De kleine vossen

Part 3

Chapter 34,007 wordsPublic domain

Waarlijk, hetzelfde vleesch en bloed, dezelfde nooden en behoeften, als wij hebben, zijn ook eigen aan al onze medemenschen, aan elke onhandige dienstbode en aan ieder onachtzaam kind.

Laten wij ons dan allen voornemen:

vooreerst, de gave van het ZWIJGEN ons eigen te maken;

ten tweede, alle VITTERIJ, die niet verbetert, ZONDE te noemen; en, als wij zelven gelukkig zijn, onze naasten nooit lastig te vallen door telkens op hunne kleine verzuimen te wijzen;

ten derde, de gave en de deugd van den LOF aan te kweeken. Wij hebben allen geleerd, dat het onze plicht is, God te prijzen, maar weinigen van ons hebben er zeker ooit aan gedacht, dat het evenzeer onze plicht is, de menschen te prijzen; en toch is het om dezelfde reden, als die ons gebiedt Gods goedheid te verheerlijken ook onze plicht het goede in den mensch te erkennen.

Wij moeten onze vrienden prijzen, hen, die ons 't naast zijn en 't naast aan het hart liggen; wij moeten zoodanig op hunne deugden letten, totdat hunne gebreken verdwijnen; en wanneer wij anderen 't hartelijkst liefhebben en zij in ons oog 't beminnelijkst zijn, dan is het de rechte tijd, met omzichtigheid te spreken over hetgeen nog verandering behoeft.

Ouders moeten de gelegenheid om hunne kinderen te prijzen, met evenveel zorg opzoeken, als zij dit doen om te berispen: en heeren en vrouwen behooren het goede in hunne dienstboden even nauwgezet te erkennen, als zij het verkeerde in hen laken.

In de meeste gevallen—neem er de proef maar eens van,—komt men verder met lof dan met berisping. Wacht totdat een onhandige dienstmaagd iets goed doet, en geef haar daarvoor een prijsje, en gij zult een nieuw vuur in haar oog zien glinsteren, en kunt er voor 't vervolg zeker van zijn, dat zij ten minste dit ééne goed zal doen.

Als gij berispt, hetgeen zelden moet gebeuren, laat het dan onder vier oogen zijn, met de meeste bedaardheid met tact en verstand. De gewoonte, kinderen en dienstboden in het bijzijn van anderen te berispen, kan niet te zeer afgekeurd worden. Halstarrigheid en eigengezindheid komen er uit voort, terwijl eene berisping onder vier oogen misschien in dank zal aangenomen worden.

Als een algemeenen regel stel ik: behandel kinderen in dit opzicht eveneens, als of gij met volwassenen te doen hadt; zij zijn volwassenen in miniatuur, en hebben er evenveel recht op, dat gij hun gevoel eerbiedigt, als ieder onzer.

Eindelijk, laat ons allen een heiligen krans vlechten van 't geen er goed en liefelijk is in ons leven, onzen kring, ons dagelijksch werk, en 't geen er goed en liefelijk is in onze vrienden, onze kinderen, onze dienstboden, en dien dagelijks in handen nemen, totdat prijzen en opbeuren voor ons gewoonte is. Dat doende, zullen wij één kleinen vos gevangen en gedood hebben, die maar al te veel jonge druifjes verdorven heeft.

PRIKKELBAARHEID.

II.

PRIKKELBAARHEID.

De kerstdag, die deed het mij; daar ben ik zeker van, en hoe 't zich heeft toegedragen, zal ik u eens vertellen.

Gij moet dan weten, dat de viering van jaarlijksche feesten en gedenkdagen altijd bij de familie Crowfield in eere gehouden is; maar onder al de gedenkdagen van 't heele jaar wordt er geen zoo vroolijk gevierd als kerstmis.

