Part 5
Doch na verloop van eenigen tijd kwam er verandering in haar brieven. Zij werden korter; zij schenen ons de woorden als toe te tellen; en in plaats van met luchtige scherts en jolige dwaasheden, waren ze opgevuld met afgemeten lofredenen op haar huiselijk leven en haar familie-kring, blijkbaar geschreven, om zich zelve wijs te maken, dat zij werkelijk gelukkig was.
Johan was nu natuurlijk niet meer zoo dikwijls bij haar: hij had zijn zaken die hem den heelen dag bezig hielden, en 's avonds was hij doodmoê. Toch bleef hij altijd even lief en attent; wat had ze al reden om dankbaar te wezen! Zijn moeder was waarlijk al heel goed voor haar en deed alles, wat zij billijkerwijze kon verwachten, om haar genoegen te doen,—natuurlijk dat zij haar 't gemis van mama niet geheel kon vergoeden,—en Marie en Caroline waren ook heel lief—„voor haar doen” schreef zij er bij, maar, zij schrapte dat weêr uit en zette er boven: „heel lief, moet ik zeggen.” Zij waren de beste menschen, die er te vinden waren—vrij wat beter dan zij was; en zij zou een heelen boel van hen trachten te leeren.
„Die arme Emilie!” zeide ik toen reeds bij mij zelven, „ik vrees, dat deze heele lieve menschen langzamerhand zullen maken, dat zij verkleumt en bevriest.” En toen ik den daaropvolgenden zomer een reisje ging doen, besloot ik, bij die gelegenheid, van hunne herhaalde uitnoodiging gebruik te maken en een paar dagen bij hen te logeeren, om te zien hoe de zaken stonden. Johan was onder de jongelui op de academie bekend als wat droog en wat saai, maar door en door goed. Ik had zijn vriendschap weten te winnen door een geregeld beleg van zijn hart, en was hem door loopgraven genaderd, totdat ik, toen ik eindelijk de vesting veroverde, er schatten in vond, die mijn moeite rijkelijk beloonden.
Het kostte me weinig moeite, het huis van mijnheer Evans te vinden; 't was _het_ huis van het dorp—een echt Amerikaansch huis,—vierkant, ruim, ouderwetsch, aan de helling van een heuvel gebouwd, in 't midden van een groep zware, oude olmboomen, die er met hunne lange, altijd wiegelende takken en bladen over heen hingen. Onder dat priëel stond op een effen grasperk het groote witte huis, met neergelaten zonneschermen en van weerskanten met keurig gestopte en geverfde schuttingen: het stak tusschen de andere huizen uit als een echte Farizeër. 't Was een huis om, bij wijze van model, met een étiquette er op, onder een stolp te zetten, maar zooals meestal met die huizen bij ons het geval is, ge zoudt op het eerste gezicht gedacht hebben, dat er geen levend schepsel in was,—geen deur of raam stond er open, geen schijn of schaduw van leven was er in te zien. Het eenige wat nog deed vermoeden dat er menschen in woonden, was de dunne, blauwachtige rook, die uit den keukenschoorsteen omhoog steeg.
Maar nu, die menschen zelven.
Zoo gij ooit in den winter uit logeeren gegaan zijt, is het u dan wel niet eens overkomen, dat men u een ijskoude woonkamer tot slaapvertrek gaf, die sinds onheuglijke tijden tot een koelmiddel voor logé's had gediend,—een kamer, die nooit de warmte van het dagelijksch huizen of van het dagelijksche zonnetje kent, maar het heele jaar door gesloten blijft, met de luiken potdicht,—een kamer, die van geen ander vuur weet, dan van het ceremoniëele, dat even vóórdat gij te bed gaat, wordt aangelegd in een atmosfeer, waar gij uw adem kunt zien? Heugt het u nog, hoe moeielijk het was, warm te worden in een bed, waarop toch niets aan te merken viel, met heldere linnen lakens en sloopen, maar dat glad en koud was als ijs? Eindelijk gelukte het, maar dat het gelukte, kwam alleen van de warmte, die uw eigen lichaam van alle kanten liet uitstralen.
