De kleine Johannes

Part 2

Chapter 2 4,013 words Public domain Markdown

Op den troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg elfen, die eenigszins minachtend op de omgeving neerzagen. De koning zelf was naar vorstenwijze allerminzaamst en onderhield zich vriendelijk met verschillende gasten. Hij kwam van een reis uit het Oosten en had een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zulke bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij een donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisschen geur verspreidde, als was het zooeven geplukt. In de hand hield hij den meeldraad van een lotosbloem als koningsstaf.

Alle aanwezigen waren vol stillen lof over zijn goedheid. Hij had het maanlicht in de duinen geroemd en gezegd dat de glimwormen hier bijna even schoon waren als de Oostersche vuurvliegen. Ook had hij met genoegen naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs opgemerkt, dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt.

'Ga mede,' zei Windekind tot Johannes, 'ik zal u voorstellen.' En zij drongen tot aan 's konings zitplaats door.

Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en kuste hem. Dit gaf een gefluister onder de gasten en afgunstige blikken van het elfengevolg. De twee dikke padden in den hoek mompelden samen iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen knikten ze elkaar veelbeteekenend toe.

Windekind sprak lang in een vreemde taal tot Oberon en wenkte toen Johannes om dichterbij te komen.

'Geef mij de hand, Johannes!' zei de koning. 'Windekind's vrienden zijn de mijne. Waar ik kan, zal ik u bijstaan. Ik zal u een teeken van ons verbond geven.' Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en vast in zijne hand sloot. 'Dat sleuteltje kan uw geluk zijn,' ging de koning voort. 'Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten bevat. Maar wie dat heeft, kan ik u niet zeggen. Gij moet maar ijverig zoeken. Als gij goede vrienden met mij en Windekind blijft en standvastig en trouw zijt, zal het u wel gelukken.' De elfenkoning knikte daarbij hartelijk met het schoone hoofdje en overgelukkig dankte Johannes hem.

Daar begonnen drie kikkers, op eene kleine verhevenheid van vochtig mos gezeten, de inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich paartjes. De niet dansenden werden door een groen hagedisje, dat als ceremoniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de kanten gedrongen, tot groote ergernis van de twee padden, die klaagden dat zij niets konden zien, en daarna begon de dans.

Dat was eerst grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen en kikvorschen sprongen hoog op hun achterste pooten, een oude rat draaide zoo woest, dat alle dansers voor hem op zij weken, en ook een vette boomslak waagde een toertje met een mol, maar gaf het spoedig op, onder voorwendsel dat ze er een steek van in de zij kreeg, de ware reden was, dat ze het niet best kon.

Het ging echter zeer ernstig en plechtig toe. Men maakte er een gewetenszaak van, en gluurde angstig naar den koning om een teeken van goedkeuring op zijn gelaat te zien. Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek zeer strak. Zijn gevolg rekende het beneden hunne danskunst mede te doen.

Johannes had zich bij dien ernst lang goed gehouden. Doch toen hij een klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige padje soms hoog boven den grond tilde en een halven cirkel in de lucht liet beschrijven, barstte zijn vroolijkheid in een schaterlachen uit.

Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De ceremoniemeester vloog in volle vaart op den lacher toe en verzocht hem dringend zich wat gepaster te gedragen. 'Dansen is een ernstige zaak,' zeide hij, 'en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier een deftig gezelschap, waar men niet zoo maar voor de grap danst. Ieder deed zijn best en niemand verlangde uitgelachen te worden. Dat is een grofheid. Men is hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen. Men moet zich hier fatsoenlijk gedragen en niet handelen, alsof men bij menschen was!'

Daar verschrikte Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn vertrouwelijkheid met den koning had hem vele vijanden bezorgd.

Windekind trok hem ter zijde:

'Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!' fluisterde hij, 'gij hebt het weer verkorven. Ja! Ja! dat komt er van, als men bij menschen is opgevoed!'

Haastig glipten zij onder de vleugels van den vleermuisportier door en kwamen in de duistere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.

'Hebt gij u goed geamuseerd?' vroeg hij. 'Hebt gij koning Oberon gesproken!'

'O ja! het was een vroolijk feest,' zei Johannes, 'moet gij hier altijd in de donkere gang blijven?'

'Dat is eigen vrije keuze,' zeide de glimworm op weemoedig bitteren toon. 'Ik houd niet meer van die ijdelheden.'