Laat niemand hierbij zijne archeologische ooren opsteken en ons vertellen, dat volgens de berekeningen der chronologen de viering van het kerstfeest een dwaasheid is,—dat het op de duchtigste gronden vaststaat, dat de heuglijke gebeurtenis, die wij dan herdenken, niet op den 25sten December plaats gehad heeft. Laat het waar zijn, maar wat kan ons dat schelen? Als zulk eene buitengewone, heuglijke gebeurtenis ooit op aarde voorgevallen is, dan is zij zeker 't herdenken wel waard. 't Is de _gebeurtenis_, die wij vieren, niet den _tijd_, waarop zij voorviel. En indien alle Christenen gedurende achttien honderd jaren, terwijl zij over duizend andere punten twistten en streden, goedgevonden hebben, dezen eenen 25sten December aan de verkondiging van Gods welbehagen in menschen toe te wijden, wie zou dit gebruik dan laten varen en om een historisch bezwaar de heerlijke kerstdagen willen missen?

In ons huis dan is Kerstmis altijd een hooge feestdag geweest, een dag, die reeds den vorigen avond de oogen van ons klein volkje openhield, daar de kinderen, maar met één oog dicht, gingen slapen, om toch de eersten te zijn, die vader en moeder een gelukkigen kerstdag wenschten en een kijkje van den wonderbaren kerstboom hadden.

Ditmaal vierde de geheele stoet van gehuwde broêrs en zusters, zoons en dochters, met al de kinderen van de familie, een vroolijk feest rondom een prachtigen kerstboom, die door mijne vrouw en Jenny en mij gemaakt en versierd was: een werk, dat ons wel acht dagen had bezig gehouden. Als het jonge volkje meent, dat deze boomen in één nacht en zonder eenigen arbeid groeien, dan weet het er even weinig van als van de meeste andere zegeningen, die, zonder dat zij er aan denken, op hunne hoofdjes neêrdalen. Dat geklauter en geklim, dat loopen en draven, dat vastbinden en weer losmaken, die schikkingen en verschikkingen, die vlugheid en vaardigheid om nu hier, dan weer daar te zijn, waskaarsen zonder tal en gouden loovertjes en andere blinkende voorwerpen aan de takken te binden, mooie poppen in bevallige standen op te hangen, de takken recht te houden onder den last van allerlei snuisterijen, op 't gevaar af dat de waskaarsen onderste boven vallen,—van al die werkzaamheden was ik, Christoffel, de ziel. Ik bekreunde mij niet over mijne rhumatisme, ik bekommerde mij niet om mijn waardigheid: men zag mijn kale kruin nu eens hier, dan weder daar, boven de dikke sparretakken opduiken. Hier moest ik een goede plaats geven aan een mooier aangekleed popje, daar een paar nieuwe schaatsen voor Tom aan een stevigen tak ophangen, nu eens zakken met suikergoed vastbinden en dan weer een wanhopigen strijd voeren met een weerspannige waskaars die maar niet recht wou blijven staan. Zonder naar den raad van mijn vrouw te luisteren, bleef ik dikwijls laat op, sprong vaak in het holle van den nacht op eens weêr uit mijn bed om nog een kleine verandering te maken, en was vóór dag en dauw weer bij de hand en met nog andere verbeteringen bezig. Als die kerstboom een vesting geweest was, die ingenomen, of een veldtocht, die beraamd en ontworpen had moeten worden, dan kon ik er niet meer tijd en moeite aan besteed hebben. Mijn ijver overtrof dien van de bedrijvige Jenny zelfs zoozeer, dat zij het niet kon begrijpen, of 't moest wezen (zoo als ze met een onbeschaamd gezicht zei), dat vader al hard op weg was om kindsch te worden.

