# De Kerels van Vlaanderen

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-kerels-van-vlaanderen-13625/index.md

De verschrikte moeder omarmde hare kinderen en sloot ze met teekens van angstige liefde tegen hare borst. Eilaas, wat ging er geschieden? Misschien glinsterden reeds ginder de zwaarden, misschien vloeide reeds daar een duurbaar bloed! Zij was zoo welgemoed en zoo vroolijk aan de hand van haren man in Brugge getreden. Hoe zou zij nu naar hare hofstede te Moerkerke wederkeeren Als weduwe, met vaderlooze kinderen? Wie kon het weten?

Door deze angstige gepeinzen neergedrukt had zij het hoofd gebogen en blikte ten gronde. Zij ontwaakte echter met eenen blijden kreet uit dezen naren droom: haar echtgenoot stond nevens haar.

"De man dien ik had gezien was verdwenen", zeide hij. "Nergens kon ik hem nog bespeuren. Misschien was het inderdaad Warad Valk niet. Gij moet het weten, Strena, uw gezicht is sterker dan het mijne."

"Geloof mij, Arnulf", antwoordde zij, "zeker, gij hebt u bedrogen."

"Des te beter, Strena. Ik zou niet gaarne heden wraak te plegen hebben; maar, zage ik bij geval de moordenaar mijns broeders, ik zou wel moeten gehoorzamen; Waarad heeft den vrede verbroken en den zoen geweigerd."

"Maar indien gij evenwel de vervulling van uwen plicht uitsteldet tot op eenen anderen dag?"

"Onmogelijk! ik ware onteerd voor gansch mijn leven; elk vrij man zou mij als eenen lafaard verachten, gij weet het wel, Strena. Danken wij God dat ik mij heb misgrepen. Laat ons nu weder vroolijk met de kinderen ... Geef acht! Die beweging bij den ingang der Steenstraat! Daar komt ongetwijfeld de stoet!... Blijf immer dicht bij mij, Strena. Komt, kinderen, geeft mij elk eene hand. Wij zullen het dringen zooveel mogelijk wederstaan; dan zien wij de plechtigheid van nabij."

Uit de Steenstraat stroomde allereerst een golvende volksvloed over de Markt. Men hoorde in de verte de scherpe of zware tonen van trompen en bazuinen tusschen de herhaalde welkomskreten der menigte hergalmen, en welhaast vertoonde het hoofd van den stoet zich op het plein.

Vooraan ging de proost van St-Donaas met zijne kanunniken en de overige geestelijkheid der stad. Bij tusschenpoozen zongen zij gebeden en lofpsalmen, terwijl vele koorknapen hunne wierookvaten zwaaiden en geurige wolken in de hoogte deden stijgen.

Hierop volgden de voorschepen en de twaalf andere schepen van Brugge, vergezeld van een twintigtal klerken en andere bedienden.

Achter hen, tusschen twee trompers, stapte een man die een rood fluweelen kussen droeg, waarop men de sleutels der stad voor deze plechtige omstandigheid verguld, zag blikkeren.

Dan kwamen vijf wapenboden te paard, met lange bazuinen, en in hun midden een ridder die den baander of standaard van Vlaanderen opgeheven hield.

Onmiddellijk na zijne wapenboden verscheen de graaf van Vlaanderen, gezeten op een moedig wit paard, dat bijna geheel met een dekkleed van goudlaken was behangen.

Graaf Karel kon de veertig jaar bereikt hebben. Zijne statige wezenstrekken droegen den stempel van strenge fierheid en wilskracht alhoewel tevens de zachtere, ja zelfs de fijne teekening zijner lippen liet vermoeden dat zijn hart met goedheid en vriendelijkheid moest begaafd zijn. Dit stemde overeen met het gevoelen dat ridders en poorters over hem hadden, aangezien zij gewoon waren te zeggen: "graaf Karel is uiterst goed en minzaam voor wie hem bevalt, maar streng en onverbiddelijk voor wie hem mishaagt".

