De kleine vossen

Part 4

Chapter 43,879 wordsPublic domain

Papa's, die dag op dag zóó hard werken, en mama's, die zóó avond op avond uitgaan,—wat blijft er van hen over om den huiselijken haard op te vroolijken en voor hunne kinderen te leven?

Wel zegt de man, dat hij 't niet helpen kan, want dat zijn zaken toch voorgaan; maar waartoe dient het, tot zulk een prijs zijn geld op te stapelen? Waarom niet liever wat minder geld verdiend en wat meer tijd besteed aan 't huiselijk leven, tot vreugd van zijne vrouw en tot nut van zijn kinderen? Waarom al zijn kracht tot op den laatsten droppel aan wereldsche bemoeiingen verspild, en aan zijne innigst-geliefden niets anders gegeven dan den bitteren droesem?

De meeste waarschuwingen, van den kansel en in de kerk tegen overdreven zingenot ingebracht, hebben niets uitgewerkt, omdat zij verkeerd werden aangelegd. Er is, bij voorbeeld, een kanonvuur geopend tegen het dansen, en dat alles om redenen, die den toets volstrekt niet kunnen doorstaan. 't Is dwaasheid het dansen een zonde te noemen, omdat wij leven in een vergankelijke wereld en ons voor de eeuwigheid moeten voorbereiden. Als het dansen daarom zonde is, dan is ook knikkeren en stoeien met kinderen, of veel van lekker eten houden en honderd andere dingen, waartegen niemand ooit bezwaar heeft ingebracht, dan is dat ook zonde.

Maar als een dominé zei, dat alles zonde is, wat de kracht, voor de vervulling onzer dagelijksche plichten benoodigd, verbruikt en ons uitput en ontstemt juist dan en juist daar, wanneer en waar wij vooral gezond en opgeruimd moesten zijn, dan zou hij iets zeggen dat geen zijner hoorders zou kunnen ontkennen. Als hij er dan bijvoegde, dat bals, die 's avonds ten tien ure beginnen en 's nachts te vier ure afloopen, de kracht uitputten, de zenuwen verzwakken, en iemand geheel ongeschikt maken voor de vervulling zijner huiselijke plichten, dat zou alweêr iets zijn, dat zeer weinig menschen hem zouden betwisten. Als hij verder beweerde, dat het verkeerd is bedorven lucht in te ademen en de maag zóó met ongezonde lekkernijen op te vullen, dat men er dagen achtereen gejaagd en knorrig van is, dan zou hij evenzeer iets in 't midden brengen, dat door niemand zou geloochend worden, en de hoop mogen voeden, dat zijn preek niet geheel zonder vrucht zou blijven.

Het beste middel ter beoordeeling, of eenig vermaak al of niet geoorloofd is, bestaat hierin, dat wij er op letten, welken invloed het daags daarna heeft op onze zenuwen en op ons humeur.

Elke uitspanning moet altijd,—zoo als het woord reeds aanduidt,—ontspanning zijn; ze moet ons opfrisschen, vernieuwen, ons lichaam of onzen geest bij beurten tot rust brengen en ons een vroolijke opgewektheid geven, om het dagelijksch werk weêr op te vatten.

Geen krachtiger argument tegen alle prikkelende middelen,—onverschillig of ze opwekkend dan of ze bedwelmend zijn,—dan de waarheid, dat ze gelijk staan met een wissel, waarbij men te veel disponeert,—dan de opmerking, dat ze in één uur de kracht uitputten, die voor geheele dagen bestemd was.

Door te veel werk, te veel zorg, te veel uitspanning verbruikt iemand al den gewonen wettigen interest van zijn zenuwgestel. Onvoorziens wordt hij om 't een en ander aangesproken. Hij moet een moeilijke rekening opmaken, een verhandeling of een preek stellen, en hij windt zich op met een kop koffie, een sigaar, een extra glas; in één woord, hij handelt juist als een doorbrenger, die eerst den interest van zijn geld heeft verteerd en nu zijn kapitaal aanspreekt. Alle kracht, die hij op deze wijze verkrijgt, gaat van zijn hartebloed af: hij borgt het van een onbarmhartigen schuldeischer, die mettertijd niet rusten zal, eer hij voor 't geleende hem 't pond vleesch uit het lijf heeft gesneden.

