Part 7
'Zie hoe hard al die menschen loopen, Johannes,' ging Pluizer voort. 'Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, die heet Hein ...'
'Wie is dat?' vroeg Johannes.
'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu die Hein zegt dan: 'Zoek je mij?' Daarop zeggen de meesten gewoonlijk: 'O neen! ... jou bedoel ik niet!' maar dan antwoordt Hein weer: 'Er is toch niets anders te vinden dan mij.' Dan moeten ze zich wel met Hein tevreden stellen.'
Johannes begreep, dat hij van den dood sprak.
'En gaat dat altijd, altijd zoo?'
'Welzeker, altijd. Er komen echter iederen dag weer een massa nieuwen en die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, zoo gaat het al een aardig poosje lang en zoo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.'
'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...'
'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe, zoeken maar! altijd blijven zoeken!'
'Maar het boekje dan, Pluizer, gij zoudt mij het boekje laten vinden.'
'Nu! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken, zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft ons Wistik geleerd. En er zijn er, die hun geheele leven zoeken om te weten waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeeren, Johannes. Maar als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit.'
'Dat is vreeselijk, Pluizer.'
'O neen, volstrekt niet. Hein is een heel goedig man. Maar hij wordt miskend.'
Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het op de houten treden.
Klos! Klos! nader en naderbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het was alsof ijzer op hout tikte.
Er kwam een groote man binnen. Hij had diepliggende oogen en lange, magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje.
'Welzoo,' zeide Pluizer, 'zijt gij daar, ga zitten! Wij spraken juist over u. Hoe gaat het u?'
'Druk, druk!' zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het beenige bleeke voorhoofd.
Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende oogen, die strak op hem gericht waren. Zij waren zeer ernstig en donker, doch niet wreed, niet vijandig. Na eenige oogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte zijn hart minder hevig.
'Dit is Johannes,' zeide Pluizer, 'hij heeft van een zeker boekje gehoord, waarin staat, waarom alles is zooals het is, en dat zullen wij nu samen gaan zoeken, niet waar?' Toen lachte Pluizer veelbeteekenend.
'Zoo! zoo! nu dat is goed!' zeide de Dood vriendelijk, en knikte Johannes toe.
'Hij is bang het niet te vinden, maar ik zeide hem maar eerst vlijtig te zoeken.'
'Zeker!' zeide de Dood, 'vlijtig zoeken is het beste.'
'Hij dacht, dat gij zoo verschrikkelijk waart. Nu zie je toch Johannes, dat je je vergist hebt, niet waar?'
'Ach ja!' zeide de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.'
Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan waarover hij spreekt. Toen wendde zich zijn donkere blik van Johannes af naar buiten en dwaalde peinzend over de groote stad.
Lang waagde Johannes het niet te spreken, eindelijk zeide hij zacht:
'Zult gij mij medenemen?'
'Wat meen je, mijn jongen?' zeide de Dood, opkijkend uit zijn mijmering: 'Neen! nu nog niet. Gij moet opgroeien en een goed mensch worden.'
'Ik wil geen mensch worden als de anderen.'
'Kom! kom!' zeide de Dood, 'daar is niets aan te doen.'
Men kon hooren, dat dit een dagelijksche term van hem was. Hij ging voort.
'Mijn vriend Pluizer kan u leeren, hoe men een goed mensch wordt. Men kan het op verschillende wijzen, maar Pluizer leert het ook uitstekend. Het is iets zeer schoons en begeerlijks een goed mensch te zijn. Daar moet ge niet op neer zien, ventje!'
'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer.
'Zeker, zeker!' zei de Dood; en toen tot Pluizer: 'Bij wien zult ge hem brengen?'
'Bij docter Cijfer, mijn oud-leerling.'
'A ja! dat is een goed leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een mensch. Bijna volmaakt in zijn soort.'
'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend.
'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood. 'O! hij is al verliefd geweest en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer geniepig!
'Neen! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood, 'die dingen zul je bij docter Cijfer wel verleeren. Wie zoekt wat gij zoekt, moet al het andere verliezen. Alles of niets.'
'Ik zal een mensch uit één stuk van hem maken, ik zal hem eens laten zien wat eigenlijk verliefdheid is, dan zal hij er zich wel doorheen pluizen.'
