De kleine vossen

Part 10

Chapter 104,006 wordsPublic domain

Wat dan? Zullen wij de oude talen niet leeren? Zeker wel! „Zoo dikwijls ik een taal leer, zoo dikwijls word ik een man,” zei Karel V,—en hij had gelijk. Latijn en Grieksch zijn in een kwaden naam gebracht door de gekunstelde, pedante manier van 't onderwijs, waarbij men van al de uitgedroogde dorheden der taal, een harde, groote pil maakt, die de arme jongen slikken en verduwen moet, eer hij een schemerschijntje mag zien van haar nut en haar schoonheid. Velen sterven in deze woestenij, voor dat zij in het Beloofde land van Plato en de treurspeldichters gekomen zijn.

„Maar,” zeggen de autoriteiten op dit gebied, „kijk eens naar Engeland. Een Engelsche schooljongen leert driemaal zooveel Latijn en Grieksch als onze jongens leeren.”

Maar Engelsche jongens krijgen driemaal meer vleesch en pudding dan Amerikaansche jongens, en zijn driemaal minder zenuwachtig. Het verschil van landaard komt hier in aanmerking; bovendien oefenen de in Engeland sedert eeuwen bestaande scholen en universiteiten een eigenaardigen invloed op de geheele Engelsche maatschappij. Wij moeten niet vergeten, wat wij voor menschen zijn, met welk soort van jongens wij te doen hebben, welk eene behandeling zij kunnen verdragen, en waaraan onze Amerikaansche maatschappij vooral behoefte heeft.

In zulk een groot en nieuw land als het onze, zijn de levensbehoeften zoo veelvuldig, en staat in alles de practijk zoo zeer op den voorgrond, dat de denkbeelden der ouden ons zoo kort en snel, als maar mogelijk is, moeten meêgedeeld worden, zonder al die schoolsche spitsvondigheden, waarmeê anderen zich mogen bezighouden, die er van nature lust en geschiktheid voor hebben.

Nergens heerscht meer een geest van onverdraagzaamheid en van uitsluiting, maar ook nergens sticht die geest meer lijden en ellende, dan op het veel betwiste gebied van opvoeding.

Boeken over opvoeding vergen over 't algemeen veel te veel van de ouders, en bezwaren hen, zoo ze ook maar eenigszins nauwgezet zijn, met een last van verantwoordelijkheid, die alle leven uitdooft en alle kracht verlamt. De schrijvers stellen het aan de ouders zóó voor, alsof ieder kind niets dan een zachte, weeke massa is, die zij naar hartelust kunnen kneden en knijpen, vormen en fatsoeneeren—en nu ze hun een goed model bezorgd hebben, zijn zij dan ook verplicht terstond aan 't werk te gaan en volgens het opgegeven model, een voortreffelijk mensch van het kind te maken.

't Is vreemd, dat wie eenigen eerbied voor den Bijbel hebben, aan zóó iets kunnen gelooven en vergeten, wat de liefdevolle Hemelvader bij herhaling betuigt, dat _Hij_ kinderen opgevoed en groot gemaakt heeft, maar dat zij tegen Hem overtreden hebben; of die aandoenlijke klacht: „Wat is er meer te doen aan mijn wijngaard, dat ik er niet aan gedaan heb? Waarom heb ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?” Als zelfs God, die wijzer, beter, heiliger, liefderijker is dan wij—als zelfs Hij betuigt, in dit groote werk teleurgesteld te zijn, is het dan wel raadzaam, tegen menschen, zoo als wij zijn, te zeggen, dat de vorming van het karakter hunner kinderen geheel alleen van hen afhangt?

De gezondheid van menige zwakke vrouw is verwoest en haar leven verbitterd, omdat er een last van verantwoordelijkheid op haar schouders geladen werd, die er nooit op had moeten gelegd worden; en menig moeder werd in 't verstandig gebruik van de gaven, die God haar gegeven had, belemmerd, omdat haar een wijze van handelen voorgeschreven was, die zij evenmin kon opvolgen, als David de wapenrusting van Saul kon dragen.

Een aardig, lief, tenger meisje trouwt met een krachtig man en krijgt een jongen, die tweemaal zoo veel wils- en geestkracht bezit als zij. Zij voelt zich even verlegen in 't worstelen met den wil en de eigenzinnigheid van zulk een kind, als zij wezen zou, wanneer zij met een reus moest vechten.