Bezinksel van zulk eene overprikkeling,—anders niet,—is meestal de gemelijkheid, die 't huiselijk geluk verstoort. Er zijn er, die koffie drinken, en toch dagelijks bekennen, dat zij er zenuwachtig van worden; er zijn er, die zich met tabak, anderen die zich met wijn of sterken drank bedwelmen, en om eenige oogenblikken in de wereld te schitteren, zichzelven en hun huisgenooten lange uren bezorgen, waarin vriendelijkheid of innemendheid ver te zoeken is. Er zijn er die zich Christenen noemen,—ellendige slaven, altijd in schuld bij de natuur, altijd over meer beschikkende dan hun inkomen is, altijd hun kapitaal van levenskracht opterende, omdat zij den zedelijken moed niet hebben een onwaardige neiging te onderdrukken.

't Is hetzelfde geval met die tallooze inwilligingen aan de tong gedaan, die van de maag meer vergen dan zij doen kan, en al de jammeren eener indigestie veroorzaken. Voor iemand die aan hardnekkige verstoppingen lijdt, is 't niet mogelijk zich als een goed Christen te gedragen; maar een goed Christen moet aan geen hardnekkige verstoppingen lijden. Verstandig zichzelven te beheerschen en aan dwaze inwilligingen geen voet te geven dat is 't beste middel tegen alle verstoppingen. Menigeen is een lijder en maakt ook de zijnen tot lijders, alleen omdat hij altijd maar voortgaat met te gebruiken wat hij weet dat hem niet dient.

Maar de zucht, om te veel over onze krachten te disponeeren en ze bij wijze van voorschot te gebruiken openbaart zich niet alleen in ons dagelijksch bedrijf, in onze uitspanningen, of in de streeling van ons gehemelte,—ze ontstaat ook door verleidingen, die vrij wat gevaarlijker zijn, omdat ze met onze zedelijke godsdienstige vermogens in verband staan. Er is ook op godsdienstig gebied een versnelde polsslag, een overspanning, die ons onverbiddelijk naar den afgrond der gemelijkheid voert. Zelfs Paulus werd in den derden hemel niet opgetrokken, of hij voelde later den scherpen doorn in het vleesch, den engel des Satans, die hem met vuisten sloeg.

Juist voor hen, die een meer dan gewoon godsdienstig gevoel bezitten, is de verzoeking het grootst, om er in 't openbaar al te veel aan toe te geven, zoodat na de overspanning ontspanning volgt en hun geen kracht overblijft, om in het huiselijke leven anderen met een goed voorbeeld voor te gaan.

Dominé X preekt van daag alsof hij een engel was; hij verliest zich in de sferen eener hoogopgewondene godzaligheid, waar zijne hoorders hem alleen uit de verte kunnen naoogen; hij verhaalt hun van den overwinnaar, die de wereld overwint; van het onwrikbaar geloof, dat geen lijden vreest; van dien vrede der liefde, door niets op aarde te verbreken: en allen zien hem aan met stille opgetogenheid, en wenschen, dat zij zich ook zoo konden verliezen!

Helaas! de overspanning, die hem zoo verheven doet spreken, die hemelsche verrukking, is een dubbel en driedubbel voorschot, dat hij van de natuur borgt,—en zijn vrouw, die onder zijn gehoor zit, denkt er bij wat al donkere dagen van reactie haar voor de deur staan! Veertien dagen lang is hij door een stormvlaag van wilde opgewondenheid voortgezweept, waarbij hij twee, driemaal zooveel van zijn krachten vergde, als ze geven konden, en telkens tot den prikkel van sterke koffie zijn toevlucht nam. Hij heeft nacht op nacht zieken bezocht of stervenden getroost en alle dagen menigte van vrome bezoekers te woord gestaan, terwijl hij nog wel meende al sterker en sterker daaronder te worden, omdat hij met iederen dag prikkelbaarder en meer opgewonden werd. Met zijne hooggekleurde ingevallen wangen en zijn glinsterende oogen, ziet hij er voor zijne hoorders uit als een geest, die gereed staat de wieken uit te slaan om naar eene hoogere wereld te zweven; maar voor zijne arme vrouw belooft dit alles heel wat anders. Haar instinkt als vrouw en als moeder zegt haar, dat hij met beide handen zijn levenskapitaal aantast, dat er een vreeselijke afrekening volgen moet en dat er vele, vele donkere dagen zullen komen. Hij, die zoo roerend heeft gesproken over den vrede eener ziel, die in God hare rust vindt, zal het geschreeuw van zijn jongste kind of het ronddribbelen van zijn oudste niet kunnen verdragen: hij, die zoo dierbaar preêkte van de volkomene overgave des geloofs, zal zich doodsbenauwd maken voor de slagersrekening en sidderen van angst, dat het tractement zeker op zal wezen, eer het nieuw kwartaal nog verschenen is; en hij die op zoo treffende wijze het zwijgen van Jezus onder den grievendsten smaad wist voor te stellen, hij zal maar al te vaak een onbedacht woord aan zijn mond laten ontglippen. De arme X zal dagen en weken achtereen ziek naar den geest en in 't geheel niet in staat zijn, Christus op zulk een wijze te prediken, als de meest afdoende van allen is: namelijk door zijn handel en wandel.

