De kleine vossen

Part 12

Chapter 123,974 wordsPublic domain

Onder de eigenschappen van den menschelijken geest is er ééne, die de geleerden _idealiteit_ noemen: zij is eigenlijk de moeder van 't geen ik _onvoldaanheid_ genoemd heb. Idealiteit toch doet ons beseffen, dat er iets volmaakts bestaat, en dringt ons daarnaar te streven; wel verre dan ook dat zij een verkeerde eigenschap onzer natuur zou zijn, bemerkt ieder terstond, hoe zij 't beginsel van vooruitgang in zich bevat, waardoor de mensch van het dier onderscheiden is. Terwijl de dieren van geslacht tot geslacht dezelfden blijven, zonder iets te leeren of iets te vergeten, en zonder zich ooit beter of minder goed van hun levensverrichtingen te kwijten, wordt de mensch door de idealiteit gedurig aangespoord tot nieuwe uitvindingen en verbeteringen, waaruit kunst en wetenschap en de geheele vooruitgang der maatschappij ontstaat. Idealiteit maakt ons tevreden met hetgeen wij voor het oogenblik bereikt hebben of bezitten of volvoeren: ze veroorzaakt derhalve dat het meer en beter wordt. Zoo veredelt en heiligt ze op zedelijk gebied ons leven en denken, en is zij vooral de gezindheid, waarop onze eenige Meester bij zijn hoogste eischen het oog had. Onvoldaan te zijn met hetgeen ons de wereld geeft, met de vorderingen die wij aanvankelijk gemaakt hebben, te jagen en te streven naar een heerlijk doel dat toch altijd hoe meer wij het naderen, des te verder verwijderd schijnt,—dat is de leer van het Christendom en de taak van den Christen.

Maar met de eigenschappen van onzen geest is het even als met de gewassen: groeien ze in het wild op, dan worden ze ruw en raken ze vol onkruid.

„Wraak,” zegt Lord Bacon, „is een soort van woeste rechtvaardigheid, koppigheid is verwilderde standvastigheid,”—en evenzoo is onvoldaanheid overdreven idealiteit; en allerlei ellende, in de maatschappij en in 't huisgezin, ontstaat niet uit deze eigenschap zelve, maar uit haar overdrijving.

Gezond verstand, geduld en nauwgezetheid moeten de zucht naar iets beters en volmaakters voortdurend besturen, of ze brengt te weeg dat een ziekelijke geest van ontevredenheid in de aderen van ons individueel en ons huiselijk leven binnendringt, als een langzaam werkend vergif.

Hier ergens in de buurt wonen twee families, die door haar maatschappelijk en huiselijk leven toonen, wat het verschil is tusschen idealiteit en 't gemis daarvan.

't Zijn prettige, vroolijke, luchthartige menschen, die Daytons: gastvrij, welwillend en vriendelijk.

Niets gaat er bij hen boven 't middelmatige. Hun huis is redelijk gemeubeld, het eten is redelijk goed, de meiden zóó tamelijk, en—op dezelfde hoogte staat het geheele gezin, wat achting en aanzien betreft.

Mevrouw Dayton is een vrij goede huishoudster en als het vleesch maar niet bedorven, de boter niet sterk, het tafellaken schoon en 't servies gaaf is, dan breekt zij haar hoofd niet met al die nesterijen, waarop een keurige huisvrouw gesteld is.

Zij neemt haar kinderen, zoo als ze zijn van nature; zij tracht alleen goed te onderkennen wat zij zijn, maar oppert nooit de vraag, hoe zij ze zou willen hebben; zij verwacht van hen nooit iets bijzonders of buitengewoons, maar is er altijd tevreden meê, zoo als 't met hen uitvalt.

