De Kerels van Vlaanderen

Part 5

Chapter 5 3,814 words Public domain Markdown

"Verlangt gij inderdaad, mehr Sneloghe", vroeg hij met nog meer klem, "dat ik onze magen en vrienden doen terugroepen om hun aan te kondigen dat gij liever nog Kerlingaland aan verdelging en slavernij ten prooi geeft dan de hand te aanvaarden der schoonste en rijkste erfgename van Vlaanderen? Gij aanroept de gedachtenis uws vaders? Meent gij misschien dat zijne ziel juicht, daar hij ziet hoe zijn eenig zoon zijn geslacht verraadt en weigert te gehoorzamen aan mij die de erfgenaam ben zijner overheid op aarde? Gij antwoordt mij niet? Is alle gevoel van eer en plicht eensklaps in u gestorven? Weigert gij dan de minste opoffering voor het welzijn van Kerlingaland? Wilt gij de vermaledijding te gemoet gaan van een gansch volk, dat door uwe zwakmoedigheid kan veroordeeld worden tot eeuwige slavernij? Ha, ha, ware jonkver Dakerlia hier met ons, en eischte ik van haar, tot redding onzer vrijheid, zulke opoffering, meent gij dat zij, die eene vrouw is, zou weigeren? Is zij geene Kerlinne?"

Robrecht stond op. Zijn gelaat droeg nog wel den stempel eener diepe droefheid, doch in zijne oogen fonkelde eene genster van beradenheid.

"Heer oom, staak uwe bittere verwijten", zeide hij, "zij zijn overbodig."

"Hoe meent gij het?"

"De wreede strijd is over in mij. Het kost moeite. Ik dwaalde; gij hebt gelijk. Hoezeer ik ook hadde gewenscht dit huwelijk te kunnen ontwijken, ik erken mijnen plicht en onderwerp mij aan de noodzakelijkheid."

"Oprecht? Ernstig?"

"In vollen ernst. Wees gerust: eer een half uur verloopen zij, zal jonkver Placida mijne beloftegift ontvangen hebben. Zooals gij zegt, oom, Dakerlia zal begrijpen dat de plicht jegens Kerlingaland...."

"Dank zij God, die u mijne genegenheid en achting waardig laat blijven!" juichte de proost met onverborgene blijdschap. "Ga, mijn goede neef, haast u; want onze vijanden zijn waakzaam."

Bij de deur hield hij mher Sneloghe met de hand terug, als schoot er een onrustwekkend gepeins door zijnen geest, en zeide:

"Robrecht, indien gij door de zuurheid of de treurigheid uws gelaats gingt toonen dat dit huwelijk u bedroeft? Indien gij door de koelheid uwer woorden jonkver Placida tot eene weigering deedt besluiten of een uitstel deedt vragen, meent gij dat gij jegens uw geslacht niet even schuldig zoudt zijn?"

"Vrees niet, heer oom", antwoordde de jonge ridder, "mijn besluit is genomen, rechtzinnig genomen; ik zal onderwege mijne krachten verzamelen en, wees zeker, mij zal de moed niet ontbreken om mijnen plicht tot het einde te volbrengen."

"Toon u ten minste een weinig lieftallig voor jonkver Placida."

"Hoofsch en minzaam moet een ridder immer met jonkvrouwen zijn. Dit kan ik niet vergeten. Placida is schoon en bevallig. Ik zal mij aan het denkbeeld van dit huwelijk pogen te gewennen. Hopen wij dat er later ook liefde voor jonkver Van Woumen in mijn hart zal groeien. Wel schijnt het mij nu moeilijk; maar de wil van eenen man, als hij eenen duren plicht vervult, kan wonderen wrochten...."

"Zoo is het wel, mijn goede Robrecht!" riep de proost, hem juichend op den schouder slaande. "Ga nu spoedig met mijnen groet en mijnen zegen."

Hij meende zich naar de Hof straat te richten; maar nu schoot hem eensklaps de herinnering te binnen, dat hij de juweeldoos in zijne woning had gelaten. Zonder beloftegift kon hij niet tot jonkver Placida gaan.