Om zijne plechtige intrede op dezen dag te doen, had de vorst zijne oorlogskleeding gedeeltelijk afgelegd. Wel zag men nog aan zijne armen en beenen de duizenden ringen van zijn maliehemd glinsteren; maar daarboven had hij een overkleed van rood fluweel aangetogen. Zijn gulden helm blonk in het zonnelicht; rondom zijnen hals en op zijne borst hing een zwaar snoer van veelkleurig gesteente, waaraan een kruis van gewrocht goud en diamanten glinsterde. De graaf toonde dit kostbaar kleinood gaarne in het openbaar, omdat hij de gesteenten er van gewonnen had in Palestina tegen de Saracenen, en het hem een dierbaar aandenken was van zijne tochten in het Heilig Land.

Aan de eene zijde van den vorst reed de jonge hertog Willem van Normandië. Aan de andere zijde hield zich Gervaas van Praet, kamerheer van den graaf, en geroemd als een wijs, moedig en verkleefd ridder.

Achter de vorsten kwamen Tancmar Van Straten, de raadsheer; Walter Van Lokeren, de hofbottelier; Frumold, 's graven schrijver en rekenmeester; Hacket, de kastelein van Brugge; Eijkaard Van Woumen, Baudewijn van Aelst en Daniël Van Dendermonde.

De andere Fransche of Vlaamsche ridders, die den graaf op de reis hadden vergezeld of hem nu te gemoet gekomen waren, volgden allen zonder herkenbare schikking. Zelfs bevonden zich in dit gedeelte van den ruiterstoet vele Kerels; en men kon ook hier bemerken dat er geene vriendschap tusschen deze laatsten en de leenheeren bestond, want zij reden zichtbaar van elkander gescheiden.

Nauwelijks had de menigte, die krielend de Markt overdekte, den vorst ontwaard, of er verhief zich een algemeen gejuich dat meermaals met vernieuwde kracht werd herhaald, naarmate de stoet over het plein vooruitkwam. Bovenal gaf de vreugde der menigte zich lucht in machtige galmen, toen de vorst met zijn gevolg de houten trede had beklommen en daar het volk zijnen groet toestuurde.

Ridders, poorters, Kerels, allen wedijverden om door luid geroep, door het zwaaien der hoeden of door het opheffen der handen hunne blijdschap te betuigen en den graaf te verwelkomen.

Terwijl men bezig was met de menigte van de stelling te ver wijderen, om eenige ruimte te maken, terwijl de laatste ridders afstegen en de schalken hunne paarden op eenigen afstand wegleidden stuurde de graaf zijnen blik over de Markt. Hij staarde met bijzondere aandacht op de talrijke groepen der Kerels, die luidruchtiger en driftiger dan alle anderen, hem toejuichten en dikwijls de oorzaak waren dat de volksschaar hare blijde kreten herhaalde.

De vorst scheen tevreden; het was met eenen helderen glimlach dat hij in stilte nu en dan een woord wisselde met Willem van Normandië, wanneer deze hem geluk wenschte over de liefde welke het Vlaamsche volk hem betuigde.

Op een teeken van den voorschepen hieven de trompen en bazuinen een feestgeschal aan. De leden van den stadsraad beklommen de trede en bogen voor den vorst, totdat hij den voorschepen de hand bood. Dan naderde de man met het fluweelen kussen.

De voorschepen, na den graaf de sleutels der poorten te hebben aangeboden, begon eene lange redevoering waarin hij den vorst, in naam der stad, hulde bewees en verkleefdheid beloofde, evenwel in eerbiedvolle woorden zijne bescherming inroepende tegen degenen die de vrijheden of de rechten der poorters van Brugge zouden willen schenden.

De graaf gaf hem een minzaam antwoord en behandigde hem opnieuw de sleutels die toch, zeide hij, aan niemand beter konden worden toevertrouwd dan aan de bestuurders zijner beminde en verkleefde stad Brugge zelve; maar aangaande de zinspeling op het eerbiedigen der rechten en vrijheden antwoordde hij niets en deed alsof hij dit gedeelte der redevoering niet had gehoord.

