Part 2
Toen Orestes na zijn huwelijk in zijn Hermione inderdaad slechts een vogel, eene ster, een bloem vond, maar geen huishoudster, waarom beschouwde hij de zaak toen niet uit het rechte oogpunt? Waarom herinnerde hij zich niet al die mooie dingen, waarmede hij haar hoofd een paar jaar lang volgepropt had en waarom eischte hij meer van haar dan hij bedongen had? Kan een vogel een goede huishoudster zijn? Kan een bloem het toezicht houden op Jansje en Leentje en voor haar onbesneden ooren verhevene kunst en de diepste geheimen van een goede huishouding ontsluieren?
Als zijn jeugdig vrouwtje—gelijk dit met de meeste meisjes het geval is—haar rol als huishoudster nog moest leeren, ten koste van duizenden teleurstellingen en duizenden onaangenaamheden, waarom maakte hij haar dit dan niet zoo gemakkelijk mogelijk? Waarom herinnerde hij zich niet hoe bewonderend hij vóór hun trouwen tegen haar opzag en hoe vroolijk hij lachte om haar gulle bekentenis, dat ze zoo onbekwaam, zoo onhandig in het huishouden was? Toen scheen dat alles bekoorlijkheid en poëzie, wat nu na het huwelijk een schromelijke last blijkt te wezen.
Maar als een man bemerkt, dat hij een vrouw heeft, die nog weinig van huishouden afweet, volgt dan hieruit, dat hij niet beter doen kan, dan alle aanmerkingen op alles wat hem voorkomt, zonder vormen of complimenten, haar naar het hoofd te werpen? Hij zou op zulk een toon niet durven spreken tegen zijn schoenmaker, zijn slager, zijn bakker, of hij zou er toch altijd eenige inleiding, een enkel verzachtend woord bijvoegen. Toen Orestes nog niet getrouwd was, maakte hij nooit aanmerking op het eten, dat hij in zijn restauratie kreeg, zonder zijn woorden vooraf goed te overleggen, om het scherpe van zijn kritiek wat te temperen. De wetten der samenleving vereischen, dat wij onze aanmerkingen op hen, die wij buiten 's huis ontmoeten, eenigszins matigen en den juisten tijd er voor uitkiezen. Maar op zijn eigen vrouw, in zijn eigen huis mag ieder vitten zonder eenige complimenten of verzachtende phrases. Dat kan de man ten minste, maar hij kan er zich dan ook op voorbereiden, dat hij zijne vrouw binnen een paar jaren geheel veranderd en zijn huis onuitstaanbaar zal vinden. Misschien ondervindt hij ook, dat zulk een vitterij een spel is, even goed door twee personen als door één te spelen, en dat een vrouw hare pijlen met vrij wat meer juistheid en bedrevenheid kan afschieten dan een man.
Doch de schuld ligt niet altijd aan den man. Even dikwijls wordt een liefhebbend geduldig, goedhartig echtgenoot gekweld en geplaagd en bestookt door de vitterijen van een vrouw, die naar 't schijnt geen grooter talent heeft dan de gave om bij den eersten oogopslag de zwakke zijden van allerlei dingen te zien en aan te wijzen.
De edelaardigste, de welwillendste mannen zijn dikwijls door die onophoudelijke vitterijen de knorrigste en ruwste echtgenooten geworden. Verzekerd, dat toch niets wat zij doen goed gevonden wordt, zijn zij geëindigd met niets te doen. Voldoen kunnen zij toch niet: waarom zouden zij 't ooit weêr beproeven?