Het hoofd met mismoed schuddende, begaf hij zich naar de Hoogstraat. Wel vertraagde hij zijnen stap en wel scheen hij soms te willen staan; maar het lot en de plicht dreven hem naar zijnen Steen.

Hij trad bevend in de zaal waar hij Dakerlia nog meende aan te treffen. Zijne zuster was gansch alleen. Dit gaf hem eenige sterkmoedigheid weder.

Terwijl Witta bij zijne eerste woorden reeds in tranen van medelijden losborst, poogde hij haar te doen begrijpen dat zij allen met verduldigheid zich onderwerpen moesten aan den onverbiddelijken plicht. Hij, Robrecht, mocht nu met Dakerlia niet meer spreken. Jonkver Wulf zou dit zelve wel erkennen. Witta zou haar gaan zeggen dat alle hoop was verloren. Zij beloofde, op het dringend verzoek haars broeders, alles aan te wenden wat mogelijk was om hem bij Dakerlia te verontschuldigen en hare arme vriendin te troosten.

Mher Sneloghe stak de juweeldoos in de tasch die hem aan den gordel hing en verliet zijnen Steen met opgehouden tranen in de oogen.

Hij stapte haastig voort tot op de Markt. Hier bleef hij staan en wreef zich met kracht over het voorhoofd, als om de volle bewustheid van zijnen toestand te bekomen. Na eene wijl overwogen te hebben mompelde hij treurig in zich zelven:

"Vaarwel, vaarwel, o schoone droom die den hemel voor mijne oogen had geopend! Een enkel uur hebt gij geduurd ... om mij de slachtoffering bitter en schrikkelijk te maken! Het is gedaan: uwe herinnering zelve wil ik uit mijne hersens vagen. Ach, het lot is mij wreed; maar de plicht is eene stalen wet. Ik ben man en Kerel; geene zwakheid!"

En na het uitspreken dezer woorden, stapte hij langzaam en immer denkend over de Markt, en verdween achter St-Christoffels-kapelle.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 16: Deze oude toren is ingestort ten jare 1316. Zie DESPARS, _cronycke_, enz., I, pag. 395.]

[Voetnoot 17: "Burchard, die wreede, woedende, onversaagde krijgsman, begaafd met eene wonderlijke lichaamskracht."

GALBERTUS, uitgegeven door Guizot, _Collection des Mém. rel. à l'hist. de Fr._, tom. VIII, pag. 314.]

[Voetnoot 18: Over dezen krijgstocht van den graaf van Vlaanderen in Aquitanië met den koning van Frankrijk, zie SUGER, _Vie de Louis-le-Gros_, uitgegeven door Guizot, tome VIII, pag. 132.]

[Voetnoot 19: Thor, de krijgsgod der Romeinen, werd verbeeld met eenen zwaren hamer in de hand. Men zegt daarvan nog in Brabant, van iemand die zeer verbaasd of verbluft is: _hij staat als van den hamer geslagen_.]

[Voetnoot 20: "De tol der dienstbaarheid, gezegd _half have_ en _Balfaert_, ook geheeten _beste hooft_."

VICTOR DE RODE, _Ann. du Comité Fl. de Fr._, t. VIII, pag. 145.]

[Voetnoot 21: Deze Willem Van Loo, burggraaf, dit is kastelein van Yperen, was kleinzoon van Robrecht-de-Vries door Philips; Karel van Denemarken was dit insgelijks, doch door Adela. Men vindt den volledigen geslachtsboom in _Vie de Charles-le-Bon par le Dr. Wagner, trad. du Danois par un Bollandiste._]

[Voetnoot 22: Tancmar had een landgoed te Straten en Burchard eene woning te Bethferkerke. Beide deze plaatsen lagen op het gebied der tegenwoordige parochie St-Andries, op eene mijl van Brugge.]

[Voetnoot 23: Bij het ontstaan der steden of vrije gemeenten was een slaaf vrij als hij ongestoord een jaar en eenen dag in de stad had gewoond."

P. BLOMMAERT, _Aloude Gesch. der Belgen_, pag. 175.]

[Voetnoot 24: Die vorm _Sher_ of _Ser_, alsdan gebruikt, is de genitivus van _heer_; het is alsof er stond: _des heeren Rijkaards steen_.]