Maar was die boom op kerstavond niet schitterend verlicht. Waren wij, ik en mijn jongste kleinzoon, de kleine Tom, niet aan 't hoofd van den prachtigen optocht met papieren sjako's op het hoofd? Was het niet een verrukkellijk getrompet en getrommel, terwijl wij rondom onze schitterenden kerstboom trokken, die met honderden roode en blauwe en groene waskaarsen prijkte, en op den top een engel met groote gouden vleugels droeg, waarvan het uitknippen en opplakken mij nachten aaneen uit den slaap gehouden had? Ik had bergen van bezwaren met dien engel te overwinnen gehad, en hem, nadat hij zijn linker vleugel verstuikt had, een week lang als chirurgijn gediend; nog altijd was ik bang, dat die vleugel weêr uit het lid zou raken op het gewichtig en zalig oogenblik, dat onze kerstboom vertoond werd. Doch de schikgodinnen waren ons gunstig; de engel hield zich goed, hij sloeg zijne vleugels zoo wijd mogelijk uit, en de waskaarsen brandden allen helder en het kleine volkje was zoo uitgelaten van vreugde, dat het mijne stoutste verwachtingen ver overtrof; en daarop stoeiden en speelden en zongen we, zoolang als de kleine oogjes konden openblijven; en zoo brachten wij onze kerstmis door.

Ik heb nog verzuimd van het kerstmaal te spreken, die keur van spijzen, waaraan wij zoo heerlijk smulden. Mijne vrouw stelde alle huishoudelijke overleveringen ten opzichte van dit feest in de schaduw: de kalkoen en de kuikens, de geleien en de sausen, de taartjes en de pudding, zie, zijn ze niet geschreven in het Boek der Gedachtenissen, dat tot op dezen dag bewaard gebleven is?

De feestdagen gingen vroolijk voorbij, en op den nieuwjaarsdag ging ik, ouder en goeder gewoonte, bezoeken afleggen bij mijne kennissen, terwijl mijn vrouw en dochter te huis bleven om de vrienden, die ons kwamen bezoeken, op te wachten. Alles was vroolijk om ons heen, en allen moesten toestemmen, dat wij nooit zoo'n plezierige week gehad hadden.

Maar een dag of acht later begon ik te merken, dat er een kink in den kabel kwam. Ik moest een artikel schrijven voor een maandblad, maar het vlotte niet: ik kon geen letter op het papier zetten. Mijn eten smaakte mij niet zoo goed als anders, en ik had een duister gevoel, dat er iets was, dat verkeerd ging. De rekening van mijn steenkolen kwam in, en ik hield mij overtuigd, dat wij te veel verstookt hadden en dat ons fornuis een groote zinkput was. Mijn kleinzoons en kleindochters kwamen bij ons te visite, en ik vond, dat zij een leven maakten als een oordeel; ik merkte dat zij zonder voeten te vegen binnen kwamen, en in eens viel het mij in: ze krijgen eene verkeerde opvoeding, ze groeien zoo maar in 't wild op. Desgelijks zag ik glazen en borden, waar hoekjes uit waren, en maakte ik hatelijke opmerkingen over de lompheid van de meiden; van ons glaswerk en porcelein zou wel geen stuk heel blijven. Toen ik een van mijne papierladen opentrok, zag ik, dat Jenny's sajet uit het laadje, dat ze gebruikt, bij mijne papieren geraakt was; Jenny begon slordig te worden; buitendien, sajet is duur, en meisjes brengen nog al wat geld zoek met het maken van prullen, waaraan niemand iets heeft. Daarenboven had Grietje mijn pantoffels tot drie malen toe in de hangkast gezet, in plaats van ze onder mijn schrijftafel te laten staan, waar ik ze noodig had. Mijn vrouw moest de dingen meer nagaan; de meiden deden alles verkeerd; 't was vreemd, dat zij 't niet zag.

Aan al die grieven gaf ik van tijd tot tijd lucht in korte, bittere gezegden, even onbeschroomd, alsof ik nooit een artikel over „kleine vossen” geschreven had, totdat mijne oogen eindelijk omtrent mijn waren toestand open gingen.

't Was avond: ik had het vuur juist in den besten bouwstijl opgebouwd, ik had mijne pantoffels aangetrokken en zat vrij verdrietig het nummer van een hatelijk tijdschrift open te snijden.