Juist zoo is het met enkele families, waar gij, een bezoek aflegt. Er valt evenmin iets op aan te merken, als op de versche beddelakens, maar koud zijn zij, zóó koud, dat gij al uw levenswarmte noodig hebt, om hen aan het praten te krijgen. Eerst, als ge pas gekomen zijt, denkt ge, dat zij iets in uw nadeel gehoord hebben, of dat gij hun invitatie niet goed begrepen hebt, of dat gij met den dag in de war zijt; doch neen, gij bemerkt in den loop van 't gesprek, dat gij wél zijt uitgenoodigd, dat gij wél verwacht werd, en dat zij voor u alles doen wat zij kunnen, en u behandelen, zooals zij meenen, dat een logé moet behandeld worden.
Zijt gij nu hartelijk en vroolijk van aard, en gaat ge maar stilweg uw gang, dan ontdooit gij langzamerhand een klein plekje om u heen in den huiselijken kring en, op 't punt van vertrek begint gij waarlijk te denken, dat het u wel bevallen zou nog wat te blijven, en vat het plan op later eens terug te komen. 't Zijn aardige menschen; zij mogen u graag lijden; eindelijk zijt gij u bij hen t'huis beginnen te voelen. Drie maanden later gaat gij hun weer een bezoek brengen, maar ziet, alles is er juist als van ouds bij uw eerste kennismaking. Het kleine plekje, dat gij ontdooid hadt, is weêr dichtgevroren: van voren af aan moet ge met ontdooien beginnen om op nieuw de verstijfde vrienden zoo ver te brengen, dat zij in staat zijn tot het voeren van een ordentelijk gesprek.
Reeds den eersten avond, toen ik met den ouden heer Evans en zijn familie in de holle voorkamer zat, begreep ik klaar en duidelijk, hoe Emilie's brieven zoo veranderd waren. Ik geloof waarlijk, dat onze kamers den geur der dagelijksche conversatie, die er in gehouden wordt, in zich opnemen; ik ken er ten minste, die zoo statig en deftig zijn, dat zelfs het vroolijkste katje of de onbeschaamdste jachthond er van verbijsterd raakt. Zoodra gij binnenkomt, voelt ge dat het niet mogelijk is, daar anders dan uiterst fatsoenlijk te wezen, daar anders te zitten dan stijf rechtop en over andere dingen te praten, dan over iets, dat heel leerzaam en heel nuttig is.
Inderdaad was de geheele familie uitermate leerzaam, zeer op beschaving gesteld en wanhopig nuttig. Geen goed werk, geen liefdadige onderneming kon in den omtrek op touw gezet worden, waarvan zij niet de ziel en het leven was. De rechter Evans was de steun en de staf van het dorp. Mevrouw Evans werd „in de poorten geprezen wegens al de werken” en eigenschappen der deugdelijke huisvrouw, die Salomo beschrijft: „het hart haars heeren vertrouwde op haar”. Toen ik hen dien eersten avond ontmoette, zaten zij deftig en stijf, elk in zijn hoekje, ter weêrszijde van den grooten, statigen schoorsteen, met den glimmenden koperen haard tusschen zich in. Op den mantel prijkte aan ieder eind een tinnen kandelaar en in 't midden een snuiterbakje. Mevrouw Evans paste hare woorden nauwkeurig af, onuitputtelijk in die alledaagsche termen en fatsoenlijke formules, waarmeê men gewoon is, zooals 't heet, de conversatie met vreemden gaande te houden. Haar dochters spraken nu en dan meê, maar nooit vóór haar beurt en nooit ongepast, stipt naar de regelen der grammatica en rhetorica, zoodat het duidelijk te merken was hoe beschaafd, hoe welopgevoed en hoe verstandig zij waren. Maar bij dat alles werd ik zoo huiverig en kreeg ik zulk een vreemd gevoel van benauwdheid, dat ik er over begon te denken, of ik niet langzamerhand versteende en hier en daar al met een dunne laag van kristallisatie bedekt werd.