Maar hoe nu, moeten wij dan het werk des Heeren niet werken?

Ja zeker; doch het voornaamste werk des Heeren, waarvoor in de eerste plaats moet gezorgd worden, is: een voorbeeld als Christus te geven. Beter is het jaren achtereen gestadig en ijverig in stilte te werken, zonder het aanwenden van eenigen prikkel, die het gestel overspant, beter is het elken dag slechts zooveel kracht te verbruiken, als de nacht door zijn rust weer herstelt, en het gesprokene op den kansel toe te lichten door het gedrag in den huiselijken kring,—dan nu eens in opgewondene overspanning en straks weer in doffe neerslachtigheid het leven door te brengen.

Wat op de preekers van toepassing is, geldt evenzeer van de hoorders. 't Vervullen van onze godsdienstplichten moet even als onze uitspanningen beoordeeld worden naar den invloed, dien het heeft op ons leven. Indien al te veel bidden, zingen en preeken ons vermoeid, zenuwachtig en knorrig maakt, dan is het nagenoeg even verkeerd als al te veel uitspanning.

Het zou wel te wenschen zijn, dat er dagelijks in iedere buurt een paar stille en stichtelijke godsdienstige bijeenkomsten gehouden werden, die 's morgens en 's avonds aller harten gedurende eenige plechtige oogenblikken als tot één huisgezin vereenigden, en zonder opzien te wekken de lamp des geloofs en der liefde, door haar gestadig te voeden, brandende hielden. Dezen geest ademen enkele van dagelijksche bidstonden, die, acht of tien jaren geleden in eenige steden van Nieuw-Engeland begonnen, hun rustig karakter niet verloochend hebben; deze geest heiligt ook de morgen- en avondgodsdienstoefeningen, tot onze blijdschap bij de Episcopalen in gebruik. Al wat de godsdienst in bestendige aanraking met het dagelijksche leven brengt, zoodat het een recht gezond en blijmoedig leven wordt, begroeten wij als een bode van een beteren dag. Niets is beter voor den welstand van ons lichaam dan dagelijksch gebed. Daarin ligt het uitnemendste middel om de zenuwen tot bedaren te brengen en de zorgen te doen vergeten. Mag ik niet hopen, dat eerlang alle Christenen het daarmeê eens zullen zijn en dat alle buren als één gezin zich rondom één altaar zullen vereenigen, om niet alleen voor zich zelven, maar ook voor elkander te bidden?

De slotsom van onze geheele redeneering is dan:

Leg altijd wat weg, om uw te-huis er mee op te vroolijken, en bewaar dat weggelegde even trouw als de priesters de toonbrooden in den tempel bewaarden. Hoe hoog uw rang zij, hoe gewichtig en heilig het ambt door u bekleed, gij wint niets met het verwaarloozen van uw huiselijke plichten. Spaar u zelven zooveel dat gij in staat zijt, te dragen en te verdragen, te geven en te vergeven, en levenslust en vroolijkheid te verspreiden rondom den huiselijken haard.

Als de laatste profeet des Ouden Verbonds het werk van den voorlooper van den Messias wil karakteriseeren, dan zegt hij:—wat denkt ge wel? „Hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart der kinderen tot de vaderen; opdat ik niet kome, en de aarde met den ban sla!”

Maar al genoeg over 't geen men doen kon, om die ziekelijke prikkelbaarheid te voorkomen. Dat ze toch nog voortdurend vele slachtoffers maken zal, is toe te schrijven aan de volgende redenen:

Vooreerst: 't Gebruik van tabak, wijn, sterken drank en dergelijke prikkelende middelen, van geslacht tot geslacht volgehouden, heeft het hersen- en zenuwgestel in die mate aangetast, dat het lang zoo sterk niet meer is als vroeger. Uitvoerig heeft Michelet dit onderwerp in een zijner jongste werken behandeld; en wij hebben een opkomend geslacht te verwachten, dat, met een bedorven zenuwgestel geboren, niet dan door onophoudelijke en verstandige zorgen tegen ziekelijke prikkelbaarheid kan bewaard blijven.