Wat dan? Laat God haar dan verlegen, zoodat zij haar plichten niet vervullen kan? Neen! als ze zich zelve maar kent en begrijpt en daarnaar handelt. Zij heeft geen macht tot bevelen, maar zij heeft wel macht tot overreden. Zij kan den ijzeren wil van haar kind niet buigen of breken, maar wel vermurwen. Zij is in staat den strijd te vermijden, waarin zij overwonnen zou worden. Zij kan haar kind voor zich innemen en inniger aan zich verbinden en door zachten, nauwelijks merkbaren drang haar invloed dagelijks versterken. Laat haar begaan, en zij zal haar jongen wel klaar krijgen.

Maar er komt een bemoei-allige schoonmoeder of een ander, die de wijsheid in pacht meent te hebben, en zegt tegen haar:

„Het is je heilige plicht, den wil van dien jongen te buigen. Ik heb den wil van mijn jongen ook weten te buigen. Houd de plak bij de hand, geef hem nooit zijn zin, straf hem voor ieder verzet, laat nooit zijn haan koning kraaien, dan zal hij eindelijk wel gedwee en onderworpen wezen.”

Zulk een raad is verkeerd, omdat zij dien evenmin kan opvolgen, als een koe wormen voor haar kalf kan opkrabben, of een kip haar kuikens kan zogen.

Sommige menschen hebben zulk een vasten, krachtigen wil, dat zij in staat zijn over den wil van anderen te heerschen. _Zij_ kunnen op die manier regeeren,—en dit regeeren heeft de beste uitwerking, omdat het in hun aard ligt, altijd wordt volgehouden en hun natuurlijk en flink afgaat. Laat hen tevreden zijn met hun eigen succes, zonder zich daarom nu uit te geven voor algemeene opvoedkundigen of wat zij, op grond hunner ondervinding, in alle mogelijke gevallen meenen door te kunnen drijven.

Er zijn weer anderen,—en tot hen behooren menschen van het beminnelijkste en edelaardigste karakter,—in wier aard het gebieden niet ligt. Zij hebben voor zich zelven wilskracht genoeg, maar zij missen 't vermogen om op den wil van anderen te werken. Toch zijn er van die soort wel moeders geweest, die in de opvoeding van haar kinderen slaagden, wanneer zij met haar eigenaardig karakter te rade gingen en niet trachten te doen, wat zij toch niet konden volbrengen.

_Invloed_ is een macht, die langzamer werkt dan gezag, die schijnbaar zwakker, toch op den duur veel meer uitricht en zeker een veel beteren weg volgt, om het doel te bereiken, dan blind gezag of driest geweld, waaraan zachte drang of gematigheid ontbreken.

Als een moeder een edel, godsdienstig, liefhebbend hart heeft, als zij nooit haar toevlucht neemt tot list of bedrog, als zij nooit driftig wordt en een goed voorbeeld geeft,—laat haar dan maar blijmoedig haar gang gaan, al kan zij de tucht, die op een oorlogschip heerscht, niet bij haar woelig troepje invoeren, of ze allen even zoet houden, zooals enkele vrouwen doen, aan wie God andere talenten gegeven heeft; en laat ze den moed niet verliezen, indien het somtijds maar heel weinig schijnt wat ze bijdraagt tot het groote werk der vorming van menschelijke karakters, daar toch zelfs de groote Schepper der wereld, volgens het bijbelwoord, hierin nu en dan teleurgesteld wordt.

De verdraagzaamheid in den familiekring moet vooral acht geven op de onderscheiden, trappen en tijdperken in de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling der kinderen.

De overgang van 't eene ontwikkelingstijdperk tot het andere veroorzaakt bij den mensch, even als de doorgang der zon door de evennachtslijn, dikwijls stormen en onweders. Als de knaap of het meisje volwassen wordt, raken meer dan eens hoofd en zenuwen, lichaam en ziel in de war; somtijds verandert daarbij 't karakter zóó geheel en al, dat het kind voor zich zelf en voor zijn ouders verloren schijnt. In dien toestand van overprikkeling komen allerlei onverzadelijke begeerten, onredelijke wenschen, onbepaalde plannen boven, en juist uit de hartstochten van dit overgangstijdperk ontstaat somtijds de rampzalige gewoonte, om zich over te geven aan 't gebruik van prikkelende middelen, die 't geheele leven verwoesten.