Bij zulk een soort van onderhoud kan men, zonder eenig gevaar, zijn gedachten laten afdwalen; en daar ik niet veel meer was dan een instrument, dat nu en dan op den rechten tijd in den juisten toon moest invallen, keek ik den ouden heer Evans aan, die daar zoo statig, zoo stijf en zoo koud zat, en dacht bij mij zelven, of hij wel ooit een jongen,—of mevrouw Evans wel ooit een meisje geweest was,—of ze ooit met elkaar gevrijd hadden, en hoe hen dat was afgegaan.
Ik dacht om den haarlok van Emilie, dien ik in den schrijflessenaar van Johan had zien liggen in de dagen toen hij verliefd op haar raakte,—om die verliefde buien, waarop ik mijn deftigen en statigen vriend wel eens had betrapt, als hij met Emilie in den maneschijn of op romantische plekjes aan 't wandelen was—en ik (lastig genoeg!) hen tegen kwam—en ik vroeg mij af, of de modellen van deftigheid, die daar voor mij zaten, zich ooit door zulke menschelijke zwakheden hadden laten meeslepen. Ik kon mij even goed voorstellen, dat de statige tang hare beenen zou opnemen en de pook zou gaan zoenen, als dat immer of ooit deze eerwaardige personen zich aan zulk een uitgelatenheid hadden schuldig gemaakt. Maar hoe waren zij met elkander in kennis gekomen? en hoe was het mogelijk, dat ze ooit getrouwd waren?
Ik keek naar Johan en meende, dat ik hem langzamerhand zag verstijven, om het evenbeeld van zijn vader te worden. Hij was al een heel eind op weg, voor zooverre iemand van vijf en twintig jaar op een twee-en-zestiger lijken kan: even statig en recht, even stil, even ingetrokken. Daarop keek ik naar Emilie: ook zij was veranderd—zij, die wilde, vroolijke meid, die wij met al haar eigenaardigheden innig liefhadden—dat vrije stukje levenspoëzie, vol kleine excepties, aan geen regels te binden, maar alleen te bedekken onder den wijden mantel der „dichterlijke vrijheden.” Zoo als zij daar nu tusschen de twee dames Evans zat, meende ik een zekeren angst in haar levendige oogen te zien,—een gedwongen toeleg, alsof zij probeerde, nu eens lief te zijn op een geheel nieuwe manier. Zij was onrustig bij enkele grappen, die ik uitkraamde, en keek angstig naar mama in den hoek; zij deed haar best om te lachen en mij op te vroolijken; nu eens zag zij mij aan, alsof zij een goed woord voor hen woû doen, en dan scheen ze met haar oogen tegen hen te zeggen, dat ze 't mij niet kwalijk moesten nemen. Zoo als 't wel meer bij zulke gelegenheden gaat voelde ik een goddeloozen trek, om allen te ergeren. Ik had grooten lust, Emilie op mijn knie te nemen of eens duchtig met haar te stoeien, Johan een stomp te geven op zijn stijven rug, en aan een dier jonge dames Evans voor te stellen, een wals te spelen, om dan, voor het aangezicht zelf en in tegenwoordigheid van 't eerwaardige paar in den hoek, als een wilde man rond te draaien: maar „de klopgeesten” waren mij te sterk: ik dorst niet.
