Part 5
'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend groote oogen en trok zijn wenkbrauwen hooger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs den rug van zijn handje: 'Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg.'
'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje.
'Ja!' zeide Wistik.
'Waarom vond het nog niemand dan? Zooveel menschen zoeken er naar.'
'Ik heb geen mensch, geen mensch gezegd, wat ik u vertrouwd heb. Ik vond nog nooit een elfenvriend.'
'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in de handen. 'Ik zal het Windekind vragen.'
Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Doch hij struikelde telkens, en zijn tred was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij anders geen grashalmpje boog.
Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, wat leek zij hem laag.
'Windekind!' riep hij. Doch hij schrikte van het geluid van zijn stem.
'Windekind!' Het klonk als een menschenstem, een schuwe nachtvogel vloog krijschend op.
Ledig was het onder den varenstruik, Johannes zag niets.
De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en grondeloos duister om hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen der boomkruinen tegen de sterrenlucht.
Nog ééns riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schennis in de stilte, en Windekinds naam scheen een spotklank.
Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw.
VII
Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door den storm ontbladerd, weenden in den mist.
Over het natte, neêrgeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort, voor zich uit starend naar den kant, waar het woud lichter werd, als had hij daar een doel. Zijn oogen waren rood van 't weenen en strak van angst en jammer. Zoo had hij den ganschen nacht geloopen, alleen zoekend naar het licht, met Windekind was het veilig thuisgevoel weg. In elke donkere plek zat het spook der verlatenheid, en hij durfde niet omzien.
Eindelijk kwam hij aan den boschrand. Hij zag over een weiland, waarop een fijne, klamme regen langzaam neêrstreek. Er stond een paard midden in, naast een kalen wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop, en het water droppelde traag van zijn glimmende zijden en uit de saamgepakte manen.
Johannes liep door, langs het bosch. Hij keek met matten, angstigen blik naar het eenzame paard en den grauwen regennevel en kreunde zacht.
'Nu is alles uit,' dacht hij; 'nu zal de zon wel nooit meer terugkomen. Nu zal het altoos voor mij blijven zooals hier.'
Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stilstaan, dan zou het vreeselijkste komen, dacht hij.
Toen zag hij het groote hek van een buitenplaats en een huisje, onder een lindeboom met helder-gele bladeren.
Hij ging het hek in en liep door de breede lanen, waar de bruine en gele lindebladeren in een dikke laag den grond bedekten. Langs de grasperken groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen verwilderd dooreen.
Hij kwam aan een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was overal doodsch en gesloten. Half ontbladerde kastanjeboomen stonden stil rondom, en op den grond, tusschen het afgevallen loover, zag Johannes de glimmend bruine kastanjes blinken.
Toen week het kille, doode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen huis, daar waren ook kastanjeboomen, en altijd ging hij in dezen tijd de gladde kastanjes zoeken. Hij begon plotseling te verlangen, alsof hij een bekende stem had hooren roepen. Hij zette zich op een bank bij het groote huis en schreide zich rustig.
Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem, met een wit voorschoot om en een pijp in den mond. Om zijn middel had hij strooken lindebast, waarmede hij de bloemen opbond. Johannes kende dien reuk zoo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan den tuinman, die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde.
Hij schrikte niet, al was het een mensch, die bij hem stond. Hij vertelde den man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar de kleine woning onder den geelgebladerden lindeboom.
Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Over het turfvuurtje op de haardplaat hing een groote ketel water te koken. Op de vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpooten, juist zooals Simon gezeten had, toen Johannes van huis ging.
Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. 'Tik!--Tik! --Tik!--Tik!' zeide de groote hangklok. Johannes keek naar den stoom, die suizend uit den ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug en grillig om de turven huppelden. 'Nu ben ik onder menschen,' dacht hij.
Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde. 'Het liefst wilde ik hier blijven,' antwoordde hij.
Hier had hij rust, en als hij naar huis ging, zouden er verdriet en tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en men zou hem zeggen, dat hij kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens moeten denken.
Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke wederzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en thuis niet.
Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op hem wachten.
Daarom smeekte hij de beide goede menschen, of hij bij hen mocht blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen den tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen dezen winter maar. Want hij hoopte in stilte, dat Windekind met de lente zou terugkomen.