De schepenen bemerkten deze achterhoudendheid met zekere treurnis, en zij daalden half mismoedig de trede af.

Dan verschenen de leden der geestelijkheid voor den vorst. Op de aanspraak, hem door den proost van St-Donaas toegericht, betuigde hij zijnen innigen wensch om in alle omstandigheden de Kerk en hare dienaars niet alleen te beschermen maar tevens hoog te vereeren en mildelijk te begiftigen.

Na den proost van St-Donaas, bood de abt van het klooster Ten Eeckhout zich aan om den graaf hulde te bewijzen en zijne goedwilligheid voor dit belangrijk gesticht in te roepen.

Graaf Karel, die het klooster Ten Eeckhout eene bijzondere gunst toedroeg, onderhield zich lang met den abt en hij was nog bezig met spreken toen, eensklaps, een hevig en vreemd gerucht hem kwam onderbreken en hem met verstoorden blik deed rondkijken Wie was er vermetel genoeg om in zijne tegenwoordigheid zulk oneerbiediglijk geschreeuw aan te heffen of te veroorzaken?

Hij zag aan de eene zijde der Markt, niet verre van de trede, eenige poorters verschrikt wegvluchten, terwijl daar ter plaatse vele Kerels tot eenen hoop te zamen liepen. Twee naakte zwaarden glinsterden hem in de oogen. Hij zag eenen man wien bloed van de wang afliep en die met eene reuzenstem den noodkreet "haarop! haarop! hulp! hulp!" over de Markt deed hergalmen[33].

Onmiddellijk waren eenige ridders toegesneld om de ruststoorders tot stilte te dwingen; maar de Kerels hielden hen terug met de woorden "kamp! kamp!" waardoor zij wilden betuigen dat daar een twist werd beslecht waarmede niemand zich te bemoeien had.

Vooraleer de graaf, die van gramschap sidderde, eenige bevelen kon geven, bliksemden de uitgetogen zwaarden door de lucht en een der beide kampers viel met gekloofd hoofd ten gronde.

"Men vange den snooden moordenaar!" riep de graaf. "Men brenge hem levend of dood voor mij! Ik wil, tot een voorbeeld, in het aanschijn des volks kort recht doen over zulke verfoeilijke misdaad!"

Een tiental ridders sprongen te gelijk van de trede en liepen ter plaats waar de manslag was geschied; zij meenden de hand aan den plichtige te leggen, maar deze hield zijn bloot zwaard tot slaan gereed, roepende dat hij den eerste die hem raken dorst voor zijne voeten zou nedervellen. Velen der omstaande Kerels hadden insgelijks hunne zwaarden getrokken en betuigden dat zij hunnen makker zouden verdedigen, indien iemand hem geweld aandeed.

Hacket, de kastelein van Brugge, die nu kwam toegeloopen, herkende den woedenden Kerel en zeide hem op spijtigen toon:

"Eilaas, Arnulf, wat hebt gij gedaan?"

"Mijnen plicht heb ik gedaan", antwoordde de andere, "Hij is de moordenaar mijns broeders en hij heeft den zoen geweigerd. Gij, heer kastelein, kent de wet beter dan ik[34]."

"Maar de graaf is buiten zich zelven van toorn! Onderwerp u, om grooter kwaad te vermijden."

"De hand aan mij leggen?" kreet de Kerel, "Ik ben een vrij man en zal mijne daad verantwoorden waar en wanneer men het moge eischen."

"De graaf wil dat gij onmiddellijk voor hem verschijnt, Arnulf. Toon u onderdanig uit voorzichtigheid."

"Het zij zoo, kastelein; leid mij tot den graaf, maar behoed mij voor hoon en onrecht," mompelde Arnulf, terwijl hij zijn swaard in de schede stak en, door wel vijftig Kerels gevolgd, naar de stelling vooruitstapte.