Ik dacht aan den argloozen, vrijen omgang van Emilie en Johan, toen ze geëngageerd waren,—aan de kleine plagerijtjes, half uit verliefdheid, half uit ondeugendheid, waarmee ze hem nu eens aanhaalde en dan weêr de wet stelde. _Nu_ noemde zij hem „Evans,” met al de gemaaktheid van een deftige matrone. Hadden zij haar die fraaie manieren tusschen man en vrouw voorgepreekt? Denkelijk niet. Als ik toch afging op hetgeen ik nu reeds voelde, was het duidelijk, dat ik zelf, eer ik in dit huishouden veertien dagen gelogeerd had, al wat mij eigen was en van den hier heerschenden toon afweek, geheel zou verloren hebben, even als de boomen hun bladeren verliezen, na de eerste strenge vorst. Ik begon te merken, dat ik langzamerhand stijf werd; mijn moed verkleumde. Ik wilde een verhaaltje opdisschen, maar moest er vrij wat aan veranderen, omdat ik aan de lucht rondom mij gevoelde, dat sommige gedeelten er van wat te sterk gekleurd waren; en even als iemand, die op 't punt van te bevriezen alles doet om zich lenig te houden, maar eindelijk overmand, zijn bewustzijn voelt wegzinken, werd ik half mal in mijn hoofd en kreeg een onweerstaanbaren lust, om iets zóó onfatsoenlijks of onzedelijks te zeggen, dat zij met hen allen in eens van hun stoel sprongen. Schoon ik nooit van profaneeren hield, hunkerde ik er letterlijk naar, om een plat of gemeen woord te pas te brengen, dat plotseling eene verschrikkelijke beroering zou maken in deze betooverde molenkolk,—in één woord, ik was zoo bang, om zulk een dwaasheid te begaan, dat ik al vroeg opstond en zei, zoo vrij te zullen zijn, om naar bed te gaan. Emilie sprong aanstonds van haar stoel op—'t was alsof haar een pak van het hart viel,—en bood mij aan, mijn blaker te halen en mij naar mijn kamer te brengen.
Zoodra ze mij binnen de kille wanden van de logeerkamer gebracht had, scheen zij op eens onttooverd te zijn. Zij zette den blaker neêr, liep naar mij toe, viel mij om den hals, drukte haar hoofdje aan mijn borst, en lachte en schreide en noemde mij haren goeden ouden jongen. Zij trok mij aan mijn bakkebaarden, kneep mij in mijn oor, doorsnuffelde mijne zakken, danste om mij heen, alsof ze dronken van pret was, bestormde mij met eene menigte vragen, zonder op antwoord te wachten; in één woord, de jolige geest van vroegeren tijd scheen eensklaps weder vaardig over haar te worden, toen ik ging zitten en haar op mijn schoot nam.
„Het is mij weer zoo eigen, dat ik je hier zie Christoffel! Het is mij nu net, of ik nog thuis ben. Hé, t'huis! dat was toch alles—en die beste pa, die lieve ma! Er is nooit zulk een t'huis geweest!—iedereen deed daar wat hij maar wou, niet waar Christoffel?—en wij hielden veel van elkaâr, niet waar?”
„Emilie!” zei ik in eens, en wel wat voorbarig, „je bent hier niet gelukkig!”
„Niet gelukkig!” zei ze, en schrikte er half van, „waarom denk je dat? Och, je hebt het glad mis, ik heb al wat mij gelukkig kan maken. Ik zou heel onredelijk en ondankbaar zijn, als ik het niet was. Ik verzeker je dat ik gelukkig, heel gelukkig ben. Natuurlijk zijn zij hier niet, zoo als zij bij ons t'huis waren. _Dat_ kon ik niet verwachten,—alle menschen zijn niet eveneens,—maar toch, als je ziet, dat de menschen zoo goed zijn, wel, dan is het immers natuurlijk, dankbaar te wezen en je gelukkig te voelen. 't Is beter voor me, weet je, dat ik niet zoo opgewonden ben: ik moet me wat bedaard leeren houden. Zij zijn hier allen zoo goed voor me, zij zijn altijd bedaard,—zij doen nooit iets verkeerds. O! ze zijn verwonderlijk knap en braaf en....”
„En pleizierig ook?” vroeg ik.
