niet en schik niet en plooi niet, om hem en je zelve wijs te maken, dat je gelukkig bent; laat hem de dingen hier niet altijd van de mooiste zijde bezien; verdraag het niet, dat hij iederen dag en ieder uur tot zijne gewone koelheid en stugheid vervalt; en vooral verloochen je eigen openhartig karakter niet; heb er achting voor en bewaar het. Zit met hem te vrijen en te kibbelen; gebruik alle wapenen, die een vrouw maar heeft, om hem te beletten, dat hij ooit of immer zich weer opsluit in zijn vroeger kasteel Stuggenstein, waar je hem uit verlost hebt. Protesteer tegen dat hatelijk artikel uit het wetboek van mama Evans, dat tusschen man en vrouw de liefde van zelve spreekt, ook zonder dat ze die dagelijks elkander behoeven te laten merken; breng alle gebonden warmtestof in een kwaden naam; houdt vol, dat het niet genoeg is, een man te hebben,—dat wat hij jaren geleden tegen je zei, nu niet voldoende is,—dat de liefde elken levenszomer nieuwe bladeren moet krijgen, even goed als de olmboomen, en nieuwe takken om al vaster en grooter te worden, en nieuwe bloemen moet kweeken, om den stam te versieren.”

„Maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat er geen zekerder middel bestaat, om iemands liefde te verliezen, dan te veel te eischen, en dat zij allerminst door verwijtingen te winnen is.”

„Alles zoo waar als een evangelie, Emilie! Maar ik spreek niet van verwijtingen of van onredelijk doordrijven of van booze humeuren,—je zoudt niets van dit alles kunnen probeeren, zelfs al wou je, jij kleine dreumes! Ik spreek nu van 't hoogste, 't edelste, 't heiligste wat wij aan onze vrienden schuldig zijn: den plicht, om hen hun eigen adel en deugd zuiver en onbevlekt te helpen bewaren. Onnadenkende, onwillekeurige, onverstandige liefde en zelfopoffering, zooals veel vrouwen aan man en kinderen bewijzen, strekt maar alleen, om hen, aan wie ze betoond worden, te bezoedelen en te vernederen. Misschien wordt een vrouw heilig door zelfopoffering, maar worden haar man en haar kinderen het ook, als ze zonder iets van hun kant te doen, dit offer maar klakkeloos aannemen? Ik heb eens gelezen: „wie voor een vrouw in haar vlekkelooze reinheid neêrknielt, werpt er, terwijl hij zich buigt, met zijn adem den eersten smet op.”

„Geldt dat niet van alle onverstandige liefde en zelfopoffering? Laten wij, zonder er iets tegen in te brengen, toe dat zij die wij liefhebben, koel en lastig en zelfzuchtig worden, dan hebben wij niet waarachtig lief, dan zijn wij geen echte vrienden. Er is geen man ter wereld, die iets beteekent, of hij bemerkt al spoedig het onderscheid, dat er is tusschen hetgeen zijn vrouw uit belangstelling in zijn eer, zijn vooruitgang op den weg ten leven, zijn eeuwig zieleheil, hem voorhoudt, en een kinderachtig pruilen, waarbij ze alleen om zichzelve denkt. 't Zal je eigen schuld zijn, indien je man, omdat je niet doet wat je doen kunt, weer tot dezelfde koelheid en afgemetenheid vervalt, als hem reeds van zooveel genot en genoegen beroofd hebben. Zulk eene doode, dorre manier van leven is even onchristelijk als onpleizierig; en als Christin, die beloofd hebt heldhaftig onder de banier van Christus te strijden, is het je plicht, op dien antichrist aan te vallen, al neemt hij ook nog zoo den schijn aan van bijzondere vroomheid en deemoed. Denk er aan, dat er in den kring der jongeren van Jezus even goed uiterlijke teekenen van liefde waren, als het innerlijke leven daar krachtig was. De discipel, dien hij lief had, lag aan zijn borst; en de verrader zou geen teeken gehad hebben, waarmee hij hem verried, indien Jezus niet gewoon was geweest den jongeren bij 't komen en 't heengaan een kus te geven.”