De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggeloopen, omdat hij thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden hem, dat hij blijven mocht.
Hij bleef en hielp de bloemen in den tuin verzorgen. Een slaapkamertje gaf men hem, met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren schuilevinkje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de helderste: Windekind.
Aan de bloemen, die hij meest alle kende van huis, vertelde hij zijne geschiedenis. Aan de ernstige, groote asters, aan de kleurige zinnia's, aan de witte chrysanthen, die zoo lang bleven bloeien in het ruwe najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanthen nog, en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes vroeg naar haar kwam kijken, staken zij haar vroolijke gezichtjes op en zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat hadt ge niet gedacht!' Zij hielden zich goed, doch twee dagen later waren zij allen dood.
Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de vreemde bloemtrossen der orchideeën in de vochtige zoelte. Met verwondering staarde Johannes in haar prachtige kelken en dacht aan Windekind. Hoe kil en kleurloos scheen alles dan, als hij buiten kwam, de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende boomgeraamten.
Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren neergezegen, zoodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bosch. Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna schooner dan zomergroen, als het blinkend wit der gekruiste takjes tegen den helderblauwen hemel afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af liet glijden, zoodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, daalde.
Eens op zulk een wandeling, toen hij zoo ver gekomen was, dat hij niets om zich zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken,--half wit, half zwart--en alle geluid en leven verdoofd schenen in het glinsterend donzen hulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor zich uit meende te zien loopen. Hij volgde het,--het geleek op geen diertje, dat hij kende,--doch toen hij het wilde grijpen, verdween het schielijk in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening waarin het verdwenen was, en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?'
Hij dacht niet veel aan hem. Het scheen hem slecht, en hij wilde zijn boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede menschen deed hem weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin veel over God gesproken werd, doch hij kende dat boek en las gedachteloos.
Den nacht echter na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn bedstede en keek naar het koude schijnsel der maan op den vloer. Daar zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddeplank uitkwamen en zich stevig om den rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit pelsmutsje tusschen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar ernstige oogjes onder hoog getrokken wenkbrauwen.
'Goeden avond, Johannes!' zeide Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan onze afspraak. Gij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is nog geen lente. Maar denkt gij er wel om? Wat is dat voor een dik boek, waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.'
'Dat denk ik niet, Wistik,' zeide Johannes. Hij keerde zich om en wilde slapen. Doch het sleuteltje wilde hem niet uit het hoofd. En als hij voortaan in het dikke boek las, dacht hij er bij, en hij zag dan duidelijk dat het niet het echte was.
VIII
'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de eerste maal de sneeuw was weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes bij groepjes te voorschijn kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Doch zij wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken, alsof zij beschaamd waren over hun haast en wel weer weg wilden kruipen.
Konden zij maar! De verstijvende oostenwind begon alras weer te blazen, en de sneeuw stapelde zich hoog over de voorbarige stumpertjes.
Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tusschen het kreupelhout, en toen de zon lang en warm op den mossigen grond geschenen had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden.
De schuwe violen met haar sterke geuren waren geheimzinnige voorboden van komende heerlijkheid, doch de vroolijke primula's waren de blijde werkelijkheid zelve. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen vastgehouden en maakte er een gouden siersel van. 'Nu dan! nu komt hij toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bezag hij de knoppen aan de takken hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tusschen de bruine schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes op die groene blaadjes kijken, hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had omgedraaid, schenen ze grooter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen aankijk,' dacht hij.
Reeds begon het groen schaduw te werpen. Nog was Windekind niet gekomen, geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken. Als hij tot de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij.
Toen kwam hij op een zonnigen lentemorgen bij den vijver van het huis. De ramen waren alle wijd geopend. Zouden er menschen in gekomen zijn?
De vogelkers-struik, die aan den vijver stond, was al heelemaal met teedere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag alleen haar licht-blauw kleedje en blond haar. Een roodborstje, dat op haar schouder zat, pikte uit haar hand.
Op eenmaal wendde zij het hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!' zeide zij en knikte vriendelijk.
Weer tintelde het Johannes van het hoofd tot de voeten. Dat waren Windekind's oogen, dat was Windekind's stem.