Daarbij komt 't geduld van heiligen te pas. De gejaagdheid moet getemperd worden, de huiselijke haard moet verdraagzaam genoeg zijn om den jongeling tegen te houden, dien de Satan wil ontvangen en liefkozen, als zijn moeder 't niet doet. De jongen voelt dat hij een man is,—en dit gevoel werkt in hem als de branding der zee, oorverdoovend en allesvernielend.—Hij is luidruchtig, woelig, oproerig, en zoekt alles in de war te sturen, hij veracht alle maatschappelijke vormen, hij heeft een hekel aan huis en verlangt naar buiten, naar zee; hij gaat het liefst met het ruwste gemeen om en verzet zich tegen iederen dwang. Heb maar wat geduld, laat de lijdzaamheid een volmaakt werk hebben, en na verloop van een paar jaren, als hij ten minste aan geen dierlijke drift zich verslaafd heeft, zal er een bedaard en fatsoenlijk jongmensch uit groeien. Maar als hij nu, eer het zoo ver met hem is, zijn voeten niet veegt en zijn pet tegen den grond gooit, en zijne kleêren scheurt, en vecht en tiert en schreeuwt en 't geheele huis overeind zet,—wanhoop niet; moogt gij uw zoon behouden, wat komen er dan pet en schoenen, kleêren en rumoer op aan? Al wat ge aan verdraagzaamheid en inschikkelijkheid ten koste legt, om te maken, dat een jongen op dien leeftijd weltevreden in huis is, 't is alles best besteed.

Doorgaans ziet men te veel voorbij, dat juist in dit tijdperk van overgang tot volwassenheid de grootste inspanning van den geest wordt gevorderd. De jongen moet voor de academie klaar gemaakt worden, het meisje zit in de hoogste klasse op school, en het zenuwleven, dat bij de kentering in 't physieke met dubbele kracht moet werken, heeft bovendien te voorzien in 't geen de africhtingsmethode en de tucht van de school vorderen.

Het meisje groeit op tot een rijzige, flinke vrouw; en de natuur heeft handen vol werk om er bouwstof genoeg voor te vinden. Zij moet den eenen wissel na den ander voldoen; ze doet niets dan betalen; had ze nu alleen haar vrouw op te bouwen, 't kon nog wel gaan, maar bovendien wordt ze aangemaand voor stelkunst, meetkunst, muziek, talen—en de arme natuur slaat bankroet. Met een deel van haar werk moet het wel verkeerd gaan en 't resultaat is—een kromme ruggegraat of een ontstoken long.

Op de meisjes- en jongens-kostscholen verkeeren de meeste jongelui juist in dat gevaarlijke tijdperk van lichamelijke en zedelijke ontwikkeling. Men verwacht van hunne onderwijzers, dat deze hen onder strenge tucht recht op het doel af zullen leiden, zonder in 't minst notitie te nemen van de groote physieke veranderingen, die er bij hen plaats grijpen. 't Is waarlijk geen wonder, dat hunne opleiding zoo moeilijk valt en dat er zoo menigeen mislukt, die naar lichaam en ziel een brekebeen wordt. De schuld ligt niet aan den onderwijzer; hij doet alleen wat de ouders van hem verlangen, die hun kind nu eenmaal onverbiddelijk tot een zekeren cursus veroordeeld hebben,—enkel omdat anderen hetzelfde gangetje zijn gegaan.

Eindelijk (want mijn preek is al veel te lang), eindelijk nog ééne opmerking. Ieder mensch heeft een handvat, waarmeê we hem aan den gang kunnen krijgen, en een werk waarvoor hij juist is berekend: en onze groote levenstaak is het, voor zoo veel wij anderen schuldig zijn, ieder bij zijn eigen handvat aan te grijpen en, voor onszelven, ieder zijn eigen werk te doen.

ONWELLEVENDHEID.

VI.

ONWELLEVENDHEID.

„Ik voor mij,” zei mijn vrouw, „ik houd het er voor, dat _onwellevendheid_ almeê de ergste verstoorster is van den huiselijken vrede. Bij huisgenooten denkt men niet eens aan de attenties en beleefdheden, waarmeê men voor vreemden zoo gul is.”