III

Ten einde der Kuiperstraat verhief zich, verre boven de poortershuizen, de achtkantige toren van sher Rijkaards Steen.

Deze aanzienlijke woning bestond uit verschillige gebouwen, rondom een vierkante neerhof, en uit eenen tuin, waarvan de gekanteelde omheiningsmuur met zijne schietgaten op St-Pieters voorgeborchte uitzag. Zij was van alle zijden omringd met water, en eene ophaalbrug onderbrak des nachts of in tijden van gevaar hare gemeenschap met de stad.

De wijde tuin was overlommerd met hooge boomen, welker gebladerte in dit gevorderde jaargetijde zich reeds begon te sieren met de veelkleurige tinten die den komenden winter aankondigen. Dien morgen echter stond de zon glanzend aan den hemel, en de wind was even zoel en even verheugend als op eenen lentedag.

Onder de boomen, rondom eene tafel, zaten drie vrouwen te arbeiden aan zekere kostbare kleedingstukken. Eene der jongsten verwerkte zelfs goud-en zilverdraad in een zijden hoofdhulsel.

De oudste, wier haar reeds begon te vergrijzen, sloeg nu en dan eenen blik op den arbeid harer twee gezellinnen en wees hen terecht en gaf hun raad, als ware zij hier de meesteresse.

Evenwel, het was genoegkennelijk aan het eenvoudig linnen kleedsel dezer vrouwen, dat zij allen dienstmeiden waren; ja, eene zilveren schaar naast een fraai naaischrijn op de tafel en een stoel van gesneden eikenhout met een gebloemd zitkussen konden doen vermoeden dat de ware meesteresse onlangs was opgestaan en den tuin had verlaten.

Eene der beide jongere vrouwen moest geweend hebben; want zij hield mismoedig het hoofd over haar werk gebogen en hare oogen waren nog vochtig.

"Kom, Brigitta, denk niet meer aan het voorval", zeide de oudere troostend. "Gij zijt te gevoelig; en daarbij, onze jonkvrouw heeft gelijk: wij arme dienaars mogen ons met de zaken onzer meesters niet bemoeien, zooals gij het soms doet."

"Het is alweder voorbij, Martha", antwoordde het treurige meisje. "Onze jonkvrouw toont zich hard voor mij. Wat kwaad bestaat daarin dat ik mher Robrecht Sneloghe roemde?"

"Geen, inderdaad; maar waarom spraakt gij van mehr Ghijselbrecht Tancmar zonder den verschuldigden eerbied? Mher Ghijselbrecht is ridder; wij zijn lijfeigene lieden,--slaven."

"Ja, ja, slaven!" herhaalde de jonge Brigitta met eenen diepen zucht.

"En omdat gij zoo stout van eenen edelgeboren man durft spreken, heeft uwe taal jonkver Placida diep gekwetst. Zij bestrafte u met bitterheid; gij moet het ootmoedig verdragen."

Brigitta bedwong hare stem, als vreesde zij van uit den Steen gehoord te kunnen worden. Fluisterend zeide zij:

"Weet gij wat ik denk, Martha? Ik denk dat onze jonkvrouw liever mher Ghijselbrecht tot bruidegom zou hebben en dat zij nu de hand van Robrecht Sneloghe slechts aanvaardt omdat hare ouders het zoo willen; want ziet gij niet...."

"Spreek stiller nog!" onderbrak de oude vrouw, met een gebaar van angst. "Indien men u hoorde, ongelukkige!"

"Meent gij dat ik mij misgrijp? Wat denkt gij er over, Amelberga?"

"Ik, ik?" stamelde het andere jonge meisje. "Ik denk dat wij beter doen met hoegenaamd niets te denken."

"Zijn wij dan geene menschen meer?" vroeg Brigitta met eene soort van verontwaardiging in de oogen.