Wie er aan huis komt, kan gemakkelijk duizend gebreken in den gang van zaken, in de behandeling der kinderen en in dit of dat gedeelte van 't huishouden opmerken; maar hij ziet toch en merkt toch ook, hoe iedereen zich in dien kring zoo zeer t'huis en op zijn gemak voelt, dat dit genoegen bijkans tegen al die gebreken opweegt. 't Wordt hem duidelijk, dat er hier wel veel voor allerlei verbetering vatbaar is, maar dat de familie met de dingen, zoo als zij zijn, volkomen genoegen neemt, en dat ieder lid van 't gezin in menig opzicht 't veel verder in de wereld zou kunnen brengen, als ze maar niet zoo blind ingenomen en zoo onbegrijpelijk goed tevreden waren met hetgeen ze nu al hebben en zijn.

Daar zij elkander naar een zeer middelmatige maatstaf beoordeelen, zijn zij voorbeelden van onderlinge toegevendheid. De oudste jongen krijgt nooit een prijs op school,—maar zij hebben ook nooit verwacht dat dit gebeuren zou; hij heeft toch op school nooit kwaad uitgevoerd, en zij halen hem in met triumf, grooter misschien dan een andere familie voor een jongen zou overhebben, die met een eersten prijs t'huis kwam. De dochters geven zich wel niet voor kunstenaressen uit, maar met welk onschuldig genot worden haar zeer middelmatige teekeningen bekeken en bewonderd! Zij kunnen een deuntje of wat op de piano spelen: de heele familie luistert er naar en vindt het beelderig. Allen zingen met elkaêr een enkelen psalm of een gezang, en al gaat het nu wat valsch of uit de maat, zij hebben er hier toch ruim zooveel pleizier van als menig liefhebber bij een welgeslaagde uitvoering van zijne moeielijkste stukken.

Zoo zijn de Daytons; en als gij bij hen aan huis komt, moogt ge al dikwijls gevoelen, dat hier vrij wat te vorderen en vrij wat te verbeteren overblijft, toch zult gij een genot vinden in de kalme tevredenheid, die u daar omgeeft.

Vlak tegenover de Daytons wonen de Mores, en de Mores zijn juist het tegenovergestelde van de Daytons.

Reeds voordat gij hun woning binnentreedt, ziet gij dat alles hier met de uiterste zorg wordt behandeld. In de oprijlaan groeit geen sprietje onkruid, het gras is er glad als fluweel, de perken zijn altijd vol bloemen, de vruchtboomen en wijngaarden groeien precies zoo als 't volgens de beste tuinboeken wezen moet. Binnen's huis valt evenmin iets aan te merken:—alles schijnt op klokslag te gaan,—de tafel is meer dan goed, zij is opperbest—wat gij er vindt is in zijn soort voortreffelijk,—van de kinderen kunt ge niets anders denken, als gij ze ziet, dan dat ze volgens de uitnemendste methode opgroeien en behoorlijk geleid en besnoeid en opgekweekt worden, net als de pereboomen en de wijngaarden buiten. Niets wordt aan het toeval overgelaten; niets gedaan, zonder ernstig overleg hoe dit het best kan geschieden; en de uitkomsten zijn naar het oordeel van hun goede, onnoozele overburen inderdaad verwonderlijk.

Met dat al zijn ze toch niet gelukkig. Al hun volkomenheden schenken hun geen tiende van de voldoening, die de Daytons van hun halfbakken werk en hun knoeisels hebben.

De beide dochters, Jeanne en Maria, hadden een lieve stem, en, toen zij nog klein waren, zongen zij alleraardigst. Maar sedert zij van de beste meesters onderwijs in de muziek gekregen, en de grootste talenten gehoord hebben zingen of spelen zij nooit; de piano blijft gesloten en ze laten zich niet meer hooren. Als men haar verzoekt een air te zingen, dan zeggen zij dat zij 't niet meer doen: papa heeft zulk een verfijnden smaak, hij wil geen alledaagsche muziek hooren; in één woord, nadat deze familie Jenny Lind, Grisi, Alboni, Mario en anderen gehoord heeft, is er tot een eeuwig zwijgen besloten. De muziek, die _zij_ kan maken, is toch niet de moeite waard.

