Part 7
"Nu, Disdir, heb moed. Ik zal mijne zuster aanraden in uw voordeel te pleiten, als zij jonkver Wulf gaat bezoeken. Wat mij betreft, ik herhaal het u, met Dakerlia wil nog mag ik voortaan spreken. Nu, vaarwel, en blijf hopen."
Hij verwijderde zich tusschen de boomen. Disdir Vos zag hem achterna met een zuren lach op de lippen.
"Hij heeft haar bemind! Hij bemint haar nog!" morde hij binnensmonds. "En voor hem alleen klopt haar hart ... Wreede minnenijd, die mij den boezem verscheurt!"
Robrecht verliet welhaast de Spiegelrei en trad in de Ridderstrate, ten einde derwelke de gulden weerhaan boven den toren van zijn Steen hem in de oogen blonk.
Al gaande overwoog hij eerst wat Disdir hem had gezegd, doch even ras keerden zijne gedachten op zijn eigen lot en op het verlies van alle levenshoop voor hem zelven. Weder werd hij treurig, bovenal toen hij voorbij sher Wulfs Steen moest en het hoofd afkeerde om het gevaar te voorkomen van Dakerlia's blik te ontmoeten.
Toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad, vond hij zijne zuster met de handen voor de oogen zitten. Hij zag dat hare borst hijgde en glinsterende tranen van hare vingeren rolden.
"Mijne zuster, mijne goede Witta", vroeg hij, "hoe zijt gij zoo bedroefd? Wat is de reden uwer smart?"
"Ach, Robrecht", kreet zij, "die arme ongelukkige Dakerlia!"
"Welnu? Dakerlia? Wat is haar geschied?" morde de jongeling verschrikt.
"Ik heb haar de pijnlijke boodschap gebracht. Zij heeft nog niets gedaan dan weenen, zij gaat te werk als eene zinnelooze. Nu ligt zij te bed. Haar vader is niet te huis; maar de kamermeid heeft in aller haast gezonden om den geneesheer te halen. Zij meent dat men Dakerlia zal moeten aderlaten. Ik ben weggevlucht bij de komst van den geneesheer. Bloed, bloed van die arme Dakerlia? Ik stierve moest ik het zien!"
Een traan wilde in des jongelings oogen opwellen; maar hij bedwong dit teeken zijner ontroering met geweld.
"Ach, het is wel wreed, het lot dat ons allen treft!" klaagde Witta. "Nu zal Dakerlia nooit meer in onzen Steen mogen komen. Dit is de belooning voor hare teedere vriendschap, voor hare liefde! Eilaas, ik bezwijk van wanhoop bij het verlies mijner goede zuster!"
"Luister, Witta", sprak Robrecht op ernstigen toon. "Het huwelijk is een band door God geheiligd en dien wij als Christenen verplicht zijn, tot in den grond van ons hart te eerbiedigen. Ik ga trouwen, Placida Van Woumen wordt mijne echtgenoote. Van dit oogenblik af mag ik aan Dakerlia niet meer denken en gij, zuster, gij moogt haren naam voor mij niet meer uitspreken. Begrijpt gij mij, Witta?"
"Ik begrijp u, broeder", was het treurig antwoord. "Pijnlijk is de plicht, maar toch, gij hebt gelijk. Zwijgen zal ik. Eilaas, indien die arme ... Bloed laten! Het is schromelijk!"
"Houd u sterk, Witta", zeide Robrecht met eene stemme die door den angst was verdoofd. "Ga naar sher Wulfs Steen, verneem wat daar geschiedt, opdat gij ten minste van de onrust wordet verlost. Ik ga op mijne kamer; ik heb eenzaamheid noodig. Men store mij niet, ik smeek u, zuster lief."
De smart overwon hem plotseling; hij sloeg de handen voor de oogen en verliet met haast de zaal.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 25: Eenen moord kon men afkoopen van de erfgenamen of naaste bloedverwanten des vermoorden, betalende eene zekere vergoeding, welke men het _zoengeld_ noemde.]
