De Kerels van Vlaanderen

Part 6

Chapter 6 3,861 words Public domain Markdown

"Nog niet. Hij zal insgelijks te Yperen eene plechtige intrede doen en keert dan onmiddellijk weder naar het leger.... Maar zeg mij, mher Van Woumen, ik heb in Brugge iets vernomen, zoo verrassend en zoo ongeloofelijk, dat ik nog zou twijfelen, al verzekerdet gij zelf het mij...."

Het gelaat van Rijkaard werd streng en mistrouwend. Hij voorzag waarover Tancmar hem ging onderhouden.

"Aangaande mher Robrecht Sneloghe?" murmelde hij.

"Inderdaad; men zeide mij dat er spraak is van een huwelijk tusschen uwe dochter en mher Sneloghe."

"Men heeft u niet bedrogen", wedervoer Bijkaard met fierheid, als wapende hij zich op voorhand tegen eene waarschijnlijke aanvechting. "Dit huwelijk is besloten."

"Besloten?" riep Tancmar.

"De beloftegift is dezen morgen aanvaard; nog eene maand en het zal voltrokken worden."

"Ik geloof het niet, mehr Van Woumen."

"Waarom?"

"Omdat de graaf zelf desnoods het u zal afraden; en gij, vriend Rijkaard, zoudt wel zeker zijnen raad volgen, tenzij gij voorgenomen haddet, evenals de Kerels, juist dat te doen wat den vorst kan mishagen."

"De graaf weet niets van het ontworpen huwelijk. Gij zijt het dus die hem daartoe zoudt aandrijven?"

"Ik of anderen uwer vrienden, uit genegenheid voor u, in het belang uwer dochter en voor de eer van uwen naam."

"Waarlijk, ik begrijp niet wat gij wilt zeggen", riep Rijkaard met spijtig ongeduld. "Robrecht Sneloghe is uiterst rijk, een volmaakt ridder, hoofsch, edelmoedig, goed van harte en door iedereen geacht en bemind. Zijn vader, die met onzen heer graaf ter kruisvaart trok, heeft zich in het Heilige Land door zijne dapperheid vermaard gemaakt."

"Sneloghe is een Erembald, mijn vriend."

"Welnu, wat geeft dit?"

"De Erembalds zijn Kerels."

"Meent gij dan dat ik zulks niet weet?" morde Rijkaard Van Woumen.

"Eilaas, eenen goeden vriend blindelings de oneer voor zijn geslacht zien aanvaarden, het is pijnlijk!" zuchtte Tancmar.

"Maar welke oneer toch? Omdat Robrecht een Kerel is? Ik weet het, mher Tancmar, gij haat de Kerels en bovenal de Erembalds. Mij verwondert het dat gij Robrecht Sneloghe niet reeds een Blauwvoet hebt genoemd; maar Blauwvoet, Isegrim, het zijn scheldwoorden, die niets voortbrengen dan haat en twist. Mij is een vrije Kerel even waardig als een edelgeboren ridder."

"Maar de Kerels kunnen niet vrij blijven", wedersprak de hofraadsheer met nadruk. "Niets kan hen tegen de dienstbaarheid behoeden; het is slechts eene zaak van tijd."

"Hoe meent gij het?"

"Wel ja, mijn vriend; laat ons vooronderstellen dat de Kerels, van de barbaarsche tijden af, vrije lieden zijn geweest, zooals overigens al de barbaren, die naar het zuiden afzakken, de Romeinen uit Gallië, dat is uit Frankrijk, hebben verdreven. Nu toch, door verloop der eeuwen en door de meerdere beschaving der wereld, heeft in Frankrijk, in Duitschland, in Italië en zelfs in het grootste gedeelte van Vlaanderen het volk zijne vrijheid verloren en zijn de dorpers, arbeiders en alle laaggeboren lieden den heeren en edelen ondergeschikt en dienstbaar gemaakt. Meent gij dat de Kerels, zoo weinig sterk als afzonderlijk volk, alleen wetten en inrichtingen zouden kunnen behouden, die de gansche ridderschap moet aanzien als eene inbreuk op de vorstelijke macht en op de overheid die den edelgeborenen toebehoort?"

