Part 11
„Neemt een Franschman een klerk of een anderen ondergeschikte in zijn dienst en hoort hij vervolgens iets tot zijn nadeel, dan zou zeker wel het laatste zijn waaraan hij denkt, om hem dit meê te deelen, en rondweg voor de waarheid uit te komen. Hij schrijft hem een beleefd briefje, en bericht hem dat hij wegens een onverwachte verandering in zijn zaken, geen bediende nu noodig heeft, en dat het hem zeer spijt, 't aangename gezelschap van monsieur hierdoor te moeten missen, enz.
„Er is hiervan zeker geen treffender voorbeeld, dan wat ons madame George Sand in haar levensbeschrijving bericht over de verhouding tusschen haar vader en diens moeder. Hun liefde is inderdaad romanesk. Hij schrijft haar allerliefste brieven, hij kust haar hand op iedere bladzijde, hij is een toonbeeld van een liefhebbend en toegenegen zoon, en toch, zonder er haar iets van te zeggen, maakt hij te gelijkertijd alles in orde voor een geheim huwelijk met een vrouw uit den minderen stand en van een zeer dubbelzinnig gedrag,—een huwelijk, waarvan hij begrijpt, dat zijn moeder 't besterven zou, als zij 't wist. Hij trouwde met haar, woont bij haar in en krijgt een paar kinderen, voordat hij het hart zijner aangebeden moeder wil grieven, door haar de waarheid te zeggen. De aangebeden moeder verdenkt haar zoon wel, maar laat er in haar brieven aan hem niet het minst van blijken. Zij is te kiesch om de vraag, die eene Engelsche moeder rechtstreeks tot haar zoon zou gericht hebben, aan haar dierbaren Maurice te doen; maar zij wendt zich tot den commissaris van politie; zij weet de wettelijke bescheiden van 't huwelijk in handen te krijgen: en al is ze nu met de geheele zaak bekend, toch heeft dit geen invloed op den teederen toon van haar brieven, of op de hartelijkheid, waarmeê zij, even als altijd, haar zoon ontvangt, wanneer hij eenigen tijd, zooveel als zijn huishouden 't hem toelaat, bij haar komt doorbrengen.
„In een Engelsche of Amerikaansche familie zou er een hevig tooneel, een onverholen vredebreuk zijn gevolgd, maar deze wellevende zoon en moeder zetten jaren lang dit hoofsche drama voort, waarbij zij zich houdt, alsof zij zich door hem laat misleiden, en hij zich inbeeldt, dat hij door die misleiding het gevoel zijner moeder spaart.
„Nu kan het wel niet anders, of 't gadeslaan van zulk een gedrag heeft bij ronde en oprechte menschen de uitwerking, dat ze, in een ander uiterste vallende, de wellevendheid te laag schatten, alsof deze noodwendig in strijd moest wezen met goede trouw. Doch omdat het al geen goud is wat er blinkt, volgt daaruit nog niet, dat niets wat blinkt goud is, en omdat beleefdheid en hoffelijkheid in het dagelijksch leven dikwijls misbruikt worden tot schandelijk bedrog, dat ze daarom nooit met goede trouw gepaard kunnen gaan. Geen vrouw zou een sluwen, huichelachtigen schelm boven een braaf man verkiezen, al is hij wat ruw en lomp; maar van twee mannen, die beiden even braaf en oprecht zijn, zal iedere vrouw aan den meest beleefde zeker de voorkeur geven.”
„Al die soort van Fransche beleefdheid,” zei Robbert, „vind ik zoo ziekelijk en laf, en zulk een bewijs van wantrouwen, dat ik allicht in een ander uiterste zou vervallen. Ware liefde moet een krachtige plant zijn, die geen broeikas noodig heeft, maar zon, wind en regen kan verdragen. Menschen, die te bescheiden en te wellevend zijn om een ander ronduit te zeggen wat hun op 't hart ligt, krijgen daar binnen een poel van vuiligheid, waaruit allerlei stekelig ongedierte voortkomt. Mijn stelregel is: Zeg alles, zooals gij 't meent; heb nu en dan een standje en sla er doorheen: een beetje brommen en ruzie mag wel; en leer 't zelfde in anderen verdragen.