Om dezelfde reden hebben de beide dochters, nadat zij een half jaar lang bij een beroemden teekenmeester geleerd hadden, potlood en zwartkrijt voor goed opgepakt en heel aardige, lieve schetsjes, die wonderen waren in de oogen van hare goedhartige overburen, verscheurd. Als zij konden teekenen zoo als Signor Pottilodini, als er kans voor haar was, 't ooit tot zulk een hoogte te brengen, dan, zeggen ze, zouden zij er niet meê zijn uitgescheiden; maar zij hebben lang genoeg les genomen om te weten, dat er met goed te leeren teekenen een geheel leven heen gaat, en daar zij geen heel leven daaraan kunnen geven, hebben zij besloten, er niets meer aan te doen.

Om eene dergelijke reden gaven zij evenzoo het schrijven van brieven op. Indien zij zoo'n mooie hand hadden als Charlotte Cushman,—indien er niets op haar stijl te zeggen viel,—als zij even geestig en aardig en vlug waren als de beste stylisten, dan zouden zij graag brieven willen schrijven en trouw correspondeeren; maar het middelmatige in die soort van dingen vinden zij zoo ondragelijk, dat ze, behalve bij geboorte of overlijden of in tijd van nood, geen letter op het papier zullen zetten. Toch schrijven zij heel goede, aardige damesbrieven, en zouden 't met een beetje oefening er nog verder in brengen.

Mevrouw More vergaat van zorg. Zij zit met een somber gezicht in haar keurig, welingericht huis; en als gij met haar spreekt, hoort ge met verbazing, dat alles bij haar aan huis van boven tot beneden, vreeselijk verkeerd gaat. Gij vraagt wat er dan toch in de war is en bemerkt nu, dat zij overal wanorde ziet, omdat in een huishouding, waar een menigte dienstboden zijn, en ieder zijn vaste werk heeft, alles veel precieser kan gaan, dan bij haar,—want zoo ver heeft zij haar meiden nog niet kunnen krijgen. Gij maakt haar een compliment over haar keukenmeid, en zij antwoordt op een klagenden toon: „Zij kan 't een en ander goed klaar maken, maar 't is toch alles behalve een volmaakte keukenmeid.” Gij vindt de soep en den pudding keurig lekker,—en zij luistert naar u en zucht: „Och ja,” moet zij toestemmen, „'t is te eten,—niet kwaad; maar ge moest de soep eens in zeker hôtel te Parijs geproefd hebben, en de puddings in een logement te Londen; daar lijkt dit alles niets bij. Als ik daaraan denk, dan is alles hier bitter slecht klaar gemaakt!—maar ik heb geleerd er in te berusten.” Zoo stapelen zich voor deze bekwame vrouw bergen van bezwaren tot in het oneindige op! Niets gaat haar in haar gansche, schijnbaar zóó goed geordende huishouding, genoeg naar haar zin, om er meer dan met een zucht van te zeggen: „'t Moet er nu maar meê door!” „Och, laat maar staan!” lispelt ze met bitteren weemoed, als een ongelukkige meid haar uiterste best heeft gedaan om 't een of ander naar den zin van mevrouw te doen; „'t moet maar zoo blijven, Jansje! ik dacht wel, dat je me nooit zoudt kunnen voldoen.”

