Part 9
"Het is waar, daaraan hadden wij niet gedacht", mompelde Tancmar. "Beter ware het dat de heer graaf, door een besluit van zijnen vorstelijken wil, den schuldigen Kerel tot de galg verwees."
"Even onvoorzichtig ware dit", wedersprak hem Gervaas Van Praet. "Wilt gij heden nog de Kerels, die in Brugge zich bevinden, tot gewelddaden aandrijven? Wie zal met ons zijn als wij de poorters oproepen om te verdedigen wat zij een onrecht meenen te zijn? En indien hier bloed vergoten werd in eenen nutteloozen strijd, zou dan niet het geheele Kerlingaland in opstand kunnen komen? Ons leger is te Atrecht. Vergeet niet dat, indien wij in zulk geval tot den laatste toe ons leven gaven om den persoon van onzen welbeminden vorst te verdedigen, die opoffering misschien niet toereikend zou zijn. En daarbij, waar bleve dan het ontwerp om de Kerels der Ambachten tot onderwerping te dwingen zoohaast wij het met zekerheid kunnen doen?"
"De kamerheer heeft gelijk", bemerkte de oude Frumold. "Ik ken de poorters van Brugge: het onrecht zullen zij niet verdedigen. Zonder hunne hulp zijn wij in de macht der Kerels."
"Het schijnt dat ik van de overheid niets dan de schaduw bezit!" schertste de graaf spijtig. "Ja, ja, ik heb het te lang geduld: dit moet en zal veranderen! In afwachting geloof ik dat de kamerheer gelijk heeft. Het kwetst mij diep, dit te moeten erkennen. De Kerel blijve dus in de gevangenis ..."
"Gelieft de heer graaf mij nog eene bemerking toe te laten?" vroeg Gervaas Van Praet. "Indien men den Kerel in de gevangenis houdt heeft men hetzelfde kwaad te vreezen. Volgens de wet mag niemand een vrijen Kerel in hechtenis houden zonder toelating der Keurmans, die onmiddellijk de zaak moeten onderzoeken,--en, willen andere begoede Kerels borg voor hem blijven, dan mag men hem hoegenaamd niet kerkeren. Het onrecht zou dus blijven bestaan en het aangewezen gevaar insgelijks."
De vorst toonde zich zeer ontevreden, niet over de woorden van zijnen kamerheer, wiens trouw en verkleefdheid hij kende, maar over zijne onmacht als vorst en over den tergenden toestand waarin hij zich bevond.
"Ik zou dus den hoon moeten verkroppen en den moordenaar laten loopen?" kreet hij. "Zulke vernedering!"
"Het is een ondraaglijke hoon voor al wie edel bloed in de aderen heeft! Er moet een einde aan onze schandelijke lijdzaamheid komen!"
"Inderdaad", bevestigde Gervaas, "er moet en er zal een einde aan den overmoed der Kerels gesteld worden; maar wie een doel beoogt aanvaarde de middelen om het te bereiken. Ik ben van gevoelen dat men de gevangen Kerel in vrijheid moet laten gaan. Is hij plichtig, de Keurmans van zijn Ambacht zullen hem oordeelen."
"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede heer Van Praet?" riep de graaf. "Zal uwe zwakheid mij niet een voorwerp van spot maken in de oogen der hoogmoedige Kerels zelven? is de moordenaar, volgens de wetten der Ambachten, niet voor zijne misdaad strafbaar, hij is toch schuldig van oneerbiedigheid jegens mijnen persoon en van openbaren opstand tegen mijnen wil."
"Ja, heer graaf, en hij verdient den dood; maar het groote doel, waarnaar onze plicht als ridders ons oplegt te streven, eischt dat wij voor alsnu dit doel niet in gevaar brengen door eene afzonderlijke wraak op eenen enkelen persoon te plegen."