Hij klom alleen met den kastelein op de trede en bood zich voor den vorst aan, wel met eene diepe buiging en ontdekten hoofde, doch fier en beraden als ontstelde hem niet de minste vrees.

"Verwaten woestaard!" viel de vertoornde vorst uit. "Hoe durft gij dezen plechtigen dag door zulke gruwelijke misdaad bezoedelen? Gij zult de straf uwer boosheid ondergaan: nog heden zal de beul u op het galgeveld, ten voorbeeld aller moordenaars en ruststoorders, aan eenen strop ten toon hangen!"

Arnulf aanschouwde den vorst met zulke zonderlinge en diepe verwondering in de oogen, dat deze verrast murmelde:

"Vermetele, gij gelooft het niet?"

"Waar in de wereld het recht heerscht", antwoordde de Kerel, "wordt niemand veroordeeld zonder dat men hem tot zijne verdediging gehoord hebbe. Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?"

"Spreek", morde de vorst met ongeduld.

"Ziehier de zaak die u ten onrechte tegen mij verbolgen doet zijn, heer graaf", begon de Kerel. "Ik had eenen broeder, een goedhartig man, door iedereen bemind en geacht. Een zekere Warad Valk, van Dudzeele, geraakte in twist met hem aangaande het gebruik eener schapenweide, en bracht hem eenen doodelijken slag toe. Ik, de naaste bloedverwant, erfde, krachtens onze wetten en onze gewoonten, niet alleen den plicht om voor zijne weduwe en kinderen te zorgen, maar tevens om de veete te vervolgen en wraak te nemen. In de meening dat de doodslag het gevolg van een onvrijwillig toeval kon zijn, bood ik den moordenaar den vrede, en liet scheidsmannen het zoengeld bepalen, dat Warad Valk ten voordeele der weduwe mijns broeders zou te betalen hebben. Wat deed hij? Op den zoendag verscheen hij niet voor de Keurmannen[35] en misprees aldus het gerecht. Ondanks den vrede hoonde hij nog de arme weduwe en dreigde hare hofstede in brand te steken. Sedert dan is hij uit het Ambacht verdwenen. Ik ontmoette hem hier en deed mijnen plicht."

"En moest gij daarom bloed in mijne tegenwoordigheid vergieten? Eenen afschuwelijken moord plegen?" riep de vorst, die eerder door de koele woorden van den Kerel was verbitterd geworden dan gestild.

[Illustratie: ...viel met gekloofd hoofd ten gronde. (Bladz. 95.)]

"De wet gebood het mij" wedervoer Arnulf. "Zij heeft geene bijzondere gevallen voorzien. Wie den gebannen vrede breekt mag overal aangevallen en gestraft worden. Ik kon Warad Valk zonder verwittiging doodslaan, en evenwel heb ik hem tot zelfverdediging uitgedaagd en hem ten kamp geroepen. Hadde ik mijnen broeder niet gewroken, ik ware als lafaard onteerd gebleven Iedereen moet mij prijzen omdat ik mijnen plicht heb gedaan."

"Ha, dit zullen wij zien!" kreet graaf Karel, over zooveel stoutheid verbaasd. "Kastelein, men leide dien man naar het Gijselhuis op den Burg. Hij blijve gevangen totdat wij zijn vonnis hebben uitgesproken."

"Ik in de gevangenis?" mompelde de Kerel, met eenen ongeloovigen lach op de lippen. "Ik ben een vrij man; ik heb geenen lust tot vluchten; ik zal komen op de eerste dagvaarding, maar in de gevangenis wil ik niet! Geen der Kerels die daarbeneden staan zal dulden dat men mij, schuldeloos als ik ben, naar de gevangenis voere. Stroomt er meer bloed, God zal weten wie het deed vergieten!"

Een honderdtal Kerels, die aan den voet der trap stonden en dit tooneel met angst en klimmende verontwaardiging volgden, getuigden door hun dreigend gemor dat zij waarlijk bekwaam waren om hunnen makker ook gewelddadig ter hulp te komen, indien men onrecht jegens hem pleegde.