Mijn vrouw kreeg de tang en verlegde even een blokje.

„Engel!” zeide ik, „ik wou wel dat je met je handen van het vuur afbleef,—je maakt het altijd uit.”

„Ik woû het vuur maar wat meer lucht geven,” zei mijn vrouw.

„Als je telkens aan het vuur komt, dan moet het wel uitgaan.”

Als om dit gezegde te logenstraffen, schoot er een heldere vlam tusschen de blokken te voorschijn en begon het vuur te branden en met vroolijk geknap mij te sarren. Zoo er nu iets is, dat een heilige boos kan maken, dan is het, op zulk een manier door zijn eigen vuur bespot te worden. Het is een ondragelijke onbeschaamdheid. Ik stak mijne beenen knorrig uit en raakte daarbij Fidel aan, die zoo geducht begon te blaffen dat mijne zenuwen nog meer over stuur geraakten. Ik gaf hem nu een duchtigen schop, opdat hij ten minste een reden tot blaffen zou hebben, en wierp bij die gelegenheid het werkmandje van Jenny omver.

„Och, papa!”

„Ik woû, dat je met je mandje en kloenen naar de maan liept! 't Is er hier zoo vol meê, dat men zich haast niet kan verroeren. 't Zijn maar noodelooze dingen en duur ook.”

„Duur?” zeide Jenny, terwijl zij eene kleur van boosheid kreeg: want als er iets is, waar Jenny zich op beroemt, dan is het op hare zuinigheid.

„Ja,” zeg ik, „duur,—want zij kosten tijd en geld. Terwijl er honderden armen zijn, die kleêren noodig hebben, zitten de dames niets anders te doen dan sajet te verknoeien aan allerlei prullen. Als zij voor de armen wat maakten, dan kon het nog aangaan, maar allen zijn zij één pot nat: er bestaat geen werkelijk Christendom in de wereld—niets dan verfijnde zelfzucht en zinnelijkheid.”

„Lieve!” zei mijn vrouw, „je bent van avond zeker niet wel. Het is er nog niet zoo erg meê gesteld, als je wel denkt: je bezuurt de kerstweek nog.”

„Ik ben heel wel. Ik zou niet beter verlangen. Maar ik ben, hoop ik, nog wel in staat om te zien wat er onder mijne oogen gebeurt; en dan moet ik je zeggen, vrouw! dat het zoo niet langer kan blijven gaan. Er moet meer op de kleintjes gelet worden. Daar heb je Grietje,—die meid doet nooit wat er gezegd wordt. Je bent niet streng genoeg op haar, vrouw! Zij maakt het vuur met het laatste nummer van de krant aan en zij verkiest mijn pantoffels niet te zetten, waar zij behooren; en ik kan mijn studeerkamer toch niet tot een magazijn maken voor Jenny en hare mandjes en kloentjes en voor al die rommel.”

Juist op dit oogenblik hoorde ik Jenny iets in zich zelve mompelen. Zij kon hare boosheid over mijn uitval tegen haar sajet nog niet verkroppen; zij zat, met haar rug naar mij toe, druk door te werken, en zei heel zacht, maar toch heel verstaanbaar:

„Als _ik_ zoo redeneerde, dan zou men vast zeggen dat ik _knorrig_ was.”

Ik hield mij alsof ik verstrooid van gedachten in het vuur zat te kijken; maar Jenny's woorden hadden mij aan mij zelven ontdekt. Was _dat_ het? Was het dan waarlijk zoo, dat het huis, de meiden, Jenny en haar sajet, Fidel en mijn vrouw even als gewoonlijk waren, en dat het eenige verschil aan mij, aan mijn knorrigheid lag? Hoe dikwijls had ik Fidel naar dezelfde plaats gelokt, als waar hij lag, toen ik hem een schop gaf! Hoe dikwijls had ik, beter gehumeurd dan nu, Jenny een complimentje over haar net tapisseriewerk gemaakt en gezegd, dat ik het wel aardig vond, die dameswerkmandjes zoo vertrouwelijk met mijne papieren te zien omgaan. Ja, het was duidelijk. Niets was veranderd, behalve alleen dat ik knorrig was.