„Ik denk er anders over, Mevrouw!” antwoordde Robbert Stevenis. „'t Is al mooi genoeg, dat men zich buiten 's huis den last van allerlei vormen en complimenten dient te getroosten: maar als men t'huis komt, moet men zijn nauwe laarzen en handschoenen kunnen uittrekken; zijn huisjasje en zijn pantoffels aandoen en vrijuit zijn meening zeggen, zonder er zijn hoofd meê te breken, of het ook onbeleefd is. Een kring van vrienden die elkander leeren verstaan, die elkander vrijheid in alles gunnen:—dat moet ons huiselijk leven wezen. We hebben een plaats noodig, waar wij, zonder dat wij onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust slaperig of vervelend of onpleizierig kunnen zijn. Daar teren wij zoo wat op het crediet, dat onze huisgenooten ons geven en wij bij hen hebben, omdat wij elkanders goede zijde, elkanders waarde door en door kennen. Daar zijn al die beleefdheden en attenties, waarop wij onder vreemden ons toeleggen, evenmin noodig, als 't voor een geleerde noodig is, iederen dag eer hij zijn lectuur begint, het alfabet op te zeggen.”

„Ja, zoo gaat het meestal,” zeide Jenny, „wanneer een heer aan eene dame het hof maakt dan helpt hij haar heel lief uit het rijtuig en houdt zoo netjes haar japon op, dat er geen spatje modder van de wielen aankomt; maar zijn zij eens man en vrouw, dan blijft hij heel stil zitten of houdt het paard vast en laat haar alleen maar begaan, om er uit te komen. En toch, als mooie juffrouw Pimpelmees bij hen te visite komt, dan is hij nog even galant en vliegt naar het portier, en houdt ook _haar_ japon van de wielen af; en wat bewijst het? dat hij lang zoo veel niet van haar houdt als van zijn vrouw, en dat ze malkander eigenlijk vreemd zijn.”

„Heb je voor een goede kennis of ook voor je aanstaande een das gezoomd of zijn handschoenen genaaid, dan bedankt hij je op de hartelijkste wijze; maar is hij eens zeker van je liefde, zijt ge met hem getrouwd, dan is het kortweg: „Zoo is 't goed. Nu moest je nog eens een band aan mijn halfhemd zetten, en die torn in mijn jas naaien. Maar vergeet het vooral niet, zoo als je gisteren gedaan hebt!” „Om al die redenen,” zei Jenny met een heel verstandig knikje, denk ik het trouwen maar zoo lang mogelijk uit te stellen, omdat het mij vrij wat pleizieriger voorkomt, een heelen boel vrienden te hebben, die mij allerlei beleefdheden en attenties bewijzen, dan er mij met één te moeten behelpen, die altijd maar teert op 't crediet, dat ik in zijne liefde stel. Ik voel volstrekt geen verlangst naar een man die in mijn bijzijn zit te gapen, die aan 't ontbijt, terwijl ik lust in een praatje heb, altijd maar door de courant leest, en den heelen avond sigaren rookt of stil met een boek voor zich zit, in plaats van mij te amuseeren, en, in één woord, omdat hij nu eenmaal gezegd heeft dat hij innig veel van mij houdt, recht en aanspraak meent te hebben, om vervelend en onaangenaam te wezen. Als hij een prettig gezicht heeft en vroolijk, aardig, geestig kan praten, dan wil ik graag tot de dames behooren, waar hij meê omgaat, maar ik zal wel oppassen dat ik dit genoegen niet misloop door de dwaasheid te begaan om met hem te trouwen.”

„Maar, juffrouw Jenny!” zei Robbert, „'t zijn toch niet alleen de mannen, die er zich schuldig aan maken, dat ze na den trouwdag minder innemend zijn. Vlugge, betooverende schepseltjes, die ons door uw keurig en aardig toilet verblindt, die zoo lief en aanvallig en bekoorlijk zijt, wat komt er van dit alles na 't huwelijk terecht? Als de man de courant aan 't ontbijt leest, misschien komt het daar van daan, dat er een slaperige vrouw tegenover hem zit, in een verschoten katoentje, dat voor 't huiselijk heiligdom goed genoeg is, en misschien heeft zij ook wel die aardige, prettige, geestige praatjes en manieren verleerd, die 't vroeger onmogelijk maakten, als zij er bij was, naar iemand anders te kijken of te luisteren. Ik geloof wel, dat zoo iets nu en dan aan de „godinnen onzer zielen” overkomt. Natuurlijk weten Marianne en ik daar niets van, want wij zijn een modelpaar, en zitten altijd in den hemel en speculeeren over die soort van dingen,—wel te verstaan, alleen als toeschouwers.”