En Pluizer lachte vroolijk, de Dood richtte weer zijn zwarte oogen op den armen Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij schaamde zich voor den Dood.
Deze rees plotseling op. 'Ik moet heen,' zeide hij, 'ik verpraat mijn tijd. Er is hier veel te doen. Goeden dag, Johannes! wij zullen elkander nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.'
'Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij liever mede!'
Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend.
'Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.'
Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer zeer buitensporig. Hij sprong over stoelen, buitelde over den grond, kroop op de kast en den schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters.
'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij, 'vond je hem niet aardig? Een beetje leelijk en knorrig van uitzicht. Maar hij kan ook heel vroolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar dikwijls verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.'
'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?'
Pluizer gluurde Johannes valsch en uitvorschend aan.
'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij krijgen kan.'
Later heeft Johannes anders gezien. Doch nu wist hij niet beter of Pluizer sprak waarheid in alles.
Zij gingen op de straat en bewogen zich door de krioelende menigte. De zwarte menschen liepen dooreen, lachten, praatten, zoo vroolijk dat Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte, maar niemand beantwoordde den groet, allen keken vóór zich alsof ze niets gezien hadden.
'Ze loopen nu te lachen,' zeide Pluizer, 'alsof zij mij geen van allen kenden. Maar dat schijnt maar zoo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze mij niet negeeren en dan zijn ze ook zoo vroolijk niet.' En onder het gaan was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij omkeek zag hij den langen, bleeken man, die met groote, onhoorbare schreden tusschen de menschen schreed. Hij knikte Johannes toe.
'Zien de menschen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer.
'Ja zeker! allen, maar zij willen hem ook niet kennen. Nu ik gun hun dien trots!'
De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdooving, die hem zijn leed deed vergeten. De smalle straten en de hooge huizen, die het hemelblauw in rechte strooken verdeelden, de menschen die langs hem af en aan gingen, het slepen der voetstappen en het ratelen der wagens verstoorden de oude visioenen en den droom van dien nacht, als een storm de beelden in een waterspiegel. Het was hem alsof er niets anders bestond dan muren, ramen en menschen, alsof hij mede moest doen, mede draven in het rusteloos, ademloos gewoel.
Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met grauwe, sierlooze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit. Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde, scherpe geuren, met een dompige kelderlucht tot grondtoon. In een kamer, vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door boeken, glazen en koperen voorwerpen, allen vreemd voor Johannes. Er viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen in de kamer en fonkelde op flesschen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door een koperen buis en zag niet op.
Toen Johannes naderkwam hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!'
Naast den man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, dat Johannes niet goed kon onderscheiden.
'Goeden morgen, docter!' zei Pluizer, maar de docter keek nog niet op.
Toen schrikte Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen keek, kwam op eens in krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had, was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met den beweeglijken neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak gebonden naast het lichaam. Kort duurde de wanhopige poging om zich te bevrijden, toen lag het beestje weder stil en alleen de snelle beweging van de bloedige keel toonde dat het nog leefde.
En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zoo wijd staarde in machteloozen angst en het was of hij het herkende. Ach! was dat niet het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in dien eersten, zaligen elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem boven. Hij vloog op het diertje toe:
'Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal u helpen.' En haastig trachtte hij de koordjes los te knoopen, die de teere pootjes striemden.
Doch zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach klonk aan zijn oor.
'Wat beduidt dat, Johannes? Ben je nog zóó kinderachtig? Wat moet de docter wel van je denken?'
'Wat wil die jongen? wat doet hij hier?' vroeg de docter verbaasd.
'Hij wilde een mensch worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je zoekt, Johannes!'
'Neen! dit is de manier niet,' zeide de docter.
'Docter, maak dat konijntje los!'
Doch Pluizer kneep hem de beide handen, dat hij ineenkromp. 'Wat hebben wij afgesproken, mannetje?' siste hij hem in 't oor. 'Zoeken zouden wij, niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij stomme dieren. Wij zouden menschen zijn, menschen! versta je. Als je een kind wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, laat ik je gaan, zoek dan alleen!'