Ik heb een man gekend, die met een bedorven kindje in het huwelijk trad. Er was geen eind aan haar grillen, haar eischen, haar pruilen. Eindelijk had hij, om rust aan zijne zenuwen te geven, besloten, zich voor het uiterlijke om haar niet meer te bekommeren; hij hoorde haar wenschen met dezelfde onverschilligheid aan als haar klachten, en leefde voortaan zoo veel mogelijk alsof zij niet bestond. Hij bezorgde in stilte wat hij dacht dat zij noodig had, zonder zich de moeite te geven, op haar verzoeken te letten of naar haar grieven te luisteren. Zijne vrouw werd ziek, maar het hart van den echtgenoot was koud als een steen; er bestond geen greintje sympathie meer om het te verwarmen. Zij stierf, en nu ademde hij weêr vrij en had een gevoel, alsof hem een pak van het hart genomen was. Hij trouwde met een vrouw, die niet mooi maar lief en goedhartig was, die weinig eischte, zelden laakte, maar dan nog altijd met tact, omzichtig, bedachtzaam; en de man, vroeger een onverschillig echtgenoot werd de slaaf van haar wil. Hij was in hare handen als de leem in de hand des pottebakkers; de minste aanmerking, die zij maakte, juist omdat zij nooit scherp en nooit ondoordacht was, had meer invloed op hem dan een vloed van woorden. Zoo verschillend is dezelfde mensch, al naar gelang van de wijze, waarop hij behandeld wordt!
Ik heb tot nog toe alleen over de gevolgen gesproken, die vitzucht tusschen man en vrouw voor henzelven heeft, maar nog treuriger zijn ze, als zij kinderen hebben. Is vitzucht de kwaal, waaraan de hoofden van het gezin lijden, dan tast ze al de leden aan. Niets ter wereld doet kinderen zóó zeer, als onverstandige, onbedachtzame vitterij. Dikwijls is een kind even gevoelig en prikkelbaar als een volwassene maar wezen kan, en heeft bovendien nog al de gebreken aan zijn leeftijd eigen. Niets aan hem is nog behoorlijk op orde; hij is in allerlei dingen nog zwak en gebrekkig en iedereen acht zich volkomen gerechtigd, rechts en links op hem te vitten, meestal met het gevolg, dat hem eigenlijk niets meer kan schelen of dat hij een onverdragelijk humeur krijgt.
Een levendige, woelige jongen komt uit school, verlangend om aan zijne moeder iets te vertellen, dat hij op zijn hart heeft, en het eerste, wat hij van zijn vader hoort, is:
„Kijk, daar heb je de deur weêr open gelaten! Wanneer zal je dat toch eens afleeren? En wat zit er een modder aan je schoenen! Hoe dikwijls moet ik je toch zeggen, dat je je voeten moet vegen?”
„Daar heb je nu waarlijk je pet weêr op de canapé gegooid! Wanneer zal je toch eens leeren, hem op te hangen?”
„Leg je lei daar niet neêr; dat is er de plaats niet voor.”
„Wat zijn je handen smerig! Wat heb je toch uitgevoerd?”
„Ga niet op dien stoel zitten; je breekt de veren maar met dat wiebelen.”
„Mijn hemel! wat zit je haar slordig! Ga dadelijk naar boven en kam het eens uit.”
„Heb je de knoopen weêr van je kiel afgetrokken? Mijn hemel, wat ben jij ook een jongen!”
„Spreek toch zoo hard niet; je stem gaat mij door merg en been.”
„Zeg ereis, Piet! ben jij het geweest, die dat potje gebroken heeft?”
„Ik geloof zeker, Piet! dat jij zulke schaarden in mijn scheermes gemaakt hebt.”
„Piet! ben jij aan mijn lessenaar geweest en heb jij die vellen papier beklad?”
Nu is het de vraag, indien de volwassene leden van 't gezin een dergelijke reeks van even gegronde aanmerkingen moesten hooren als de ongelukkige Piet daar voor zijn deel krijgt, of deze niet evenzeer als Piet uit hun humeur zouden raken?
Zeker wel: maar dat zijn volwassenen, en deze hebben rechten, die men eerbiedigen moet. Men kan hun niet alles zeggen, wat men alzoo over hun doen en laten denkt, of, als men het deed, zou er dan niet altijd leven in huis zijn?