„Ik ben blij, dat ge mij dit alles gezegd hebt,” hernam Emilie, „omdat ik mij nu eens zoo sterk gevoel. Vroeger dacht ik altijd, dat ik te veel naar mijzelve toerekende, als ik van Johan meer blijken van liefde verlangde; maar ik zie nu in, dat het voor hem zelven goed zou wezen. Ja, alleen wat voor hem het beste is, wil ik van nu af zoeken.”

En zoo begon mijn kleine zus, nu zij 't er voor hield dat het om zelfopoffering te doen was, vrij wat beter, dan de meeste vrouwen van haar slag, te begrijpen, hoe ze zich moest gedragen. Zeg tegen zulke vrouwtjes, dat, zich te laten gelden, een soort van martelaarschap is: en zij zullen zich laten gelden.

Maar hoe welsprekend ik dien avond ook geredeneerd had, toch werd het huis op dezelfde plaats als men van plan geweest was, gebouwd, en het huishouden van Johan en Emilie bleef altijd onder de schaduw der olmen van den ouden heer Evans, alsof ik er geen woord over gesproken had. Emilie werd moeder van twee lieve jongens, en begon al magerder en zwakker te worden, en hoe zwakker ze werd, des te meer was het noodig, dat het bestuur over de huishouding en de zorg voor de kinderen op mama en de zusters overgingen; die dat alles op hare arendsvleugelen droegen: want wat kan er gedaan worden door een vrouw, die den meesten tijd tusschen leven en dood zweeft?

Eindelijk zei ik ronduit aan Johan, dat de lucht en 't klimaat daar veel te scherp waren voor haar, die hij, die zij allen zoo innig liefhadden; eindelijk stemden zij in de verandering toe, waarvan zoo dikwerf gesproken, waarop zoo dikwijls aangedrongen was, maar die de oude lui altijd hadden tegengehouden.

Johan kocht een lief buitentje dicht bij ons huis; hij ging daar met vrouw en kinderen wonen; en wat ik over een verandering van moreelen dampkring voorspeld had, gebeurde. Binnen 't jaar hadden wij onze Emilie van ouds weer terug, blozende, vroolijk, jolig, vol leven, vol lust en vol kracht. Zij kon haar huishouden nu weer zelve besturen, zij was een prettige speelkameraad voor haar jongens en speelde op haar aardige manier den baas over Johan, die zich weêr door haar leiden liet, evenals in de gelukkige dagen van hun engagement. De nachtmerrie was voorbij: en Johan was niet minder dan wij over zijn vrijheid in zijn schik. Zoo als Emilie zei: hij was omgekeerd als een blad op een boom.

En hier eindigt mijn verhaal.

En nu, wat leert men hieruit? Dit: dat men in het leven het eene _uitdrukken_, het andere _onderdrukken_ moet. Liefde, vreugde, hoop, geloof, medelijden, behooren tot de dingen, die wij moeten uitdrukken, openbaren, aan den dag brengen; toorn, nijd, kwaadwilligheid, wraak, liefdeloosheid, tot die dingen, die wij moeten onderdrukken, bedwingen, _terughouden_.

Enkele, zeer godsdienstige en brave menschen vergissen zich, als zij die _terughouding_ op beide soorten van gemoedsaandoeningen evenzeer toepassen. Zij onderdrukken zoowel de gevoelens van liefde als van haat: van medelijden als van nijd, maar vergeten daarbij een groote wet, die evenzeer in de moreele als in de physieke wereld geldt: dat onderdrukking doet verkwijnen en wegsterven. Maai twee- of driemaal 't onkruid weg: al is 't nog zoo taai, 't zal sterven, omdat de sappen der wortels geen lucht kunnen krijgen. Een kompres op het een of ander lichaamsdeel gaat er den groei van tegen de chirurgijn weet dit en slaat er een stevige zwachtel om; maar wat dunkt er u van, om, zoo als sommige dames van mijn kennis doen, een stijf verband om de borst en de longen te leggen, of de voet in de zwachtelen, zoo als bij de Chineezen gewoonte is? Maar vooral wat dunkt u er van, als zij een verband slaan om de edelste gemoedsaandoeningen en de _liefde_ in een lijkkleed wikkelen?