Johannes zweeg en geloofde. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de oogen, om het konijntje niet te zien.
'Beste jongen!' zeide de docter, 'je schijnt nog wat teergevoelig om te beginnen. Het is waar, de eerste maal is zoo iets naar om te zien. Ik zelf zie het altijd ongaarne en vermijd het zooveel mogelijk. Doch het is onontbeerlijk. En je moet begrijpen: wij zijn menschen en geen dieren, en het heil van de menschheid en van de wetenschap gaat boven dat van eenige konijnen.'
'Hoor je!' zei Pluizer, 'de wetenschap en de menschheid!'
'De man der wetenschap,' ging de docter voort, 'staat hooger dan alle andere menschen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de gewone menschen kennen, laten varen voor dat ééne groote: de wetenschap. Wilt ge zulk een mensch worden? was dat uw roeping, mijn jongen?'
Johannes weifelde, hij wist nog niet recht wat een roeping was, zoomin als de meikever.
'Ik wilde het boekje vinden,' zeide hij, 'waar Wistik van sprak.'
De docter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?'
Doch Pluizer zei snel: 'Hij wil het, docter, ik weet het wel. Hij wil de hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen der dingen begrijpen.'
Johannes knikte, 'Ja!' Zoover hij begreep, was dat zijn bedoeling.
'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.'
En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer vaster om de pootjes van het konijntje strikken.
XI
'Wij zullen toch eens zien,' zeide Pluizer, 'of ik je niet evenveel moois vertoonen kan als Windekind.'
En toen zij den docter vaarwel hadden gezegd en beloofd spoedig weer te komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken der groote stad, hij toonde hem, hoe het groote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde, hoe het in zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide.
Doch hij had voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de menschen dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig, de lucht zwaar en bedompt was.
Hij ging met hem in een der groote gebouwen, waaruit de rook opsteeg, dien Johannes den eersten dag gezien had. Er heerschte een verdoovend geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, groote wielen wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige schoorsteenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende rookzuilen op. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal van menschen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleederen, zwijgend en rusteloos werken.
'Wie zijn dat?' vroeg hij.
'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of menschen, zoo je wilt. Wat ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mensch zijn, in hun soort altijd.'
En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zoo smal leek als een vinger en nog verduisterd werd door uitgespannen kleederen. Daar krioelde het van menschen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden, lachten en zongen ook somtijds. In de huizen waren de kamertjes zoo klein, zoo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde ademen. Hij zag havelooze kinderen over den kalen vloer kruipen en jonge meisjes met verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleeke zuigelingen. Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem zagen moede, of dom en onverschillig.
Het greep Johannes aan met een vreeselijke smart. Het had niets gemeen met zijn vroeger leed, daarvoor schaamde hij zich.
'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die menschen altijd hier geleefd, zoo akelig en ellendig? Ook toen ik ...'
Hij durfde niet verder gaan.
'Welzeker, en dat is gelukkig. Zij leven volstrekt niet akelig en ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom, onverschillig vee. Zie die twee vrouwen daar, voor haar deur zitten! Zij kijken zoo tevreden in de vuile straat, als jij vroeger naar je duinen! Om die menschen behoef je niet te huilen. Dan kan je wel om de mollen huilen, die nooit het daglicht zien.'
En Johannes wist niet te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch huilen moest. En te midden van het luidruchtige drijven en woelen zag hij steeds den bleeken, holoogigen man voortschrijden, met geruischloozen tred.
'Toch een goede man, nietwaar?' zeide Pluizer, 'de menschen hieruit weg te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.'
Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in den wind flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen, gingen beiden langs de stille straten. De oude, hooge huizen schenen vermoeid tegen elkander geleund te slapen. De meesten hadden hun oogen gesloten. Doch hier en daar schemerde nog een venster met matten, gelen glans.
Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen van hen die daarachter woonden, van de pijnen, die daar werden uitgestaan, en van den strijd, die daar tusschen ellende en levenslust gestreden werd. Hij spaarde hem niets, het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en grinnikte van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd en zweeg.
'Pluizer,' vroeg Johannes op eenmaal, 'weet gij iets van het Groote Licht?'
Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter en drukkender om hem samendrong.