'Kom,' zeide Windekind, 'dat meent gij niet.'

'Het is zooals ik zeg. Vroeger,--vroeger was er een tijd dat ik ook naar feesten ging en danste en mij met zulke beuzelingen ophield. Maar nu ben ik door het lijden gelouterd, nu ...'

En hij werd zoo geroerd, dat zijn lichtje weder uitging. Gelukkig waren zij dicht bij den uitgang en het konijntje, dat hen hoorde aankomen, ging een weinig op zijde, zoodat het maanlicht naar binnen scheen.

Zoodra zij bij het konijntje buiten waren, zeide Johannes: 'Vertel ons uwe geschiedenis eens, glimworm!'

'Ach!' zuchtte de glimworm, 'die is eenvoudig en droevig. Zij zal u niet vermaken.'

'Vertel haar, vertel haar toch maar,' riepen allen.

'Nu: gij weet dan toch allen wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft.'

'Waarom? dat weet ik niet,' zeide het konijntje.

Met minachting vroeg de glimworm toen: 'Kunt gij licht geven?' 'Neen! dat nu wel niet,' moest het konijntje bekennen.

'Nu, _wij_ geven licht! Allen! En wij kunnen het laten schijnen of verdooven naar willekeur. Licht is de beste gave der natuur, en licht geven het hoogste, waartoe een levend wezen komen kan. Zou iemand nog onzen voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels en kunnen mijlen ver vliegen.'

'Dat kan ik ook niet,' bekende het konijntje nederig.

'Door de goddelijke gave des lichts, die wij hebben,' ging de glimworm voort, 'ontzien ons ook andere dieren, geen vogel zal ons aanvallen. Alleen één dier, het laagste onder allen, zoekt ons en neemt ons mede. Dat is de mensch, het verfoeilijkst gedrocht der schepping.'

Johannes keek Windekind aan bij dezen uitval, als begreep hij het niet. Doch Windekind glimlachte en wenkte hem te zwijgen. 'Eens vloog ik vroolijk rond, als een helder dwaallicht tusschen de donkere heesters. En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan den oever van een sloot, daar woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk aan mijn geluk was verbonden. Schoon schitterde zij in bleeken smaragd-glans, als zij tusschen de glanshalmen rondkroop en machtig bekoorde zij mijn jong hart. Ik vloog om haar heen en deed mijn best door verwisseling van glans hare aandacht te trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar lichtje verduisterde. Sidderend van aandoening was ik op het punt mijn vleugels samen te vouwen en in verrukking bij mijne stralende geliefde neer te zinken, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde. Donkere gestalten naderden. Het waren menschen. Ik nam verschrikt de vlucht. Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met groote, zwarte dingen. Doch sneller dan hun logge beenen droegen mij mijne vleugels.' 'Toen ik terug kwam ...'

Hier begaf den verhaler de stem. Eerst na een oogenblik van stille aandoening, waarin de drie hoorders eerbiedig zwegen,--ging hij voort:

'Gij kunt het reeds vermoeden. Mijn teedere bruid,--de glansrijkste en schitterendste onder allen, zij was verdwenen, medegesleept door den boosaardigen mensch. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt en haar geliefd plekje aan de sloot was duister en ledig. Ik was alleen op de wereld.'

Hier haalde het gevoelige konijntje wederom een oor naar beneden om een traan uit het oog te wisschen.

'Sinds dien tijd ben ik veranderd. Ik heb een walg van alle ijdele vermaken. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan den tijd dat ik haar zal wederzien.'

'Zoo! hebt ge daar nog hoop op?' vroeg het konijntje verheugd. 'Ik heb meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijne geliefde wederzien.'

'Maar ...' wilde het konijntje inbrengen.

'Konijn!' zeide de glimworm ernstig, 'ik kan mij begrijpen, dat iemand twijfelt, die in het duister moet rondtasten. Maar wanneer men kan zien, met eigen oogen zien? dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!' zeide het glimwormpje en keek vol eerbied naar den van sterren fonkelenden hemel. 'Daar zie ik hen! al mijn vaderen, al mijn vrienden en ook haar, duidelijk stralen, in nog heerlijker glans dan hier op aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?'

Zuchtend verliet het glimwormpje zijne toehoorders en kroop weder in het donkere hol.

'Arm schepsel!'zeide het konijntje, 'ik hoop dat hij gelijk heeft.'