Er is een temperament, dat men het MELANCHOLISCHE noemt, aan veel menschen, zelfs aan de edelste, aan de rijkstbegaafde eigen,—een stoornis van 't evenwicht tusschen de zenuwkrachten, waaruit nu eens hooge opgewektheid en dan weêr diepe neêrslachtigheid volgt,—eene erfenis, rampzalig wie haar bezit, al gaat zij ook dikwijls met groote talenten gepaard. Zelfs is zij nu en dan het treurige deel van ongelukkigen, die geen talenten bezitten, en die derhalve hare lasten en kwellingen te verduren hebben, zonder haar vergoeding te genieten.

Wie zulk een temperament bezitten, zijn blootgesteld aan vlagen van neêrslachtigheid en wanhoop, van zenuwlijden en prikkelbaarheid, waarbij ze de gansche wereld met een somber waas overtogen zien en zich een geheel verkeerde voorstelling maken van zich zelven, van hunne vrienden, van hunne levensomstandigheden en van alles, wat hun overkomt.

Voor hen, die daarmede behebt zijn, is het zeker 't allerverstandigste, dat zij zich zelven en hun zwak leeren kennen, dat zij begrijpen, hoe deze aanvallen van neêrslachtigheid en moedeloosheid even goed een ziekteverschijnsel zijn als koorts of kiespijn,—en dat het aan deze ziekte eigen is, het hoofd met valsche voorstellingen op te vullen, waardoor zij in hun eigen oogen ellendige en hatelijke schepsels zijn, waardoor hunne beste vrienden onrechtvaardig en onvriendelijk schijnen en waardoor al wat er gebeurt er uitziet, alsof het geheel verkeerd is en op het ontzettendste verderf uitloopt.

Als iemand maar weet, dat hij zulk een temperament heeft, en het voor een ziekelijk verschijnsel erkent,—dan is hij de bezwaren en kwellingen, die er aan verbonden zijn, reeds half te boven. Hij zal dan in die uren van bitterheid niet wagen zoo te spreken en te handelen, alsof alles waarheid was, wat hij denkt en gevoelt en ziet. Hij, wien deze wijsheid ontbreekt, stort over zijn gezin en zijn vrienden de wateren der bitterheid uit: hij kwetst door onbillijke beschuldigingen, en vergalt het huwelijksleven der zijnen door inbeeldingen, die hij wel voor waarheid houdt, maar die even valsch zijn als de visioenen van een koortslijder.

Een verstandig man, die aan deze kwaal lijdt, maar weet wat hem scheelt, zal zich stellig voornemen te zwijgen, om de sombre gedachten, die hem pijnigen, niet onder woorden te brengen.

Een zeer ontwikkelde en aardige vrouw, die nu en dan aan zulke vlagen leed, zei eens tegen mij: „Er zijn tijden, mijnheer, dat ik door den duivel bezeten ben, maar dan wacht ik mij wel, een enkel woord te spreken.” Zoo droeg deze verstandige vrouw haren last zwijgend met zich om, en maakte daardoor op allen, die haar kenden, den indruk, dat zij een opgeruimd, lief karakter had; en toch, als zij maar een tiende gedeelte van 't geen in haar ziekelijke uren bij haar omging, had uitgesproken, zou zij al haar kennissen van zich verwijderd en anderen even ongelukkig gemaakt hebben, als zij zelve was. Door zelfkennis en zelfbeheersching was ze nu gelijk aan een zonnestraal, die overal leven en vroolijkheid wekt.

Dergelijke overwinningen zijn overwinningen van waarachtige heiligen.

Doch wanneer iemand, die aan deze zwaarmoedigheid lijdt, eens in de verzoeking komt om haar zwaren last door 't gebruik van een of anderen prikkel te verlichten dan is de strijd reddeloos verloren. Uit deze soort van menschen, meer dan uit eenige andere, wordt het groote heirleger van dronkaards en opiumschuivers gedurig aangevuld. De Hypochondristen behooren, volgens de juiste beschrijving van een hunner, Dr. Johnson, tot de ongelukkigen, voor wie wel _afschaffing_, maar nooit _matigheid_ mogelijk is. Zij kunnen, zij willen niet matig zijn. Elke prikkel, waarmeê zij hun zwaarmoedigheid zoeken te verdrijven, wekt eene onverzadelijke begeerte naar meer, een brandenden hartstocht. Het temperament neigt reeds uit zijn aard tot waanzinnigheid. De strengste, zorgvuldigste en gelijkmatigste leefregel is noodig, om het binnen de juiste palen te houden; maar het gebruik van prikkelende middelen verergert het zoo zeer dat het tot razernij wordt.