Meiden zijn in den regel niet veel meer dan volwassene kinderen, en op deze is derhalve wat ik zeide evenzeer van toepassing. Eene ruwe, onbeschaafde meid, die in een deftig huis komt dienen, heeft op allerlei dingen te letten. Hier is een gaspijp, daar de buis van de waterleiding, overal een omslag van allerlei dingen, die in een deftig huishouden onmisbaar zijn, en waarmeê ze moet leeren omgaan. Let ze er niet op, allerlei ongerief zal ontstaan, het geheele huis overstroomt, of met een walgelijken stank vervuld worden. Het dekken van de tafel en het bedienen der gasten geeft aanleiding tot honderd vergissingen, waarvan er ééne genoeg is om 't heele gezin in een kwade luim te brengen. Het is dan ook niet te verwonderen, dat er zooveel gelegenheid tot vitterij in het huishouden is, en evenmin, dat Mevrouw en de meid vaak op denzelfden voet met elkander staan als de kat en de hond, die tegen elkander blazen en brommen. De vrouw des huizes is boos, kwaad, wanhopig, en met reden; de meid evenzoo, en met even veel reden. Doch laat Mevrouw eens op een drukkerij geplaatst en, na enkele vluchtige inlichtingen, gelast worden een courant te zetten, dan is het waarschijnlijk, dat zij even onnoozel en verlegen zou staan kijken als Kaatje in haar welingericht en prachtig gemeubileerd huis.
Er zijn menschen, die voortdurend door de meidenplaag (zoo als zij het noemen) worden geteisterd, even als de zee, waarvan de golven altijd in beweging zijn. Letterlijk is hunne tafel tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot voor hen geworden. Hun gas en hun water, hun vuur, hunne meubelen, hunne ornamenten, zoodra ze in die onbedrevene, lompe handen zijn, schijnen als zoo vele pijlen in de hand van Satan, die hij dag en nacht op hunne gemoedsrust afschiet,—zoodat, al moge ook hun huis in orde zijn, hun humeur en gemoed het zeker niet is.
Ik richt mij thans tot de gewetens van duizenden vrouwen, die, wat haar wil en voornemen aangaat, onberispelijk mogen heeten. Zoo dikwijls zij in de kerk komen, stijgen met elken psalm, met elk gebed hare zielen tot God, tot hemelsche liefde en reinheid en rust omhoog; en zij zijn nauwelijks weêr te huis of, zich ergerende aan haar eigen verkeerdheden, moeten zij zich zelve wel verachten, dat ze zoo liefdeloos, zoo driftig, zoo knorrig, onder alles zoo licht geraakt zijn: hoe komt het? ze zijn fijne, gevoelige snaren, maar ze geven een wanklank, als een lompe hand er gedurig op krast.
Spreek me niet van kloosterpijen en geeseling en onthouding! Ze zijn waarlijk niet noodig. Laat een vrouw hare huiselijke beproevingen als zulke kastijdingen beschouwen,—ze aannemen,—zich daarin verheugen,—daaronder stil en geduldig zijn en een hart vol liefde bewaren en het klooster kan haar niets meer leeren.
Als Kaatje 's avonds den sleutel van de kachelpijp den verkeerden kant om heeft gedraaid (nadat het haar reeds meer dan honderd malen gewezen is, hoe zij doen moet): en de heele familie hoestende en proestende wakker wordt; als het gas in de kinderkamer door Trijntje uitgeblazen, in plaats van uitgedraaid wordt, schoon zij telkens weêr heeft gehoord, hoe gevaarlijk dit is,—als de borden, die 's middags op tafel komen er smerig en streperig uitzien, al hebt ge haar weken aaneen in de doodeenvoudige kunst van afwasschen en afdrogen geoefend,—als de vorken en messen met ivoren hechten in heet vaatwater worden gelegd, al kent ze er de gevolgen van en al is ze tot vervelens toe gewaarschuwd—als een paar halfbeschaafde wezens boven en beneden, en door het geheele huis telkens de belangrijkste dingen vergeten, juist op het oogenblik waarop zij er om moesten denken,—dan is het ongelukkig met de vrouw des huizes gesteld, zoo zij hare beproevingen niet in de daad en naar waarheid weet te verdragen en te boven te komen. Het zijn niet alleen apostelen, die een welbehagen kunnen hebben in nooden en benauwdheden; maar ook moeders en huisvrouwen, die van den apostel willen leeren om te kunnen zeggen: „Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.”