„Maar gij ziet nu toch eens, waar gij met uw beginselen toe komt,” zei Jenny. „Als de huiselijke kring niets anders is dan de plaats, waar wij, zonder onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust slaperig of vervelend of onplezierig kunnen zijn, dan, dunkt mij, hebben de dames vrij wat meer recht, van die vrijheid gebruik te maken, dan de heeren, daar al de verveling, de tobberij en de last van 't huishouden voor haar departement opkomt. Zij moeten 's nachts optrekken met het kind, als 't schreeuwt; en wanneer zij geen lust hebben, om 's morgens een keurig toilet te maken, of zoo opgewekt en vroolijk te wezen als in haar meisjestijd, dan is haar dit toch wel niet kwalijk te nemen. Men mag van een vrouw, die haar huishouden moet naloopen of met de kinderen moet omtobben, niet verwachten, dat zij even elegant in haar toilet en even onderhoudend van discours zal zijn als een meisje, dat bij papa aan huis nog van geen zorgen weet; maar mij dunkt, dat is nu toch voor de heeren geen geldige reden, om al die kleine beleefdheden en oplettendheden na te laten, die ze vóór hun trouwen in acht nemen. Zij zijn sterk en gezond en welgemoed; zij gaan de wereld in en hooren en zien veel, wat hen bezig houdt, maar zij moesten nu ook na den trouwdag even opwekkend in den omgang voor hun vrouwen zijn, als deze het vroeger voor hen waren. Zóó moet mijn man met mij omgaan, of ik wil nooit een man hebben,—en daar zou ik niet bijster veel bij verliezen,” zei Jenny.

„Welnu,” hernam Robbert, „ik zal zorgen, dat ik Karel Sedley bij tijds waarschuw.”

„Karel Sedley, Robbert!” zei Jenny, terwijl zij een kleur van verontwaardiging kreeg. „Ik begrijp niet waarom gij deze oude historie telkens weer ophaalt, daar ik u al honderd malen gezegd heb, hoe onplezierig ik dit vind. Karel en ik zijn goede vrienden, maar....”

„Nu, nu, houd maar op,” zeide Robbert; „ik weet al genoeg; ge hoeft niets meer te zeggen.”

„Dat zegt ge maar, omdat ge geen kans ziet, mij te weerleggen,” zeide Jenny.

„Welnu, Jenny!” zei Robbert, „ge weet, dat alle dingen van twee kanten kunnen beschouwd worden, en ik geef gaarne toe, dat ge heel aardig een andere zijde hebt laten zien van 't geen ik van mijn kant bekeek; maar met dat al ben ik overtuigd, dat, al was mijn beweren niet volkomen juist, het toch zeer nabij aan de waarheid komt. Wat ik vroeger reeds zei, dat zeg ik nog eens; bij hen, die veel van elkander houden en elkander na-bestaan, moet er vrijheid wezen, waarbij geen complimenten te pas komen, en moet en mag er veel door den beugel, wat onder vreemden onwellevend zou zijn. Daar ben ik zoo zeker van, als van iets ter wereld.”

„En toch,” zei mijn vrouw, „is er ongetwijfeld waarheid in de dikwijls aangehaalde woorden van Cowper:

Eenstemmigheid in een of ander Brengt eerst de harten tot elkander,— Maar zelden houdt die neiging aan. Tenzij innemendheid van zeden, Beschaafde en kiesche oplettendheden, Haar achteruitgang tegengaan.”

„Nu,” zei Robbert: „ik heb genoeg van Fransche wellevendheid tusschen man en vrouw gezien. Ik herinner mij nog best, dat er te Parijs in ons logement een zekere madame de Villiers was, wier echtgenoot haar zijn naam en het woordje „de” dat daarbij behoorde, gegeven had, ter liefde van een aardig kapitaaltje, dat zij hem ten huwelijk meebracht. De manier, waarop hij met haar omging, was een volmaakt model van allerverfijnste beschaving. Wel leefde hij van haar inkomen en bracht het door met in zeer aardig maar zeer dubbelzinnig gezelschap langs de boulevards te wandelen of comedies en opera's te bezoeken; maar 't ging alles zoo beleefd, zoo beschaafd toe en werd zoo aardig voor madame bedekt, dat ze, om de elegante manier, waarop 't gebeurde, er wezenlijk schik in moest hebben, dat ze veronachtzaamd en bedrogen werd. Monsieur had in ons logement een net kamertje voor haar gehuurd, omdat hij met zijn financiën wat in de war was, en hij het niet van zich zou kunnen verkrijgen, zijn lieve engel in een lot te laten deelen, dat naar zijn zeggen vreeselijk was, maar dat hij met waren heldenmoed besloten had alleen te verduren. Neen, zoolang hij een sou in zijn zak had, zou zijn aangebedene Julie haar eigen kamer hebben en allerlei kleine gemakken behouden,—maar voor hem was 't ellendigste vlierinkje goed genoeg! Nooit kwam hij bij haar, zonder haar hand met zooveel eerbied te kussen, alsof ze een prinses was geweest, zonder haar een complimentje te maken, dat zij er zoo goed uitzag; nooit, of hij had bon-bons voor haar bij zich en wist haar van de allernieuwste snufjes wat te vertellen. Vooral was hij druk met die visites tegen den tijd dat madame het kwartaal van haar inkomsten ontving. Was het wonder dat madame hem aanbad en hem niets kon weigeren; dat ze alles geloofde wat hij haar vertelde en zich met een vierde van haar eigen inkomen behielp ter wille van zulk een voortreffelijk man?”