Alle ouders behoorden bij de opvoeding hunner kinderen toe te zien, of zich de teekenen van zulk een temperament bij hen vertoonen. Zij doen zich reeds in de vroegste kindsheid voor; en er kan aan de physieke en moreele opvoeding van een kind, dat overhelling heeft tot vlagen van neêrslachtigheid, niet te veel moeite en zorg besteed worden.

't Is volstrekt noodig daarbij alle overprikkeling bij uitspanning, studie of leefwijze ten strengste te vermijden. Een verstandige opvoeding zal in menig opzicht de onvermijdelijke kwalen en kwellingen, aan deze ongelukkige gestellen eigen, kunnen verzachten.

Maar er is nog een andere soort van menschen, die voor 't beheerschen van hun luimen en humeuren alle wijsheid noodig hebben; ik bedoel die talrijke klasse, wier ongelukkige omstandigheden 't onvermijdelijk maken, dat zij zich altijd overspannen en overwerken, zoodat zij elken avond uitgeput en doodaf zijn. Ik denk aan die slovers, dagelijks onder een al te zwaren last gebukt: neen! uw stuurschheid, uw knorrigheid moge meêwarige zielen bedroeven, toch vertoornt ze ons niet. Ik denk aan die moeders, met een troep kleine kinderen altijd bij haar en om haar, met een zuigeling die haar nacht noch dag rust gunt: aan die huisvaders die met al hun tobben en zwoegen 't gebrek ter nauwernood buiten de deur kunnen houden,—ja, aan allen denk ik, die sloven en slaven en boven hun kracht onder de lasten des levens gebogen gaan.

Voor u heb ik maar tweeërlei raad, twee middelen om u van de prikkelbaarheid te genezen, die 't gevolg van uw vermoeidheid is; leer tegen de menschen te zwijgen en leer tegen God te spreken. Het hart moet zich uiten of barsten,—maar laat het dan leeren bestendig en vertrouwelijk gemeenschap oefenen met Een, die aan alle plaatsen tegenwoordig is en medelijden heeft met al onze zwakheden. Geen beter, geen ander middel is er tegen uw gemelijkheid en uw klaagzucht. Zoo en zoo alleen kan er rust ontstaan na de onrust; en kunnen de snaren, die door overspanning gesprongen zijn, opnieuw gespannen worden, om een hemelsche harmonie voort te brengen.

TERUGHOUDING.

III.

TERUGHOUDING.

(Het volgende is een getrouw afschrift van 't geen ik in de huiskamer aan mijn vrouw en aan Jenny voorgelezen heb.)

Bij onze beschouwingen ligt nu een andere stoornis van ons huiselijk geluk aan de beurt, nog moeilijker te overwinnen, dan een van de beide, waarover ik reeds gesproken heb.

In het formulier der algemeene Schuldbelijdenis onzer Kerk spreken wij twee dingen uit: „Wij hebben nagelaten, wat wij hadden moeten doen en gedaan, wat wij hadden moeten nalaten.” Dit tweeledig artikel zegt aangaande onze onvolmaaktheid alles, wat er van te zeggen is.

Juist hetgeen wij niet gedaan hebben, maar hadden moeten doen: juist hetgeen wij niet gezegd hebben, maar hadden behooren te zeggen, is het onderwerp, dat ik nu aan de orde gesteld heb.

Ik herinner mij uit mijn schooljaren, dat ik dikwijls zat te mijmeren over 't geen ik in een oud „scheikundig handboek” gelezen had, dat er namelijk in alle lichamen een zelfstandigheid voorhanden is, die warmtestof heet, maar dat zij, zoolang ze in gebonden toestand verkeert (gelijk bij sommige lichamen 't geval is), noch op onze zintuigen, noch op een thermometer eenigen invloed heeft en eerst dan, wanneer dit beletsel is weggenomen, het kwik doet rijzen en onze handen verwarmt. 't Heugt me nog, hoe ik toen steeds met eerbied en bewondering nadacht over het groote aantal blinde, doove en stomme krachten, welke de natuur op deze wijze in voorraad heeft. Hoe zonderling kwam het mij voor, dat arme huisgezinnen elken winter moesten huiveren en bibberen van kou, terwijl er toch zooveel verborgen warmtestof in 't geheime magazijn der natuur was weggesloten,—terwijl ze toch verscholen was in al wat zij aanraakten en betastten.