'Ik hoop het ook,' voegde Johannes er bij.

'Ik vrees er voor,' zeide Windekind, 'maar het was zeer aandoenlijk.'

'Lieve Windekind,' begon Johannes, 'ik ben heel moe en heb slaap.'

'Kom dan naast mij, ik zal u met mijn mantel toedekken.'

Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en zichzelven uit. Zoo legden zij zich neer, in het geurige mos op de duinhelling, de armen om elkanders hals geslagen.

'Uwe hoofden liggen wat laag,' riep het konijntje, 'wilt ge die tegen mij laten rusten?'

Dat deden zij.

'Nacht moeder!' zeide Windekind tot de maan.

Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn hoofd tegen het donzige vel van het goede konijntje en sliep rustig in.

III

Waar is hij dan, Presto? Waar is het kleine baasje dan? Welk een schrik, wakker te worden in de boot, in het riet--geheel alleen, de baas spoorloos verdwenen. Het was om angstig van te worden.

En loop je hem nu al zoolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig piepen? Arme Presto! Hoe kon je ook zoo vast slapen en niet merken dat de baas uit de boot ging? Anders word je dadelijk wakker, zoodra hij eenige beweging maakt.

Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in de duinen ben je nu het spoor geheel bijster geraakt. Het ijverig snuffelen hielp niet. Welk een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! Zoek dan Presto, zoek hem dan!

Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, ligt daar niet een kleine donkere gedaante? zie eens goed!

Een oogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en ziet ingespannen in de verte. Dan strekt het op eens den kop vooruit en holt, vliegt met al de kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat donkere plekje op de duinhelling.

Maar toen dat werkelijk het zoo smartelijk vermiste baasje bleek te zijn, toen vond hij alle pogingen nog ontoereikend om zijn gansche blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij kwispelde, verdraaide zijn geheele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde zijn kouden neus den lang gezochte likkend en snuffelend in 't gezicht.

'Koest, Presto, in je mand!' riep Johannes half slapend.

Hoe dom van den baas! Er is geen mand in de buurt, zoover men zien kan.

Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van den kleinen slaper. Het snuffelen van Presto, dat was hij iederen morgen zoo gewoon. Maar voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn, als morgennevelen om een duinlandschap. Hij vreesde dat de kille adem van den ochtend die zou verjagen. 'Oogen toehouden,' dacht hij, 'anders zie ik de klok en het behangsel weer, als altijd!'

Maar hij lag vreemd. Hij voelde, dat hij geen deken had. Langzaam en voorzichtig opende hij de oogleden op een kier.

Helder licht. Blauwe hemel. Wolken.

Toen opende Johannes de oogen wagenwijd en zeide: 'Is het dan toch waar?'

Ja, hij lag midden in het duin. Vroolijke zonneschijn verwarmde hem, frissche morgenlucht ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bosschen in 't verschiet. Hij zag alleen den hoogen beuk bij den vijver en het dak van zijn huis, dat uitstak boven het groen. Bijen en kevers gonsden om hem heen, boven hem zong de stijgende leeuwerik, in de verte klonk hondengeblaf en het gerucht der verwijderde stad. Het was alles klare werkelijkheid.

Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het konijntje?

Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zoo dicht mogelijk bij hem en keek hem in afwachting aan.

'Zou ik aan 't slaapwandelen geweest zijn?' prevelde Johannes zacht.

Naast hem was een konijnenhol. Maar zoo waren er zooveel in 't duin. Hij richtte zich op om het goed te bezien. Wat voelde hij daar in de nog vastgesloten hand?

Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij de hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje.

Een tijd lang zat hij sprakeloos.

'Presto! zeide hij toen, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen. 'Presto, het is _toch_ waar!'

Presto sprong op en trachtte door blaffen zijnen meester aan 't verstand te brengen, dat hij honger had en naar huis wilde.

Naar huis? Ja! daaraan had Johannes niet gedacht en hij had er weinig zin in. Maar spoedig hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam roepen. Toen begon hij te begrijpen, dat zijn gedrag volstrekt niet braaf en fatsoenlijk zoude gevonden worden en dat hem lang geen vriendelijke woorden te wachten stonden.

Een oogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in één moeite door, tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling, aan het geschenk van den elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare waarheid van al het gebeurde en hij zocht kalm en op alles voorbereid den weg naar huis op.