De ongelukkige vrouw is, te midden van al wat haar in de oogen harer overburen zoo benijdenswaardig maakt, altijd ontevreden en knorrig en vergaat van verdriet en teleurstelling. Zij is zoo overdreven in hare eischen, dat zij zich zelve nergens in kan voldoen en altijd met anderen ontevreden is. In 't heele gezin is het genot, dat uit de bewustheid van onderlinge waardeering en achting voortvloeit, nagenoeg geheel onbekend, want ieder heeft zijn snaren zóó hoog gespannen, dat de een voor den ander bang is ze aan te raken en een wanklank te doen ontstaan. Zij zijn altijd en overal bang voor elkander. Zij kunnen niet voor elkander zingen, of spelen, of schrijven, ja niet eens vrij uit met elkander spreken, omdat ze allemaal van mekaar weten, hoe wanhopig knap en hoe geoefend van oordeel ze zijn.

Schoon allen het eens zijn, dat zij met heimelijke minachting op hun overburen behooren neêr te zien, daar deze in een heidenschen toestand van onwetendheid en zelfgenoegzaamheid leven, is het toch opmerkelijk dat de elegante zoon des huizes Johan zeer dikwijls ter sluiks naar de Daytons overwipt, om er een avondje door te brengen en bij die oude rammelkast van een piano allerlei liedjes en deuntjes met hen te zingen, waar hij vrij wat meer plezier heeft dan t'huis. Lize Dayton heeft een ongeoefende stem en zingt wel eens valsch; maar 't is een aardige meid en haar vroolijkheid is aanstekelijk; ja, als zij daar zoo aan de piano zit en allen dapper meê aanheffen, dan begint Johan te denken, dat er toch nog wel een prettiger ding op de wereld is dan een aria voortreffelijk te hooren zingen; ze walsen eens samen of geven raadsels op of spelen comedie, en alles gaat daarbij zoo vroolijk en pleizierig toe, zoo allerdolst in strijd met „de eenheid van tijd en plaats en omstandigheden”, dat hij wel eens twijfelt, of het, „daar onwetendheid zoo gelukkig maakt, eigenlijk geen dwaasheid is verstandig te zijn”.

Jeanne en Marie lachen Johan uit, omdat hij zooveel met de Daytons op heeft, en toch zijn zij er zelven niet vrij van. Bij de Daytons aan huis voelen zij, dat ze heel wat beteekenen; haar schetsjes worden zoo beelderig gevonden, haar zingen is zoo betooverend voor die onbesneden ooren, dat zij zich vaak laten verleiden, hun genoegen te doen met hetgeen ze anders haar broddelwerk noemen; en Jeanne laat zich de kleine attenties van Willem Dayton, een vroolijken, goed-hartigen jongen, maar aanleunen, dien zij in den grond van haar hart niet minder graag mag lijden, omdat hij zoo weinig van een meisje vordert en onnoozel genoeg is, dat hij haar voor een wonder van smaak en begaafdheid houdt. Willem komt natuurlijk in geen vergelijking met die uitverkoren romanhelden, waarmeê mevrouw More en de jonge dames dweepen en die zij hemelhoog verheffen als zij over het ideaal van een echtgenoot spreken. Hij munt nergens in uit, behalve hierin, dat hij een goed hart, een gezond verstand en een krachtigen wil heeft, waardoor hij tot het hart van menige levensvesting is doorgedrongen, terwijl Johan met al zijn kunde en geleerdheid, er nog altijd vóór ligt en nog altijd philosopheert over de beste en sierlijkste wijze, om haar te veroveren. Het eenvoudige, alledaagsche verstand van Willem heeft dikwijls in vijf minuten een strik weten los te maken, dien deze verwonderlijk knappe Mores zich om den hals gehaald hadden, en hen in eens voor zijn gevoelen gewonnen, zoo als wel meer het gezonde, praktische verstand een einde maakt aan de droomerijen der idealiteit.