De last drukt niet meer, als wij geleerd hebben, hoe wij dien dragen moeten. Licht valt het dragen, als wij inzien, waar het goed voor is.
Maar zullen wij 't inzien, als er, in weerwil van de woeling der wereld, rust en kalmte in den huiselijken kring heerschen, dan moeten wij ééne gave zoeken, die, hoe ook door allerlei dweepers in miscrediet gebracht, toch een eereplaats verdient onder de Christelijke deugden:—DE GAVE VAN HET ZWIJGEN.
Geen woorden kunnen uitdrukken, geen tong kan vermelden, hoe groot de waarde van het NIET SPREKEN is. „Spreken is van zilver, zwijgen is van goud;” luidt een oud en kostelijk spreekwoord, en terecht zegt Salomo: „Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en wie zijne lippen toesluit verstandig.”
„Maar,” brengen vele stemmen daartegen in, „wat moet er van komen, als wij niet spreken mogen? Moeten wij onze kinderen en onze dienstboden, en elkander dan niet bestraffen? Moeten wij het kwaad maar stil zijn gang laten gaan?”
Neen, verkeerdheden moeten gezien, verkeerdheden moeten aangewezen, bestraft en verbeterd worden. Berisping en vermaning zijn plichten, die de hoofden van 't huis jegens hun gezin en alle waarachtige vrienden jegens elkander te vervullen hebben.
Maar goedgunstige lezer! laat ons eens rondzien in 't leven, laat ons 't gedrag van anderen en ons eigen gedrag eens nagaan en vragen: „Heeft het vitten op anderen wel altijd verbetering tot doel? Hoe dikwijls is het tijdig en billijk, juist en weldoordacht? Hoe vaak wordt het op zulk eene wijze gedaan, dat het eenige vrucht kan dragen?”
„Een wijs bestraffer bij een hoorend oor”, is een van die _zeldzame_ dingen, waarover Salomo spreekt—misschien wel het zeldzaamste, dat er te vinden is. Hoe weinig waarlijk vrome menschen gaan van een godsdienstig beginsel uit bij 't vervullen van dezen uiterst moeilijken plicht! Wij maken aanmerking op een kachel die zoo trekt, dat alle warmte in den schoorsteen gaat, en niet in de kamer komt. Dat is geld verkwist, zeggen wij. Even noodeloos schijnt vaak kerkgaan, gebed en gezang; zij kweeken en bevorderen de beste, de heiligste gevoelens,—maar als deze zich niet verspreiden door den atmospheer van het dagelijksch leven en de lucht van onze huiskamers verwarmen, dan baten ook prediking, gebed en gezang al bitter weinig.