Doch er zijn weêr anderen, en hun getal is legio—misschien behoort gij, lieve lezer! en ik zelf er eenigszins toe,—die de instinctmatige gewoonte van terughouding hebben bij alles wat het hoogste en edelste in hen is, maar, zoodra het min edele en min waardige aandoeningen geldt, dat instinct volstrekt niet gevoelen.

't Valt vrij wat gemakkelijker, onze vrienden in een oogenblik van toorn uit te schelden, dan op innemende wijs hun te zeggen, hoezeer wij hen liefhebben, eeren en achten. Gramschap en bitterheid vinden van zelf wel woorden en gaan haar eigen gang; maar liefde is bedeesd, kijkt schuchter het venster uit en draait aan de deurklink.

Hoeveel vrijmoediger spreken zelfs Christenen woorden van toorn, verachting en veroordeeling uit dan woorden van teederheid en liefde! „_Ik haat_” zegt men hardop en met kracht: „_Ik bemin_” niet dan met eene weifelende stem en een blos op 't gelaat.

In toorn ontstoken spreken wij, al wordt er een liefhebbend hart door gegriefd, krachtig, met nadruk, vrij uit; maar wij stamelen en blijven in de woorden steken, wanneer ons beter ik ons dringt, onze schuld te bekennen en vergeving te vragen. Zelfs wanneer ons hart door berouw verbrijzeld is, dralen wij nog en geven wij geen lucht aan 't geen ons het meeste benauwt en beklemt.

Hoeveel duizenden zijn er, die met hun rijkste schatten naar hart en geest, als ellendige gierigaards leven! Omringd door betrekkingen, die zij innig liefhebben, maar die, zoo ze dezen in hun spreken en doen maar iets meer van die liefde toonden, veel gelukkiger, rijker, en beter zouden wezen,—houden zij al dien rijkdom hunner genegenheid maar achter slot; zij kunnen, zij willen er niets van uitdeelen. Menschen, die elkander met hart en ziel liefhebben, achten, vereeren, bijna aanbidden,—zulke menschen leiden een akelig, ijskoud leven met elkander, en terwijl ze voor alle andere dingen de grootste attentie hebben en de meeste zorg dragen, behandelen zij hun liefde als een ding dat van zelf gaat, als een plant die verleden jaar uitgebloeid is en nu knoppen noch bloesems kan voortbrengen.

Zijn er niet zoons en dochters, wier ouders alles voor hen over hebben,—mannen en vrouwen, broeders en zusters, bij wie het materiaal voor een gelukkig leven onder een doodelijk zwijgen verscholen ligt,—die zich voor alles den tijd gunnen, behalve voor dit ééne: dat ze op hun beurt de liefde, die hun bewezen wordt, beantwoorden?

Eens, denken zij, komt de tijd nog wel, dat zij gelegenheid zullen hebben, om elkander 't leven te veraangenamen, om samen te wandelen en samen te rusten, om elkander die verborgen schatten te ontdekken, die nu ongebruikt blijven en die ze renteloos laten liggen.

Helaas! de tijd vliegt weg en de dood snelt aan; er blijft ons niets anders over, dan de oude klacht van de Schrift te herhalen: „Het geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij weg was.”

Geen bitterder tranen bij 't graf dan die er vloeien om 't geen niet gezegd en niet gedaan werd, schoon 't had moeten gezegd en moeten gedaan worden.

„Zij heeft nooit geweten hoe lief ik haar had.” „Hij heeft nooit geweten, wat hij voor mij was.” „Ik was van voornemen geweest, hem nog meer tot mijn vriend te maken.” „Nu eerst, nu hij dood is, gevoel ik, wat ik in hem verlies!”—zulke uitdrukkingen zijn de vergiftige pijlen, die de wreede dood van de deur van 't graf op ons afschiet.

