De kleine Johannes

Part 8

Chapter 8 4,016 words Public domain Markdown

Toen riep Pluizer luide een korten, somberen naam, die Johannes deed huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis den klank, en de wind voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hooge lucht.

En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de kleine steen, die zooeven laan zijn voeten ag, hem nu het gezicht belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, vatte den steen met beide handen en wentelde dien met alle krachten om. Een verward geroep van fijne, hooge stemmetjes rees van den vrij geworden bodem op.

'Hei! wie doet dat? Wat beteekent dat? Lomperd!' klonk het dooreen.

Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar loopen. Hij herkende den vluggen, zwarten loopkever, den glimmend bruinen oorworm met zijn fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige duizendpooten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in zijn gang terug.

Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van den aardworm toe.

'Heidaar! lange, bloote slungel! kom eens voor den dag met je rooden puntneus!' riep Pluizer.

'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte.

'Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!'

Voorzichtig rekte de pier zijn spitsen kop uit de opening, tastte er eenige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde lijf verder naar de oppervlakte.

Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen drongen.

'Een van jelui gaat mede en licht vóór. Neen, zwarte kever, je bent te dik, en jij met je duizend pooten zoudt me duizelig maken. Ha, jij daar, oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van hout, dat rottend is.'

De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden.

Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden. Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel verlicht. Zij schenen groot als steenen, half doorschijnend, tot een gladden, vasten wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitsen kop zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf nader aangetrokken was. Zij daalden zwijgend, lang en diep. Waar Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang. Eindelijk werd de weg breeder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich strekten als verstijfde slangen.

Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en hoog, die de geheele ruimte voor hem afsloot. De oorworm wendde zich om.

'Ziezoo! Nu is het zaak, daar-achter te komen. Dat zal de pier wel weten, die is hier te huis.'

'Kom, wijs ons den weg!' zei Pluizer.

Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot bij den zwarten wand en betastte dien zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en het lange, lenige lijf gleed in drie tusschenpoozen weg.

'Nu jij!' zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een oogenblik dacht deze te stikken in den zachten, vochtigen molm; toen voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de opening los. Een groote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauw ademen en wachtte in nameloozen angst.

Hij hoorde Pluizer's stem, die hol klonk als in een grooten kelder.

'Hier Johannes, volg me!'

Voor zich voelde hij den grond rijzen tot een berg. Aan Pluizer's hand beklom hij dien, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels, Pluizer volgend, die hem medetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand. 'Hier staan wij goed! Licht!' riep Pluizer.

Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte vervulde, des te vreeselijker werd Johannes' beklemming.

De berg, dien hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag.

Hij herkende de rechte gestalte van een mensch, en de kille vlakte, waarop hij stond, was het voorhoofd.

Vóór hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken oogen, en het blauwe licht scheen op den dunnen neus en de grauwe lippen, in akeligen, stijven doodenlach geopend.

Uit Pluizer's mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de vochtige houtwanden.

'Dit is nu een verrassing, Johannes!'

De lange worm kwam aankruipen tusschen de plooien van het lijkkleed; hij schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen in de zwarte mondholte.

'Dit is nu de schoonste uit de danspartij, die je schooner vond dan een elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleederen en haren, toen lonkten haar oogen en lachten haar lippen. Zie nu eens!'

Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de oogen van Johannes. Zoo snel? Die pracht was zoo even, en nu reeds ...? 'Geloof je mij niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tusschen toen en nu. Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het gelooven. Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon Windekind niet zeggen.'

Grinnikend sprong Pluizer rond op het doodengelaat en bedreef de afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vroolijk had zien schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje. 'Nu vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!'

De pier kroop langzaam uit den rechter mondhoek te voorschijn en de bange tocht werd voortgezet.

Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen. 'Nu komt een oude,' zeide de aardworm, toen weder een zwarte wand den weg afsloot. 'Deze is hier al zeer lang.'

Het was minder vreeselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding.

'Van waar komt gij? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet noodig.'

En snel schoten zij weg tusschen plooien en in holten. Doch zij herkenden een soortgenoot.

'Zijt ge in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog hard.'

De eerste worm ontkende. 'Hij wil het buitenkansje voor zich houden,' zeide Pluizer zacht tot Johannes.