De dreigende houding der Kerels verbitterde den graaf nog meer; want in tegenwoordigheid der Fransche ridders, die hunne verbaasdheid over zijne aarzeling betuigden, was zijn toestand zeer onaangenaam en schier belachelijk.

"Gij zult in de gevangenis!" riep hij. "Indien de kastelein van Brugge de macht niet heeft om mijn bevel uit te doen voeren, zullen mijne ridders of hunne wapenlieden u wel dwingen."

Arnulf, die zag dat er waarlijk eene beweging onder de ridders ontstond, sprong een paar stappen achteruit en sloeg de vuist aan het gevest van zijn zwaard.

"Men voere dan mijn lijk naar de gevangenis!" gromde hij, terwijl zijne oogen zoo bloedig werden en zoo dreigend vlamden dat elkeen aarzelde om hem te naderen.

Terwijl de kastelein Arnulf poogde te bedaren, was Robrecht Sneloghe te midden der Kerels geloopen en verkreeg van hen door vriendelijke woorden en gebeden dat zij zich nog stilhielden.

Arnulf wilde naar niets luisteren en weigerde zich naar de gevangenis te laten leiden. Maar nu beklom de proost van St-Donaas de stelling, naderde den vertoornden Kerel en zeide aan zijn oor:

"Volg den kastelein naar het Gijselhuis, Arnulf. Doet gij het niet, gij brengt waarschijnlijk de vrijheid van gansch Kerlingaland in gevaar. Wij zullen over u waken en zorgen dat u geschiede volgens wet en recht. Ik smeek u, gehoorzaam den graaf ... Desnoods gebied ik het u op uwen gilden-eed!"

"Welaan, heer vorst, ik onderwerp mij aan uwen wil", zeide de Kerel, eensklaps met eene diepe buiging vooruittredende. "Naar de gevangenis zal ik mij begeven met het vertrouwen dat men mij, als vrij man, in de vierschaar zal hooren en rechters zal geven zooals het behoort."

"Rechters? Gij hebt gelijk", antwoordde de graaf met bittere scherts. "Gij zult ze hebben. Voor den avond zult gij ter hooger vierschaar verschijnen om uw vonnis te hooren uitspreken."

De Kerel daalde met den kastelein van de trede, omarmde eene vrouw en twee weenende kinderen, drukte eenigen vrienden de hand en verdween uit het gezicht der ridders tusschen de menigte, die als een rollende stroom op zijne baan over en weder golfde. Vele Kerels volgden hem, luidop morrend tegen het onrecht dat hem werd aangedaan; maar hij zelf zeide dat hij zich vrijwillig naar het gevang begaf, en zoo bracht hij zijne vrienden tot bedaren.

Graaf Karel, door het gebeurde diep ontsteld en wel bemerkende dat de plechtigheid zijner intrede beslissend was gestoord, gaf bevel om de paarden bij te brengen en den stoet te vormen.

Terwijl men daarmede bezig was, zat hij beweegloos, met strakke oogen, welker scherpe blik de verbolgenheid zijns harten verried.

Even ontroerd en verontwaardigd waren de ridders. Zij durfden den graaf in zijne stilzwijgendheid niet storen. De eenige, die niet bedroefd scheen, was de raadsheer Tancmar Van Straten. Hij wisselde zelfs in het verborgen eenen glimlach met den hofbottelier Walter Van Lokeren. In zijne oogen glinsterde eene geheime blijdschap; want hij twijfelde niet of dit voorval zou den graaf onverzoenbaar tegen de Kerels verbitteren. De vorst weigerde nog altijd den Kerels met geweld het juk der dienstbaarheid op te leggen; maar nu zou zijne gramschap in hunne vernedering wraak zoeken voor den hoon hem heden aangedaan.