"Eilaas, ja", was het antwoord, "maar ik weet nog dat ik, voor drie jaren, eens door eenige stoute woorden liet hooren dat ik zulks geloofde. Ik zeide tot onze jonkvrouw, die mij al te ruw toesprak, dat ik mensch en Christen was evenals zij. Weet gij welk antwoord zij mij gaf?"

"Geen minzaam antwoord, dit is begrijpelijk."

"Zij deed mij door de schalken op den Neerhof zoo wreedelijk met roeden geeselen, dat het bloed mij van de schouders liep."

"Wee, wee, moest mij zulken hoon geschieden", kreet Brigitta

"Gij zoudt het verdragen evenals Amelberga", bemerkte de oude vrouw.

"Maar wat zoudt gij doen, Brigitta?"

"Ik zou alle voedsel weigeren totdat de honger of de schaamte mij deed sterven. Reeds meer dan eens heb ik er aan gedacht. Wees zeker, ik zou zulke mishandeling niet lang overleven."

"Nu, nu, dit is al grootspraak", schertste Amelberga, "zulke taal in den mond eener lijfeigene!"

"Ja, gij kunt het niet begrijpen", wedervoer Brigitta. "Beiden zijt gij in slavernij geboren, op een leen dat onze heer omtrent Aalst in Zeizers-Vlaanderen bezit; maar ik kwam ter wereld omtrent Loo, in het Land der Kerels, en ik ben eene Kerlinne geweest."

"Wat doet het, vermits er insgelijks dienstbare Kerels zijn?"

"Die zijn er niet, Martha. Wie zijne vrijheid verliest houdt op Kerel te zijn."

"Dan heeft waarschijnlijk uw vader zich verkocht, of de straf eener misdaad bracht hem in slavernij", bemerkte Amelberga met eenen twijfellach op de lippen.

"Ik vergeef u den spot, omdat gij onzer gewoonten onwetend zijt", wedervoer Brigitta. "Vermits wij hier nu alleen zijn en vrij kunnen kouten tusschen den arbeid, laat mij u de zaak uitleggen en gij zult begrijpen waarom er nog eenige fierheid in mijn bloed overblijft. Mijn vader heette Warnfried; hij woonde in Kerlingaland en was een vrij man; als eigenaar van eene hut en van eenen akker, was hij lid van het Gilde en had stemrecht in de vergadering van het Ambacht. Voor alle maagschap had hij eenen neef, evenals hij. Deze neef werd de oorzaak van ons aller ongeluk. Op een plechtig Gildenmaal te Loo, door het drinken van hoppebier verhit, geraakte hij in twist met eenen anderen Kerel en bracht met zijne schermzeis--dit is een zwaard--zijnen tegenstrever eenen zoo noodlottigen slag toe dat hij er van stierf. De talrijke bloedverwanten van den overledene zouden onzen neef en mijnen vader gedood hebben, zooals het recht en de plicht der _Veete_ het hun oplegden. Evenwel, zij gaven ons vrede en aanvaardden den zoen; maar het zoengeld dat zij eischten was zoo aanzienlijk, dat alwat mijn vader en zijn neef bezaten nauwelijks toereikend was om het te betalen[25]. Mijn vader bleef dan zijne hut bewonen, niet meer als eigenaar, maar als vrijlaat, zittende op een anders goed. Weinig tijds daarna, in den Houthulst op jacht zijnde, werd hij, eilaas, door een everzwijn zoo deerlijk gewond, dat men hem ter plaatse dood vond. Nu bleef mijne moeder alleen met drie onmondige meisjes, zonder maagschap en zonder eenen enkelen verdediger. Door wanhoop gedreven, reisde zij met mij en mijne kleine zusters naar het klooster ten Nonnenbosch, bij Yperen, en gaf zich zelve en hare kinderen tot lijfeigenen van het klooster aan de Priorine[26]. Zoo ben ik, zonder mijn toedoen, van vrijgeborene Kerlinne in eeuwige dienstbaarheid vervallen. Ten Nonnenbossche heeft men mij wel behandeld en mij veel schoon werk geleerd. Mijne arme moeder, die nu bij den Heer is, beschuldig ik insgelijks niet; maar de vrijheid, ziet gij, is een kostbaardere schat dan het leven; en wat moeite ik er ook toe inspanne, ik kan mij aan de dienstbaarheid niet gewennen."