Eigenlijk bestaat er in beide gezinnen een leemte, die niet verholpen kan worden, tenzij ze wederkeerig iets van elkander overnemen. Als we vragen, wie de gelukkigsten zijn, dan staan de Daytons verre boven de Mores. Als wij vragen, wie de begaafsten zijn, winnen de Mores het van de Daytons. Een deel van de overdreven zucht naar het ideëele, die wij bij de Mores aantreffen, zou de Daytons aansporen, veel te verbeteren en te volmaken, wat gemakkelijk te verhelpen was, als zij er hun best maar toe deden; en een deel van de zelfgenoegzame tevredenheid der Daytons, zou de begaafdheden der Mores vruchtbaarder voor de practijk maken en hun eigen geluk bevorderen.

Doch tusschen deze beide soorten van menschen staat eene derde soort in, evenzeer met idealiteit begaafd, even begeerig om uit te munten, maar wier gezond oordeel hun dezelfde diensten bewijst, als de balans en 't vliegrad aan een stoommachine. Wat is de reden, waarom de overdrevenste idealisten zich nooit ongelukkig gevoelen, dat zij niet kunnen vliegen als een vogel, of zwemmen als een visch? Omdat zulke vermogens, zooals 't gezond verstand hun leert, al te ver buiten ons bereik liggen, dan dat zij er ooit in ernst naar zouden verlangen. Bij deze soort van menschen, wier idealiteit nooit overdrijft, trekt het gezond verstand als bij instinct een grenslijn tusschen het bereikbare en het onbereikbare, en bepaalt daardoor wat men al of niet moet verlangen.

't Gezond verstand zegt ons, dat er geen tak van menschelijke kunst of wetenschap is, waarin volmaaktheid ooit kan bereikt worden. Een kruidkundige beweert: om het ook maar in de kennis van ééne soort van zeegras tot volkomenheid te brengen, heeft een mensch zijn heele leven en al zijne krachten onverdeeld noodig. Nooit zijn wij in de muziek of in een der schoone kunsten volleerd. Er komt nooit een tijd, waarop de tuinman kan rusten en zeggen, dat er aan zijn tuin niets meer te doen is. Huishouden, koken, naaien, breien,—dat alles kan, voor zoo ver wij weten, altijd maar door nog verbeterd worden, zonder dat wij ooit kunnen zeggen: nu kan het niet beter!

Maar terwijl alles tot in het oneindige toe vatbaar is voor meerdere volmaking, worden verreweg de meeste menschen door omstandigheden belet, de helft te bereiken van 't geen zij voor wenschelijk houden; en dikwijls bestaat het onderscheid tusschen den ongelukkigen idealist en den tevreden realist, niet hierin, dat ze verschillen van oordeel, hoe 't een of ander tot volkomenheid te brengen is, maar dat, terwijl beiden dit evenzoo inzien, de een zich tevreden stelt met het bereikbare, terwijl de ander zich afslooft om het onbereikbare meester te worden.

Men maakte eens iemand, die een allermoeielijkst ambt bekleedde, een compliment, dat hij altijd zoo opgeruimd bleef te midden van vele en velerlei bemoeiingen en zorgen. „Ik heb mij eens voor al voorgenomen, tevreden te zijn, als de dingen maar _half_ zoo goed gedaan worden als ik het zou wenschen,” luidde zijn antwoord, en hetzelfde zou men met vrucht kunnen toepassen op de bezigheden en de zorgen van den huiselijken kring.

't Is een gewone manier van zeggen, dat _die_ en _die_ menschen zijn, die zich diep ongelukkig zouden voelen als niet alles „in de puntjes” was,—dat is, in overstemming met hun begrippen van 't volmaakte.

Zijn het nu _vrouwen_ en aanvaarden ze 't bestuur over een huishouden, dan zullen zij stellig ongelukkig zijn, en anderen ongelukkig maken; want de huiselijke haard is een plaats waar bij geen mogelijkheid alles en alles „in de puntjes” kán wezen.