_Knorrig._ Ik paste dat eenvoudige, ouderwetsche woord op mij zelven toe, in plaats van te zeggen, dat ik uit mijn humeur of wat zenuwachtig was, of eenige van die andere verzachtende uitdrukkingen te bezigen, waarmede wij onze kleine zonden verbloemen. „Daar heb je 't nu al, Christoffel!” zeide ik bij mij zelven, „je bent een letterkundige, met een wat prikkelbaar zenuwgestel en een zwakke maag, en je hebt gegeten alsof je achter den ploeg moest; je hebt je twee weken lang als een jongen van zestien jaar aangesteld; je bent vroeg opgestaan en laat naar bed gegaan; en het gevolg er van is, dat je, evenals een zieltje zonder zorg, in veertien dagen het kapitaal levenskracht, dat veertien weken had moeten duren, verbruikt hebt. Je kunt geen ijzer met handen breken, Christoffel! Als de bron van vroolijkheid opgedroogd is, kan je niet vroolijk wezen; de dingen kunnen er niet voor je uitzien, als toen je nog in de kracht van je leven was. Als de vloed voorbij is, blijft er niets over, dan onoogelijk en stinkend slijk, daar valt niet aan te veranderen: maar jij, Christoffel! kunt je aandoeningen bedwingen—je kunt weten wat je scheelt,—je kunt voorkomen, dat wat je te veel aan kerstkoeken gegeten en te veel aan kerstvreugde genoten hebt, neêrkomt op je vrouw, op Fidel en op Jenny, laat het wezen in den vorm van venijnige zedepreeken en hatelijke opmerkingen, of in dien van een duchtigen schop, zooals je aan het arme beest gegeven hebt.”

„Kom hier, Fidel, arme hond!” zei ik, terwijl ik mijn hand naar Fidel uitstak, die in een hoek der kamer was gaan liggen en mij strak aankeek, „kom hier, mijn beest! Was de baas knorrig? Kom hier maar. Wij moeten vergeven en vergeten, oude jongen! niet waar?” En Fidel verrekte zijn rug haast en verscheurde mijn hart door zijn onophoudelijk kwispelstaarten.

„En wat jou betreft, poesje!” zeide ik tot Jenny, „ik ben je heel dankbaar, dat je je gedachten zoo vrij uit gezegd hebt. Je moet mijn scherpe aanmerkingen maar niet al te veel tellen, en je handwerkjes in zoo veel laden van mijn schrijftafel leggen als je maar wilt.”

In een woord ik bracht de zaak met allen in orde—en verontschuldigde mij zelfs bij mijn vrouw, die, tusschen twee haakjes, zoo menigen zomer en zoo menigen winter met mij doorgebracht heeft, dat zij mij door en door kent, en mijne knorrigheid dan ook even kalm had verdragen, alsof ik een kind was geweest, dat een tand kreeg.

„Natuurlijk wist ik wel, Christoffel! wat er aan haperde; vermoei je maar niet,” zeide zij, toen ik eene verontschuldiging begon, „wij kennen elkander wel. Maar er is één ding dat je eens moet herinneren: dat je preek al klaar moest zijn.”

„Welnu dan,” zeide ik, „even als andere beroemde schrijvers, zal ik van mijne eigene gebreken gebruik maken, en over den tweeden kleinen huisvos spreken, die

PRIKKELBAARHEID

heet.”