De ouden Frumold, wiens woord de graaf gewoon was aan te hooren, stond op en sprak:
"Heer vorst, ik weet een middel waardoor niet alleen uwe overheid tegen alle schennis zal gewaarborgd blijven, maar deze droeve zaak nog ter uwer meerdere eere zal worden geƫindigd. Laat den Kerel u verschooning en vergiffenis vragen, omdat hij op zulken dag en in uwe tegenwoordigheid wraak pleegde, en schenk hem dan door eigene beweging de vrijheid. Men zal deze daad onthalen als eene hulde aan het recht, zoolang dit recht bestaat, en men zal u roemen als een grootmoedig vorst."
Velen, over dezen wijzen vond verwonderd en verblijd, knikten bevestigend.
"Maar zal de hardnekkige Blauwvoet zich wel voor den graaf willen vernederen?" vroeg Tancmar. "Ik twijfel er aan. De Kerels buigen niet; men moet ze breken."
"De heer graaf late mij toe het te beproeven", sprak de oude Frumold. "Met goedheid kan men veel van de Kerels bekomen."
"Nu, ga, en beproef het", beval de vorst. "Mij bedroeft en verveelt die zaak uitermate. Later zal men weten wie ik ben!"
Frumold verliet de zaal en zocht naar den kastelein Hacket. Hij vond hem onder de Loove, met de kommervolle oogen naar het gijselhuis gericht, waar eene gansche schaar Kerels, hetzij staande, hetzij ten gronde zittende, afwachtte wat men in het paleis aangaande hunnen gevangen vriend zou beslissen.
"Heer kastelein", sprak hij, "gelief mij te volgen; ik heb u iets belangrijks mede te deelen."
Hij leidde hem eenige stappen verre op het binnenplein, hield hem dan staan en zeide hem dat de graaf den gevangen Kerel in vrijheid zou laten gaan op voorwaarde dat deze hem verschooning vroege, niet aangaande het feit van den doodslag zelven, maar nopens den tijd en de plaats waarop de wraakneming was geschied.
Alhoewel de kastelein sterk twijfelde of Arnulf, dien hij kende als een vastberaden man zonder vrees, wel tot zulk iets kon toestemmen, beloofde hij al het mogelijke aan te wenden om hem er toe over te halen.
Hij riep vijf of zes wapenmannen tot zich en richtte zich naar het Gijselhuis waar hij, om de onrustige Kerels te stillen, verplicht was hun te zeggen dat hun vriend waarschijnlijk binnen een half uur zijne vrijheid zou terugbekomen.
Deze aankondiging werd door een algemeen gejuich van blijdschap begroet.
Om meerdere kans tot welgelukken zijner zending te hebben, verzocht de kastelein de weenende vrouw en twee kinderen van Arnulf hem in de gevangenis te volgen.
De oude Frumold bleef te midden van het plein staan, afwachtende wat de uitslag van des kasteleins poging zou zijn.
Het duurde niet zeer lang of een vreugdekreet ontsnapte hem; want hij zag den kastelein met den Kerel uit het Gijselhuis komen. De laatste moest dus toegestemd hebben tot het afsmeeken van des graven vergiffenis.
Al de verzamelde Kerels vergezelden hunnen makker tot voor de Loove, en begroetten hem en moedigden hem aan totdat hij onder de poort van het paleis verdween. Eenigen der stoutsten volgden hem zelfs tot binnen het hof.
De kastelein verscheen met zijnen gevangene bij den ingang der raadzaal en wachtte daar een verder bevel.
"Treed nader!" gebood de vorst.
Met eene diepe buiging doch met helderen, onbevreesden blik stapte de Kerel vooruit.
"Men heeft ons gemeld dat gij ons vergiffenis wilt vragen en onze grootmoedigheid afsmeeken", zeide de graaf. "Is dit waar, zoo spreek!"
"Wie schuldig is, vraagt vergiffenis", antwoordde Arnulf. "Ik heb mijnen plicht gedaan."
"Versteende trotschaard!" gromde de vorst, van ongeduld ter tafel slaande.