In de geestelijke wereld bestaat er een verschijnsel, dat daarmeê geheel overeenkomt. Er is een groote, levenwekkende, verwarmende macht, liefde genaamd, die verborgen en onzichtbaar in ons hart bestaat, maar die geen werkelijk leven, geen koesterend vermogen heeft, voordat zij zich naar buiten openbaart.

Hebt gij ooit op een ruwen kouden dag even vóór een sneeuwstorm, in een kamer zitten werken, die op den juisten graad, volgens een nauwkeurige thermometer, verwarmd was? Gij bevriest niet, maar gij huivert, uw vingers worden niet stijf van de koû, maar met dat al verlangt gij toch, dat het warmer was. Gij kijkt naar de kachel, loopt er geheel werktuigelijk heen, en rilt er van, nu gij merkt, dat er geen vonk meer in is. Graag zoudt gij een doek of een mantel hebben; ge krimpt van kou ineen; ge ziet op den thermometer, en 't hindert u dat ge niets geen reden tot klagen hebt,—want ('t is om boos te worden) hij staat juist zóó hoog, als alle goede boeken en goede dokters de gulden middenmaat, de beste temperatuur voor onze gezondheid noemen, en toch, ontaarde! toch blijft gij huiveren en hebt een gevoel, alsof bij 't gezicht van een brandenden haard u de hemel zou opengaan.

Er zijn vrij wat menschen, wier gansche leven zulk een doorgaande huivering is; ze zijn niet warm, al moesten ze, volgens alle regels, warm zijn,—hun leven is koel en koud en kil,—zij zien nooit het flikkeren van een brandenden haard.

Ik wil mijn meening duidelijk maken, door een bladzijde uit mijn eigen ondervinding meê te deelen.

Ik was een en twintig jaar oud, toen ik speelgenoot was van mijn jongste en liefste zuster Emilie. 't Heugt me nog, hoe ze er bij de inzegening uitzag, bleek en toch opgewekt, op 't punt van te weenen en toch overgelukkig, omhuld met lichte wolkjes van gaas en van krullen en van al de mysteries, die met den bruidsmorgen voor altijd voorbijgaan.

Iedereen hield het voor een gelukkig huwelijk, want haar man was een aangenaam mensch, flink, waardig, met beginselen zoo goed als goud en zoo hecht als arduin.—Emilie was altijd zulk een prettig, lief troetelkindje van de familie geweest, zoo dartel en opgewonden, gevoelig en zenuwachtig, dat wij zulk een welwillenden, degelijken, bezadigden echtgenoot juist voor haar geschikt rekenden. „'t Is inderdaad een besturing van onzen Lieven Heer!” verzuchtten al de oude dames, terwijl zij gedurende de huwelijks-inzegening, volgens het algemeen gebruik, niets deden dan zachtjes snikken en de oogen afvegen.

Ik herinner mij nog de drukte van den dag,—het bonte gewoel van witte handschoenen, van zoenen, van speelnoten en van toasten, van koffersleutels die zoek en van nestels die gebroken waren, de tranen van mijn lieve moeder en de onfatsoenlijke pret van Christoffel, die, al had hij er om moeten sterven, toch maar geen akeligheid in die heele vertooning kon zien en slechts wenschte dat hij er zelf ook zoo goed aan toe was.

En zoo reed Emilie van ons weg om haar huwelijksreisje te doen, waarop wij bijna dagelijks brieven van haar ontvingen, brieven net zoo als zij zelve was, vol vroolijke, dartele krabbels, tintelende en mousseerende van dwaasheid en dolheid, en altijd weêr aan het slot: hoe volmaakt en hoe goed hij was, en hoe lief hij voor haar zorgde, en hoe gelukkig zij was, enz., enz.

Daarop kwamen er brieven uit haar nieuwe woning. Hun huis was nog niet gereed, maar terwijl het gebouwd werd woonden zij in bij zijn moeder, die „zulk een goede, hartelijke vrouw” was, en bij zijne zusters, die ook „zulke lieve meisjes” waren.