Prikkelbaarheid is meer dan eenige andere gemoedsstemming, een zonde des vleesches. 't Is niet, zoo als nijd, wrok, wangunst, wraak, een gebrek, dat wij ons even goed in een geest zonder lichaam kunnen voorstellen: want inderdaad heeft niets meer van een _lichaams_kwaal dan dit. Er zijn ongesteldheden, er zijn zenuwaandoeningen zóó hevig, dat we niet kunnen begrijpen, hoe zelfs de geest van een engel, als hij in een lichaam moest huizen, dat aan zulke kwalen lijdt, meer zou vermogen te doen dan geduldig verdragen. Zenuwlijden is het, anders niet: en de aanvallen, die het arme slachtoffer op anderen doet, zijn even goed een gevolg van ongesteldheid, als het happen en bijten van een lijder aan watervrees.

Daarentegen zijn er anderen, die beminnend en bemind hun levenspad bewandelen, overal welkom, hooggeroemd als voorbeelden van 't geen de godsdienst vermag, en die met dat al om die reden toch weinig lof verdienen. Hun geest woont in een lichaam, zoo kalm en bedaard, hun gewaarwordingen zijn allen zoo frisch en krachtig en aangenaam, dat het hun niet mogelijk valt, de wereld anders dan met een liefdevol oog en in het vroolijkste licht te bezien. De kwade luim van anderen maakt hen niet boos; overkropte bezigheden doen hunne zenuwen nooit aan; en hunne gansche leven lang wandelen zij in den helderen zonneschijn van volkomen lichamelijke gezondheid.

Zie Fidel eens. Hij is nooit zenuwachtig, nooit knorrig, hij bijt of bromt nooit, maar terstond na de hevigste mishandeling kwispelt hij u met zijn staart vergiffenis toe,—en dat alleen omdat de natuur zijn hondenlijf zoo samengesteld heeft, dat het altijd harmonisch werkt. Was ieder mensch met een maag en met zenuwen als de zijne bedeeld 't zou ongetwijfeld beter en gelukkiger in de wereld toegaan. De man heeft waarheid gesproken die eens de opmerking maakte, dat de grondslag van alle intellectueele en moreele waarde, op een goed gezond lichaam moet berusten.

Nu valt het, denk ik, wel niet te ontkennen, dat de vrede en het geluk van den huiselijken kring meestal groot gevaar loopen, als een der huisgenooten aan die prikkelbaarheid van zenuwen lijdt. Ieder zal, wanneer hij over de zaak nadenkt, moeten erkennen dat zijne betrekking in de maatschappij, het karakter zijner vrienden, zijne waardeering van hunne deugden en gebreken, zijne wenschen en verwachtingen alle zeer veel van den staat zijner zenuwen afhangen. Kunnen wij ons niet allen herinneren, hoe 't ons wel eens gebeurd is, dat wij als miskende schepselen, wier vrienden allen onredelijk waren, wier leven vol beproevingen en tegenspoeden was, te bed gingen, en op een heerlijken morgen wakker werden, toen al deze inbeeldingen verdwenen waren met de nevelen van den nacht? Onze vrienden waren toch nog zoo kwaad niet; de kleinigheden, die ons kwelden, schenen ons bij den helderen zonneschijn belachelijk toe; en wij waren gelukkige menschen.

De levenswijsheid schrijft ons derhalve in dit opzicht twee dingen voor: vooreerst, te zorgen, dat ons lichaam niet in zulk een prikkelbaarheid komt, en, ten andere dezen toestand te kennen en te bedwingen, wanneer wij dien niet kunnen afweren.

Natuurlijk is de eerste regel de beste en toch schijnt dit het minst van allen erkend en begrepen te worden. Wij hebben tal van voorschriften voor 't beheerschen van den tong en het karakter; 't is een modderpoel,—zooals Bunyan naar waarheid gezegd heeft—waarin karrevrachten van goedkoope raadgevingen geworpen zijn; maar hoe wij gezond kunnen worden en blijven naar hoofd, maag en zenuwen, zoodat wij nooit in verzoeking komen om knorrig of driftig te zijn, dat is een onderwerp, waarover de geleerden, die godsdienstige en zedelijke voorschriften geven, doorgaans maar los heenloopen.