"Gelief mij te hooren, heer graaf", hernam de Kerel, even onbewogen, "Toen ik eerst op de Markt den moordenaar mijns broeders meende te herkennen, zeide ik tot mijne vrouw dat deze ontmoeting, op zulken dag en in uwe tegenwoordigheid, een ongeluk zou zijn, hetwelk ik diep zou betreuren. Het heeft mij leed gedaan, heer graaf, door het vervullen van eenen onverbiddelijken plicht de plechtigheid uwer blijde intrede te hebben gestoord. Het grieft mij nog en ik smeek u, aangaande deze omstandigheid, die onafhankelijk was van mijnen wil, mij uwe grootmoedige verschooning te gunnen."
"Het is wel", sprak de graaf, in schijn tevreden over deze ootmoedige woorden, die hem gelegenheid gaven om uit den neteligen toestand te geraken, "Ik schenk u vergiffenis; ga in vrijheid en in vrede!"
Onmiddellijk verhief zich een gejuich dat door gangen en zalen voortliep en welhaast tot op het middenplein hergalmde.
Meer nog werden de Kerels met blijdschap vervuld toen Arnulf buiten kwam en zijne vrouw en kinderen omhelsde. Een schallend triumfkreet bonsde tegen de muren van het paleis; en de vorst kon van in de raadzaal hooren hoe daarbuiten hem ten lof wel twintigmaal opnieuw de schreeuw: "Heil onze vorst! Leve de graaf van Vlaanderen!" werd aangeheven.
Dit gejuich deed den proost van St-Donaas en eenigen zijner vrienden, die met groote bekommerdheid in de proostdij den loop der zaak afwachtten, buiten komen. Met teekens van blijdschap liep de kastelein tot hen en vertelde hun hoe deze erge zaak gelukkig was afgeloopen. Allen betuigden hunne tevredenheid en drukten elkaar de handen; want zij hadden zich zelven niet ontveinsd dat de gramschap des graven de vijanden der Kerels in de hand kon werken, ja, zij hadden zelfs gevreesd dat zij het sein tot eene erge en noodlottige vervolging kon worden. Hunne vrees was geheel ongegrond geweest, meenden zij; want indien de vorst den Kerel in vrijheid liet gaan, dit was wel een bewijs dat hij niet voornemens was de wetten van Kerlingaland te veranderen, aangezien hij nu daartoe eene schijnbare reden had, en deze niet gebruikte. Diensvolgens waren de kwaadvoorspellende berichten, die Isaac Van Reninghe aangaande de vermoedelijke inzichten des graven hun had gebracht, van allen grond ontbloot.
De kastelein noodigde hen uit om op dezen verblijdenden uitslag eener dreigende zaak met hem eenen beker Cyperwijn te gaan ledigen.
Allen volgden hem in den Steen.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 30: "De Kerels droegen het haar kort en den baard lang ... de ridders droegen het haar lang en schoren hunne kin."
_Ann. du Com. fl. de Fr.,_ tome VIII, pag. 68.]
[Voetnoot 31: Zie daarover VICTOR DE RODE, pag. 147.]
[Voetnoot 32: Het woord _Ambacht_ is later te zamen getrokken tot_Ambt_ en in het Duitsch tot _Amt._ Zie J. CRIMM, _Worterbuch_ bij _Amt._
LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_, t. I. pag. 583, zegt: "Tot de oudste districts-benamingen, die het Engelsche _Shire_ voorafgingen, behoorde nog _maegthe_, een land, dat de leden van een geslacht of van ene _maegschap_, gelijk zij in den oorlog te zamen gestreden en veroverd hadden, ook in den vrede te zamen bezaten."
Dan zal wel het woord Ambacht niets zijn dan het oud-Saksische _maegt_, met het samenvoegend voorzetsel _an_ of _am_, dus _Ammaegt,_ waarvan _Ambacht_.]
[Voetnoot 33: _Harop, Harop,_ voces Belgicae quae et clamorem ob crimen perpetram, DUCANCE, _Gloss._
"Convictus ex _dousslach et harop_ emendabit comiti III libras"
_Keure van Veurne van 1240._]
[Voetnoot 34: "Van eenen min begrijpelijken aard was de wederzijdsche verantwoordelijkheid der leden van eene maagschap (_de mageborge, maegburh_), dat voornamelijk de verplichting begreep tot het wreken der moorden, de bescherming der weezen, enz."
LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_, vertaald door Thorpe. t. II, pag. 332.]
[Voetnoot 35: _Keurmans, Keurlieden, Keurheers_, waren bij de Kerels de bestierders en rechters, die door _Keure_ of kiezing werden aangesteld.]
V
Dakerlia Wulf, de schoone Kerlinne, zat in haars vaders Steen, bij een venster, met een borduurwerk op den schoot.
Wel hing nog de gulden draad aan hare vingeren, doch de naald was haar ontglipt. Zij arbeidde niet en scheen geheel verslonden in diepe gepeinzen. Haar gelaat was bleek en de droefheid had nevens hare wangen eenen lichten rimpel geplooid.
Nu en dan ontsnapte haar een zucht en murmelde zij eenige afgebrokene woorden, waartusschen de namen van Placida en Robrecht alleen met eenige duidelijkheid waren uitgesproken; maar die namen, als stonden zij tegen haren wil op haren mond, deden haar telkens spijtig het hoofd schudden, en dan slechts verroerden hare leden met eene korte doch krachtige beweging van ongeduld.
Langen tijd was zij weder in stille mijmering bedolven gebleven toen de deur der kamer werd geopend en eene jonge maagd met uitgestrekte armen tot haar kwam.
Zij stond op en zeide na eene blijde omhelzing:
"Ach, Witta lief, hoevele uren wacht ik reeds op u! Allerlei angstvolle gedachten bestormen mij. Ik vreesde dat gij ziek geworden waart. Gisteren heb ik u van den gansenen dag niet gezien, en nu is het reeds middag!"
"Veel bezigheid ... een onverwacht geval hield mij terug, Dakerlia", antwoordde jonkver Sneloghe, als aarzelde zij om eene klaardere uitlegging te geven. "Maar laat ons nederzitten en spreken wij van u, vriendinne. Hoe gaat het heden met u?"
"Wel genoeg, gij ziet het."
"Nog zoo bleek! Gij hebt alweder geweend!" bemerkte Witta verwijtend.
"Gij bedriegt u", zeide Dakerlia met eenen pijnlijken glimlach, "ik heb niet geweend; maar droef was ik toch onuitsprekelijk. De mensch, vriendinne, is zoo zwak in den strijd tegen zijn eigen hart!"
"Maar, Dakerlia, gij moet verduldig u onderwerpen aan het lot. Zoudt gij dus jaren lang gaan treuren over iets dat niet te veranderen is?"
"Neen, neen, niet jaren, niet maanden. Een ongeluk dat nog moet komen verschrikt ons en ontrooft ons allen moed; een ongeluk dat geheel en al onwederroepelijk is volbracht, geeft ons kracht en moed terug ..."
En zij voegde daarbij op den toon der diepste wanhoop:
"Eilaas, nog drie weken, eene eeuw van smart en angst!"
Witta greep hare hand en zeide troostend:
"Kom, vriendinne, wees redelijk. Gij weet dat ik even droef ben als gij. Het zoet en vroolijk leven dat wij sedert onze kindsheid te zamen genoten, is voor altijd verloren. Ik zit nu alleen, immer alleen in mijne kamer ... maar, hoe het zij, er is niets aan te doen. Wees gij insgelijks verduldig, Dakerlia, anders zult gij u zeker ernstig ziek maken, en hoe ongelukkig zou dan uw arme vader niet zijn, indien hij zijn eenig kind zag verkwijnen? Eergisteren toen ik u verlaten had, sprak hij mij over uwe onpasselijkheid met de tranen in de oogen. Hij wilde van mij weten wat toch de reden van uw onbegrijpelijk verdriet kon zijn; maar ik heb ze hem niet durven openbaren ..."
"Ik zelve heb ze hem geopenbaard, Witta."
"Gij hebt de reden uwer smart hem bekend?"
"Ja, geheel en zonder de minste terughouding."
"Zoo? en wat heeft hij gezegd, Dakerlia?"
"Het heeft hem verblijd; hij heeft met mijn verdriet gelachen."