Toen de paarden bijgebracht waren en de kamerheer Gervaas Van Praet den vorst had verwittigd dat alles gereed was, daalde deze met zijn gansch gevolg van de trede.

Men steeg te paard, en de stoet begaf zich op weg over de Markt in dezelfde schikking als bij zijne komst. Weder hergalmden de schelle tonen van bazuinen en trompen; weder hieven de kanunniken in de tusschenpoozingen plechtige lofzangen aan; maar de menigte, nog ontroerd en treurig over het gebeurde, bleef koel en betuigde slechts haren eerbied door zich, bij het voorbijrijden van den vorst, diep te buigen. Karel zelf was nog verslonden in spijtige gepeinzen en reed over de markt en door de Hofstraat, zonder schijnbaar acht te geven op hetgeen rondom hem geschiedde.

Zoo kwam de stoet op den Burg.

Hier stonden voor het Gijselhuis misschien tweehonderd Kerels, waar tusschen ook eenige vrouwen en kinderen. Zoohaast zij den graaf bemerkten hieven zij den roep: "recht! recht!" zoo luidruchtig aan dat het middenplein van den Burg er van hergalmde.

Dit herhaalde geschreeuw kwetste den graaf; want hij aanzag het als eene poging om hem tot het vrijlaten van den gevangene te dwingen.

Nauwelijks was hij afgestegen, of hij wenkte den kastelein van Brugge tot zich en vroeg met dreigenden blik:

"Zit de uitzinnige Kerel in de gevangenis?"

"Ja, heer graaf", was het antwoord, "hij zal er blijven totdat het u gelieve hem te ontslaan."

"Ontslaan?" herhaalde de vorst, bitter spottende. "Heeft men hem in den moordenaarskuil geketend?"

"Neen, heer".

"Waarom niet, kastelein?"

"Hij is een vrij man, heer graaf."

"Vrij man? die grove woestaard? Ah, mijn geduld is ten einde: ik wil gehoorzaamd worden! Gij blijft verantwoordelijk voor den gevangene. Houd u gereed om op het eerste bevel hem in mijne tegenwoordigheid te doen voeren."

De graaf, door al de ridders van zijn hof gevolgd, trad in de groote zaal van zijn paleis. Iedereen aanschouwde hem in stilte, want men begreep dat hij zeer vergramd en bedroefd moest zijn. Bovenal waren de Fransche ridders verontwaardigd over de voorbeeldelooze stoutheid der Kerels en de oneerbiedige houding van gansch het volk, dat zich den moordenaar veeleer gunstig dan vijandig had getoond.

Graaf Karel keerde zich tot de vergadering en zeide:

"Heeren, gij zult mijn verdriet en mijne ontsteltenis begrijpen na de ongehoorde dingen die heden zijn voorgevallen. Niet alleenlijk ben ik vermoeid en behoef een weinig rust; maar ik wil tevens zonder uitstel overwegen wat mijn plicht, als graaf van Vlaanderen mij gebiedt te doen om den schuldige te straffen en door een streng voorbeeld anderen te beletten mijne overheid nog te miskennen. Binnen een paar uren zal ik u aan het middagmaal wedervinden. Gelieft intusschen u niet te verwijderen, aangezien uwe tegenwoodigheid mij noodig kan zijn.... De leden van mijnen bijzonderen raad volgen mij!"

Hij bood zijnen arm aan Willem van Normandië, stapte door eene zuilengang en trad in eene zaal waar eenige zetels rondom eene breede tafel geschikt stonden. Hij nam plaats aan het hooger einde der tafel en toonde Willem van Normandië eenen zetel nevens zich.

Hier waren nog tegenwoordig Tancmar Van Straten, Walter Van Lokeren, Gervaas Van Praet, benevens de oude Frumold en zijn neef, rekenmeesters en schrijvers des graven, en twee of drie andere ridders.

Toen allen gezeten waren, vroeg de vorst:

"Welnu, heeren, wat zegt gij van zulke schennis onzer overheid?"