Er bleef eene wijl stilte.

"Alzoo, gij zijt waarlijk vrij geweest?" murmelde Martha.

"Gij hoort het wel. Wat ik zeg is enkel waarheid. Toen onze jonkver Placida den wensch had uitgedrukt om eene jonge huismeid te vinden die handig was in naai- en stikwerk, heeft haar heer vader mij afgekocht van het klooster ten Nonnenbosche, en zoo ben ik nu zijne lijfeigene geworden."

"Maar wat kon uwe moeder anders doen?" bemerkte Amelberga. "In alle geval zoudt gij de dienaresse van vreemden geworden zijn en uwe vrijheid verloren hebben."

"Daarin bedriegt gij u", was het antwoord. "Zijn er onvrije menschen in Kerlingaland, dezen wonen op de leenen der heeren. De Kerels in de Ambachten kennen geene slaven. Hunne huisdienaars zijn ook vrije menschen die aan denzelfden disch eten met degenen voor wie zij werken. Men noemt ze niet dienaars of schalken, maar _gezellen_, en zij gaan en komen en verhuren hunnen arbeid waar en aan wien zij willen. Het eenig onderscheid bestaat daarin dat men een grondeigendom, hoe gering ook, moet bezitten om stemrecht in de vergadering te hebben[27]. Ware ik vrij gebleven, ik hadde gemakkelijk eenen Kerel tot bruidegom gevonden. Indien mijn man geen stuk grond bezat, zouden wij jaren gearbeid hebben om er een te koopen. Dan hadde ik gewoond in onze eigene hut, op onze eigene aarde, vrij en trotsch als de edelste jonkvrouw van Vlaanderen. Begrijpt gij dat ik de noodlottige daad mijner moeder betreur, en moeilijk de schaamte verkrop wanneer men mij toespreekt alsof ik zelf geen mensch was?"

"Ja, en nu begrijp ik insgelijks waarom gij zulke voorliefde voor mher Robrecht Sneloghe toont, terwijl gij van mher Ghijselbrecht Tancmar met weinig eerbied spreekt", zeide de oude Martha.

"Is het niet met reden?" antwoordde Brigitta. "Mher Robrecht is veel rijker dan mher Ghijselbrecht; hij is schooner van gelaat, zachter van gemoed en daarbij minzaam met iedereen, zelfs met ons. Hij is slechts driemaal hier geweest en heeft telkens ons gegroet. Zou Ghijselbrecht Tancmar zulks doen?"

"Dit is evenwel niet wat ik wil zeggen, Brigitta."

"Wat dan, Martha?"

"Het bloed spreekt in u."

"Ik begrijp u niet."

"Ik zal u dan iets zeggen, Brigitta, dat gij niet weet. Robrecht Sneloghe is een Kerel geweest."

"Onmogelijk. Wie Kerel geboren is blijft het zoolang hij zijne vrijheid behoudt."

"En wanneer men wil ophouden Kerel te zijn?"

"Men kan dit niet, Martha. Men is door eenen onverbreekbaren band aan het Gilde verbonden."

"Welnu, zijn vader, vroeger kastelein van Brugge, was een Kerel, in het Veurne-Ambacht geboren. Mher Robrecht zelf, meen ik, kwam ter wereld te Eggewaardskapelle, waar hij nu nog vele goederen bezit."

"Dan is mher Robrecht insgelijks een Kerel!" riep Brigitta met blijdschap uit.

"Dat hij het nog is, geloof ik zeker niet", ging Martha voort, "maar indien gij dit alles niet wist, dan heeft wel werkelijk het bloed in u gesproken, Brigitta."

"Inderdaad, het is wel mogelijk.... Ach, Martha, ik smeek u, beloof mij iets! Gij kunt veel op onze jonkvrouw. Raad haar aan mij met zich te nemen als zij, na haar huwelijk, dezen Steen verlaat. Wie weet of zij niet in Kerlingaland zal wonen? Zoo, met mher Robrecht, met eenen Kerel tot meester, zal ik mij gelukkig achten; de dienstbaarheid zal mij lichter wezen en ik zal mij misschien in mijn lot.... Stil! daar is onze jonkvrouw met mher Robrecht...."