"Dit kan ik niet gelooven! Uw vader bemint u te veel om bij uw lijden ongevoelig te blijven."
"Het is te begrijpen, Witta. Hij vreesde dat eene erge ziekte mij bedreigde en was daarom, uit liefde tot mij, zeer bekommerd; maar nu hij weet wat mij ontstelt, is hij geheel gerust. Liefdezaken? Men sterft daar niet van, zegt hij."
"Hij heeft gelijk, meen ik, Dakerlia."
"Ik heb hem niet tegengesproken; het hadde hem te veel leed gedaan!" zeide jonkver Wulf op zonderlingen toon.
Robrechts zuster aanschouwde haar verschrikt en murmelde: "O, Hemel, Dakerlia, gij, die zoo sterk zijt, gelooft gij inderdaad, dat men van zulk verdriet kan sterven?"
Jonkver Wulf legde zich de hand op het hart, terwijl zij eenen klagenden blik ten hemel stuurde.
"De sterkste zielen", zeide zij, "lijden het wreedelijkst, omdat zij dieper gevoelen en niet zoo spoedig onder het gewicht der smart ontspannen. Maar wees om mij niet bekommerd, Witta. Nog drie weken! Wanneer dan alles onherroepelijk is volbracht, zal ik de kracht vinden om mij in de uitspraak van het lot te getroosten."
Er heerschte eene wijl stilte. Dakerlia zag hare vriendin in de oogen en scheen iets te vragen, doch daar zij geen antwoord bekwam, zuchtte zij:
"Kom, Witta, spreek mij toch van hem. Hoe gaat het met hem?"
"Tamelijk wel. Hij aanvaardt verduldig het lot."
"Ja, hij is man, Witta; de mannen zijn niet, als wij, slaven van het hart. Hij heeft het gezegd: Placida is schoon; hij zal hopen haar te beminnen en hij zal er in gelukken. De arme Dakerlia zal vergeten worden, zooals het behoort ... en ze zal verkwijnen misschien in den harden, nutteloozen strijd om te kunnen vergeten!"
Zij sloeg zich de handen voor het aangezicht en verborg dus de tranen die haar in de oogen schoten.
"Gij zijt onrechtvardig, Dakerlia", morde Robrechts zuster verwijtend. "Mijn arme broeder is treuriger nog dan gij."
"Ja, troost mij", antwoordde Dakerlia met droeve scherts. "Het is soms edelmoedig bedrukte lieden te bedriegen. Gisteren heb ik den ganschen dag nutteloos op u gewacht, gehoopt, gebeefd geleden; maar gij hadt niets mij te zeggen ... en zoo zal het in de toekomst gaan. Tusschen u en mij en uwen broeder zal het lot eenen afgrond delven; en zij die aan de eene zijde van de kolk staan, zullen voor immer vergeten wie er aan de andere zijde treurt en verkwijnt."
"Mijn broeder heeft mij gebeden hier van hem nooit te spreken", zeide Witta, "en ik gevoel wel dat de plicht mij het insgelijks gebiedt: maar uw bitter lijden, Dakerlia, uwe sombere wanhoop, die ik wel doorgrond, dwingen mij tot zondige onbescheidenheid."
"O, spreek, spreek uit medelijden!" smeekte jonkver Wulf.
"Welnu, hoor dus wat ik u meende te verzwijgen. Mijn broeder heeft, met vele andere ridders, onzen heer graaf uitgeleide gedaan tot Yperen, en is daar zelfs gebleven tot des vorsten vertrek naar het leger. Gisterenmorgen, bij zijne terugkomst, moest mijn broeder onmiddellijk naar Placida Van Woumen gaan. Het was zijn plicht, en ik raadde hem aan dien te vervullen. Hij was zoo ontmoedigd en zoo treurig, dat hij op zijne kamer is gegaan en langen tijd daar in eenzaamheid bleef zitten. Dan heeft hij eenen bode naar sher Rijkaards Steen gezonden om jonkver Placida te melden dat hij onpasselijk was en niet kon uitgaan. Inderdaad, hij is den ganschen dag te bed gebleven. Ik was zeer angstig bij de gedachte dat eene erge ziekte hem bedreigde ..."