"Verfoeilijk, snood, ongehoord; hij verdient den dood!" morden meest al de raadsheeren.

"Ja, eenen onmiddellijken dood!" zeide Tancmar Van Straten. "Maar dit is niet genoeg. De verwaande Kerels en hunne aanleiders de Erembalds, die door hunne dreigende houding onzen goeden vorst nog dieper hoonen, moeten insgelijks worden gestraft Het zal niemand der heeren ontsnapt zijn, hoe de moordenaar hardnekkig weigerde het gebod van onzen heer graaf te gehoorzamen en hoe een enkel woord door den proost van St-Donaas aan zijn oor gesproken, hem gedwee maakte als een lam. Het is dus de proost, het zijn dus de Erembalds die over de Ambachten en over de Kerels gebieden! Zij ontrooven aan den vorst zijne wettig overheid en maken er dan nog gebruik van om de Kerels tot hoovaardigheid en tot opstand aan te drijven, niet alleen tegen den graaf, maar tegen al wat edel is in Vlaanderen ..."

"Elkeen zal, op tijd en plaats, krijgen wat hij verdient", onderbrak de graaf. "Spreken wij van den moordenaar. Onze waardigheid eischt dat hij sterve; maar men kan hem toch niet veroordeelen zonder hem te hooren. Wie zal zijn vonnis uitspreken?"

"Een woord van u, heer graaf, is voldoende", antwoordde Walter Van Lokeren. "Wie zou zich tegen uw besluit durven verzetten?"

"Inderdaad", bemerkte Willem van Normandië, "mij dunkt dat er reeds te veel is geaarzeld. Indien zulke zaak in Frankrijk ware voorgevallen, de plichtige hinge reeds aan de galg."

"Ja, maar, heer, in Vlaanderen zijn wij nog zooverre niet", antwoordde de graaf. "Mijn voornemen is den plichtige rechters te geven en hem in zijne verdediging te hooren. Het vonnis kan niet twijfelachtig zijn, aangezien ik den Kerel voor het hoogerhof der ridders wil doen verschijnen. Zoo ten minste zal het volk mij niet kunnen beschuldigen van willekeur of dwingelandij. Ziet gij eenige redenen, heeren, om niet onmiddellijk het hooge hof der ridders te doen vergaderen?"

"Geene de minste", zeide Tancmar Van Straten. "Er zijn ridders genoeg in het paleis tegenwoordig, en allen wenschen den dood des moordenaars als een noodig voorbeeld.... Luistert, heeren, hoe die schaamtelooze Blauwvoeten daarbuiten roepen 'recht! recht!', zonder eerbied voor den vorst. Men geve hun dus wat zij eischen. Een bevel van u, heer graaf, en ik zal oogenblikkelijk het hoogerhof doen vergaderen."

"Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?" zeide de kamerheer, Gervaas Van Praet. "Zeker, wat heden op de Markt voorviel is eene wraakroepende miskenning van den eerbied dien men onzen vorst verschuldigd is. Wij zullen later, op behoorlijken tijd en door doelmatige middelen, het trotsche geslacht verpletten dat zich dus tegen alle wettelijke overheid durft opwerpen. Maar wat kan ons nu het straffen van eenen enkelen man baten? Men neme in acht dat de beschuldigde Kerel, volgens de wetten der Ambachten, in zijn recht was en niets gedaan heeft dan zijnen plicht."

"Daarover zal het hoogerhof der ridderen uitspraak doen", wedervoer Tancmar met eenige bitterheid.

"Het hoogerhof der ridderen?" hernam Gervaas Van Praet. "Dit hof is ingesteld om in zaken van edelen, ridders en vrije lieden uitspraak te doen. De gevangen Kerel is een dorper, een landbouwer. Zult gij, door hem voor het hooge ridderhof te brengen, zijne vrije geboorte erkennen? Begrijpt gij niet dat zulks den hoogmoed der Kerels nog zou vermeerderen en ons in den weg zou staan, als wij later hun deze vrijheid willen ontkennen?"