De vrouwen stonden op en bogen ten teeken van eerbied het hoofd, doch schouwden tersluips naar hunne naderende meesters.

Bovenal hielden zij met bewondering en nieuwsgierigheid den blik gevestigd op een kostbaar juweel van Oostersche parelen en groene smaragden, dat aan den hals der jonkvrouw glinsterde en, met een kruis van vuurroode robijnen, tot op hare borst nederhing. Zij twijfelden niet of dit moest de aanvaarde gift van haren verloofde zijn. Het huwelijk zou dus binnen eenige weken worden gevierd!

Placida Van Woumen kon twintig jaar oud zijn. Zij was rijzig van gestalte en hield hals en hoofd zeer rechtop. Dit gaf haar een voorkomen van trotschheid, dat nog versterkt werd door den tragen, statigen blik harer oogen. Het blonde haar dat, evenals bij alle ongehuwde vrouwen, haar in lange lokken over de schouders golfde, was boven haar hoofd met eenen gouden band bevestigd. Gansch in witte zijde was zij gekleed.

Men zou gezegd hebben dat zij insgelijks tot het aanvaarden van dit huwelijk zekeren dwang onderging, of, ten minste, met volledige onverschilligheid zich aan den wensch harer ouders had onderworpen; want zij antwoordde slechts met korte bevestigende woorden op de hoofsche gezegden van Robrecht, en haar gelaat, alhoewel het geene teekens van ontevredenheid toonde, bleef onbewogen en koel.

Achter de jongelieden kwam Rijkaard Van Woumen met zijne echtgenoote, Ver Aldegunda.

Eenige dienaars of schalken volgden hen met leunstoelen.

Op een teeken van mher Rijkaard verliet de oude Martha met hare beide gezellinnen den tuin.

De leunstoelen werden onder eenen hoogen lindeboom geschikt. Elk nam plaats, en men zettede het afgesproken gesprek voort, terwijl een oude schalk en een jonge knaap bij de achterdeur van den Steen bleven staan om elk bevel der meesters te ontvangen.

"Alzoo, mher Sneloghe", vroeg Placida's vader, "het is wel besloten, niet waar, dat gij Ravenschoot tot zomerverblijf zult kiezen? Deze burcht staat niet verre van Brugge. Het zou ons pijnlijk vallen van onze eenige dochter door eenen grooten afstand gescheiden te blijven; maar op zulke wijze zal het zijn alsof zij ons niet had verlaten."

"O, mijne lieve Placida", riep Ver Aldegunda uit, als wilde zij hare dochter tot blijdschap opwekken, "Ravenschoot is zulk schoon landgoed, dat het geroemd wordt in gansch Vlaanderen om zijne lustige boomgaarden, waranden en tuinen! Het is tevens zeer uitgestrekt en heeft groene weiden en wildrijke bosschen. Ik ken het wel: toen mher Robrechts moeder en ik nog kinderen waren, heb ik dikwijls op Ravenschoot gespeeld. Wie hadde dan kunnen denken dat mijne dochter, mijne lieve Placida, eens daar als meesteresse den sleutelbosch zou dragen! Zijt gij niet vroolijk daarom, Placida?"

"Ja, moeder", antwoordde de jonkvrouw. "Ik weet sedert lang dat geen landgoed zoo schoon als Ravenschoot rondom Brugge ligt; maar wat mij meest verheugd is toch dat ik u bijna dagelijks zal kunnen zien en omhelzen."

"Die goede Placida!" zuchtte Ver Aldegunda ontroerd.

"Ik had een oogenblik gevreesd", zeide mher Rijkaard tot zijnen toekomenden schoonzoon, "dat gij lust kondet hebben om van het landgoed te Houthem uw zomerverblijf te maken. Het is wel een aanzienlijk eigendom, maar veel minder toch dan Ravenschoot, en het ligt bij Veurne, zoo verre van Brugge!"