[Voetnoot 26: Er bestaan van dien tijd nog vele oorkonden waarbij zekere vrije personen zich de eene of andere abdij dienstbaar maken om hare bescherming te genieten.]
[Voetnoot 27: Bij de Germaansche stammen moest men een grondeigendom bezitten om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Dit eigendom noemde men eene _were_ en den bezitter eenen _weerman_.]
[Voetnoot 28: _Morgengave_ was de gift welke de bruidegom zijne bruid moest schenken den morgen na zijn huwelijk; het was de eigenlijke bruidschat.]
[Voetnoot 29: Zie aangaande de Vlaamsche strijdmacht, in het Fransche leger: SUGER, _vie de Louis V, le gros,_ in de Coll. des mémoires rel. à l'hist. de Fr., tome VIII, pag. 126.]
IV
Karel van Denemarken, komende van Atrecht, over Rijssel en Kortrijk, had met zijn gevolg den nacht te Thourout doorgebracht, waar hem de gastvrijheid in het machtige klooster van St-Pieter was aangeboden geworden.
Vele Vlaamsche ridders, waaronder ook wel eenige Erembalds of voorname Kerels van Brugge, waren hem hier komen vervoegen en hadden hem reeds hunne hulde bewezen.
Wat dezen hem hadden gezegd aangaande de volstrekte rust die gedurende zijne lange afwezigheid in het Westelijk Vlaanderen had geheerscht, was hem eene bron van voldoening, en hij toonde zich zeer minzaam met elkeen, zelfs jegens zulke Kerels die vroeger, in den oorlog voor de kroon, zijnen medestrever Willem Van Loo hadden geholpen.
Dien dag nog zou hij te Brugge aankomen en, volgens de hem gebrachte berichten, er met alle mogelijke pracht en onder de oprechtste en warmste toejuichingen des volks worden onthaald. Daar hij innig wenschte aan de Fransche ridders, die hem vergezelden, te kunnen toonen dat hij in zijn graafschap hoog was geëerd en algemeen bemind, stemde de zekerheid van zulk schitterend onthaal hem gunstig. Het was met zichtbare teekens van welgemoedheid dat hij, na een hartelijk ontbijt, te paard steeg, om aan het hoofd van zijn gevolg den weg naar Brugge in te slaan.
De ridders en wapenlieden, die al te zamen eene tamelijk sterke bende vormden, hielden zich uit eerbied op eenigen afstand achter den graaf. Deze reed alleen aan het hoofd van den stoet met Willem, den jongsten hertog van Normandië, welke ditzelfde jaar met eene zuster der koningin van Frankrijk was getrouwd en, als gunsteling des konings, zeer werd vereerd en ontzien.
Beide vorsten spraken vroolijk en vertrouwelijk van allerlei dingen; maar het onthaal dat hem te Brugge was bereid, scheen graaf Karel meest bezig te houden, want hij keerde er telkens op terug, wanneer zijn gezel, door eenige bemerkingen over de landstreek, hem er af had geleid.
Langen tijd hadden zij op matigen stap tusschen dichte bosschen gereden, en slechts van verre eenige lieden gezien; maar nu kwamen zij eensklaps in eene vlakte van bebouwde velden waar, om zoo te zeggen, de wegenissen van Aartrijke, Ruddervoorde, Wardamme en andere dorpen te zamen liepen.
Hier bemerkten zij dat de groote baan naar Brugge aan wederzijde bezet was door eenen grooten toevloed van hoogstaltige mannen met lange baarden[30], en bijna even hoogstaltige vrouwen.
De hertog van Normandië, toen zij meer genaderd waren, keek met eene bijzondere aandacht en met nieuwsgierigheid naar deze lieden, die hem voorkwamen als een vreemd en hem nog onbekend volk.
"Het zijn de Kerels waarvan men u reeds dikwijls heeft gesproken", zeide de graaf.