"Maar het is nu misschien sedert twee eeuwen dat de Kerels hunne vrijheid te verdedigen hadden", bemerkte Rijkaard. "Mij dunkt, dat ze daardoor niet zijn verzwakt."

"Inderdaad, maar nu nadert wel zeker hun einde. Tot den dag van heden bestond onder de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen veel verdeeldheid. Zij hadden geen hoofd, dat hen kon leiden en gebieden. Dit hoofd is nu de machtige en gevreesde koning van Frankrijk. Zoo, aan één opperhoofd gehoorzamende, zal de ridderschap, door hare eendracht alleen, elke zucht naar onafhankelijkheid verstikken, die ergens uit den schoot van het dorpere volk mocht opstijgen; en waar nog iets van de oude vrijheid der onedelgeborenen overblijft, daar zullen wij deze laatste sporen der barbaarsche wetten onmeedoogend vernietigen. Het is te zeggen dat de Kerels welhaast tot de dienstbaarheid zullen worden gedwongen."

"En zijt gij voornemens dit doel met geweld pogen te bereiken?"

"Met list en geweld."

"Maar het is eene schandelijke valschheid!" riep Rijkaard met verontwaardiging uit. "Gij en de andere ridders, de graaf zelf, hebt voor uw vertrek de Kerels laten gelooven dat men hun voortaan hunne vrijheid niet meer zou betwisten!"

"Wanneer men naar verre streken ten oorlog trekt, moet men den vrede achter zich in het land laten", antwoordde Tancmar met eenen slimmen glimlach.

"En nu zou onze heer graaf de Kerels bedriegen?"

"Neen; dat zulks voor alsnu ten minste zijn inzicht zij, zou ik niet durven beweren. Maar vergeet niet dat onze heer graaf eenen heimelijken wrok tegen de Kerels in het hart draagt, omdat vele Ambachten en zelfs eenige Erembalds, in den oorlog voor de Kroon, Willem van Loo tegen hem hebben geholpen. Hij wenscht daarom insgelijks de Kerels onderjukt te zien; maar hij hoopt mettertijd en zonder bloedstorting allengs dit doel te bereiken. Laat de Kerels iets bedrijven dat onzen graaf bijzonder mishaagt,--wij zullen er voor zorgen,--dan zal hij onmiddellijk doen wat de koning van Frankrijk en wat al de ridders hem raden, dit is te zeggen de Kerels verpletten en voor altijd in dienstbaarheid slaan."

"De Kerels verpletten?" herhaalde Rijkaard. "Het is zoo gemakkelijk niet. Welk ijselijk bloedbad!"

"Neen, geen bloedbad, mijn vriend. Weet gij wel dat wij, Vlaamsche ridders, met onze wapenknechten, in het Fransche leger wel tienduizend sterk zijn[29]? Wat zouden de Kerels kunnen doen, indien eene macht van tienduizend krijgslieden in de Ambachten verscheen, om daar al te verpletteren wat weerstand zou durven bieden? En ware dit ontoereikend, is geheel het Fransche leger niet daar om ons te helpen."

"Het Fransche leger zou u helpen tegen de Kerels?"

"Ja, zeker."

"Maar onze heer graaf zou het beletten."

"Nu misschien, inderdaad; maar wij kennen zoovele middelen om de Kerels tot onvoorzichtigheid aan te drijven en den graaf tegen hen verbolgen te maken!... Kom, kom, mijn vriend Rijkaard, het is ten einde met de Kerels. Geen grond zonder heer. De Kerels zullen den graaf dienstbaar gemaakt worden, en willen die vermaledijde Blauwvoeten den nek onder het juk niet buigen, welnu, dan zal men ze vernietigen en hun land met een min onplooibaar ras bevolken."

Rijkaard Van Woumen schouwde ten gronde en schudde kommervol het hoofd.