Robrecht had het hoofd gebogen en scheen in gepeinzen verzonken. Daarover verwonderd, aanschouwden Rijkaard en zijne vrouw den jongen ridder met kommer.

Na eene korte stilte vroeg Placida's vader:

"Gij zijt zoo droomachtig, mher Sneloghe?"

Robrecht hief het hoofd op, sloeg met eenen glimlach den blik op Placida en zeide:

"Ja, mij boezemt de Heer eene goede gedachte in. Ik meende ze verborgen te houden tot den dag na ons huwelijk; maar dewijl jonkver Placida zoo minzaam mijne beloftegift heeft aanvaard, voel ik mij aangedreven tot onbescheidenheid. Volgens de overeenkomst tusschen u, mher Van Woumen, en mijnen oom, den proost van St-Donaas, gesloten, zal ik mijner bruid het landgoed te Houthem als morgengave[28] in vollen eigendom schenken, niet waar?"

"Zoo is het inderdaad tusschen ons bepaald geworden."

"Welnu, ik ben overtuigd dat de heer proost en geheel mijne maagschap mijn nieuw besluit zullen goedkeuren. Niet Houthem, maar wel het schoone Ravenschoot zal de morgengave mijner bruid zijn. Zoo wone dan mijne echtgenoote met mij op haar persoonlijk eigendom."

Placida's oogen glansden van ware blijdschap en van hoogmoed; hare ouders juichten luid. Ravenschoot was inderdaad zulk uitgestrekt goed, dat het alleen den rijkdom van een ridderlijk huisgezin kon uitmaken.

Terwijl men nog bezig was met Eobrecht om zijne vrijgevigheid te roemen en hij betuigde dat hij, zooveel het hem mogelijk was, alles wilde inspannen om zijne vrouw gelukkig te maken en vereerd te zien, naderde de knaap die tot dan bij de deur had gestaan.

[Illustratie: ... Robrecht hief het hoofd op. (bladz. 64)]

"Heer", zeide hij tot Van Woumen, "er is een ridder in de zaal; hij verlangt u te spreken."

"Ik heb nu geenen tijd", mompelde Rijkaard ontevreden. "Verzoek hem na den middag te willen wederkeeren."

De knaap trok de schouders op, als wilde hij betuigen dat zulke boodschap moeilijk was.

"Wie is dan deze ontijdige bezoeker?" vroeg zijn meester.

"De hofraadsheer Tancmar Van Straten", was het antwoord.

Mher Rijkaard stond met verrassing op.

"Tancmar? 's Graven raadsheer?" herhaalde hij. Zou hij waarlijk van het leger teruggekeerd zijn? Zeker, hij brengt belangrijk nieuws.... Nu, Aldegunda, blijf intusschen met onze jongelieden nog wat kouten. Ik keer zoo spoedig mogelijk tot u weder."

Deze woorden sprekende, begaf hij zich naar den Steen en trad in eene groote zaal, waar hij een reeds bejaarden ridder, die hem met bewijzen van vriendschap te gemoet kwam, de handen hartelijk drukte.

Na de eerste grotenissen gewisseld te hebben, zeide Rijkaard:

"Zoo, zoo, mher Tancmar, gij zijt terug van den oorlog?"

"Niet voor goed, vriend Van Woumen", was het antwoord. "Ons leger blijft nog te Atrecht; maar de graaf komt overmorgen naar Brugge."

"Onze graaf komt overmorgen te Brugge?"

"Ja. Op mijn verzoek heeft hij mij met Walter Van Lokeren afgezonden om zijnen voornamen leenhouders de tijding zijner komst te brengen; want hij verlangt met plecht te worden onthaald, om reden dat eenige Fransche ridders hem zullen vergezellen, onder anderen de jonge Willem van Normandië, 's konings gunsteling. Gij zult niet nalaten, mher Rijkaard, onzen graaf te gemoet te gaan?"

"Zeker niet; ik zal mijnen plicht als trouw vazal met blijdschap vervullen. Maar hoe komt het dat gij zoo onverwachts uit Frankrijk terugkeert? Is de oorlog ten einde?"

"De vrede is gesloten."

"En zal onze heer graaf nu voor goed in Brugge blijven?"