Wij mogen verhandelingen over opvoeding lezen—en er bestaan daarover voortreffelijke boeken; wij mogen in sommige boeken alleraardigste tafereeltjes van een goedingericht huishouden vinden, waar boeken-kinderen en boeken-meiden allen met de meeste eenstemmigheid precies doen, wat de schrijver verlangt; maar ieder wezenlijk kind en elke wezenlijke meid is een ding apart, waarvan wij zelfs niet bij benadering kunnen voorspellen, wat voor invloed het zal hebben op 't ideaalleven, dat wij ons hebben voorgesteld.

Een echtgenoot, man of vrouw, is alweer zulk een ding: wat laat er zich vooruit van zeggen, of het al dan niet met onze idealen zal overeenstemmen? Ja, al heeft iemand de schoonste theoriën omtrent levensgeluk, 't is toch vaak zijn lot, met handen en voeten gebonden te zitten en al die theoriën en idealen te zien verdwijnen voor den drang der omstandigheden.

Niets valt gemakkelijker dan een idealen tuin aan te leggen. Wij bakenen ons terrein af, we gaan aan 't spitten en planten en verplanten en bemesten. Wij lezen lijsten van alle soorten van rozen, totdat het hoofd er ons van omloopt. Wij zetten onze pruimen-, peren- en perzikenboomen; wij verheugen ons bij voorbaat in trossen van de keurigste druiven, en onze theoretische tuin ziet er uit als een herwonnen Paradijs. Maar in den werkelijken tuin vreten de rupsen de kool en de luizen de rozen op, valt er honigdauw op de druiven, en hebben wij last van nachtvorst, van droogte, van wind en van hagel.

De tuin en 't huisgezin lijken juist op elkander. Van beiden kunnen er mooie plannen op het papier gemaakt worden; en de regelen van schoonheid en bevalligheid, ten aanzien van beiden in acht te nemen, kunnen zoo duidelijk gesteld zijn, dat iedereen ze kan begrijpen en een kind er zich niet in zou vergissen; en toch blijven de werkelijke uitkomsten altijd verre bij de gekoesterde verwachtingen en wenschen ten achter.

't Zou een onberekenbare winst zijn voor ons huiselijk geluk, zoo de spelers in het levens-concert hun instrumenten, als ze beginnen, niet te hoog stemden; wie het meeste geluk genieten, zijn gewoonlijk zij, die het minst eischen en verwachten.

De zucht naar het ideële ontaardt dikwijls in een gevaarlijke ziekte van geest en hart, die des te moeielijker te genezen valt, omdat zij in verband staat met hetgeen 't verhevenste en 't edelste in ons is. Zouden wij niet trachten volmaakt te worden? Zouden wij altijd maar ons tevreden stellen met het alledaagsche en gebrekkige? Op deze vragen is er natuurlijk maar één antwoord mogelijk, en toch raakt iemand, die zichzelven overdreven, onredelijke eischen stelt, doodaf en geheel in de war, hij wordt gejaagd en ontevreden, knorrig en diep rampzalig.

Wie zich ongelukkig gevoelt, kan anderen nooit gelukkig maken. Wie aan 't hoofd van een huisgezin staan, kunnen, zoo zij zelven onrustig van aard en moeielijk van humeur zijn, geen vrede en harmonie stichten. Dat is eigenlijk de reden, waarom menigeen, hoe braaf en nauwgezet ook, in den huiselijken kring allerlei overlast veroorzaakt. Zulke menschen, overdreven in hun eischen, zijn nooit tevreden, zij voelen zich altijd ongelukkig, en die ontevredenheid en dat gevoel werkt aanstekelijk. Zij staan niet op een goeden voet met hun eigen karakter; zij hebben aan zich zelven een hekel, zij zijn niet tevreden met hun eigen voorkomen en hun gewoonten, met hun opvoeding en hun bekwaamheden; op al deze punten beoordeelen zij zich volgens een ideëelen maatstaf en bemerken, dat zij ver te kort schieten. Ja, ook in 't zedelijke en 't godsdienstige brengt ditzelfde soort van onderzoek niets anders dan dwalingen en zonden voor hen aan 't licht, zoodat zij eindelijk hun heele leven voor verongelukt houden en wenschen, nooit geboren te wezen. Altijd boos en ontevreden over hun eigen hart, kunnen zij zichzelven niet verdragen en hebben zij een afkeer van 't geen zij zijn. Wie nu altijd maar door met zich zelven overhoop ligt, is er heel gauw aan toe, om ook met anderen ruzie te maken. Die onvoldaanheid, die geen geduld heeft met eigen onvermijdelijke zwakheden en gebreken, heeft dit ook niet met die van anderen; en zoo verliest de grootste drijfveer, waarmeê het Christendom verdraagzaamheid met de gebreken van anderen aandringt, haar kracht. Er zijn menschen, die noch bij zich zelven, noch bij anderen ooit iets door de vingers zien, maar, voor beiden even streng, in beiden evenveel tegenzin hebben.