Wij hebben ons in den gebede neêrgebogen met de ootmoedige belijdenis, dat wij even onhandig in de geestelijke dingen zijn, even ongeschikt voor het hemelsch Jeruzalem, als Kaatje en Trijntje en de kleine bedelares op onze stoep voor onze pronkkamers. Wij hebben de struikelingen, waaraan wij ons iederen dag, ieder uur schuldig maken, erkend en beleden; wij gevoelen dat de gedachte daaraan ons met smart vervult, dat het juk onzer overtredingen ons zwaar op de schouders drukt. Maar als wij uit de kerk terugkomen, stuiven wij dan niet tegen onze dienstboden en kinderen op, omdat zij even onhandig en zorgeloos in de aardsche dingen zijn, als wij in de hemelsche waren? Matigt de gedachte aan het onuitputtelijke geduld van onzen Heer ons ongeduld niet, als wij zeventig maal zeven malen iets gezegd hebben en onze woorden in den wind geslagen zijn? Waarlijk, ik verdenk de oprechtheid niet van uw godsvrucht, die gij in de kerk hebt opgedaan;—maar wat wij noodig hebben is dit, dat wij haar in het dagelijksch leven in praktijk brengen, en dat het er niet meê gaat zoo als met de kachels, die ik straks noemde, waarvan al de warmte, voor de huiskamer geheel verloren gaat en zich in het onmetelijke luchtruim daarboven verliest.
Van de wijze, waarop men moet berispen, geeft de Heilige Schrift ons treffende voorbeelden. Als Paulus een kastijding heeft toe te dienen aan strafbare Christenen, hoe uitnemend tempert hij haar door zijn vriendelijkheid en zijn lof! welk een eervolle melding maakt hij eerst van al het goede, dat in hen is! hoe stellig geeft hij hun de verzekering van zijne gebeden en zijne liefde!—en als dan eindelijk de pijl afgeschoten wordt, treft hij, juist omdat alles met zooveel zorg is aangelegd, des te zekerder zijn doel.
Doch één is er geweest, grooter, heiliger, en beminnelijker dan Paulus, die op aarde heeft omgewandeld met twaalf eenvoudige, onkundige, bevooroordeelde mannen, zóó weinig leerzaam, dat zij zelfs nog op zijn doodsdag twistten over een punt, dat hij hun meer dan eens had verklaard, en zijne laatste levensure verbitterden door de oude twistvraag, wie hunner de meeste zou zijn. Daar niets gebaat had, bewees hij hun, als een dienstknecht voor hen nedergebogen, uit liefde de geringste slavendienst en zeide: „Indien ik, de Heer en de Meester, uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te wasschen.”
Leerden echtgenooten, ouders, heeren en vrouwen meer in dezen geest berispen, hunne berispingen zouden vrij wat meer uitwerking hebben, dan nu vaak het geval is. Door middel van dien geest maakte Fénelon den hooghartigen, lichtzinnigen, prikkelbaren en zelfzuchtigen hertog van Bourgondië tot een edel mensch, nederig, minzaam, toegeeflijk voor anderen, alleen jegens zich zelven gestreng. Hij had tot zinspreuk gekozen: „Alleen de volmaaktheid kan de onvolmaaktheid verdragen.”
Maar, ook afgezien van dat berispen met bepaalde bedoelingen, hoe dikwijls dient vitten nergens anders voor dan om lucht te geven aan onze knorrigheid! De brandnetel steekt ons, en wij werpen dien met beide handen op onzen buurman, wij branden ons aan 't vuur, en wie er toevallig bij zijn, krijgen de kolen en de gloeiende asch, die wij van ons afslingeren.
Zoo heeft men _nurkschheid_, een kouden motregen van hatelijke opmerkingen; zoo heeft men _brommigheid_, een noord-westelijke storm, die van geen bedaren weet; zoo heeft men _opvliegendheid_, een onweêr met hagel en bliksem. Dat alles is vrij wat erger; het zijn werkelijke _zonden_ voor ieder, die er aan toegeeft,—zonden, even groot en zwaar als vele andere waarvoor men in een beschaafde maatschappij terugdeinst.
Al die verkeerdheden spruiten voor het grootste gedeelte alleen voort uit de zucht om lucht te geven aan onze knorrigheid, die door slechte spijsverteering of zenuw-overspanning ontstaat. Een dominé gaat met een overladen maag naar de avondkerk, waar hij preêken moet, maar vindt er niet meer dan een half dozijn toehoorders. Deze moeten 't nu voor de anderen, die thuis zijn gebleven, ontgelden. „De kerk gaat te gronde; er is geen belangstelling meer”—en zoo gaat het een uur lang voort; als de benauwdheid op de maag wat bedaard is, zal de man ook bedaren.