"Ziek? hij ziek? O hemel!" kreet Dakerlia met den glimlach der blijdschap op de lippen en tevens den strakken blik der verschriktheid in de oogen.
"Ik geloofde dat eene zware ziekte hem had overvallen", hernam Witta. "Verre in den avond, toen hij hoorbaar sliep ging ik vol kommer nevens zijn bed zitten, om te waken en bidden. Hij heeft gedroomd, luidop gedroomd. Wat hij zeide verstond ik niet; maar van tijd tot tijd zweefde uw naam Dakerlia op zijne lippen, en dan lachte hij zoo zoet in zijnen slaap, dat mij het hart van ontroering klopte. Ook morde hij wel eens den naam van jonkver Placida, en dan trok zijn mond tot eenen grijns van smart te zamen en zwoegde zijne borst en stak hij de handen vooruit als om iets te verwijderen dat hem verschrikte ..."
Dakerlia slaakte eenen blijden kreet.
"Ach, dank! dank!" zuchtte zij. "Zulke woorden alleen kunnen mijne smart verlichten."
"Blijf bedaard, vriendinne", zeide Witta.
"Neen, laat mij dien troost genieten. Ik meende alleen, gansch alleen te lijden, en hij, hij tevens bezwijkt onder het gewicht der treurnis!"
"Maar, Dakerlia, gij verbaast mij! Hebt gij dan nog de hoop behouden dat Placida Van Woumen zijne echtgenoote niet zal worden?"
"Of ik nog eenige hoop heb behouden?" herhaalde jonkver Wulf met plotselijke ontmoediging. "Eilaas, neen, vriendinne, niet de minste hoop. Verschoon mij: mijne hersens zijn ontsteld, ik ben zinneloos,--zinneloos genoeg om mij in de ziekte van Robrecht te verblijden ... ik, die al mijn bloed zou geven om hem gelukkig te weten! Moge de barmhartige God mijne schuldige ontsteltenis mij vergeven en hem spoedig laten genezen!"
"Maar hij is niet ernstig ziek, Dakerlia."
"Ha, ik begrijp: het hart alleen doet hem wee, niet waar? Schromelijk is die ziekte der ziel!"
"Heden is hij opgestaan en heeft mij gezegd dat hij na den middag jonkver Placida een bezoek zal brengen. Ik hoor wel aan den treurigen toon zijner stem dat dit bezoek hem onaangenaam is; maar hij kan het niet uitstellen. Mher Rijkaard Van Woumen, die onzen heer graaf tot Rijssel heeft vergezeld, moet dezen morgen teruggekeerd zijn; en gij begrijpt wel, Dakerlia, dat Robrecht niet mag nalaten hem te gaan begroeten. Nu zou ik moeten huiswaarts keeren; ik ben slechts gekomen om te vernemen hoe het met u gaat."
"Gij verlaat mij reeds? Ach, Witta, dan ben ik weder zoo gansch alleen! Blijf, ik smeek u!"
"Onmogelijk, mijn broeder staat gansch gereed om zijn bezoek bij mher Rijkaard te brengen."
"Wat doet het? Hij zal daarom niet laten uit te gaan. Heb medelijden met mij!"
"Ik kan niet blijven, Dakerlia. Mijn broeder wacht mij."
"O, God!" riep jonkver Wulf eensklaps met blijdschap, "het is dus Robrecht die u tot mij gezonden heeft? Gij zeidet dat hij nooit meer van mij spreekt ... en hij wacht om te weten hoe het met mij gaat! O, bevestig mij in die hoop!"
"Welaan, ja, hij is bekommerd over uwe gezondheid. Laat mij nu vertrekken: ik zal in den morgen hier wederkeeren."
"Ga, ga, spoedig!" murmelde Dakerlia, hare vriendin bij de hand tot de deur lijdende. "Stel hem gerust; verzeker hem dat mijne gezondheid niet in het minste is bedreigd. Dat ik droef ben en onder eene diepe smart gebukt lig, zeg hem dit niet; hij zal het wel voelen aan zijn eigen hart. Tot straks, tot straks!"