"Ha, dit zijn nu Kerels!" murmelde Willem van Normandië. "Zij hebben waarlijk het voorkomen van halve wilden met die leelijke baarden!"
In de kleeding dezer Kerels heerschte vooral de blauwe verf[31]; ook der vrouwen optooi was geheel blauw, behalve dat hun lijnwaden kapmanteltje bezaaid scheen met witte bloemstippen op donkerblauwen grond. Maar wat aan de welhebbende Kerlinnen, nu zij hun feestgewaad hadden aangetogen, het opmerkelijkste voorkwam, was de groote hoeveelheid goud en zilver waarmede zij waren behangen: hoofd, hals, borst, ooren, handen glinsterden bij hen met voorwerpen van kostelijk metaal. Ja, zelfs de vele kinderen, die hen volgden, droegen insgelijks zulke kostbare versiersels.
Elke Kerel voerde aan zijne zijde een krom zwaard, dat hij zijne scarmsax of schermzeis noemde, en waarvan het gevest bij sommigen met zilveren drijfwerk was opgeluisterd.
Toen de vorsten hen gingen naderen zwaaiden de Kerels en hunne vrouwen hoeden en handen, en deden de lucht onder eenen machtigen welkomsgroet hergalmen. Graaf Karel scheen gevoelig aan deze hartelijke uitdrukking hunner hulde en groette meermalen met minzaamheid onder het voorbijrijden.
"Maar het zijn boeren, niet waar?" vroeg de hertog van Normandië verwonderd. "Waarom dan voeren zij zwaarden, als waren zij edelgeborenen?"
"Ja, landbouwers zijn zij", antwoordde de graaf, "maar niet zooals men dit in Frankrijk verstaat. Deze Kerels beweren van oude tijden af vrij te zijn, evenals de beste ridder. Eenen Kerel zonder zwaard ontmoet men nooit. Mijne voorgangers en ik zelf hebben vele pogingen aangewend om het recht tot het dragen van wapens hun te ontnemen; maar dewijl zij zeer manhaftig zijn en zij dit recht als een teeken hunner vrije geboorte aanzien, zouden zij veeleer zich tot den laatste toe laten dooden dan hun zwaard af te leggen."
"En is het waar, heer graaf, zooals uw hofraadsheer mij zeide, dat zij weigeren u eenige schatting te betalen?"
"Inderdaad, het betalen eener schatting aanzien zij als het teeken der dienstbaarheid; als vrije mannen willen zij zich daar niet aan onderwerpen; maar wanneer ik hun verzoek mij eene hoeveelheid marken zilvers te leveren, als hun deel in de kosten van 's lands bestuur of van den oorlog, dan beraadslagen zij onder elkander daarover en schenken mij de gevraagde hulp uit gelden die zij te zamen brengen en hunnen Gildenschat noemen."
"En zij zouden kunnen weigeren?"
"Zeker, dewijl zij het aanschouwen als eene vrijwillige gift."
"Men zegt dat deze Kerels niemand gehoorzamen, noch u, heer graaf, noch uwe ambtenaars, noch hunne leenheeren."
"Zij doen mij hulde als vorst en achten zich slechts verplicht mij in geval van oorlog met wapenen te dienen. Heeren hebben zij niet. Zij verwerpen allen invloed eener hoogere overheid in het bestuur hunner zaken."
"Maar uwe kasteleins hebben dan volstrekt niets te gebieden?"
"De overheid mijner kasteleins strekt, in dit gedeelte van mijn graafschap, niet verder dan het gebied der bemuurde steden. Daar benoem ik de schepenen; maar de Kerels, in het veld en in de opene steden, hebben hun land in zekere kringen verdeeld. Elke kring vormt een rechtsgebied, dat zij een _Ambacht_[32] noemen, en de bewoners van zulk Ambacht kiezen zelven, bij meerderheid van stemmen, hunne oversten en hunne rechters. Zij leven waarlijk in eene bijna volledige onafhankelijkheid van de kroon, en weigeren zelfs mij rekening te geven van hetgeen zij aangaande het bestier hunner zaken beslissen of verrichten."