"Ha, ik wist wel dat gij eindelijk den afgrond zoudt erkennen waarin gij, door onwetendheid der zaken, u en uw onnoozel kind ging storten!" riep Tancmar zegevierend uit. "Laat ons nu vooronderstellen dat jonkver Placida met Robrecht Sneloghe getrouwd zij, op het oogenblik dat de Kerels tot den staat van onvrije lieden worden verlaagd. Uwe dochter zou dus het lot van het veroordeeld geslacht moeten deelen? Gij zelf zoudt in dezen strijd de zijde der Kerels moeten kiezen tegen den graaf en tegen de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen. De banden des bloeds zouden u er toe verplichten; want gij zoudt van der Keerlen maagschap zijn."

"Veroordeeld geslacht? De Erembalds?" mompelde Rijkaard verschrikt. "Meent gij macht genoeg op den graaf te hebben om hem de Erembalds in de vervolving te doen begrijpen?"

"Ik twijfel er niet aan", was het vaste antwoord. "Er is in alle gebeurtenissen eene natuurlijke volgorde die mij het recht geeft te denken dat de Erembalds in den val der Kerels zullen begrepen worden."

"Gij brengt mij in erge verlegenheid, mehr Tancmar."

"Maar neen, de zaak is eenvoudig. Zoek het een of ander voorwendsel om mehr Sneloghe af te wijzen. Willen de Erembalds zich daarover wreken, ik beloof u niet alleen de hulp van al de ridders, maar tevens de bijzondere bescherming van den graaf. Gij zult gemakkelijk eenen even voordeeligen bruidegom voor uwe dochter vinden ... Mijnen zoon Ghijselbrecht, bijvoorbeeld. Hij geniet 's vorsten gunst in hooge maat."

"Ghijselbrecht, uwen zoon?" herhaalde Rijkaard met eenen schertsenden glimlach.

"Ik weet dat gij hem niet genegen zijt", zeide Tancmar, "maar bij bemint jonkver Placida en zij zou hem gewillig tot echtgenoot aanvaarden."

"Is het daarom dat gij hare huwelijksbelofte met Sneloghe poogt te verbreken?" morde Van Woumen.

"Ho, neen, spreken wij er niet meer van. Later zult gij rechtvaardiger jegens hem worden. Nu, zeg mij, vriend Rijkaard, blijft gij waarlijk bij uw voornemen uwe dochter in een geslacht te doen treden dat eerlang tot den slavenstaat kan gedompeld worden?"

"Het is eene erge zaak!" zuchtte Van Woumen. "Ik wil daarover nu niets beslissen. Er blijft nog tijds genoeg over ons er op na te denken."

"Inderdaad; maar ik ben toch zeker van uw besluit. Overmorgen zullen velen uwer beste vrienden met den graaf in Brugge komen. Ondervraag hen; gij zult overtuigd worden dat ik uit plichtgevoel nog veel van de waarheid u heb verzwegen ... Nu moet ik u verlaten; mijn tijd is kostelijk: ik heb nog veel te bezorgen. Indien gij onzen vriend Walter Van Lokeren wenscht te zien, gij zult hem ten mijnent vinden tot verre op den namiddag."

"Ik zal komen", murmelde Rijkaard in gedachten, "ja, ik zal komen."

Beiden verlieten de zaal en stapten over den neerhof.

Tancmar bleef eene wijl staan en zeide tot Rijkaard met teruggehouden stem:

"Als de Kerels onderjukt zijn, worden al hunne eigendommen tot gronden der kroon verklaard. Overweeg, mijn vriend, dat, buiten eenige leenen, de Kerels geheel het land der Ambachten bezitten, van Grevelinghe af tot op de eilanden in de mondingen der Schelde. Dit schoon en rijk gewest zal dus door den graaf in leenen worden verdeeld en weggeschonken aan de ridders die 's vorsten gunst genieten. Onze graaf bemint u zeer uithoofde der vorige diensten welke gij hem hebt bewezen. Gij zult toch de kans om uwe erfgoederen aanzienlijk te vergrooten niet willen vernietigen ... Nu, vaarwel, tot dezen namiddag. Overweeg met wijsheid; want het lot uwer eenige dochter en de eer van uw geslacht hangen van de beslissing die gij zult nemen." Onder het uitspreken dezer woorden was hij tot de poort genaderd. Hij drukte nu de hand van zijnen gezel en verliet sher Rijkaards Steen.