Zonder mij nu in de physiologische termen te verdiepen, mag ik toch ten aanzien van ons menschelijk wezen vaststellen, dat er een macht is, waardoor wij leven, ons bewegen en zijn,—waardoor het hoofd denkt, de maag het eten verteert, het bloed omloopt, en de verschillende deelen van ons lichaam doen, wat ze doen moeten. Dit iets—noem het zenuwvocht, zenuwgestel, levenskracht, hoe of gij ook wilt—kan echter niet nauwkeurig omschreven worden. Het is bovendien duidelijk, dat de menschen die kracht in zeer verschillende mate bezitten: enkele brengen haar voort even als een stoommachine den stoom, en gebruiken haar voortdurend, zonder dat zij uitgeput raakt; en anderen bezitten er weinig van en verbruiken haar snel. Wij zeggen wel eens, dat deze of gene spoedig op is. Van zulk een uitputting zijn de zuiver physieke gevolgen zenuwachtigheid en prikkelbaarheid. Zoo iemand heeft zijne zenuwkrachten uitgeput,—even als een jongen, die, wat een heele week hem moet voeden, op Maandag al opeet, om dan tot den volgenden Maandag te vasten; of wel, zoo iemand heeft de hoeveelheid zenuwkracht, voor 't geheele lichaam met al zijne deelen benoodigd, voor een enkel deel geheel in beslag genomen en tot schade der overige deelen verbruikt. Zoo gaat het dikwijls bij letterkundigen: 't overspannen hoofd verbruikt voor zich al wat de andere lichaamsdeelen voor een gezonde werking noodig hebben; de maag heeft geen kracht tot verteren; de afscheiding der vochten gaat ongeregeld; en het gebrekkig geassimileerd voedsel, opgenomen in iedere zenuw en vezel, voert met zich iets prikkelends en scherps, dat een algemeene onrustigheid en onlust veroorzaakt. Zoo brengt menigeen zijn geheele leven worstelend door, terwijl nauwelijks een op de duizend dat volkomen evenwicht der deelen, die eigenaardige harmonie van krachten kent, waaruit een gezonde toestand en als gevolg van dezen, opgeruimdheid en welwillendheid ontstaat.

Wij, Amerikanen, zijn een zenuwachtig prikkelbaar volk. Vele kinderen, in de hoogere standen waarschijnlijk de groote meerderheid, komen ter wereld met zenuwkwalen en hersenontstekingen en maagziekten, die hen ongeschikt maken voor eenige sterke of langdurige inspanning zonder dat zij er hinder van hebben, zoodat zij te midden van al hun zwoegen telkens moeten ophouden en uitzieken. Het leven hier in Amerika is zoo gejaagd, gaat zoo snel, het klimaat is zoo prikkelend ten gevolge van de plotselinge afwisselingen in de temperatuur, dat, wie aanleg heeft voor zenuwongesteldheden, gedurig erger moet worden.

Wanneer men er dus geen gewetenszaak van maakt een deel van zijn krachten voor huiselijk leven en voor huiselijk verbruik te besparen—dan moet wel onder zulke omstandigheden de huiselijke kring dikwijls niet meer voor ons wezen dan toevluchtsoord, als wij _op en af zijn_.

Papa is na het haastig gebruik van 't ontbijt onophoudelijk in de weer, en leeft den geheelen dag voor zijn zaak: hij wijdt daaraan alle krachten van hoofd en hart, van lichaam en ziel toe, en komt dan afgemat en uitgeput t'huis, zoodat hij het geschreeuw van den zuigeling niet kan verdragen, en de pret en 't gestoei van de andere kinderen hem nog meer uit zijn humeur brengen. De kleinen zeggen in hun ronde taal: „Papa is knorrig.”

Mama gaat uit op partij, tot een twee uur in den nacht: zij zit daar in een benauwde zaal, eet van allerlei, en is morgenochtend zoo zenuwachtig dat niemand haar een strootje in den weg moet leggen.