Wij doen in één week vaak het werk, dat wij in zes moesten doen; wij overspannen onze zenuwen en hersenen; is 't wel vreemd dat er weken van gemelijkheid op volgen; waarin alles in huis verkeerd schijnt te gaan? De meiden waren nooit zoo achteloos, de kindren nooit zoo woelig, het huishouden was nooit zoo ongeregeld, het land nooit zoo slecht geregeerd, de wereld nooit zoo goddeloos. Doch eigenlijk is het eenige verschil tusschen de staat van zaken zooals die nu is en zooals die verleden week was, dat wij onze zenuwen overspannen hebben en de wereld nu door een donkeren bril bezien. Waarlijk, indien ooit, _nu_ moesten wij den duivel der vitterij weêrstaan en hem het stilzwijgen opleggen, totdat onze zenuwen wat bedaard zijn. Er komen tijden, waarop niemand zich verstouten moest zijne naasten te beoordeelen, of zijne kinderen en dienstboden te bestraffen, of zijne vrienden te berispen—tijden, waarop wij zóó heftig zijn, dat wij geen snaar kunnen aanslaan, of wij doen het te sterk. Dan is het geraden, te beproeven wat zwijgen vermag en, wat nog beter dan zwijgen is, de toevlucht te nemen tot de macht van 't gebed.
Doch als wij op den voorgrond stellen, dat wij _nooit_ mogen brommen, _nooit_ bedillen, _nooit_ opstuiven, en het toch onze plicht is, anderen hunne gebreken onder het oog te brengen, dan blijft de vraag over, _hoe_ dit dan geschieden moet. Als antwoord op die vraag heb ik iets van een paar dames mede te deelen.
Mevrouw Streng is eene voortreffelijke vrouw, en zoo vast van beginselen, dat men met eerbied tegen haar opziet. Hare begrippen omtrent goed en kwaad zijn juist en helder; zij is mild voor de armen, welwillend voor kranken en lijdenden, en innig godsdienstig. Op alle kleinigheden, die in het leven eener vrouw voorkomen, is zij onbegrijpelijk nauwgezet. Al wat zij doet, wordt juist zoo gedaan, als het wezen moet. Zij is letterlijk getrouw aan al hare beloften, en met alle dingen zoo stipt op den tijd, dat men het bij haar wel zonder klok kan stellen.
Toch mist mevrouw Streng—niettegenstaande al deze voortreffelijke hoedanigheden—de groote gave om 't haar huisgezin aangenaam te maken. Zij lijdt aan de ongeneeselijkste soort van vitachtigheid,—zij is een vitster uit beginsel. Zij heeft een zeer nauwkeurigen regel voor alle dingen, zoowel voor den loop der dagelijksche gesprekken, als voor het dekken van een tafel of het zoomen van een handdoek; en zij acht het haar plicht, allen in haar huishouden aan dien regel te onderwerpen. Zelden stuift zij in toorn op, zij is niet brommerig, maar zij regelt haar huishouden met een onverbiddelijke strengheid, die iedere verkeerdheid aanwijst, niets over het hoofd ziet en van geen verschooning weet; zij wil in ieder gedeelte van haar gebied alles volmaakt hebben; en de pijlen harer berisping worden zoo juist gemikt en met zulk een kracht afgeschoten, dat zelfs de meest verharde ze voelt.