Placida's vader keerde terug tot de zaal en liet zich daar op eenen stoel nederzakken. Hij legde zich de hand op het voorhoofd schouwde eene wijl denkend ten gronde en murmelde dan:

"Arme Kerels! Zij arbeiden in vertrouwen, zij bevaren de zee, zij beploegen den grond, zij weven, zij drijven handel, zij openen zoo voor Vlaanderen de bronnen van welvaart en rijkdom, terwijl heerschzuchtige lieden hunnen ondergang smeden!... Tancmar is de geboren vijand der Erembalds en, om dezer macht te breken wenscht hij de Kerels onderjukt te zien. Maar onze graaf zal zijne kroon aan de uitvoering dezer onrechtvaardige ontwerpen niet gaan wagen. Hij is een wijs en edelmoedig vorst ... Evenwel, wie weet, eilaas, welke gedachten de koning hem kan hebben ingeboezemd De Fransche ridders begrijpen niet dat geheel een volk uit vrije mannen kan bestaan. De geest van onafhankelijkheid, dien de Kerels tegenover elkeen, zelfs tegenover den vorst toonen behaagt onzen graaf niet ... Zoo Tancmar mij de waarheid had gezegd? Ik ben vader: mijn kind mag ik niet opofferen ... Maar indien Tancmar mij had bedrogen? Droeve onzekerheid!"

Hij stond op en begaf zich met tragen stap naar den tuin, intusschen zeer bezorgd om te weten welke houding hij nu jegens Robrecht Sneloghe zou aannemen; maar bij geluk vond hij den jongen ridder bezig met eene groetenis uit te spreken, om voor dien dag afscheid van zijne verloofde te nemen. Hij meende te bemerken dat, terwijl Robrecht tot vaarwel Placida de hand drukte, zijne dochter haren toekomenden echtgenoot eenen blik toestuurde vol teedere minzaamheid. Dit gezicht bedroefde hem nu, om reden dat de liefde, indien zij met zekere innigheid tusschen de jongelieden ontstond, hem het te nemen besluit oneindig moeielijker zou maken, in geval hij zich gedwongen zag voor het geluk van zijn kind bet ontworpen huwelijk te breken.

Tot Robrecht naderende, zeide hij:

"Gij verlaat ons, mijn vriend? Het is waar, gij zijt reeds een paar uren hier, en er zijn tijdingen gekomen die van elk onzer eenige werkzaamheid eischen. Gij weet ongetwijfeld reeds dat onze heer graaf overmorgen in Brugge komt?"

"Ja, mher Van Woumen, ik weet het", was bet antwoord. "Zooals gij zegt, deze komst legt ons zekere plichten op die niemand onzer mag verzuimen. Wij moeten onzen vorst eene schitterende intrede bereiden."

Op de vraag van Placida en hare moeder, gaf Rijkaard eenige uitleggingen over het bericht dat des graven raadsheer hem had gebracht. Dan zeide hij:

"Ik moet ten gevolge dezer tijding onmiddellijk uitgaan. Indien Robrecht mij een eind weegs wil vergezellen?"

De jonge ridder herhaalde zijnen afscheidsgroet en volgde, zonder meer te spreken, Rijkaard Van Woumen tot in de Naaldestraat.

Dit stilzwijgen scheen Placida's vader te hinderen. Hij vroeg dan, als om toch iets te zeggen:

"Wat benevelt dan uwen geest, mijn vriend? Gij zijt zwaarmoedig"

"Ik zwaarmoedig?" mompelde Robrecht, uit eene diepe mijmering opschietende. "Ho neen, heer, ik dacht aan de onverwachte terugkomst van onzen heer graaf."

"Indien ik wel onderricht ben, dan zou inderdaad de terugkeer van onzen vorst niet even verblijdend zijn voor al de lieden van Vlaanderen. Weet gij iets van zekere onrustwekkende geruchten?"

En onder het uiten dezer woorden bezag hij mher Sneloghe aandachtig.

"Onrustwekkende geruchten?" herhaalde deze, in twijfel het hoofd schuddende.