Jonkver Sneloghe haastte zich naar hare woning.
Toen zij binnentrad, vond zij haren broeder in de zaal zitten, met den blik nederwaarts en zoo diep in zijne overweging bedolven dat hij het hoofd slechts ophief toen zij voor hem stond.
"Welnu, zuster?" vroeg hij.
"Zij is veel beter, broeder; zij zal niet ziek worden."
"De goede God zij er om geloofd!" murmelde Robrecht.
Na een oogenblik stilte zeide hij, als sprake hij tot zich zelven:
"Wel gebiedt de plicht mij nimmermeer aan haar nog te denken; maar ik ben toch mensch en heb geen steenen hart. Vreezen dat de trouwe vriendin onzer kindsheid van treurnis kan verkwijnen, en alle medelijden in onzen boezem moeten versmachten, het is iets dat mijne krachten te boven gaat. Is deze zwakheid een zondig vergeten van den plicht, de hemel zal mij vergiffenis schenken in aanzien mijner onderwerping aan zijn besluit."
Robrecht had deze woorden op zulken lijdzamen, smartelijken toon gesproken, dat Witta de handen voor de oogen had geslagen en luidop snikte.
"Ween niet, zuster lief", zeide hij, "er is niets aan te doen. Het lot is wreed jegens mij; maar in het gevoel van den plicht vindt een man eindelijk de kracht om het leven te dragen, hoe bitter het zij."
Met eenen zucht voegde hij er bij:
"Eilaas, ik waande mij zelven sterker: ik hoopte dat ik allengs mijne vroegere gedachten geheel zou hebben overwonnen; maar mijne ziel dwaalt immer weg in treurige droomen ... in de pijnlijke beschouwing van het verloren geluk ..."
Hij blikte in stilte ten gronde en scheen diep neerslachtig; doch bijna onmiddellijk hief hij het hoofd weder op en morde met treurig ongeduld:
"Ach, wat geschiedt mij? Is alle gemoedskracht mij ontvallen? Vergeet ik dat Kerlingaland, dat de vrijheid van mijn geslacht dit offer van mij vergt? Weg, weg, die aarzeling! De plicht is de opperste wet. Zal ik tot eenen lafaard ontaarden? Neen, neen, gehoorzamen wij, en weze dit de laatste klacht die mijnen boezem ontsnapt!"
Hij omhelsde zijne weenende zuster, zeide nog eenige geruststellende woorden om haar te troosten, verliet in allerhaast zijnen Steen en keerde om den hoek der Ridderstraat.
Onder den invloed der gepeinzen vertraagde allengs zijn stap; hij bleef zelfs, onder de boomen der Spiegelrei, een oogenblik staan en schudde zuchtend het hoofd, waarna hij even mijmerend weder zijnen weg vervorderde.
Hij kon niet begrijpen hoe, ondanks zijnen vasten wil en zijne heldere rede, eene geheimzinnige macht hem beheerschte. Wist hij niet dat dit huwelijk hem was opgelegd als eene opoffering die de vrijheid van Kerlingaland kon redden? Was hij niet overtuigd dat het voltrokken moest worden en niets op aarde het nog kon beletten? Hij had die verbintenis aanvaard en zich met goeden wil aan het onverbiddelijk lot onderworpen; ja, hij had gehoopt dat allengs in zijn hart eenige genegenheid voor de schoone Placida Van Woumen zou zijn ontstaan. En nu? Nu boezemde Placida hem afschrik in, nu deed het gepeins dat hij in hare tegenwoordigheid ging verschijnen hem sidderen! Nu liep er koude door zijne aderen, wanneer hij in de verbeelding haar helder oog op zich gevestigd zag! En hij gevoelde geenen haat voor haar; niets dan een onuitlegbaar gevoel van vrees, eenen ziekelijken schrik ... Maar het mocht daarbinnen in zijn hart gaan zooals het kon, hij moest toch uit dezen strijd opstaan met de noodige gemoedskracht om zijnen plicht te volbrengen ...