'Wie zijt ge?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van aandoening. 'Ik ben Robinetta! en dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je van vogels?'
Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat was juist als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.
'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zeide Windekind's stem.
'Kent gij mij niet? Weet ge niet, dat ik Johannes heet?'
'Hoe zou ik dat weten?'
Wat beteekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch die donkere, hemeldiepe oogen.
'Hoe zie je mij zoo aan, Johannes? Heb je mij ooit meer gezien?'
'Ja ik geloof het wel.'
'Dat heb je toch zeker gedroomd.'
Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu droomen?
'Waar zijt gij geboren?' vroeg hij.
'Heel ver van hier, in een groote stad.'
'Bij menschen?'
Robinetta lachte. Het was Windekind's lach. 'Ik geloof het wel. Jij niet?'
'Ach ja, ik ook!'
'Spijt je dat? Hou je niet van menschen?'
'Neen! Wie zou van menschen houden?'
'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van dieren?'
'O, veel meer, en van bloemen.'
'Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkelen keer. Maar dat is niet goed. Wij moeten van menschen houden, zegt Vader.'
'Waarom is dat niet goed? ik houd van wien ik wil, of het goed is of niet.'
'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou je niet van hen?'
'Ja,' zeide Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet, omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mensch is.'
'Waarom dan?'
'Dat weet ik niet, omdat hij niet is als andere menschen, omdat hij ook van bloemen en vogels houdt.'
'Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje op haar hand en sprak het vriendelijk toe.
'Dat weet ik,' zeide Johannes. 'Ik houd ook veel van u.'
'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je wel het meeste?'
'Van ...' Johannes weifelde. Zou hij Windekind's naam noemen? De vrees, dat die naam hem tegenover menschen mocht ontvallen, was onafscheidelijk van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven? 'Van u!' zeide hij opeens en zag met vollen blik in de diepe oogen. Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en wachtte gespannen de ontvangst van zijn kostbaar geschenk.
Weer lachte Robinetta met helderen lach, doch zij vatte zijne hand, en haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig.
'Wel, Johannes,' zeide zij, 'waarmeê heb ik dat zoo op eens verdiend?' Johannes antwoordde niet en bleef haar aanzien met groeiend vertrouwen. Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was grooter dan hij.
Zoo wandelden zij door het bosch en plukten groote bundels sleutelbloemen, totdat zij wel weg konden schuilen onder den berg van doorschijnend geel gebloemte. Het roodborstje vloog mede van tak tot tak en gluurde naar hen met schiiterende zwarte oogjes.
Zij spraken niet veel, doch keken elkaar dikwijls van ter zijde aan. Zij waren beiden verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van elkaar denken moesten.
Doch spoedig moest Robinetta terug, het speet haar.
'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens wandelen met me? Ik vind je een aardig jongetje,' zeide zij bij 't heengaan.
'Wiet! wiet!' zei het roodborstje en vloog haar achterna.
Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde hij er niet meer aan wie zij was.
Zij was dezelfde wie hij al zijn vriendschap had gegeven, de naam Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.
En alles werd weer om hem heen, zooals het vroeger geweest was. De bloemen knikten vroolijk, en haar geur verdreef het weemoedig verlangen naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekweekt had. Tusschen het teedere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich op eens thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zoo gelukkig. Op den weg naar huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit, altijd voor hem uit, welken kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik medevloog.
Van dien dag af ging Johannes elken helderen morgen naar den vijver. Hij ging vroeg, zoodra hij gewekt werd door het kijven der musschen in de klimopbladeren om zijn venster, en het gekwetter en gerekte getjilp der spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krieuwden in den jongen zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen.
Dan wandelden zij door het bosch en door de duinen, waaraan het bosch grensde. Zij spraken over al wat zij zagen, over de boomen en de planten en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar liep, hij dacht zich somtijds weer zoo licht dat hij door de lucht zou kunnen vliegen. Doch dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen, die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Doch hij vergat hoe hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in haar oogen en hij sprak tot haar, zooals hij vroeger tot zijn hondje gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of schuwheid. De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden.
En zij-zelve scheen altoos zoo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zoo graag wandelde als met hem.
'Maar, Johannes,' vroeg zij eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het konijnenhol en op den bodem van het water uitziet?'