"Ah, God dank, men zal mij bedrogen hebben!" juichte Rijkaard.

"Meent gij misschien de geruchten volgens welke de Isegrims zouden voornemens zijn de Kerels opnieuw te verontrusten en te vervolgen, zoohaast het leger in Vlaanderen wederkeert?"

"Ja, mijn vriend."

"Mijn oom, de proost, moet er iets van weten; want hij sprak mij er van met treurnis en spijt."

"Het zou dus waar zijn?" kreet Rijkaard. "De proost sprak er van met treurnis? Hij vreest dus dat men er in gelukke den Kerels het juk der dienstbaarheid op te leggen?"

"Ho, neen, dit kan een Erembald niet vreezen", wedervoer Robrecht met fierheid. "Niemand zal Kerlingaland onderjukken; maar mijn oom treurt bij het gepeins dat alweder duizenden Christenen gaan sterven om hunne bedreigde vrijheid te verdedigen."

"Zouden de Erembalds zich waarlijk de zaak der Kerels aantrekken?"

"Daaraan kunt gij niet twijfelen, heer. Wij, zonen van Erembald zijn Kerels zoowel als de vrije lieden der Ambachten, en wij zullen tegen het onrecht blijven worstelen ten koste van goed en bloed, al moest ook de laatste onzer in dien strijd bezwijken."

Deze bevestiging van Tancmars voorspelling verschrikte Rijkaard. Hij zeide dat hij naar de Zilverstraat moest gaan, drukte Robrecht ontsteld de hand en verwijderde zich.

De jongeling zette met zekeren haast zijnen weg huiswaarts voort, door de St-Jacobsstraat; maar na eene korte wijl begon allengs zijn stap meer en meer te vertragen en zijn hoofd voorover te hellen, als wierd zijn geest bezwaard door duistere gedachten.

Toen hij achter St-Christoffelskapelle kwam, bleef hij staan en keek aarzelend in het ronde, als wist hij niet meer welken weg hij zou inslaan om zich naar zijnen Steen te begeven.

In stede van de Markt over te gaan, keerde hij ter linkerhand, stapte over de Kraanbrug en daalde eene nauwe straat af, totdat hij de Spiegelrei bereikte.

Hier naderde hij den boord der vliet, staarde eene lange wijl in de diepte van het heldere water en zette dan zijne droomachtige wandeling voort onder de hooge olmen die de kade overlommerden.

Eindelijk liet hij zich, als afgemat van denken, op eene steenen bank nederzakken, en bleef daar met den blik ten gronde zitten.

Zijn lot was dus beslist, afdoende en voor altijd beslist! Hij had zich onderworpen aan de onverbiddelijke wet des plichts; hij had moed en wil getoond en zich jegens Palcida en hare ouders op zulke wijze gedragen dat zijn oom over hem moest tevreden zijn. In den eerste had deze overtuiging hem verblijd en getroost: maar nu die eerste worsteling was doorgestreden en hij zich alleen bevond met zijne gedachten, was allengs weder het beeld van Dakerlia in zijnen geest opgestaan. Zijne droomen schetsten hem nu voor de oogen het stil en gelukkig leven dat hij hadde gesleten indien hij tot aan het graf had mogen vereenigd blijven met de zoete speelgenoote zijner eerste jaren, met de teedere maagd wier beeld zijn hart gansch had ingenomen en het nog onverwinbaar beheerschte, hoe hij ook poogde, in het gevoel des plichts, krachten te vinden om het te verjagen. Ach, nu hij eeuwig vaarwel aan den schoonsten droom zijner ziel had gezegd, nu las hij met klaarheid in zijnen eigen boezem, nu kon hij afmeten wat hij had verloren en welke schrikkelijke opoffering het noodlot hem had afgedwongen! Zijne goede zuster Witta, de arme weeze, welk zou voortaan haar lot zijn? Met de trotsche Placida zou zij niet lang kunnen wonen zonder zich vernederd te gevoelen. Zij zou dus heengaan en bij magen of vreemden eene toevlucht tegen de droeve eenzaamheid moeten zoeken. Met Dakerlia hadde zij aan de zijde eener zoete vriendin, eener teedere zuster geleefd. Welk huisgezin ware op de gansche wereld gelukkiger geweest? Een hemel van genegenheid, van vriendschap en van liefde! En nu, wat zou het zijn?... Maar er was niet op terug te keeren. Zijn hart bloedde en stortte nog eens zijne treurnis uit. Voor de laatste maal! Hij was man en zou zijnen plicht vervullen. Het beeld van Dakerlia zou hij uit zijn hart rukken, zijn vorig leven vergeten, en pogen gansch en oprecht de echtgenoote te beminnen die het lot hem had gegeven.