'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zeide Pluizer. 'Hersenschimmen en droomerijen! Er zijn alleen menschen, en ik-zelf. Dacht je, dat een God of iets van dien aard er vermaak in zou hebben, zoo'n rommel te regeeren als het hier op aarde is? En zoo'n groot licht zou er niet zoovelen hier in 't donker laten.'
'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, als verwachtte hij, dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen.
'Die sterren? Weet je wel waarvan je praat, ventje? Het zijn geen lichtjes daarboven, zooals de lantaarns, die je hier om je heen ziet. Het zijn allen werelden, elke veel grooter dan deze wereld met haar duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is geen onder of boven, en naar alle zijden zijn werelden, al maar werelden, en dat houdt nimmer, nimmer op.'
'Neen! Neen!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie lichtjes op een groot donker veld boven mij.'
'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang omhoog, je zoudt niet anders zien dan lichtjes op een donker veld boven je. Maar je kunt, je _moet_ weten, dat het werelden zijn, noch boven, noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalig, wriemelend menschenzootje niets is, en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet meer van 'de sterren', als waren het er een paar dozijn, het is een dwaasheid.'
Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde het.
'Komaan,' zei Pluizer, 'nu zullen we iets vroolijks gaan zien.' Bij tusschenpoozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel uit vele, hooge vensters brak.
Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja! Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het vernis der wagens.
Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich de rijkgetooide menschen met langzamen tred of met snelle, wiegelende draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende schreden en ruischende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op de golven der weeke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden verlicht door den glans, waarin zij gretig staarden.
'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes; hij genoot bij het zien van zooveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij daarin?'
'Zoo, vindt je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een konijnenhol? Zie die menschen eens lachen en buigen en schitteren; zie eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen! En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter wereld was.'Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier grooter en schitterender. De jonge vrouwen met haar rijken tooi schenen hem zoo schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd half ter zijde wendden in den dans. De bedienden gingen statig rond en boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging.
'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes.
'Erg mooi, vindt je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende gezichten niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan den kant zitten daar als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heeren zijn de visschen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze rnisgunnen elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft, dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heeren om zich lokt dan de andere, en het plezier van de heeren ontstaat vooral door die bloote halzen en armen. Achter al die lachende oogen en vriendelijke lippen schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou de partij gauw gedaan zijn!'
En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd afgelegd.
'Nu,' zeide Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die menschen moeten zich toch amuseeren. En anders kunnen zij het niet.'
Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de welbekende, lange gestalte. Het bleeke gelaat was grillig door den hellen glans verlicht, zoodat de oogen groote, donkere plekken vormden. Hij prevelde zachtkens bij zichzelven en wees met den vinger in de lichte zaal.
'Zie,' zeide Pluizer, 'hij is weer aan 't uitzoeken.'
Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder het gesprek even de oogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe het schoone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte rilling vóór zich, staarde.
'Wanneer?' vroeg Pluizer aan den Dood.
'Dat is mijn zaak,' zeide deze.
'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zeide Pluizer en knipoogde grijnzend. 'Kan dat?'
'Van avond?' vroeg de Dood.
'Waarom niet?' zeide Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.'
'Ik kan niet mede,' zeide de Dood, 'ik heb te veel werk. Doch noem den naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg vinden.'
Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de gasvlammen flikkerden in den nachtwind en het donkere koude water tegen de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag.
Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een luid en feestelijk lied.
Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad, in de droeve duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op. De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw.
'Dat is de klok,' zei Pluizer, 'die is altijd even vroolijk, jaar in, jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, alsof de klok juichte dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch het vroolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.'
Nogmaals verhief zich de jubelende galm.
'Eens, Johannes,' ging Pluizer voort, 'zal achter zulk een venster in een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat peinzend trilt en de schaduwen op den wand doet dansen. Er zal geen gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken. Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine Johannes geweest zijn. O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.'
Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tusschenpoozen. Bij den laatsten kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, hij liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizer's hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen, met donkere geheimzinnige gaten er tusschen, waar het gaslicht kuilen, plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een groote poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grooten zandhoop. Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruischen van boomen in 't ronde.
'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer kan dan Windekind.'