'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een konijnenhol geweest en op den bodem van het water.'
Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan. Doch zij vond geen valschheid.
Zij zaten onder seringenboomen, waarvan dikke, paarse bloemtrossen afhingen. Vóór hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte torretjes in kringen over het vlak glijden en roode spinnetjes bedrijvig op en neder duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zeide:
'Daar ben ik eens gedoken; ik gleed langs een riethalm af en kwam op den bodem. Die is heelemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zoo licht en zacht. Het is altijd schemerig, groene schemering, want het licht valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zulke groote dieren zoo over je heen zwemmen, en ik kon niet ver vooruitzien, daar was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als zwarte schaduwen te voorschijn. Watertorren met roeipooten en platte wantsen, soms ook een klein vischje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof ik, en midden in was een groot bosch van waterplanten, waar slakken tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden. Stekelbaarsjes schoten er door en bleven mij soms met open mond en trillende vinnen aankijken, zoo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis gemaakt met een aal, wien ik bij ongeluk op zijn staart trapte. Die heeft mij van zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zeide hij. Men had hem daarom koning gemaakt in den vijver, want niemand was zoover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was, men wilde graag een dikken koning, dat stond deftig. O, het was prachtig mooi in dien vijver!'
'Waarom kun je dan nu niet meer daarheen gaan?'
'Nu?' vroeg Johannes en keek haar met groote peinzende oogen aan.
'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet noodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.'
Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan den rand van den vijver allerlei lekkernijen scheen te vinden. Hij keek even op en bleef beiden een oogenblik met zijn heldere oogjes aanzien.
'Begrijp jij er iets van, vogelijn?'
Het vogelijn keek heel slim en ging toen voort met zoeken en pikken.
'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.'
Dat deed Johannes gaarne, en Robinetta luisterde, geloovig en aandachtig.
'Maar waarom is dat alles opgehouden? Waarom kun je nu met mij niet gaan? daar overal heen? Ik wilde ook graag.'
Johannes spande zijne herinnering in, doch een zonnig waas bedekte den donkeren afgrond, dien hij was overgegaan. Hij wist niet juist meer, hoe hij zijn vorig geluk verloren had.
'Ik weet het niet recht, gij moet er niet naar vragen. Een naar klein wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan vroeger.'
De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons der vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piependen zwaai begon te luiden, en Robinetta haastig wegvloog.
Toen Johannes dien avond in zijn kamertje kwam en naar de maan-schaduwen der klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, scheen het alsof er tegen het glas getikt werd.
Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in den nachtwind trilde. Doch het tikte zoo duidelijk, telkens driemaal achtereen, dat Johannes zachtkens het venster opende en behoedzaam rondzag. De klimopbladeren tegen het huisje glansden in den blauwen schijn, onder hen was een duistere wereld vol geheim: daar waren holen en spelonken, waarin het maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog dieper maakten.
Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag hij eindelijk den vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster, verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik dadelijk aan de groote, verwonderde oogen onder de hooggetrokken wenkbrauwen. Op het puntje van Wistik's langen neus tekende de maan een klein vonkje.
'Hebt ge mij vergeten, Johannes? Waarom denkt ge er nu niet aan? Het is de rechte tijd. Hebt ge roodborstje den weg niet gevraagd?'
'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan. Ik heb Robinetta.'
'Maar dat zal niet lang duren. En gij kunt nog gelukkiger worden en Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen? Denk eens hoe heerlijk als gij beiden het boekje vindt. Vraag er roodborstje naar; ik zal u helpen als ik kan.'
'Ik kan er altijd naar vragen,' zeide Johannes.
Wistik knikte en klom vlug naar beneden.
Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende klimopbladeren voor hij naar bed ging.
Den volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het den weg wist naar het gouden kistje. Robinetta hoorde verwonderd. Johannes zag het roodborstje knikken en schuins naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte het vogeltje.
'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta.
'Weet ge er niets van, Robinetta? Weet ge niet, waar het te vinden is? Wacht ge niet op het gouden sleuteltje?'
'Neen, neen! Vertel eens, wat is dat?'
Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist.
'En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat gij het gouden kistje hadt. Is het niet zoo, vogelijn?'
Doch het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tusschen het jonge, lichte beukengroen.