Hoe veel meer genot konden wij van ons huwelijksleven, van onze vriendschap hebben, als elke stille liefdeaandoening bloesems en vruchten droeg en zich in daden openbaarde. Ik bedoel nu niet alleen liefkozingen. Soms zijn ze wel de beste taal der liefde, maar soms ook niet. Bij enkele gestellen, vooral bij uiterst fijne en teêrgevoelige, wekken ze allicht door overmaat een soort van tegenzin op. Maar dan blijven er toch nog woorden en blikken en kleine oplettendheden over, waaraan onze liefde te merken zal wezen, en er is ter nauwernood één gezin, dat niet nog gelukkiger zou zijn, als 't nog rijker aan die soort van attenties was.

't Is een dwaasheid te denken, dat wie familie van elkander zijn, natuurlijk veel van elkander houden, enkel en alleen omdat zij familie zijn. Liefde moet onderhouden worden en kan, indien ze met oordeel gekweekt wordt, even als een wilde vruchtboom door de zorg van een tuinman, dubbel zoo veel vruchten dragen als anders: maar liefde kan ook door veronachtzaming wegkwijnen en sterven, evenals de dubbele rozen, in een schralen grond aan zich zelve overgelaten, weêr tot enkele verloopen.

Twee oorzaken liggen er in onzen landaard, waardoor wij die gemakkelijke manier en die vlugheid van ons uit te drukken missen, die ons bij de Italianen en Franschen zoozeer bevalt: de vrees voor vleierij en eene aangeboren bedeesdheid.

„Mijn hart brandde op mijn tong, om gisteren juffrouw Die-en-Die te zeggen, hoe lief ik haar vond,” zegt juffrouw Zoo-en-Zoo.

„En waarom hebt gij 't haar dan niet gezegd?”

„Och, het zou den schijn van vleien gehad hebben, weet ge.”

Maar wat is vleierij?

Vleierij is _onoprechte_ lof, uit baatzucht gegeven, maar een vriend of een vriendin met volle oprechtheid te zeggen, wat wij goed en lief in hen vinden, dat is geen vleien.

Uit vrees voor vleierij gaan zulke akelig oprechte menschen met hen, die zij liefhebben en bewonderen, dagelijks op die manier om, dat ze wel denken moeten: we zijn hun geheel en al onverschillig. Ouders zijn zoo bang door hun liefde en goedkeuring de kinderen trotsch en ijdel te maken, dat een jongen er dikwijls moedeloos en wanhopig onder wordt, en eindelijk eens toevalligerwijze aan de weet komt, dat zij trotsch op hem en gek met hem zijn. Soms (er komen zulke tijden) als een vader rondweg zei, dat hij zijn jongen liefhad, zou het dien jongen meer goed doen dan de beste preek,—maar vader kan het niet zeggen,—zoo iets kan hij toch niet laten merken!

De andere oorzaak onzer _terughouding_ noemde ik onze bedeesdheid. Er zit ons een machteloosheid om ons uit te drukken in merg en been, waartegen wij moeten strijden, die wij moeten uitdrijven. Maar wij kunnen ons daarin oefenen, als wij maar inzien en gevoelen, hoe noodig het is; wij kunnen het tot een christelijken plicht maken, niet alleen lief te hebben, maar ook onze liefde te toonen,—niet alleen trouwe vrienden te _wezen_ maar 't ook te doen _blijken_, dat wij het zijn. Wij kunnen ons zelven dwingen, wat in onze harten opkomt en op onze lippen zweeft, uit te spreken—en geen van die voorkomende, innemende oplettendheden achterwege te laten, die wij wel begeeren, maar toch schromen te bewijzen. Langzamerhand zal dit gemakkelijker gaan: een woord van liefde zal een woord van liefde uitlokken,—een klein dienstbetoon, een wederkeerige dienst ten gevolge hebben,—zoodat eindelijk de harten in den huiselijken kring in plaats van te zweemen naar bevroren, ijskoude eilandjes, vol warme lucht zullen zijn, en, in de liefelijkste samenstemming met elkander vereenigd, eene ongestoorde melodie van liefde zullen aanheffen.

HOOFDIGHEID.

IV.

HOOFDIGHEID.

Mijn kleine vossen zijn beestjes, die wel waard zijn wat nader bekeken te worden; ik hoop maar, dat mijn bekoorlijke menagerie mijne lezers niet vervelen zal, eer ik hun van alles het fijne heb laten zien.

Bedenkt, dat er zeven vossen zijn waarvan wij er nog maar drie onderhanden hadden: ge dient dus nog heel wat geduld te hebben.

't Is nu onder ons uitgemaakt, dat de „kleine vossen” zooveel zijn als de kleine boezemzonden van ons, welopgevoede, deugdelijke Christenen, die immers hopen dat wij tegen stelen, doodslaan en alle andere grove zonden in de Tien Geboden vermeld, niet eens meer eenige waarschuwing noodig hebben. Die kleinen nu worden doorgaans als te onbeduidend beschouwd, om er van den preêkstoel tegen te ijveren; zij schijnen zóó beuzelachtig, dat de leeraars er niet eens om denken; zij zijn als die kleine spinnetjes op de planten,—bijna te klein, om met het bloote oog gezien te worden, en alleen te merken aan het verwelken en afvallen van het eene blad na het andere, dat anders groen en frisch zou wezen.

Ik heb thans het oog op een anderen kleinen vos, die zeer veel toebrengt tot het verwoesten der wijngaarden van huiselijk geluk,—ja, die meer druiven heeft doen mislukken, dan iemand zou denken. 't Valt mij niet gemakkelijk, zijn juisten naam te noemen. Bij de opsomming van mijn zevental gaf ik hem den naam van _hoofdigheid_; anders,—'t was misschien beter geweest,—_doordrijverij_.

Even als menig ander gebrek, ontstaat ook deze verkeerdheid uit overdrijving van eene eigenschap, die hoogst noodig en lofwaardig is. Vastheid van wil is het stevig graniet, waarop de grondslag van ons leven rust. Zonder deze zou er niets tot stand komen: al onze plannen zouden zeepbellen zijn en niets meer. Aan ieder goed uitgerust schepsel moet een zekere mate van vasthoudendheid, een soort van wilsvolharding eigen zijn; en, om den mensch tot het verkrijgen dier onmisbare eigenschap in staat te stellen, heeft de Schepper hem een vermogen verleend, dat hij met de dieren gemeen heeft. Het vermogen om vol te houden is bij de dieren een blinde kracht, die alleen van spieren en zenuwen afhangt, en bij het eene dier geheel anders werkt dan bij het andere. De taaiheid waarmeê zich een bulhond vastklemt aan zijn prooi, de koppigheid, waarmeê een muilezel zijn vier pooten schrap zet en slagen en bedreigingen verduurd, doet ons duidelijk zien, wat die eigenschap is, zoolang ze alleen dierlijk blijft, schoon diezelfde eigenschap, aan den mensch verleend, de bron is van de heldhaftigste lijdzaamheid, van de uitnemendste volharding, waardoor alle grootsche en edele daden volbracht worden.

Het huiselijk gebrek, door ons bedoeld, ontstaat, wanneer deze eigenschap in 't wilde opgroeit, wanneer de vastheid van wil bij instinct handelt, en niet luistert naar rede of geweten,—'t is wat wij in het dagelijksche leven noemen „stijf op zijn stuk staan.”

Dit _dierlijk_ instinct van „stijf op zijn stuk staan”, bedoel ik met hoofdigheid of doordrijverij; en in het huiselijk leven sticht het des te meer kwaad, daar 't als instinct werkt, zonder door 't verstand bewaakt of door 't geweten veroordeeld te worden.

In dat aardige, fonkelnieuwe optrek ginds aan den voet van dien heuvel, vindt gij een pas getrouwd paartje, te midden van de prettige drukte die aan het opzetten van een jongelui's huishouden vast is, als 't uit een ruime beurs toegaat en alles op gemak en genoegen is aangelegd. De timmerman, de behanger, de kastenmaker wachten, wat mijnheer en mevrouw nog te zeggen hebben; en deze hebben niets anders te doen, dan alles te schikken en te bepalen, waar al hun keurige meubelen zullen geplaatst worden. Onze Hero en Leander,—ik zal ze zóó maar noemen—zijn precies in de punten, niet te lang, niet te kort, maar volgens alle vormen en gebruiken geëngageerd geweest. Zij hebben elkander twee jaren lang dagelijks een brief geschreven, die begon met: „Lieve beste” en eindigde met „De uwe”, enz.; zij hebben elkander bloemen en ringen en haarlokken present gegeven; elkanders miniatuurportretten op hun hart gedragen; uren achtereen doorgebracht met over alle mogelijke dingen te spreken, en ze zijn vast overtuigd, dat er nooit zulk een sympathie der zielen, zulk een overeenstemming van gevoelens, zulk een hechte, verstandige, stevige grondslag voor wederkeerige achting bestaan heeft, als bij hen het geval is.

Nu is 't een zekere waarheid, dat er menschen zijn die volkomen overeenstemmen en harmonieeren in de dingen des geestes,—die van dezelfde boeken houden, dezelfde verzen aanhalen, dezelfde beginselen voorstaan, dezelfde godsdienst belijden,—en die toch, wanneer zij het eenvoudigste dagelijksche ding samen te doen hebben, ieder oogenblik aan het kibbelen raken en met elkander in botsing komen, eenvoudig omdat er voor iedereen, in zijn gewoonten en hebbelijkheden, in zijn sympathiën en antipathiën duizenden kleinigheden zijn, waarmee de rede niets te maken heeft, waarop de wetten der logica niet kunnen toegepast worden, en die men al te kinderachtig rekent, om er den invloed der godsdienst op te laten gelden,—duizenden kleinigheden waarover men het toch eindelijk eens moet worden, zal men zamen rustig wonen en leven.

Onderstel eens, dat een blauwe meerkol aan een lijster het hof maakt en 't jawoord krijgt en met haar huwt. Gedurende het engagement zullen zij zeker wel allerlei minnekozerijen gehouden hebben over de zaligheid van een vrij leven, over 't geluk om zich in de blauwe zomerlucht te verliezen. Mijnheer Meerkol zal wel heel deemoedig in verrukking gekomen zijn, als hij zijn leelijk gekras met de liefelijke zangen van juffrouw Lijster vergeleek. Maar, eens met elkander vereenigd, beginnen zij over „zaken” te praten. Hij is vast overtuigd, dat een gat in een hollen boom de eenige geschikte plaats voor een nest is; zij weet zeker, dat zij daar binnen de maand van de vocht en van rhumatiek zou sterven. Zij heeft er nooit van gehoord, dat men ergens anders een huishouden opzette, dan in een lief, klein nestje, opgehangen aan een zwiepende populiertak; hij weet zeker, dat hij, eer de zomer voorbij was, aan duizeligheid zou lijden door dat onophoudelijk zwaaien in zulk een logies,—hij zou er zeeziek van worden,—hij mag er niet aan denken! _Zij_ weet nu, dat hij haar niet lief heeft, want dan zou hij er nooit aan gedacht hebben, haar in een oud vermolmd gat van een verrotten boom op te sluiten; en _hij_ weet nu, dat zij niet van hem houdt, want dan zou zij hem toch 't leven niet willen vergallen, door hem te laten draaien en zwaaien, zooals geen ordentelijke vogel kan uitstaan. Beiden staan stijf op hun stuk, en hoe zullen zij een van beiden overtuigd worden, dat wat hem het beste dunkt, daarom nog niet het beste is? De natuur weet daarop een middel, en daarom paren blauwe meerkollen niet met lijsters: en van daar komt er geen gekibbel in de huishouding der vogels.

Maar, mannen en vrouwen, even verschillend in hun smaak en in hun gewoonten als blauwe meerkollen en lijsters, engageeren zich en trouwen met elkander, en beginnen een nest te bouwen, _alias_ een huishouden op te zetten, met even krasse en even onberedeneerde vooroordeelen, als de partijdige ingenomenheid van juffrouw Lijster met een slingerend nest en van mijnheer Meerkol met een vermolmden boom.