Al is zij dan ook weinig uit haar humeur en zelden of nooit driftig, toch maakt zij al haar huisgenooten wanhopig door den bedaarden en afgemeten toon van haar spreken. De meiden zijn bang voor haar, maar beminnen haar niet. Haar echtgenoot—een beste man, die echter wat slordig van aard is—wordt nu en dan wanhopig onder den zwaren last harer vitterijen. Hare kinderen beschouwen haar als iemand, die op een hoogen, ontoegankelijken bergtop van braafheid woont en altijd met donkere oogen van die hoogte neêr ziet op alle ondeugende jongens en meisjes. Zij kunnen maar niet begrijpen, hoe het komt, dat zulk een brave mama kinderen kan hebben, die—al doen zij ook nog zoo hun best, om goed op te passen—toch stellig iederen dag ondeugend zijn.
Het gebrek van mevrouw Streng is niet dat hare eischen te hoog zijn, en evenmin, dat zij haar uiterste best doet, allen daaraan te onderwerpen, maar dat zij daarbij den rechten weg niet inslaat. Berisping is, volgens haar stelregel, het eenige middel om iemand van zijne gebreken te genezen. Zij heeft nooit ingezien, dat het evenzeer haar plicht is te prijzen als te laken, en dat de menschen meer nog tot het goede worden aangespoord door hen te prijzen, als zij goed doen, dan door hen te bestraffen, als zij kwaad doen.
Een geheel ander karakter dan mevrouw Streng heeft mevrouw Ligthart, een allerliefst vrouwtje, in waarde ver beneden haar, maar vroolijk en prettig, niet bijzonder vast van beginselen, en er altijd op uit, om al wat onaangenaam is te vermijden en het levensgenot te verhoogen.
Mevrouw Ligthart wordt door haren echtgenoot, hare kinderen en hare dienstboden aangebeden, eenvoudig omdat het in haren aard ligt aan iedereen wat aangenaams te zeggen. Zij heeft er den slag van om elk voor zich in te nemen, zonder dat zij 't zelve weet. Terwijl mevrouw Streng, als de meid de tafel gedekt heeft, alles scherp naziet en eindelijk voor den dag komt met een: „Jansje! heb je die vlek op dat zoutlepeltje niet gezien? Ik kan niet begrijpen, hoe je zoo onattent kunt zijn!” zou mevrouw Ligthart zeggen: „Wel, Jans! waar heb je toch geleerd, een tafel zoo netjes te dekken? Alles ziet er keurig uit, behalve—ja, laat mij eens zien—och, wrijf dat zoutlepeltje even wat af—dan is alles kant en klaar.” De meiden en kinderen bij mevrouw Streng hooren nooit van iets anders dan van hunne gebreken; deze worden hun altijd voor oogen gehouden. De meiden bij mevrouw Ligthart hooren altijd van het goede, dat zij verrichten. Zij prijst wat er in hen te prijzen valt, zegt hun, dat zij dit en dat bijzonder naar haar zin doen, en spoort hen eindelijk aan, op grond dat zij zooveel dingen goed doen, nog te verbeteren wat hun ontbreekt. Haar man gevoelt, dat hij altijd hoog in hare achting staat aangeschreven, en hare kinderen houden 't er voor, dat zij heel lieve kinderen zijn, al heeft mama soms wel eens een kleine aanmerking op hen te maken, en al zegt ze dan ook ronduit, wat haar niet bevalt.
De beide gezinnen bewijzen het, dat een alledaagsche vrouw, maar die gaarne prijst en innemend is, vrij wat meer doen kan dan een zeer waardige matrone, die naar de beginselen van recht en godsdienst handelt, maar de menschelijke natuur tracht te verheffen door middel van een hefboom, die er niet geschikt voor is.
Daarom vooral verbeteren wij, arme menschenkinderen onze gebreken en misslagen niet, omdat wij denken, dat het toch niet mogelijk is. Wie ging nooit onder eene zonde gebogen, waartegen hij niet streed, alleen omdat hij den moed had verloren? en wie hervatte den moed niet, als hij een vriend had, die hem zacht beoordeelde, het beste van hem vertrouwde, zijne deugden in 't licht en zijne gebreken in de schaduw stelde?