"En gij kunt zulken toestand van zaken dulden, heer graaf?" riep Willem van Normandië, met eene verontwaardiging welke hij niet geheel kon bedwingen. "Mher Tancmar heeft gelijk, het is eene miskenning uwer overheid en eene bloedige vernedering voor alle ridders die gedwongen zijn zulke grove boeren als hunne gelijken te erkennen. In welk oord der wereld vindt men nog zulke monsterachtige inrichting?"
"Ja, ja, ik denk er dikwijls aan", mompelde de graaf, "maar de Kerels hebben een geschreven recht dat ik, bij mijne troonsbeklimming, heb gezworen te eerbiedigen."
"Wat doet het? Is alles op aarde niet van natuur veranderlijk? En zou een vorst gedwongen zijn te eerbiedigen wat schadelijk is voor zijn land of wat inbreuk doet op zijne wettige overheid?"
"Het is eene zaak van tijd, heer hertog", antwoordde de graaf zeer bedaard. "De wetten van het zoogenaamd Kerlingaland zal ik veranderd krijgen; het is zelfs, ik beken het, een voornaam doel van mijn streven; maar ik wil mijn gansche graafschap niet overdekken met bloed. De zaak is moeielijker dan gij meent. Misschien zal ik door geduld en voorzichtigheid meer bekomen dan door geweld."
"De koning, mijn broeder, heeft u de hulp van zijn leger aangeboden. Men kon dit trotsche gebroed in weinige dagen verpletten en voor altoos terugwerpen in de dienstbaarheid, waar het nooit hadde mogen uit opstaan."
"Dit is de groote vraag", mompelde graaf Karel in zich zelven. "Zijn de Kerels van Vlaanderen wel ooit dienstbaar geweest?"
"Maar wat slag van volk is dit dan, en van waar zijn ze hier te lande gekomen?"
"Daarover zou de oude Littra, een geleerd kanunnik van St-Donaas te Brugge, u beter dan ik bescheid kunnen geven," antwoordde de graaf. "Hij weet uit de oude kronieken wat er in vroegere eeuwen is geschied. Volgens hem wonen de Kerels reeds van den tijd der Romeinen in Vlaanderen, en zijn hetzelfde volk als de Angelsaksen, die eertijds onder hunne aanleiders Hengist en Horsa het Britsche eiland, dat is Engeland, veroverden."
"In uw graafschap vindt men dus volkeren van verschillig geslacht?"
"Toch niet, heer hertog: al de bewoners van Vlaanderen zijn van Germaanschen oorsprong; en is er eenig plaatselijk verschil in hunne spraak, zij hebben toch eene gemeene taal, welke zij Dietsch noemen en die in al de landen langs de zee wordt gebezigd, van Denemarken af tot op de grenzen van uw hertogdom Normandië."
"Dus zouden de Kerels van hetzelfde volk zijn als de Saksische bewoners van Engeland?"
"Het moet zijn, hertog; want de taal, de zeden en de wetten der Kerels hebben nog eene opmerkelijke gelijkenis met hetgeen men desaangaande in Engeland vindt."
"Maar zijn ze dan nog zoo machtig en talrijk dat gij vreest ze tot onderwerping te dwingen, heer graaf?"
"Machtig, ja, in zeker opzicht, vooral door hunne onverschrokkenheid en den rijkdom van sommige geslachten. Vroeger waren het al Kerels, die gansch het Westelijk Vlaanderen bewoonden, van de stad Boulogne af tot Kortrijk, en zoo naar de Zeeuwsche eilanden op tot over de kust van Holland en Friesland. Door verloop des tijds hebben vele streken reeds zich aan de algemeene wetten van het Frankische rijk onderworpen, en dezen noemen zelfs zich geene Kerels meer; maar de bewoners der Vlaamsche zeekust, tot voorbij Yperen, Thourout en Brugge, hebben hunne oorspronkelijke zeden en wetten met hardnekkigheid verdedigd en ze tot nu toe behouden, ondanks de onophoudende pogingen van vorsten en ridders."
"En zijn er geene edelen onder hen?"
"Neen; maar, zooals ik u zeide, hertog, onder hen heeft men zekere voorname lieden die eenen grooten invloed op de menigte uitoefenen. Zoo hebben wij in Brugge een Kerlengeslacht dat uitnemend rijk en machtig is, en welks leden men de Erembalds noemt. Deze zijn zeer hoog geacht en zoo invloedrijk, dat het waarlijk, zooals gij ten onrechte meent, een hoon voor mij en voor mijne edelen is, door hen eene overheid te zien uitoefenen die mij en mijnen ridders wordt ontzegd."
"Maar die schreeuwende schennis uwer kroon kan niet voortduren, heer graaf!" kreet Willem van Normandië. "De gansche ridderschap zal u betichten van zwakheid!"
"Ik herhaal het u", zeide de graaf, het hoofd schuddende, "die toestand zal veranderen; maar ik moet tijd en gelegenheid afwachten om dit doel te kunnen bereiken zonder groote bloedstorting. Ik wil mijne kroon aan dit gevaarlijk spel niet wagen. Wat mij tot geduld aandrijft is de goede wil dien sedert eenigen tijd de Kerels mij betoonen; ik heb de hoop dat ik, zonder geweld, hen zal kunnen doen toestemmen in het vrijwillig overeenbrengen hunner wetten met de algemeene wetten van Vlaanderen. De Kerels, ziet gij, heer hertog, zijn de beste en nijverigste landbouwers, werklieden, koophandelaars en zeevaarders die men vinden kan. Een oorlog tegen hen zou voor langen tijd de openbare welvaart in Vlaanderen vernietigen."
"Maar, heer graaf!" bemerkte Willem van Normandië verwonderd, "gij spreekt zoo welwillend van deze Kerels! Uw hofraadsheer Tancmar schilderde ze mij af als een verachtelijk ras van grove dorpers, van moordenaars en dieven."
"Mijn hofraadsheer overdrijft. Hij haat de Kerels onzeglijk. Het schijnt, dat het eene oude veete van zijn geslacht tegen het geslacht der Erembalds is."
"Toch niet, heer graaf, gij misgrijpt u daarover", wedervoer Willem; "mher Tancmar verfoeit de Kerels met recht, omdat zij uwe overheid miskennen. Wat gij zijnen haat noemt, is niet anders dan de verontwaardiging hem ingeboezemd door zijne eindelooze verkleefdheid aan zijnen vorst."
"Inderdaad, Tancmar is mij zeer verkleefd, en ik ben hem er dankbaar voor; maar ik wil mij door zijnen raad tot geene onvoorzichtigheid laten drijven. Niet alles, wat hij over de Kerels zegt, is gegrond."
Willem van Normandië wenkte den hofraadsheer Tancmar. Deze bracht zijn paard nevens de vorsten.
"Het schijnt, mher Tancmar", zeide hij, "dat gij de Kerels bij mij hebt gelasterd, of ten minste hunne ondeugden zeer hebt overdreven. Uw heer graaf meent dat een bijzonder gevoel van haat u verblindt."
"Geliefde mijn heer graaf het mij toe te laten", antwoordde de hofraadsheer op eerbiedvollen toon, "dan zou ik durven beweren dat zijne al te groote goedhartigheid hem verblindt. De Kerels zijn godvergetene, woeste, schaamtelooze lieden, die de overheid van onzen vorst met schuldige trotschheid miskennen en verachten. Ik wil het bewijzen ..."
"Nu, nu, raadsheer, laat die bewijzen achter; wij kennen ze sedert lang", morde de vorst met zichtbare ontevredenheid. "Het lust mij heden niet den bedroevenden kant der dingen te zien. Doe mij het vermaak voor alsnu daarvan te zwijgen."
"Naar uw believen, heer graaf", murmelde Tancmar, het hoofd buigende, terwijl hij den toom van zijn paard spande en daardoor het dier dwong achteruit te blijven.
Op dit oogenblik kwam een ridder van den kant van Brugge gereden en deze meende de vorsten, onder het uitspreken eener eerbiedvolle groetenis, voorbij te gaan om de ridders van het gevolg te vervoegen; maar graaf Karel reikte hem glimlachend de hand toe, vraagde hem minzaam hoe het hem ging, en liet hem niet doorrijden dan na met hem eenige vriendelijke woorden te hebben gewisseld.
"Een schoon jonkman, een zeer hoofsch ridder", bemerkte Willem van Normandië.
"Hij is een Kerel", zeide de graaf.
"Een Kerel? Onmogelijk!"
"Ja, een Erembald van Brugge; zijn naam is Robrecht Sneloghe. Zijn vader, zaliger gedachtenis, was kastelein van Brugge en mijn bijzondere vriend en wapenmakker, van voor den tijd dat ik tot het graafschap werd verheven. Ik draag daarom dezen jongen ridder zekere genegenheid toe. Men zou het niet vermoeden, heer hertog, maar deze Kerel is misschien wel de rijkste man van geheel mijn graafschap."
Zoo over de Kerels koutende, vervorderden de beide vorsten hunnen weg. Zij waren Zedelghem voorbij en zouden in min dan een uur de stad Brugge bereiken ...
Zeer lang reeds, ja van in den vroegen morgen zelfs, werden zij afgewacht door de bevolking van Brugge en der omstreken, die vroolijk en luidruchtig over de Markt krielde waar de graaf met plechtigheid en met vreugdebewijzen zou worden onthaald. Bovenal verdrong zich de menigte rondom eene houten stelling die men te midden van het plein had opgetimmerd.
Vele werklieden waren nog druk bezig aan de laatste versiering van dezen hoogen vloer, waarop de graaf van Vlaanderen de hulde zijner leenmannen en der stadsbestuurders zou ontvangen. Men bracht kostelijke zetels uit den Burg, men spreidde bonte tapijten uit, men hechtte kleurige baanders en vlaggen aan hooge stijlen.
De gevels der huizen rondom de Markt waren overdekt met groene twijgen en met bloemen; uit vele vensters hingen roode lakens; zelfs hadden sommige poorters voor hunne deuren looverrijke boomkens geplant en daaraan schilden gehangen waarop de letter K, de vorstelijke kroon en de leeuw van Vlaanderen ter eere van graaf Karel zeer dikwijls waren herhaald.
Boven elken ridderlijken Steen, op de torenspits of op het dak, waaide een standaard met de wapenteekens van den bewoner.
Om al deze toebereidselen van naderbij te kunnen zien, vlotte het volk van de eene zijde der Markt naar de andere. Er heerschte voortdurend een dof gerucht als het gebruis eener verre zee, slechts nu en dan onderbroken door eenige luidruchtige vreugdekreten. Op aller gelaat blonk een heldere lach, en het was zichtbaar dat de plechtige terugkomst des graven met blijdschap werd afgewacht.
De rondstroomende menigte bestond grootendeels uit Brugsche poorters, reeds uit de verte herkennelijk aan de zwarte of bruine verf hunner kleederen, welke op alle boorden omzet waren met donker pelswerk. Zij droegen het haar kort, en hun baard was geheel geschoren. Door deze beide laatste omstandigheden onderscheidden zij zich terzelfder tijd van de leenheeren of edelen, wier haar in lokken op de schouders daalde, en van de Kerels uit de Ambachten, die hunne baarden lieten groeien.
Vele lijfeigenen of dienaars, zeer armelijk in ongebleekt linnen gekleed, liepen met houten schoenen of blootsvoets. Zij hielden zich meest stil en ingetogen bij en rondom de St-Christoffelskapelle.
De Kerels uit de naaste Ambachten hadden de uitnoodiging hunner Brugsche beschermers in groot getal beantwoord; zij stonden in groepen verspreid met hunne vrouwen en kinderen, en men kon ze van zeer verre herkennen aan hunne blauwe kleeding en hunne kromme zwaarden.
Op eenige stappen van de houten stelling stond een Kerel die, alhoewel niet bijzonder groot, om de sterkte zijner leden vele poorters verwonderd deed opkijken. De dikke baard die hem op de borst hing begon reeds te vergrijzen; zijn aangezicht was getaand en rimpelig als van iemand die in zijn leven veel en zwaar heeft gewerkt.
Op elk zijner breede schouders zat een jongsken van zeven of acht jaar. Hij had zijne kinderen dus opgeheven om hun toe te laten over de hoofden der omstanders te zien wat de arbeiders op den verheven vloer doende waren. Onderwijl koutte hij met zijne vrouw, die nevens hem zich hield.
"Maar Arnulf", bemerkte zij op dit oogenblik, "de graaf laat zich zoolang wachten; zijt gij zeker dat hij voor den middag nog zal komen?"
"Gansch zeker, Strena", was het antwoord. "Gij hebt wel gezien dat de proost en de kanunniken van St-Donaas, met de ridders en met schepenen van Brugge, door de Steenstraat hem zijn te gemoet gegaan?"
"Het is meer dan een uur geleden, Arnulf. Moeten zij nog van zooverre terugkeeren, dan zullen zij ongetwijfeld tot den middag en langer uitblijven."
"Neen, gij bedriegt u, Strena: zij bevinden zich allen wachtend op het Zand. Gij weet wel, het groote onbebouwde plein, even buiten de poort die naar Thourout leidt? Van daar zullen zij al te zamen den graaf tot op deze stelling geleiden."
"Laat ons dan naar het Zand gaan", zeide de vrouw. "De kinderen zouden zoo het gezicht van gansch de feestelijkheid kunnen genieten."
"Integendeel, Strena, op zulke wijze zouden zij de bijzonderste plechtigheid missen. Het Zand krielt waarschijnlijk van volk. Wanneer de graaf nu de stad binnenrijdt, zullen al deze menschen hem willen volgen. De Steenstraat is niet breed; er zullen vele paarden zijn. In dit gedrang met kleine kinderen zich begeven ..."
Hij zweeg eensklaps, zette met eene haastige beweging de beide kinderen ten gronde, en verhief zich op de teenen en rekte den hals om over de menigte te kunnen heenzien.
Zijne vrouw aanschouwde hem verwonderd.
"Wat bemerkt gij zoo verrassends, Arnulf?" vroeg zij. "Komt de graaf?"
De Kerel greep zijne vrouw de hand, trok haar tot zich en, met den vinger in eene zekere richting naar het volk wijzende, zeide hij zeer stil:
"Strena, ziet gij, ginder verre tegen dien hoogen Steen, den man met zwarten baard?"
"Ja, zeer wel", antwoordde zij.
"Herkent gij hem?"
"Neen, Arnulf, ik heb hem nooit ontmoet, dat ik wete."
"Is het niet Warad Valk, van Dudzeele?"
"Wat? de moordenaar uws broeders?" kreet de vrouw verschrikt. "Gij misgrijpt u: die man is Warad niet."
"Hij is het, zeg ik u, Strena."
"Neen, neen, dit verhoede de hemel!" zuchtte de vrouw. "Zulke ontmoeting op dezen dag? Het ware een noodlottig toeval!"
"Ongelukkig toeval, inderdaad; maar ik mag den dood van mijnen armen broeder niet ongewroken laten."
"Wat gaat gij doen, Arnulf?" morde zij, hem angstig bij den arm vattende.
"Gij kunt het vermoeden", antwoordde hij op somberen toon. "Plicht is plicht; weerhoud mij niet; blijf stil en waak over de kinderen. Gebaar u alsof gij niets had bemerkt. Heb ik mij misgrepen is die man Warad niet, dan kom ik onmiddellijk bij u terug."
Hij drong vooruit en verdween tusschen de menigte.