Verder trokken zij, Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende oogen, dikke, zwarte lippen en wangen. 'Dit was een deftig heer,' zeide hij toen vroolijk, 'je had hem moeten zien, zoo rijk, zoo voornaam en zoo ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.'

Zoo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met groote hoofden en oudachtige denkersgezichten.

'Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!' zei Pluizer. Zij kwamen bij een man met vollen baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.

'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij was toch wel hier gekomen.'

En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met strakke, grijnzende gezichten en roerlooze, over elkaar gelegde handen.

'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.'

'Laat ons omkeeren,' zei de pier. 'Nog één, nog één!' riep Pluizer.

Verder ging de tocht.

'Het bestaat alles wat je ziet,' zei Pluizer onder het voortgaan, 'het is alles waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes. jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.'

En hij schaterlachte, als hij den angstigen, wezenloozen blik van Johannes bij zijn woorden zag.

'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!'

'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zeide de oorworm knorrig.

'Ik wil verder!' zeide Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!'

Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne aarde weg.

Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam.

De pier had den geringden kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De oorworm liet het licht vallen en ging terug.

'Zij komen er niet in, het hout is te nieuw,' zeide hij bij 't heengaan.

'Ik wil,' zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte splinters krakend uit het hout.

Een vreeselijke beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, hij kon niet anders.

Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop haastig naar binnen.

'Hier, hier!' riep hij en liep naar het hoofdeinde.

Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze, hij herkende den vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan den wijsvinger.

Het waren zijn eigene handen.

'Hier, hier!' riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. 'Zie eens, herken je hem?'

Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan, dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen duisternis, en hij viel bewusteloos.

XII

Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn.

Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half nog starend in het wemelen der lieflijke beelden.

Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht. Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat al die verschrikkingen in éénen dag waren verschenen. Het begin van zijn ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist.

Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem, en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele, vele andere.

Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest?

Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en verwonderd aan.

'Wat bedoel je?' vroeg hij.

Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk voor zich!

'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet gebeuren!'

En Johannes wist niet wat hij denken moest.

'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen niet meer doen.'

En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden, wat hij zocht.

Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees Johannes een mensch uit de menigte.

'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek werd en den man verschrikt nastaarde.

Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde.

Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede. Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna.

Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna, zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan zouden zij er beiden wel komen.

Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu dóór moest gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes was dat duisternis.

Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering bedierf hij hem.

Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten hen onwetend hielpen in die taak.

'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en hoe fijn en doelmatig gemaakt.'

'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden vruchten en hoeveel pitten worden boomen?'

'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoordde Johannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur. Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.'

'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien, bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij voor den gek laat houden.'

Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger. Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het walgelijkste en afzichtelijkste kiezend.

'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken, dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.'

'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken zij moedwillig af van de natuur?'

'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?'

'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...'

'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten. Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.'

En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht.

Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd, hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat geweest!

Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes.

Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer.

Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. Maar Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen.

De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen, waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te worden.'

'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes.

En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop.

'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bosschen van Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer vandaan; maar het kan nog even lang duren.'

Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht.

Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen.

Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop, met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte en trok.

Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet komen en hem verpletteren?

Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was.

'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!'

'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat bestaat, eindeloos veel cijfers.'

'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij niet meer zoeken, laat mij alleen!'

'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden, een volmaakt mensch.'

'Ik wil niet, het is vreeselijk.'

'Je moet, je hebt ééns gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het vreeselijk? Word zooals hij is.'

Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden en gelijkmoedig.

'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt. Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zóó moet je ook worden.'

'Maar dat kan ik nooit.'

'Ja, dat kan ik niet helpen.'

Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij werd als de velen, die Wistik gesproken hadden.

't Werd winter, en hij merkte het nauwelijks.

Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn dagelijkschen gang.

Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was. Zij knikte eens, en nog eens.

'Wie is dat? ik ken haar.'

'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar Robinetta.'

'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon meisje.'

'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.'

'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de anderen.'

En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde:

'Dat is het laatste, er is niets! niets!'

XIII

Het klare, warme zonlicht van een eersten lentemorgen stroomde over de groote stad. Helle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde; op de lage zoldering trilde en schommelde een groote lichtplek, weerkaatsing van het rimpelend water der gracht.