„Och, Christoffel! ik zal daar maar niet te veel van zeggen. Zij zijn zeker niet zoo pleizierig in den omgang als bij ons t'huis; maar zij zijn nooit boos, zij knorren nooit, zij zijn altijd in een goed humeur; en wij moeten er niet te veel aan denken, dat wij leven om gelukkig te zijn: wij moeten er meer aan denken om knap en braaf te wezen—is 't niet zoo?”
„Dat spreekt als een boek, Emilie? maar met dat al schijnt Johan zoo stijf als een stok en heeft de huiskamer hier veel weg van een grafkelder. Je moet niet toelaten, dat zij een steen van hem maken.”
Haar gelaat betrok een beetje.
„Johan is hier heel anders,” antwoordde zij, „dan hij bij ons aan huis was. Hij is heel anders opgevoed dan wij,—o heelemaal anders; en als hij weer in zijn oude huis is, aan zijn oude werk, op zijn oude plaats bij zijn vader, moeder en zusters, dan gaat hij ook den ouden weg weer op. Hij houdt nog evenveel van mij als vroeger, maar hij toont dit niet op dezelfde manier en ik moet leeren, begrijp je, daarin te berusten. Hij is altijd druk bezig, hij zwoegt den geheelen dag, en altijd maar voor mij; en mama zegt, dat het voor ons vrouwen al zeer onredelijk is, van onze mannen eenig ander bewijs van liefde te verlangen, dan het groote bewijs, dat ze den geheelen tijd voor ons werken. Zij knort nooit op me, maar ik weet dat zij mij voor een bedorven kindje houdt, en zij heeft mij dan ook bij zekere gelegenheid eens verteld, hoe zij Johan opgevoed heeft. Zij had hem nooit verwend: zij liet hem, toen hij nog maar zes maanden oud was, alleen slapen; zij had hem van den eersten tijd af, nooit anders de borst gegeven dan op vaste tijden, onverschillig hoe hard hij ook schreeuwde; nooit liet ze hem krom praten en nog veel minder mocht iemand hem krom voorpraten, maar zij deed haar uiterste best, dat hij meteen alle woorden precies en duidelijk uitsprak; zij moedigde hem nooit aan zijn liefde door kussen of liefkozingen te toonen, maar leerde hem, dat het eenige waaruit ze zien zou, dat hij veel van haar hield, stipte gehoorzaamheid was. Ik denk nog dikwijls om 't geen Johan mij verteld heeft, dat hij eens naar haar toeliep en zijn armen om haar hals sloeg, toen hij zonder zijn voeten te vegen binnengekomen was, maar dat zij zeer bedaard zijn armen losgemaakt en gezegd had: „Johan! dit is niet de rechte manier, om te toonen, dat je veel van mij houdt. Ik zou het veel liever gehad hebben, dat je bedaard was binnengekomen en je voeten afgeveegd hadt, dan dat je mij een zoen komt geven, als je vergeet te doen wat ik gezegd heb.””
„Die oude, stijve hark!” zeide ik op een heel oneerbiedigen toon, want ik was toen nog maar drie-en-twintig.
„Hoor eens, Christoffel! ik wil geen woord meer met je spreken, als je op zulk een toon begint te praten,” zeide Emilie en zette een lip, al flikkerde er iets erg ondeugends in haar oogen. „Ik moet je toegeven, dat zij die dingen wel wat al te ver trekt, maar ze is toch zoo goed. Ik zei het maar, om Johan te verontschuldigen en je eens te vertellen, hoe hij opgevoed is.”
„Die arme jongen!” zeide ik. „Nu weet ik, waarom hij zoo ongenaakbaar en zoo gesloten is. Geen beter hart is er dan het zijne, dat hij daar wegstopt in die vesting, met de valbrug hoog opgehaald en met diepe grachten in de rondte.”
„Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. „Zou je denken, dat zij hem niet lief had? Eens, toen hij ziek was, heeft zij zeventien nachten achtereen bij hem gewaakt, zonder uit de kleeren te komen; zij wou in al dien tijd haast niets gebruiken: Jansje heeft het zelve mij verteld. Zij houdt meer van hem dan van zich zelve. 't Is soms vreeselijk, zoo gedurig gespannen als ze is over 't een of ander, dat hem raakt: alleen uit _beginsel_ is zij zoo koud en bedaard.”