De ontmoeting viel niet mede. Zoo erg had hij zich de onrust en vrees van zijn huisgenooten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven, nimmer meer zoo ondeugend en onvoorzichtig te zijn.

'Dat kan ik niet,' zeide hij vastberaden. Daar zag men vreemd van op. Hij werd ondervraagd, gesmeekt, bedreigd. Maar hij dacht aan Windekind en hield vol.

Wat konden hem straffen schelen als hij Windekind's vriendschap maar behield en wat zou hij niet voor Windekind willen lijden! Vast klemde hij het sleuteltje aan zijn borst en de lippen opeen, terwijl hij iedere vraag met schouderophalen beantwoordde. 'Ik kan niets beloven,' zei hij weer.

Doch zijn vader zeide: 'Laat hem nu maar met vrede, het is hem ernst. Er moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Eens zal hij het ons wel vertellen.'

Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed er het kostbare sleuteltje aan en hing het zich om den hals op de bloote borst. Toen ging hij getroost naar school.

Het ging zeer slecht dien dag op school. Hij kende zijn lessen geen van alle en lette volstrekt niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar den vijver en naar de wonderbare gebeurtenissen van den vorigen avond. Hij kon het zich nauwelijks denken, dat een vriend van den elfenkoning nu weer verplicht zou zijn, sommen te maken en werkwoorden te vervoegen. Maar het was toch alles waar geweest, en niemand om hem heen wist er iets van of zou het kunnen gelooven of begrijpen, zelfs de meester niet, hoe barsch hij ook keek en hoe minachtend hij Johannes ook een luien rekel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de kwade aanteekening en maakte hij het strafwerk, dat zijn verstrooidheid hem op den hals haalde.

'Zij hebben er toch geen van allen begrip van. Zij mogen mij uitschelden, zooveel zij willen. Ik blijf Windekind's vriend, en Windekind is mij meer waard dan zij allemaal te zamen. Ja, met den meester er bij.'

Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn medemenschen was, na al het kwaad dat hij er den vorigen avond van had moeten hooren, niet gestegen.

Doch, zooals het meer gaat, hij wist zijne wijsheid nog niet verstandig genoeg te pas te brengen, of liever, te verzwijgen.

Toen de meester vertelde, dat alleen de mensch door God met rede was begaafd en als heerscher was gesteld over alle andere dieren, begon hij te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aanteekening en eene ernstige vermaning. En toen zijn buurman uit een themaboek den volgenden zin oplas: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar niet zoo groot als die van de zon'--riep Johannes haastig en luide: 'van _den_ zon!'

Allen lachten hem uit en de meester, verbaasd, over zulk een aanmatigende domheid, zooals hij het noemde, liet Johannes schoolblijven en honderdmaal overschrijven: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar niet zoo groot als die van de zon, het grootst echter is mijne aanmatigende domheid.'

De scholieren waren verdwenen en Johannes zat eenzaam in het groote schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vroolijk naar binnen, deed duizenden stofjes glinsteren op zijn weg en vormde op den gewitten muur lichte plekken, die met de wisseling der uren langzaam voortkropen. De meester was weggegaan en had de deur hard toegeslagen. Johannes was reeds aan de twee-en-vijftigste moedwillige tante, toen een klein, vlug muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit den versten hoek van het lokaal onhoorbaar langs den muur kwam loopen. Johannes hield zich doodstil om het aardige diertje niet te verjagen. Het was niet schuw en kwam tot dicht bij Johannes' zitplaats. Toen gluurde het een tijdlang met de kleine heldere oogjes scherp in het rond en sprong behendig met één sprong op de bank en met een tweeden op den lessenaar, waaraan Johannes schreef.

'Ei, ei!' zeide deze, half bij zichzelven, 'jij bent eerst een dapper muisje!'

'Ik zou niet weten voor wien ik bang moest zijn,' zeide een fijn stemmetje, en het muisje liet de tandjes zien alsof het lachte.

Johannes was reeds aan veel wonderlijks gewend, maar zette nu toch weer groote oogen op. Zoo midden op den dag en op school, 't was ongeloofelijk.

'Voor mij behoef je niet bang te zijn,' zeide hij zacht, uit vrees het muisje te verschrikken, 'kom je van Windekind?'

'Ik kom u even zeggen, dat de meester groot gelijk heeft en dat ge uw strafwerk ruim verdiend hebt.'

'Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, de zon was onze vader.'