Dit waren de gepeinzen van den lijdenden jongeling, daar hij onder de boomen, op de steenen bank, gansch bewusteloos van het overige der wereld, eenen smartelijken strijd tegen zijn eigen hart voerde.

Bij het einde dezer overweging ontsnapte hem een diepe zucht, en nog meer helde zijn hoofd voorover onder het gewicht der smart.

Terwijl hij daar beweegloos zat, naderde van den kant der Engelsche straat een ander ridder. Zoohaast deze mher Sneloghe herkende, bleef hij verrast staan en beschouwde hem met oogen waarin haat en nijd schenen te vlammen. Van dit bitter gevoel moest zijn hart overstorten; want zijne scherpe lippen trokken bevend tot eenen grijns te zamen.

Na eene wijl dus met eene soort van booze vreugde op Robrecht te hebben gestaard, gaf hij zijn gelaat eene treurige, doch minzame uitdrukking en trad langzaam tot de steenen bank.

Onder het murmelen eener groetenis zette hij zich neder met eenen diepen zucht en zeide:

"God zij dank dat Hij mij den eenigen mensch laat ontmoeten die mij kan troosten. Robrecht, ik ben ongelukkig, diep ongelukkig O, mocht ik door u vernemen dat alle hoop mij niet is ontnomen!"

"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet", mompelde mher Sneloghe.

"Robrecht, wij zijn vrienden. Laat gij mij toe u iets te vragen?"

"Waarom niet? Spreek vrij, Disdir."

"Robrecht, Dakerlia is schoon, niet waar?"

"Welke vraag! Dit weet toch iedereen."

"Ik bemin haar uit al de kracht mijner ziel; zonder hare wederliefde kan ik niet leven."

Mher Sneloghe zag hem verwonderd aan.

"En Dakerlia bemint u niet?" murmelde hij. "Het is pijnlijk inderdaad."

"Ha, zij zou zoo koel en zoo wreed niet voor mij blijven", kreet Disdir Vos met eene nijdigheid welke hij poogde te bedwingen "maar, eilaas, zij bemint iemand anders! Kent gij dien gelukkigen sterveling, Robrecht?"

"Kom, kom, mijn vriend Disdir", antwoordde mher Sneloghe, treurig glimlachende, "waarom dus met linksche omwegen mij ondervragen? Wees openhartig. Gij wilt zeggen dat ik bet beletsel ben tot uw geluk? Heeft jonkver Dakerlia dit verklaard?"

"Ho, neen, maar ik meende het uit hare woorden te verstaan. Zij bemint u wel zeker. Beken het mij, ik smeek u!"

"Wat daarvan zij, Disdir, het is haar geheim."

Eene zenuwtrekking schokte Disdirs leden, en een zucht ontsnapte hem.

"Dit behoefde ik u niet te vragen, Robrecht", zeide hij, "ik wist het sedert lang. Het is eene andere vrees die mij als een venijnige worm aan het harte knaagt. Indien gij, Robrecht, voor Dakerlia hetzelfde gevoel koestert, ben ik veroordeeld tot levenslange hopeloosheid. Indien gij, integendeel, haar niet bemint, dan zal ik hare koelheid jegens mij wel overwinnen. Wees edelmoedig ik zal, indien gij het eischt, alle hoop verzaken en mijne liefde voor jonkver Wulf in mijnen boezem versmachten; maar zeg het mij oprecht: bemint gij Dakerlia, Robrecht?"