„Ik noem het een duivelsch beginsel!” zeide ik.
„Christoffel! je begint waarlijk wat al te grof te worden.”
„Ik sprak zóó in vollen ernst,” zeide ik. „Wie anders dan de Vader des kwaads verzon ooit zulke streken, om wat waarachtig goed is te maken tot iets dat ons tegenstaat, en het edelste in ons zóó achter slot en grendel te houden, dat wij er voor 't grootste deel van ons leven niets aan hebben? Wat nut sticht een vuur van brandende liefde als het niemand verwarmt, en niets anders doet dan de ziel, waarin het besloten is, door de hitte te verteren? Onderdrukte liefde raakt aan het kwijnen en werkt op duizenderlei verkeerde wijzen. Die drie vrouwen, dunkt me, leven hier met elkander als drie bevroren eilanden en weten even weinig van elkanders inwendig leven af, alsof zij door eeuwige ijsbergen gescheiden waren,—en dat alles omdat een vervloekt beginsel in het hart der moeder haar er toe gebracht heeft, de natuur geweld aan te doen.”
„Ja,” hernam Emilie, „somtijds kan ik Jans beklagen; zij is zoo wat van één jaren met mij: en zoo'n meisje als ik, denk ik natuurlijk, of—ten minste ze kon net zoo wezen. Voor een dag of wat zag zij er zoo betrokken en akelig uit, dat ik haar onwillekeurig vroeg: of zij niet wel was? De tranen kwamen haar in de oogen; doch mama keek haar strak aan en zei droog weg:
„„Jansje! wat scheelt er aan?”
„„Och, Ma! ik heb een vreeselijke hoofdpijn en al mijn leden doen mij zeer.”
„Ik wou meteen opstaan, en iets voor haar klaar maken—gij weet, dat wij bij ons aan huis van de leer zijn dat eene zieke moet opgepast worden; maar mama zei nog altijd even droog:
„„Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk kou gevat; ga naar de keuken, en zet wat lindebloesem, en neem een voetbad en ga dadelijk naar bed;” en Jansje ging gedwee heen.
„Ik had groote lust, om met haar te gaan en alles voor haar klaar te maken; maar—'t is wonderlijk,—hier aan huis durf ik nooit iets voor een ander doen, en mama keek mij aan, toen zij weg ging, en zei met een veelbeteekenend knikje:
„„Zoo leef _ik_ er altijd meê; als een van de kinderen ziek is, vertroetel ik ze nooit; dit is de beste manier om hen te leeren er niet veel beweging van te maken.””
„Verschrikkelijk!” zeide ik.
„Ja, 't is verschrikkelijk,” zeide Emilie, diep adem halende, alsof het haar goed deed, dat zij haar hart eens lucht kon geven, „'t is akelig om te zien, hoe die menschen, die ik weet dat toch veel van elkander houden, schoon ze onder één dak wonen, nooit een vriendelijk woord voor elkander over hebben, nooit eens lief voor elkander zijn,—en zoodra er een ziek is, even als of het een ziek beest was, die maar aan zijn lot overlaten, om alles alleen te dragen. Maar dat moet anders worden: ik moet en ik zal mij bij ze indringen. Ik zou bij Jansje willen gaan zitten en haar aanhalen, haar hand vasthouden en haar hoofd betten; al hinderde haar dat nog zoo en nog zoo in 't begin, want zij moet toch leeren, hoe men een ziek mensch op een christelijke manier oppast. Ik zal haar nu en dan een zoen geven, al neemt ze 't ook op als een kat, die niet gewoon is gestreeld te worden; en al noemt ze mij honderdmaal een malle meid—ik weet toch wel, dat zij 't op 't laatst pleizierig zal vinden. Waar dient het toch voor, dat zij zoo vreeselijk teruggetrokken en koud, en zoo zuinig met hun liefde zijn? Als een van hen eens gevaarlijk ziek werd of hem iets overkwam, de anderen zouden alles voor hem over hebben; kwam er een te sterven, ze zouden radeloos wezen: maar 't zou alles verkropt, alles stil weggelegd worden in dien diepen, kouden smoorkuil; zij zouden er niet over kunnen spreken; zij zouden elkander niet kunnen troosten; zij zijn niet in staat het hart voor elkander uit te storten: zij _kunnen_ dit letterlijk niet.”
„Ja,” zeide ik, „'t gaat hun net als den fakirs, die hun arm zoo lang in de hoogte houden, totdat hij geheel stijf en niet meer te bewegen is; net als de ongelukkigen, die doof geboren, nu ook niets kunnen spreken, omdat zij nooit hun spraakorganen leerden gebruiken. Zij zijn opgevoed even als de kleine jongens in de middeleeuwen, die een stijf en stevig harnas aankregen, dat alle jaren vergroot werd, totdat ze eindelijk volwassen waren en zij er zoo precies in pasten alsof het hun om de leden gegoten was. Wie zóó wordt opgevoed, blijft altijd een hark en zal nimmer worden, wat hij had kunnen zijn.”
„Och, zeg dat niet, Christoffel! denk eens aan Johan; denk er eens aan, hoe goed hij is.”
„Ik denk er aan, hoe goed hij is,” zei ik driftig, „maar ik denk er ook aan, hoe weinigen dat weten. Ik geloof, dat hij—ook met het teederste, trouwste, welwillendste hart, met het fijnste gevoel voor vriendschap—bij de wereld voor een koud, trotsch, zelfzuchtig mensch doorgaat. Als uw openhartig, levendig karakter de poorten niet ontgrendeld en de deuren niet geopend had, zou hij nooit de liefde eener vrouw gekend hebben; en nu is hij nog maar half ontdooid; hij dreigt iederen dag weer tot ijs te worden.”
„Daar zal ik wel op passen. O, ik ken het gevaar, dat daarvoor bestaat. Ik zal hem onder de menschen brengen. Ik zal ze wel weten te veranderen! Zij beginnen meer en meer van me te houden, dat merk ik wel; vooreerst, omdat ik de vrouw van Johan ben en alles wat van Johan is, volmaakt is; en vervolgens....”
„Vervolgens omdat zij dag aan dag de ragfijne draden van hun koud systeem van terughouding om je heen denken te weven, die, al vaster en vaster en al strakker en strakker gespannen, je net zoo stijf en zoo doodelijk zullen maken, als zij zelven zijn. Je doet mij denken aan onze arme kleine eend: heugt je dat nog?”
„Wel zeker, dat arme beest! wat kon hij 't lang uithouden, en in de rondte zwemmen, terwijl de vijver gedurig meer dicht vroor en het open plekje, waar hij zich nog in bewegen kon, met den dag al kleiner en kleiner werd, maar 't was zulk een moedig beest, dat....”
„Dat wij hem op zekeren morgen eindelijk in 't ijs vastgevroren vonden, en dat hij voor altijd mank was.”
„O, maar ik zal niet vastvriezen”, zei ze lachende.
„Pas maar op, Emilie! gij zijt teergevoelig, meêgaande en niet sterk; 't ligt geheel en al in je aard, om je naar anderen te voegen en alles voor hen in te schikken.
Een enkel eendje, zoo als gij, hoe warm ook van bloed en hoe luchtig van hart, kan toch de vorst uit den heelen vijver niet houden. Terwijl je nog eenigen invloed hebt, moet je dien gebruiken, om Johan uit dezen kring weg te rukken, weg naar eene andere plaats, waar je hem geheel alleen voor je zelven bezit.”
„Och, er wordt immers een huis voor ons gebouwd, dat weet je wel; wij zullen gauw een eigen huishouden hebben.”