„Ik weet eigenlijk niet,” zei Jenny, „waarom ge dat verhaal hebt meêgedeeld, maar volgens mijn inzien is er dit alleen uit te leeren: als een man zonder eer, zonder beginselen, zonder eenige goede eigenschap, het hart eener vrouw kan winnen en behouden alleen door zoolang zij er bij is, haar altijd wellevend en lief te behandelen, hoeveel meer invloed zou het dan hebben als een man even zoo deed, die iemand van beginselen is en zijn vrouw wezenlijk lief heeft. Als een man, die een vrouw veronachtzaamt en haar van haar geld berooft, toch haar liefde behoudt, alleen omdat hij, wanneer hij bij haar komt, wellevend en attent voor haar is, dan, dunkt mij, blijkt daaruit duidelijk, dat beleefdheid wel degelijk bij de liefde te pas komt.”

„Met malle vrouwen ten minste,” zei Robbert.

„Ja en met verstandige ook,” zei mijn vrouw. „Uw monsieur is een voorbeeld, hoe iemand op Fransche manier een laagheid begaat; maar ik ken een ongelukkige vrouw, wier man hetzelfde deed op Engelsche manier, zonder eenige complimenten. In plaats van haar aan te halen, vloekte hij op haar en beroofde haar van haar geld, zonder haar ooit bon-bons te presenteeren; en ik verzeker u, als het nu eenmaal gebeuren moest, dat ik dan toch nog liever op de Fransche dan op de Engelsche manier daarbij behandeld zou worden. Beleefdheid, al is het niet alles, is toch beter dan niets,—al wil men natuurlijk liefst nog wat meer en wat degelijkers hebben. Moet ge nu eenmaal bestolen worden, dan laat ik mij al zoo lief mijn geld met zoete praatjes en bon-bons aftroggelen als nog slaag en schoppen op den koop toe te krijgen.”

„De fout in uwe redeneering,” zei ik, „schuilt hierin, dat gij, zoo als men wel meer doet, een vergelijking wil maken tusschen een schurk, die fijnbeschaafd, en een braaf man, die het niet is; maar vergelijkt eens een schurk en een braaf man, die beiden beschaafd of die beiden lomperts zijn, met elkaar,—en dan zult ge zien wat ze beiden wezenlijk waard zijn.

„'t Is een vaste regel, dat die natiën die voor wellevendheid en hoffelijkheid 't gunstigst staan aangeschreven, 't meeste te kort komen in goede trouw en oprechtheid; men is zoo gewoon van beleefde en valsche Grieken, van beschaafde en sluwe Italianen, van hoffelijke en onoprechte Franschen te spreken, dat een flink en oprecht man er al gauw aan toe is, om ruwheid en onbeleefdheid voor bewijzen van goede trouw en eerlijkheid te houden.

„Niemand kan een Fransch werk lezen, zonder te gevoelen, hoe diep een zekere hoofschheid zelfs ieder onderdeel van het leven in Frankrijk doordrongen heeft,—hoe zorgvuldig daar alles vermeden wordt, wat een ander onaangenaam kan zijn. Als wij op de Fransche comedies mogen afgaan, dan wordt een huiselijke twist op de beschaafdste manier gevoerd en niemand beleedigd dan met de uitgezochtste termen. 't Is onmogelijk, de ruwe en ronde woorden, waarmeê wij iemand een brutaliteit aandoen, in het Fransch te vertalen. Alles gaat bij hen uit van den regel, dat ons onderling verkeer altijd even beleefd en even lief moet zijn, zoodat het nooit iemand hindert en nooit de minste aanleiding tot oneenigheid geeft.