Zonder het zelf te weten, knikte mher Sneloghe met het hoofd.

Een somber gegrol van wanhoop ontsnapte Disdir; hij stak de hand in zijn kleed en neep zich de borst ten bloede, terwijl een traan van afgunst of van smart in zijne oogen blikkerde.

"Gij hebt mij niet begrepen, Disdir", zeide Robrecht, door medelijden ontroerd.

"Aldus gij bemint haar niet?" kreet mher Vos.

"Ik heb haar inderdaad bemind ..."

"O, hemel! En nu?"

"Nu is die liefde door den plicht en door God zelf mij verboden Ik ga trouwen-"

"Trouwen?"

"Met Placida Van Woumen. Ik kom van sher Rijkaards Steen. Jonkver Placida heeft dezen morgen mijne beloftegift aanvaard. Binnen eene maand zal ik haar echtgenoot zijn. Mijn oom de proost heeft dit huwelijk bereid."

"Ha, dank, dank!" murmelde Disdir. "Gij ontlast mijn hart van een versmachtend gewicht."

"Ik geloof inderdaad, Disdir, dat mijn huwelijk met jonkver Van Woumen het u gemakkelijker zal maken de hand van Dakerlia te bekomen. Dit gezegde kwetse u niet. Gij weet dat Dakerlia bijna van kindsbeen af met mijne zuster Witta is opgevoed geworden. Geen wonder diensvolgens dat er allengs een gevoel van wederzijdsche genegenheid in ons is ontstaan, zonder dat wij het zelven wisten ..."

"Zonder dat gij het wist?" onderbrak Disdir met eenen glim van blijdschap.

"Slechts dezen morgen, bij de aankondiging van mijn huwelijk ontsnapte ons dit geheim."

"En gij hadt nooit te voren uwe liefde bekend?"

"Noch ik, noch zij. Geen woord had ooit deze geheime zucht onzer harten verraden."

"Ach, bedriegt gij mij niet, Robrecht?"

"Wanneer heb ik iemand bedrogen? Ik ben niet verplicht u dit alles te zeggen; maar ik gevoel te diep in mijnen eigen boezem wat gij moet lijden. Daarom poog ik u te troosten."

"O, heb dank!" riep Disdir Vos, zijnen vriend de hand drukkende "Het is als gaaft gij mij, met de verlorene hoop, een nieuw leven weder. Durfde ik van uwe edelmoedige vriendschap eene weldaad afsmeeken ..."

"Spreek; wat mogelijk is zal ik gaarne doen."

"Indien gij bij jonkver Dakerlia eenige goede woorden ten mijnen voordeele wildet spreken? Naar u zal zij luisteren-"

"Onmogelijk!" antwoordde Robrecht met eenen zucht, "Gij begrijpt het, niet waar? Als eerlijk ridder moet ik mijne toekomende echtgenoote eerbiedigen en mijnen plicht jegens haar vervullen Tusschen jonkver Dakerlia en mij mogen geene betrekkingen meer bestaan. Kan ik haar naar mijnen wensch geheel ontwijken, dan zal ik haar zelfs in vele maanden niet meer zien."

"Gij hebt gelijk, ja, gij hebt groot gelijk!" juichte Disdir.

Na eene wijl vroeg hij, alsof hij eene overweging voortzette:

"En is uw huwelijk wel zeker vastgesteld? Er is niet meer op terug te komen?"

"Onverbrekelijk vastgesteld, vermits jonkver Van Woumen daarop mijne beloftegift heeft ontvangen."

"En gij verzaakt Dakerlia voor immer?"

"Uwe vragen zijn stout en indringend", antwoordde Robrecht met lichte spijtigheid. "Ware ik nog vrij, dan zeker zou ik aan geen mensch ter wereld de hand van Dakerlia afstaan. Nu even wel kost het mij niets u te bevredigen door u te zeggen dat ik desaangaande alle hoop heb verzaakt. Ik wensch uiterharte dat gij gelukket; geloof mij, ik zou Dakerlia willen getrouwd zien."

Robrecht stond op en, de hand drukkende die hem werd toegereikt zeide hij nog met eene uiterste goedheid: