Part 13
Een vast geloof in zulk een volmaakte toekomst,—een vast geloof, dat God in den mensch niet een éénige begeerte heeft gelegd, waarvan hem in die toekomst geen volkomen bevrediging bereid is,—dàt geeft rust aan 't gemoed en leert met geduld en lijdzaamheid voor een tijd de vervulling afwachten, die eindelijk zeker zal komen.
Zulk een geloof is zelfs beter dan de levenswijsheid van 't gezond verstand, dat de overspannen berekeningen en verwachtingen van enkelen tempert, want het heeft een hooger doel en een grooter vermogen.
Wij hebben een vrouw gekend, die vroeger in den weelderigsten overvloed op zeer grooten voet leefde en dagelijks tal van gasten in haar prachtige woning ontving,—een leven vol genot voor haar zelve en voor anderen. Maar plotseling was dit alles als weggevaagd; haar rijkdom, die er haar toe in staat stelde, verdampte als een nevel op een zomermorgen, en we zagen haar eerlang met haar gezin een kleine, armelijke woning betrekken. Daar zat ze in dat ééne vertrek, dat voor huiskamer, slaapkamer en kinderkamer dienen moest, vroolijk en opgeruimd in den vroegen morgen haar kindertjes te wasschen, met een ruwe spoelkom voor zich, zij, die eens zulke keurige boudoirs en badkamers gebruikte; en toch had zij, onder 't opkrullen van haar meisjes, een lachje en een aardigheid en een goed woord voor allen. Ze scheen nu evenveel pleizier te hebben in de weinige bloemen, die zij in haar schamele woning opkweekte, als vroeger in haar oranjerie en haar tuin; en de twee of drie planken, waarop een half dozijn boeken stonden naast de papieren van haar man en de kleêren van de kinderen, bracht ze alle dagen zoo netjes en met zooveel zorg in orde, alsof zij zich nooit in een ruimeren kring bewogen had.
Zulk een gemakkelijkheid om zich in de wisselingen van 't leven te schikken, is somtijds alleen toe te schrijven aan een gelukkig en opgeruimd humeur; maar in dit geval was 't alleen de invloed van den godsdienst. In haar vroeger leven was deze vrouw een ongelukkig slachtoffer van de onvoldaanheid geweest; zij had, te midden van werkelijk geluk en genot, allerlei dwaze wenschen gekoesterd, en op haar rozenbed gezucht en geklaagd dat de blaadjes gekreukeld lagen. Nu heeft zij zich aan den arbeid en de moeite des levens leeren wennen, even als een soldaat in tijd van oorlog, die, tevreden met wat er te doen en te dragen valt, vroolijk en dankbaar is voor 't schrale genot, dat elke dag onder veel kwelling en moeite oplevert, en altijd het oog wendt op het eind der campagne, waar zich een beter en aangenamer verschiet opent.
Zij had den aanleg en de begaafdheid eener kunstenares; maar zij heeft potlood en penseel voor goed opgepakt, en zit uren achtereen de kousen van haar kinderen te stoppen, of ze keert en vermaakt een afgedragen japon, waar met alle vernuft nooit iets moois van te maken is. Zij had het ver in de muziek gebracht, maar een piano is nu iets, dat tot het verledene behoort; indien ze nog eens zingt, is 't alleen om de kleine in slaap te sussen met een of ander stuk uit een aria, waarmeê zij eens een schitterenden opgang maakte in de prachtigste salons. Zij gevoelt dat een wereld van smaak en talenten in haar ligt te sluimeren, terwijl zij het werk van een kindermeid, een keukenmeid of een naaister doet; maar zij denkt aan Hem, die de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen heeft, en haar vertrouwen staat vast, dat hare gaven, die als bloembollen onder den grond liggen, weer zullen ontkiemen en bloemen dragen in die heerlijke toekomst, welke Hij daarboven beloofd heeft. Daarom zucht zij niet over het tegenwoordige of over 't verledene,—daarom mort zij niet over haar lot en leven: zij heeft vrede met zich zelve en met al wat haar omringt: haar echtgenoot beschouwt haar als een wonder, en haar kinderen groeien op en zegenen haar.
Maar als wij op den breeden grondslag van het geloof aan een beter leven, het gebouw van ons geluk hier beneden willen stichten, dan moeten wij ook op dit eens gelegde fondament verstandig voortbouwen.
Ons zelven te leeren verdragen en met ons zelven geduld te hebben: dat is onze eerste plicht. Van al de zedekundigen, die er ooit zijn opgestaan, is Fénelon de eenige, die de plichten, waartoe de mensch bij zijn eigen opvoeding geroepen is, duidelijk ontwikkeld heeft. „Heb geduld met u zelve”,—dat is een les, die gedurig in zijn schriften herhaald wordt, en van uitnemend belang is ze,—omdat geduld met ons zelven noodwendig vereischt wordt, zullen wij geduld met anderen hebben. Ziet maar eens rond. Wie zijn het die 't gemakkelijkst te voldoen, 't opgeruimdst, 't minzaamst, 't verdraagzaamst zijn? Zijn zij het niet, die door gestel en humeur op een goeden voet met zich zelven staan,—menschen, die, waar 't hun eigen doen en laten betreft, niet te streng in hun eischen en oordeelen zijn, en juist daardoor ook anderen met een goed oog aanzien? Maar hoe kan iemand, die zich bewust is van honderd dagelijksche gebreken en dwalingen, geduld met zich zelven hebben? Op die vraag past de wedervraag: Wat zoudt gij zeggen tegen een jongen, die nijdig was en zijn lei stuk gooide en zijn boek op den grond smeet, omdat hij een fout in zijn sommen gemaakt had? Gij zoudt natuurlijk zeggen: „Je begint nog pas te leeren; je kunt niet verwachten, dat je geen fouten zult maken; alle kinderen doen dat. Je moet geduld hebben.” Juist wat ge tegen dien jongen zoudt zeggen:—zeg dit tegen u zelven. Berust er in, dat het volmaakte hier niet te bereiken is: stel u tevreden met telkens te beproeven en dikwijls te falen. 't Is onafscheidelijk van ons bestaan; erkent dan ook, dat het dit is. Lijdzaam geduld bij teleurstellingen en nederlagen doet ons vaak meer vooruitgaan in de zedelijke ontwikkeling dan menige zedepreek.
Verder moeten wij leeren, niet met rusteloos verlangen te staren op een trap van voortreffelijkheid, die voor ons, onder de omstandigheden waarin wij verkeeren, onbereikbaar is. Voor een vrouw, die schatrijk is en een menigte bekwame dienstboden heeft, is het verkeerd, tevreden te zijn met groezelige ruiten of stoffige kamers of slordig tafelgoed. Maar in een vrouw met een zwak gestel, die een troep kleine woelwaters heeft en niet meer dan één meid kan houden, waardeer ik het als een soort van zedelijken heldenmoed, dat zij zulke dingen maar voorbij ziet, om des te beter voor hetgeen 't allermeest noodig is te zorgen. Ik noem het een deugd, dat zij niet maltentig genoeg is, om haar eigen gezondheid te gronde te richten en haar eenige meid zich te laten doodwerken,—dat zij haar lust tot orde, zindelijkheid en schoonheid opgeeft, even geduldig, als zij zich in andere beproevingen schikt. Geen vagevuur kan pijnlijker zijn voor iemand die op orde en netheid gesteld is, dan de grief, dat al wat hij onderneemt slechts ten halve wordt afgedaan; en toch is dit de vuurproef, die menigeen beschoren is. Het leven schijnt hen voort te drijven, zonder hun ergens tijd voor te gunnen; alles moet haastig en slordig gedaan worden, en (wat het pijnlijkste is) zij zien en gevoelen, dat het te haastig en te slordig gedaan wordt. Als er maar een éénig ding gedaan kon worden, zoo als 't moest, dat reeds zou een zielsverkwikking wezen; maar nergens, waarheen ze ook 't oog wenden, is zóó iets te zien.
Doch er zijn gevallen, waarin men zich vrij wat moeite en verdriet sparen kan, door nauwkeurig te berekenen, hoeveel er onder zekere omstandigheden kan afgedaan worden. Laten die omstandigheden in acht genomen en de dingen, die wij te doen hebben, geregeld en goed overlegd worden, wij zullen dan zien, of er niet hier en daar iets is, dat gerust achterwege kan blijven, waardoor wij 't overige des te beter kunnen verrichten.
Stel u eens voor, dat al die dure extratjes, gebakken en vladen, voor goed van de keukenlijst verdwijnen,—zal het dagelijksche eten dan niet beter klaar gemaakt worden? zal 't gewone naaiwerk er niet bij winnen, als men van al dat gaufreeren en borduren en al dat peuterwerk afziet? Menige zwakke vrouw heeft zich dood gewerkt, die nacht aan nacht geduldig haar kostbaren levensdraad inboette bij allerlei opnaaisels en stiksteken, die de kinderjurkjes wel heel mooi, maar de kinderen zelven waarlijk niet beter of gezonder maakten.
De idealiteit breidt het gebied van kleeding en naald tot een wereld van moeite en arbeid uit, waarin de vrouwen altijd onrustig rondloopen, zonder er ooit een einde aan te zien. De naaimachine zou—zoo als men zei—verandering aanbrengen, maar is het werkelijk zoo? Wij gelooven van neen. 't Komt eigenlijk hierop uit, dat er aan ieder rokje nu twee en zeventig plooien zitten, in plaats van vijftien, zooals vroeger, en dat er tweemaal zooveel buisjes en jurkjes noodig heeten te zijn als voorheen. Nog altijd naaien de vrouwen, zoo hard als 't maar kan, en nog altijd blijft het oude spreekwoord waar, dat het werk van een vrouw nooit afgedaan is.
Op 't artikel van kleeding zouden wij ons veel moeite en verdriet besparen, als wij er nooit een kant meê opgingen, die meer van ons vordert dan onze tijd, ons vermogen of ons inkomen toelaat.
Er is één vreeselijk woord in 't woordenboek der vrouwen van onzen tijd, dat wel eens ernstig mag overwogen worden: ik bedoel het woord _garneersel_. In vroegeren tijd was een knappe japon voldoende, tegenwoordig is een japon niets zonder garneersel. Alles, van het eerste jurkje in de luiermand, tot den prachtigen bruidsjapon, alles moet gegarneerd worden, en wel op een manier, dat het naaien van de japon er in vergelijking niets bij is. Een japon kan in één dag gemaakt worden, maar 't garneeren neemt er niet minder dan twee of drie weg. Laat een knappe, verstandige vrouw eerst eens goed overleggen, hoeveel ze van al dien last op zich wil nemen, wel bewust, dat „de begeerlijkheid nimmer vervuld wordt”, en dat het eenige middel om sommige bezwaren te boven te komen, is—ze links te laten liggen.
Mrs Kirkland vertelt ons in 't boeiend verhaal van haar leven, toen zij een blokhuis in de bosschen bewoonde, wat ze tobde en maalde, waar ze haar pers zou kunnen zetten, die voor de lage en benauwde vertrekjes veel te groot was. Na lang probeeren en weêr probeeren en na er veel verdriet van gehad te hebben, besloot ze eindelijk den raad van een bruinarmige schoone uit de bosschen in te roepen, die het lastige meubel meteen buiten de deur zette met de schrandere opmerking: „Als er nergens plaats voor is, dan is er geen plaats voor.”
De wijsheid, die in de opmerking van deze boersche schoone ligt, zou menig huismoeder het leven gered hebben, die zich nu heeft doodgetobt, om gemak en gerief te krijgen van dingen, die zij liever meteen buiten de deur had moeten zetten.
Wel is waar vereischt het eenig oordeel om te weten, wat er nu, onder de dingen, die tot een of ander departement behooren, gerust de deur kan uitgezet worden; er is een zekere mate van onafhankelijkheid en zelfstandigheid toe noodig om te zeggen: „Ik wil niet beginnen met dit of dat te doen, dat anderen doen, en dat zij misschien van mij verwachten,” maar wie daar eens over heen is, wint er veel rust en gemak door. Toen eens de groote pers de deur uit was, was er voor alles ruimte genoeg in het blokhuis.
Een moeder die haar kleintjes trouw verzorgen en opvoeden, maar tegelijkertijd bals en partijen waarnemen wil, zal misschien onder die dubbele taak bezwijken en zeker 't een zoowel als 't ander zóó slecht doen, dat zij geen oogenblik rust meer heeft. Maar zoodra zij tot het ernstig en christelijk besluit gekomen is: „De opvoeding mijner kinderen is het eenige, wat ik goed _kan_ doen en daarop _alleen_ zal ik mij toeleggen,”—dan breekt voor haar na al die gejaagdheid, een sabbathsmorgen van vrede en rust aan. 't Is zoo, ook nu nog doet ze een werk, waarin de volstrekte volmaaktheid niet te bereiken is, maar zij kan toch het ideaal, vrij wat meer dan vroeger, nabij komen.
Eindelijk, laat ons besluiten, tevreden te zijn met hetgeen wij vroeger gedaan hebben, indien wij maar, toen wij het deden, al het licht, dat God ons gaf, vlijtig gebruikt en alles gedaan hebben, wat in onze macht was.
Voor den idealist is achteruitzien dikwijls even pijnlijk als vooruit te staren. Men zou denken, dat het gezond verstand ons zou leeren, dat gedane dingen geen keer hebben; maar de ziekelijke idealist kan wat achter hem ligt niet vergeten.
„Was dàt toch wel het beste, wat ik doen kon? Zou ik niet liever zoo of zoo hebben moeten doen?” En de ongelukkige, die zich zelven martelt, ligt 's nachts uren lang wakker, met over duizend moeilijkheden te denken. „Als ik maar zoo gedaan had, dan zou dit er het gevolg van geweest zijn, en dat niet,” en daar dit nooit met zekerheid valt te zeggen, is er uit dien doolhof geen uitweg en aan zijn klagen geen eind.
't Is een woord van gezond verstand, die vermaning van den apostel: „vergeet hetgeen achter is en strek u uit naar 't geen vóór is.” De idealist moet er zich plechtig toe verbinden, 't verledene als een afgedane zaak te beschouwen, waarbij geen andere vraag te pas komt dan deze: „Deed ik niet, wat ik _toen_ voor het beste hield?”
De grondstelling der Quietisten is, dat wij volgens den wil van God iets gedaan hebben, als wij 't gedaan hebben volgens ons beste weten, daar Hij ons, als het anders had moeten zijn, beter en anders zou ingelicht hebben; en met het doen van den wil van God door ons zelven en door Hem, moeten wij ons tevreden stellen.
* * * * *
Toen ik mijn stuk tot zoover afgewerkt had en er niets meer wist bij te voegen, ging ik naar de huiskamer, om het aan mijn vrouw en Jenny voor te lezen. Ik vond Jenny aan 't opzetten van zestig el franje (zoo noemde zij 't, geloof ik) die volstrekt noodig was voor een japon, en mijn vrouw aan 't breien van een rok met keurige schulpjes en figuren,—een van de zeven, die ze voor Marianne gereed maakte, omdat die brave vrouw haar gezicht en haar gezondheid bijkans bedorven had, om het dozijn nog vóór October klaar te krijgen.
Beiden vonden mijn stuk uitmuntend en beelderig mooi,—en ik dacht aan den Heiligen Antonius met zijn preek voor de visschen:
De preek was gedaan en de preêker zei: Amen! Maar net als voorheen ging de snoek weêr op buit. Kroop de aal weêr in 't slijk en de kreeft achteruit: Ze vonden 't verrukkelijk en riepen te zamen: Hoe mooi was de preek en hoe keurig van pas! Maar——lieten de zaak net precies als ze was.
INHOUD.
Bladz.
Inleiding 1
I. Vitachtigheid 9
II. Prikkelbaarheid 37
III. Terughouding 65
IV. Hoofdigheid 95
V. Onverdraagzaamheid 127
VI. Onwellevendheid 157
VII. Onvoldaanheid 181