„Als ik met wat minder overleg en wat minder complimenten tegen Marianne zeg, dat de koffie te hard gekookt heeft, dan ik zoo iets zeî tegen de oude juffrouw Pollux, toen ik kamers bij haar had, dan komt het daar van daan, dat ik Marianne eigenlijk voor een deel van mij zelven aanzie, waar ik die oude juffrouw nooit voor hield,—dat wij het samen te goed eens en te vertrouwelijk met elkander zijn, om over zoo iets veel woorden vuil te maken,—dat zij er niet driftig of zenuwachtig om zal worden, maar eenvoudig de koffie voortaan niet te lang zal laten koken. Bedank ik haar voor 't naaien van mijn handschoenen nu niet met zooveel omhaal als toen wij nog geëngageerd waren,—'t is immers omdat zij tegenwoordig al die soort van dingen zoo dikwijls voor mij doet, dat het haar danig vervelen zou, indien ik er gedurig voor op mijne knieën viel. Al wat ik over haar handigheid en netheid in het naaien kon zeggen, heb ik reeds zoo dikwijls gezegd en heeft ze reeds zoo goed begrepen, dat er het nieuwtje al lang van af is.
„Marianne en ik hebben samen verscheiden spiegelgevechten gehad, waarin nu eens de een, en dan weer de ander de overwinning behaalde, doch waarbij wij gedurig elkander hooger waardeerden en altijd aardigheid hadden in elkanders vernuft en 't vuur waarmee wij elk onze zaak verdedigden. Ik verzeker u, dat onze gewoonte, om elkander de waarheid ronduit te zeggen, vrij wat beter is dan al de beleefdheden, die ooit in een Fransche trekkas zijn uitgebroeid.”
„Volkomen waar!” zei ik. „Ge spreekt als een evangelie. Waarheid gaat bovenal, oprechtheid, bovenal zuivere, kristalheldere, diamanten oprechtheid is beter dan het fijnste goud van Ophir: daarop rust alle liefde. Hoe 't gaat met menschen, die van hun innigste geliefden, met wie ze dagelijks verkeeren, moeten denken, dat zij door hen om eene of andere reden, (al is 't ook nog zóó fijn, zóó kiesch) zullen bedrogen worden,—hoe zulke menschen daar rust bij hebben, is mij een raadsel. Als ik moet denken, dat mijn vrouw of mijn vriend niets anders tegen mij zeggen zou, dan wat zij meenden, dat mij pleizier deed,—dan was ik een verloren man, ik zou nooit meer weten, waar ik aan toe was. Toch moet ik, in weerwil van dit alles toestemmen, dat wij ons huiselijk leven vrij wat zouden veraangenamen, als wij op den stevigen stam der oprechtheid een stekje der Fransche wellevendheid verkozen in te enten.
„Wil iemand weten, wat ik hiermeê bedoel, dan verwijs ik hem naar de gedenkschriften van De Tocqueville dien ik voor een ideaal van een Franschman houd, en zeker heeft 't huiselijk leven, zoo als het in zijn brieven afgeschilderd wordt, iets zoo liefelijks en bekoorlijks, dat daardoor de degelijkheid van dat leven te meer uitkomt.
„Nog moet ik omtrent dit onderwerp herinneren, dat het zoowel voor een individu als voor een geheele natie zeer gevaarlijk is, de deugden, waarvoor zij van nature aanleg hebben, gedurig op te hemelen en altijd maar uit te varen tegen sommige ondeugden, waartoe voor hen volstrekt geen verleiding bestaat.
„Mij dunkt, dat wij 't als een algemeenen regel mogen vaststellen, dat wij geen gevaar loopen om, door overdreven zucht tot beleefdheid in onzen huiselijken kring, huichelaars te worden, maar dat er wel eenig gevaar voor ons bestaat, om uit een ruw en onbehouwen instinct van oprechtheid lomperds te worden. Doch om de zaak zoo praktisch mogelijk te behandelen, zal ik in eenige bijzonderheden aantoonen, hoe de beleefdheid, die wij aan vreemden bewijzen, met voordeel op ons huiselijk leven zou kunnen ingeënt worden.