Nu zou het zeer wenschelijk zijn, dat allen, die zulk een overspannen karakter en een groote zucht naar het ideëele hebben, deze eigenaardigheid door den godsdienst zorgvuldig leerden temperen. Doch, zoo als het dikwijls gaat, wordt het door den godsdienst nog erger, daar deze de eischen en berispingen vaak verscherpt en de opgewondenheid zoo ver drijft, dat eindelijk de snaren van 't verstand springen. En toch is de godsdienst, wanneer zij goed begrepen en beoefend wordt, het eenige geneesmiddel voor de ziekelijke zucht naar het ideëele. De christelijke godsdienst is de eenige, die ooit aan alle menschen, hoe uiteenloopend ook in ontwikkeling en verlangens, de heerlijke gave van _rust_ heeft willen schenken. Onze groote Meester belooft met de verzekerdheid, die alle wantrouwen buiten sluit, _rust_ aan allen zonder onderscheid, onder alle omstandigheden, met de meest verschillende karakters en behoeften en gebreken. Zijne uitnoodiging omvat het geheele menschelijke geslacht: „Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal U RUST geven.”

't Verdient te meer onze aandacht, omdat Hij, terwijl Hij deze heerlijke belofte doet, tevens een maatstaf van volkomendheid aanwijst, die elken anderen verre te boven gaat, en in dat ééne woord het doel van ons leven voorstelt: „Wees volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.”

Wat Jezus ons voorstelt, is een eindeloos streven, en in weerwil daarvan eindelooze gemoedsvrede,—een volstrekt rustig en toch altijd voortgezet jagen naar een goed, dat wij nooit kunnen bereiken, voordat wij tot een hooger en volkomener leven zijn ingegaan. Omdat de wijsheid dezer wereld niet in staat is dit raadsel op te lossen, verlangt Hij, dat, wie zijn juk op zich nemen, van Hem zullen leeren, daar Hij alleen het juk der eeuwige volmaking zacht en den last er van licht kan maken.

Ieder gebouw, waarin wij een gelukkig leven wenschen te smaken, moet tot een stevigen breeden grondslag deze eerste hoofdwaarheid van Zijn onderwijs hebben;—volkomen bevrediging van de zucht naar volmaaktheid kan nooit in dezen tegenwoordigen levenstoestand verwacht worden, maar behoort tot een toekomstig bestaan. Als de wereldsche philosophie een weinig op jaren begint te komen, en door al de teleurstellingen, die zij ondervonden heeft, uit haar humeur geraakt is, wordt de idealiteit met haar onophoudelijke rustelooze begeerten en eischen, afgesnauwd en de deur uitgezet,—voor een bedriegster en leugenaarster gescholden, met de kennisgeving, dat ze haar mond mag houden en haar biezen kan pakken;—maar het Christendom gebiedt haar, welgemoed te zijn, nog altijd voorwaarts te gaan en te hopen en te verwachten, en wijst op eene toekomst, waar de werkelijkheid al haar droomen te boven zal gaan.