'Ja, maar dat behoeft niemand anders te weten. Wat hebben de menschen daarmee te maken. Ge moet nooit over zulke teedere zaken met menschen spreken. Daar zijn zij te grof voor. De mensch is een verbazend boosaardig en lomp wezen, die liefst alles vangt en doodtrapt wat onder zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ondervinding van.'

'Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver weg, naar de bosschen?'

'Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn het stadsvoedsel te veel gewend. En als men voorzichtig is en altijd oppast hun vallen en hun zware voeten te mijden, dan is het onder menschen wel uit te houden. Wij zijn gelukkig nog al vlug. Het ergst is, dat de mensch zijn eigen logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, dat is een groote ramp, maar in het bosch zijn uilen en sperwers, en sterven moeten wij toch eenmaal allen. Nu, Johannes, onthoud mijn raad, daar komt de meester!'

'Muisje! muisje! ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn sleuteltje doen moet. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn bloote borst. Maar Zaterdag word ik verschoond en ik ben zoo bang dat iemand het zien zal. Zeg mij, waar ik het veilig bergen kan, muisjelief!'

'Onder den grond, altijd onder den grond, daar is alles het veiligst. Wil ik het bewaren?'

'Neen! niet hier op school.'

'Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis laten weten, dat hij er op passen moet.'

'Dank je muisje!'

Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In den tijd dat Johannes zijn pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis verlangde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt.

Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurenden angst. Hij werd streng in het oog gehouden en alle gelegenheid, om naar de duinen te ontsnappen, hem ontnomen. Het werd Vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje rond. Den volgenden avond moest hij verschoond worden, men zou het sleuteltje ontdekken en hem afnemen, hij ijsde bij de gedachte. In huis of tuin durfde hij het niet verbergen, geen plekje scheen hem veilig genoeg.

Het werd Vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat voor het venster van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten, over de groene heesters van den tuin, naar de verre duinen. 'Windekind! Windekind! help mij,' fluisterde hij angstig.

Daar ruischte een zachte vleugelslag naast hem, hij rook den geur van leliën van dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem.

Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een lelie van dalen aan den slanken stengel wiegelen.

'Zijt gij daar eindelijk! Ik heb zoo naar u verlangd!' zeide Johannes.

'Ga met mij mede, Johannes, wij zullen uw sleuteltje gaan begraven.'

'Ik kan niet,' zuchtte Johannes droevig.

Doch Windekind vatte hem bij de hand, en hij gevoelde hoe hij, licht als het gepluisde zaadje van een paardebloem, wegzweefde door de stille avondlucht.

'Windekind,' zeide Johannes onder het zweven, 'ik houd zooveel van u. Ik geloof dat ik alle menschen voor u zou willen geven en Presto ook.'

Windekind zeide: 'en Simon?'

'O, het kan Simon niet zooveel schelen, of ik van hem houd. Ik geloof, dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de vischvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Gelooft ge, dat Simon een gewone kat is, Windekind?'

'Neen, hij is vroeger een mensch geweest.'

Hoe-oe-oe! boms! daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan. 'Kunt gij niet beter voor u uitkijken,' bromde de meikever 'dat elfengoed vliegt maar, alsof het de heele lucht in pacht had! Dat heb je van die nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, iemand als ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zoo hard eet, als hij kan, wordt er door uit den koers gebracht.'

Onder luid gebrom vloog hij verder.

'Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?' vroeg Johannes.

'Ja, dat is zoo meikever-gewoonte. Bij de meikevers wordt het als hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Wil ik u eens de geschiedenis van een jongen meikever vertellen?'

'Ja doe dat, Windekind.'

'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit den grond was gekropen. Nu, dat was een groote verrassing. Een geheel jaar had hij onder de donkere aarde gezeten en gewacht op den eersten warmen avond. En toen hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende gras en de zingende vogels hem geheel in verlegenheid. Hij wist niet, wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn soort, had glanzige, zwarte pooten, een dik, bestoven achterlijf en een borstschild, dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet ver van hem vandaan, een anderen meikever, wel niet zoo'n mooien, maar een die al een dag vroeger uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel bescheiden, omdat hij nog zoo jong was, roept hij dezen aan.

'Wat wou je, vriendje!' zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat het een nieuweling was, 'wou je mij den weg vragen?'

'Neen, ziet u! zeide de jongste beleefd, 'maar ik weet niet, wat ik hier doen moet. Wat doet men zoo als meikever?'