„Laat ons dan in de eerste plaats eens nagaan wat wij al zoo doen, als wij vreemden ontmoeten, die wij gaarne voor ons willen innemen. Wij kleeden ons netjes, wij doen ons best om iets aangenaams te zeggen, wij onderdrukken onze aangeboren traagheid en zijn zoo vlug mogelijk in het bewijzen van kleine attenties, wij staan vliegend op om een gemakkelijker stoel te krijgen, wij bukken om iets van de grond op te rapen, wij zoeken naar de courant, die verlegd is, en dat alles voor menschen, die ons later misschien niets kunnen schelen: maar—bij onze eigen familie, bij onze liefste betrekkingen zitten wij in ons oude, halfsleten goed,—we laten ze zelven een stoel krijgen, en naar de courant zoeken, en hun eigen tuil tuilen, zonder hun één van al die attenties aan te doen.
„Vooral op het punt van kleeding maken heel veel menschen zich schuldig aan hetzelfde gebrek, dat ik reeds noemde, toen ik over de inrichting van 't huishouden sprak. Zij hebben een prachtig toilet om uit te gaan, en een smerig en slordig pak voor t'huis.
„Een vrouw besteedt al haar speldegeld aan de kleeding, die zij op partijen draagt, en meent, dat alles voor in-huis goed genoeg is. Al haar vervallen opschik, haar versleten, vieze japonnen en haar bespikkelde linten moeten maar dienst doen voor den tijd, dien zij in haar liefsten en haar besten kring doorbrengt. Enkele schijnen er werkelijk uit beginsel tegen, een knappe japon in huis te dragen; zij zeggen dat „bruin zoo iets niet kan trekken”. Nu, ik zou wel willen, dat al het geld wat voor een of twee uitgaanstoiletten noodig is, aan een net en smaakvol huistoilet werd besteed en dat het een uitgemaakte zaak was: t'huis moet een vrouw er altijd lief uitzien.
„Wij mannen zijn een soort van domme en blinde dieren, wij merken wel, dat ons iets bevalt, maar wij weten niet, wat het nu eigenlijk is; wij denken dat wij niets om bloemen geven, maar als er een bloemperk onder ons raam is, dan hebben wij er toch zoo wat een flauw besef van en merken dat er iets is, dat genoegen doet; en zoo ook veraangenaamt het ons leven misschien wel veel meer dan wij denken, als onze vrouwen en dochters keurig en met smaak gekleed gaan.”
„Nu, papa!” zei Jenny, „ik denk toch dat de mannen even goed als de vrouwen hun best moeten doen, om zich na hun trouwen netjes te kleeden. Mij dunkt dat er in 't heiligdom van 't huiselijke leven even goed verfrommelde halfhemdjes en verwarde haren en modderige laarzen gezien worden als versleten japonnen en bespikkelde linten.”
„Dat zal ik niet ontkennen,” zeide ik, „maar je weet dat wij van nature Hottentotten zijn, en de dames de zendelingen, die moeten zorgen, dat wij niet geheel verdierlijken; wij lijken op den lompen, ouden, blinden Vulcanus en zij op de schoone Venus, de draagster van den toovergordel, en daarom recommandeer ik dit onderwerp bijzonder aan haar attentie.
„Nu houd ik staande, dat wij in 't huwelijksleven niet alleen ons best moeten doen, om net en keurig in onze kleeding, maar ook een beetje behaagziek te wezen,—of beter gezegd, om ons aangenaam te maken in de oogen onzer naaste betrekkingen.
„Er zijn vrij wat dames, en knappe ook, die voor 't oog van de wereld zich niet gaarne aan een of ander verzuim van netheid zouden schuldig maken, en die 't er toch voor schijnen te houden, dat het voor een degelijke vrouw niet te pas komt, in huis eenige zorg aan haar uiterlijk te besteden. Zij koopen haar daagsche japonnen en denken daarbij alleen om de zuinigheid; zij maken ze, zonder er zich om te bekommeren, hoe dit of dat staan zal. Van daar maakt soms het huwelijk van een aardig, vlug en net meisje een morsige vrouw, die in haar daagsche kleêren veel van een zoutzak heeft. Wat mij betreft, ik geloof niet, dat het verbannen van de gratiën uit den huiselijken kring, zoodra het eerste kind gekomen is, de huwelijksliefde bevordert. En ik geloof nog veel minder, dat het noodig is. Even als de heilige asceten uit den ouden tijd, loopen die degelijke huismoeders gevaar zich daaraan te bezondigen, dat ze haar eigen lichaam verwaarloozen, door zich te veel om anderen en te weinig om zich zelven te bekommeren. Is er iets innemends en bekoorlijks haar eigen, welnu, laat ze dat met zorg bewaren, en 't erkennen voor een talent dat haar gegeven is. Wat mijn verdoolde collega's betreft, die den huiselijken tempel door verfrommelde halfhemdjes, verwarde haren en modderige laarzen ontheiligen, hen geef ik ter bestraffing aan Jenny over, zonder de exceptie op te werpen, dat ze als dominé's voor een geestelijke rechtbank moeten verhoord worden.
„Mijn tweede opmerking is, dat men, evenzeer als in beschaafde gezelschappen onder vreemden, ook in den huiselijken kring kiesch genoeg moet zijn, om er niet te spreken over 't geen voor een ander onaangenaam is.
„Ik geloof niet, dat het aan ons huiselijk leven meer het karakter van oprechtheid geeft, als de leden van 't zelfde gezin de vrijheid nemen, om, zonder eenige nagedachte of verschooning, allerlei onaangename dingen voor elkander uit te flappen; zoo als, bij voorbeeld: „Wat zie je er van ochtend raar uit! Wat scheelt er aan?”—„Komt er een puistje op je neus, of wat beduidt dat vlekje dat er op zit?”—„Hoe ben je er toegekomen om zulk een leelijke japon te koopen? Je lijkt er wel een tooverheks meê! Wie heeft die geknipt?”—„Waarom draag je toch zulke oude laarzen?”—„Mijn hemel, Bet! moet je zoo naar de partij toe? Je lijkt wel een wandelende bloempot!” Opmerkingen van dien aard tusschen man en vrouw, broeders en zusters of na-betrekkingen, zijn geen bewijs van oprechtheid, maar van lompheid; en hij die van de puist op den neus spreekt, is evenzeer in staat om u te bedriegen als de volleerdste Française die, zoolang ge er bij zijt, alles in haar discours vermijdt, wat u hinderen kan.
„In vele gezinnen schijnt men te denken, dat het een bewijs van vertrouwelijkheid en goed humeur is, als men elkaêr in 't vaarwater kan zitten, allerlei grofheden verdraagt, en de een de kleine zwakheden en gebreken van den ander kan bespotten, zonder dat deze er boos om wordt of het kwalijk neemt. Waar een manke zuster aan huis is, daar ontbreekt het nooit aan grappen over „hippeldetrip”; en evenzoo gaat het met andere gebreken van lichaam en ziel. Zeker, waar men zulke vrijheden nemen kan, is 't wel een bewijs dat het goed humeur en de vertrouwelijkheid verwonderlijk groot zijn; maar de vrijheden zelven maken het huiselijk leven toch waarlijk niet pleizieriger.
„Grappen van lichaams- en zielsgebreken, en in 't algemeen de gewoonte om uit gekheid dingen te zeggen, die, zoo men ze in ernst zeî, verregaand lomp en onbeschoft zouden wezen, zijn allemaal gewoonten die de teederheid onzer onderlinge liefde in den huiselijken kring gevoelig kwetsen.
„Door al dat ruwe spel met scherpe dingen, wordt menigeen gewond en gegriefd, die te bloô of te bang is, om er over te klagen. En wat voor nut, wat voor goed kan het stichten? Moed om een ander, wanneer het voor zijn waarachtig welzijn noodig is, iets onaangenaams te zeggen, is een heerlijke deugd: maar de gewoonte om in den vrijen, huiselijken kring alles zoo maar uit te flappen, richt meer schade in onzen wijngaard aan, dan menig kleine vos in staat is te doen.
„Er is een punt, dat tot deze rubriek behoort, waarbij ik in 't belang van de mannen nog even moet stilstaan,—ik bedoel aanmerkingen op het eten. In 't huishouden moet zeker vrij wat over het hoofd gezien worden, als wij bedenken, hoe de meiden tegenwoordig zijn; maar dan is ook de gewoonte van sommige mannen, om altijd weêr plompweg te vitten op 't geen de pot schaft en op de manier van klaarmaken, al heel onhebbelijk. Als de vrouw wijs genoeg is om er geen notitie van te nemen, dan is dit des te erger voor den man, want hij geeft daardoor te meer toe aan een gewoonte die niet past, die zijn gasten verlegen maakt en een slecht voorbeeld voor zijne kinderen is. Wil hij haar in haar kleine zwakheden al niet sparen, hij moest ten minste respect hebben voor het decorum en voor haar fatsoen, hij moest die soort van zaken geheel in privé behandelen en aan geen vreemde gasten noch ook aan zijn kinderen een kijkje laten nemen van de manier, waarop de huishouding-machine gepoetst en gesmeerd wordt.
„Nog iets anders,—wat men uit beleefdheid met vreemden altijd doet, maar in den familiekring wel mocht navolgen,—namelijk, op een verstandige manier bescheiden te wezen in het doen van vragen en het aanbieden van goeden raad.
„Een groot gezin bestaat uit onderscheiden personen, die in smaak, in gewoonten, in wijze van denken en doen zeer uiteenloopen, en 't zou verstandig en goed zijn, ieder zoo veel vrijheid te geven, als de wetten der maatschappelijke wellevendheid toestaan. Broeders en zusters houden dikwijls veel van elkander, maar toch niet zoo veel, dat ze in alle idées en plannen, wenschen en uitzichten en keuzen van vrienden volkomen sympathiseeren.
„In ieder gezin zijn er enkelen, die, een weinig overgevoelig van aard, stil en ingetrokken zijn; en nu zijn er wel huishoudens, waarin 't niet mogelijk is, stil en terughoudend te wezen. Niemand kan er met vrede gelaten worden, niemand kan er een geheim hebben, niemand kan er een vinger in de asch steken, zonder dat er een heirleger van vragen en aanmerkingen op volgt. „Van wie komt die brief?—Laat mij eens zien?”—„Mijn brief is van Die-en-Die.”—„Schrijft _hij_ je? Dat wist ik niet. Wat schrijft hij?”—„Waar ben je gisteren heen geweest? Wat heb je gekocht? Wat heb je er voor gegeven? Wat wil je er meê doen?”—„Dat is, dunkt mij, nog al een vreemde manier om zoo iets te doen. Ik zou het heel anders doen.”—„Begrijp eens, Marie! Saartje wil van den zomer een zijden japon hebben. Ik vind dat zijde te duur is—jij ook niet?”
„Ik herinner mij, ergens in een boek gelezen te hebben, hoe het tot de kenmerken van een waarlijk fatsoenlijk man behoort, dat hij weinig of geen vragen doet. Als men dit kenmerk van fijne beschaving in ons huiselijk leven wat hooger waardeerde, 't zou er vrij wat aangenamer door worden.
„Ontbreekt er niets aan onze onderlinge openhartigheid en ons wederkeerig vertrouwen, welnu, laat ze dan aan den dag komen door ongedwongen mededeelingen, die men ongevergd doet. Zoo er iets is, waarvan onze naaste betrekkingen niet willen dat wij onkundig blijven, mogen wij dan wel niet als zeker aannemen, dat zij 't ons zullen vertellen? en zoo ze in weerwil van de innige vertrouwelijkheid, die er tusschen ons is, over sommige dingen zwijgen, dat er zeker eene of andere goede reden is, waarom zij het doen. Kieschheid, die het stilzwijgen van een vriend eerbiedigt, is een van de kostelijkste dingen, die ik ken.
„Even als met het doen van vragen, moeten huisgenooten ook met geven van raad een verstandige spaarzaamheid in acht nemen.
„In enkele gezinnen vraagt men van alles, wat iemand doet, tekst en uitleg. „Waarom heb je je blauwe japon aangetrokken? Waarom nu je groene niet? Waarom heb je dat gedaan? Waarom heb je dat niet gedaan?”—„_Ik_ zou je raden zus en zoo te doen.” En deze aanmerkingen en al dat vitten en critiseeren en raden gaat met een klem en een gezag, dat het dikwijls moeielijk valt, er geen acht op te geven.
„Al zijn onze huisgenooten nu ook nog zoo lief en nog zoo goedhartig,—als zij onze vrijheid verkorten en ons leven aan banden leggen, dan kan het niet anders, of wij zullen er gauw toe komen, het daar, waar zij niet zijn, pleizieriger te vinden, dan daar waar ze wel zijn; en een van de redenen, waarom broeders en zusters of kinderen zoo dikwijls geheel en al buiten de familiekring hun vertrouwelingen kiezen, ligt zonder twijfel hierin, dat zulke vreemden, door een zekere bescheidenheid weêrhouden, er nooit toe zullen komen, om al te veel te vragen en te vitten en raad te geven.
„Ouders zouden er goed aan doen, de raadgevingen en vermaningen, waarmee zij in vroeger tijd hun kinderen hebben groot gebracht, verstandig te matigen en te wijzigen, nu die kinderen tot zelfstandige menschen zijn opgegroeid. Laat ons niemand het recht betwisten, zijn eigen leven zooveel mogelijk te leven, en zorgen dat wij aan niemand onze eigenaardigheden opdringen.
„Als ik een volmaakt huisgezin moest schetsen, dan zou het een vereeniging van menschen zijn, ieder van een bijzonder en scherp geteekend karakter, die door onderlinge liefde tot een juiste waardeering van elkander gekomen zijn, en die zich zelven en elkander zoo goed begrijpen, dat iedereen vrij is in zijn eigen doen en laten,—een gezin, waar de een altijd bereid is, zijn geheimen aan een ander meê te deelen en diens geheimen aan te hooren, doch waar men nooit in elkanders geheimen zoekt in te dringen, en waar niemands gevoel wordt gekwetst;—waar men, begrijpende dat ieder zijn bijzonder heiligdom en zijn eigen zelfstandigheid heeft, een ander met al zijn doen in vrede laat en door geen bemoeizucht hindert; maar toch, aan den anderen kant, waar een geest van gezelligheid en eenigheid heerscht, die ons in alles bemoedigt en kracht geeft, omdat wij daaraan weten, hoe wél gezind ze zijn, die ons omringen, en hoe innig goed ze over ons denken.
„Bij dit onderwerp heb ik nu maar gezwegen van die soort van onbeleefdheid in 't huiselijk leven, die uit een kwaad humeur en uit zelfzucht voortkomt; dat toch noem ik niet een gebrek, maar dat heet ik zonde. Wie toornig is, die is in den regel onbeleefd; en waar twist en gekijf zijn, daar kan geen wellevendheid heerschen. Maar wat ik op het oog had, waren veeleer de gebreken van brave en deugdzame en wezenlijk beste menschen, die alleen om hun huiselijk leven te veraangenamen, nog wat meer moesten letten op 't geen wat liefelijk is en wel luidt. Ik weet, dat mijn doel bereikt is en zij 't zullen doen, als ik hen maar overtuigd heb, dat het hun plicht is; in hun ernstig streven naar 't geen voor ons van 't hoogste belang is, zien zij maar (daar schort het hun) de kleinigheden voorbij, die er liefelijkheid en geur aan moeten geven. Ze zijn goede verstaanders, die maar een half woord noodig hebben, en dat halve woord heb ik gezegd.”
ONVOLDAANHEID.
VII.
ONVOLDAANHEID.
Eindelijk ben ik aan mijn zevenden vos gekomen,—den laatsten van dat zevental, waartegen ik een kruistocht gepredikt heb. Ik zal maar meteen jacht op hem beginnen te maken. Ik noem hem
ONVOLDAANHEID.
En nu ik dit gedaan heb, zal ik de beeldspraak maar laten varen, uit vrees, dat ik de regelen eener gezonde logica zou te buiten gaan; liever begin ik terstond met de omschrijving en verklaring van het genoemde gebrek.
Al de andere huiselijke gebreken en verkeerdheden, waarover ik gehandeld heb, betreffen de wijze waarop men het doel van 't leven zoekt te bereiken; maar dit gebrek bestaat in een valsche, bedriegelijke en ziekelijke voorstelling van het doel zelf.
Als een piano juist op orchest-toon staat, is die voor de meeste stemmen te hoog, waarom men doorgaans, zich naar de gewone menschenstem voegende, de piano een halven of kwart-toon lager laat zetten. Wie nu geen bijzonder hooge stem heeft en toch maar volhoudt, dat de piano overeenkomstig een zeker afgetrokken begrip van volmaaktheid gestemd moet worden, van zoo iemand zult ge zeggen, dat hij aan volslagen monomanie lijdt en zich ellendig afpijnigt, met geen ander gevolg dan dat hij, al wat hij zingt, valsch zingt.
Toch zijn er vrij wat menschen, die al de snaren onzer levensbenoodigdheden op orchest-toon spannen en daardoor een wangeluid onvermijdelijk maken, dat altijd maar voortkrast en hen altijd kwelt.