Part 43
"Uwe vrouw?" antwoordde de maagd. "Ik, Dakerlia Wulf, ik, eene Kerlinne, uwe vrouw? Nooit, nooit! Doe ons allen sterven. God zal mij daarboven met Robrecht, mijnen bruidegom, voor eeuwig vereenigen. Ha, gij meent mij vatbaar voor vrees? Neen, neen, onze onplooibare standvastigheid tot op het kapblok zal onze vijanden nog verbazen en de verraders van Kerlingaland beschamen!"
"Gij bedriegt u in uwe zinnelooze hoop, jonkvrouw", schertste Disdir, wiens hart met woede en spijt was vervuld. "Men heeft mij reeds uwe genade toegestaan; noch gij noch de andere gevangene Kerlinnen zult sterven. Gij moet leven, leven om mijne vrouw te worden!"
"Nooit, nooit!"
"Gij blijft in mijne macht; worstel zooveel gij wilt tegen een onvermijdelijk noodlot, gij zult het onderstaan, met goeden wil of tegen dank, ik heb het gezworen en ik herhaal u dien eed. Vaarwel, Dakerlia; het bloed van mher Sneloghe valle terug op haar die weigert hem door een enkel goed woord te redden. Ziet gij mij hier terug, het zal zijn om u den dood van Robrecht aan te kondigen."
Hij stapte uit den kerker, en zelfs toen de deur was gesloten, hoorde hij nog het woord "nooit! nooit!" hem achternaklinken.
Eene uitdrukking van haat en gramschap deed zijne scherpe lippen beven en, terwijl hij over het plein van den burg stapte, mompelde hij sombere bedreigingen tegen Robrecht en zelfs tegen Dakerlia.
Voor de poort der Loove trok Disdir Vos zijn zwaard en meende zich als overste aan het hoofd van een gedeelte der wacht te stellen; maar zijn plaatsvervanger zeide hem dat het gerechtshof reeds sedert eenigen tijd was vergaderd en de koning zelf daar zooeven mher Gerhard Van Audenaarde met eenige wapenknechten had gezonden om den gevangen Robrecht Sneloghe voor de rechtbank te brengen.
Deze tijding bekommerde Disdir. Zou men de Kerels onderhooren? Was de koning voornemens Robrecht genade te schenken en hoopte hij, in de woorden van den jongen ridder het middel te vinden om aan de smeekingen der poorters toe te geven? In alle geval, er moest in de besluiten der ridders eene verandering gekomen zijn. Indien men Robrecht Sneloghe ging sparen!
Disdir stak zijn zwaard in, gaf het bevel aan zijnen plaatsvervanger over en trad binnen de Loove.
In de groote zaal, waar het gerechtshof zetelde, was een gedeelte voorbehouden om den ridders toe te laten het uitspreken van het vonnis bij te wonen.
Het was Disdir Vos gemakkelijk tot tegen de balie door te dringen; maar hier dwong de tegenwoordigheid des konings hem tot eerbied en tot stilte; en, hoe hij het ook vurig wenschte, hij kon den veldheer Gervaas Van Praet, die tusschen de rechters zetelde, niet naderen, en moest zich vergenoegen met hem, door herhaalde wenken en door gebaren, tot onverbiddelijke strengheid aan te drijven.
In het diepe der zaal, onder een kostbaar verhemelte van roode zijde, zat de koning van Frankrijk, Lodewijk de Dikke; nevens hem, aan de eene zijde, Willem van Normandië, de nieuwe graaf, door hem benoemd, en aan de andere Gervaas Van Praet, die om zijne uitstekende diensten tot de waardigheid van kastelein van Brugge was verheven geworden.
Van wederkanten des troons zaten de rechters. Tusschen hen kon men de heetste Isegrims, die onverbiddelijkste vijanden der Kerels; ja zelfs Rambold Tancmar die, door den koning geroepen, in Brugge was teruggekeerd.
Van zulke rechters was zeker geen onpartijdig vonnis voor de Kerels te verwachten; tenzij nochtans in geval de wil des konings, stellig uitgedrukt, hen tot toegevendheid had overgehaald; want zij waren den Franschen vorst genoeg onderworpen om, zelfs tegen dank, een in schijn zachtmoedig oordeel uit te brengen.
Op dit oogenblik doorliep eene siddering de leden van Disdir Vos. Zijne herhaalde wenken en gebaren had mher Gervaas Van Praet nu door een droevig schokschouderen beantwoord, als wilde hij beduiden dat de zaak eene ongunstige wending had genomen, maar dat hij zich onmachtig gevoelde om den wensch des konings langer te weder streven.
Disdir meende door nieuwe teekens zijne afkeuring te betuigen en den veldheer tot krachtdadigheid aan te manen; maar nu werd er eene zijdeur geopend, en Robrecht Sneloghe, door eenige wapenknechten geleid, verscheen te midden der zaal.
Elkeen aanschouwde in stilte den jongen ridder, wiens gescheurde kleederen en uitgeholde wangen getuigden van alwat hij had geleden gedurende het beleg der kerk en des torens.
Hij hield het hoofd rechtop en aanschouwde den koning en de ridders met eenen rustigen blik die, alhoewel trotsch en ontzagwekkend, toch niet van zekere zachte verduldigheid was beroofd.
Een ridder, die nevens den graaf van Vlaanderen was gezeten en hier het ambt van maarschalk vervulde, begon op een teeken des konings den beschuldigde dus te ondervragen:
"Uw naam is Robrecht Sneloghe?"
De jonge ridder knikte bevestigend.
"Gij zijt een Kerel?"
"Ja, ik ben een Kerel!" antwoordde Robrecht, de stem met fierheid verheffende.
"En gij beweert een vrij man te zijn?"
"Onze voorvaderen waren vrijgeboren lieden, en evenals zij komen hunne zonen vrij ter wereld."
"Gij hoort toe aan het maagschap der Erembalds?"
"De proost van St-Donaas was mijn oom."
"Een Erembald, Burchard Knap, heeft den gruwelijksten moord gepleegd op den wettigen graaf van Vlaanderen, Karel van Denemarken?"
"Het is waar."
"Gij zijt beschuldigd, ten minste door uwen raad tot de ijselijke misdaad te hebben geholpen."
"Wie tegen mij getuigt is een valschaard", antwoordde Robrecht. "Ik eerbiedigde graaf Karel als eenen vriend mijns vaders zaliger, en had nooit de hoop verloren dat hij den Kerels rechtvaardigheid zou laten wedervaren. Bij zijnen dood heb ik tranen van rouw en medelijden gestort, en ik heb niet opgehouden mijnen afschuw voor zijne moordenaars te betuigen."
"Gij hebt integendeel den moordenaar tegen de Vlaamsche ridders en zelfs tegen den koning van Frankrijk verdedigd."
"Inderdaad; maar het is voor de Kerels een bloedplicht, hunne magen bij te staan en tegen alle geweld te verdedigen, zoolang niet eene wettelijke vierschaar over het verbreken heeft gevonnist."
"Dit is alles wat gij tot uwe verdediging hebt in te brengen?"
"Anders niet dan dat ik onschuldig ben aan den moord van graaf Karel en zelfs ten prijze van al mijn bloed de afschuwelijke misdaad, die den val van mijn vaderland heeft veroorzaakt, hadde willen beletten."
De maarschalk zag op naar den koning om hem te berichten dat de ondervraging was geëindigd en zijne bevelen in te roepen.
Na eenige woorden met den graaf en met Gervaas Van Praet te hebben gewisseld, verhief de Fransche vorst de stem en richtte zich tot Robrecht Sneloghe.
"Gij hebt tienmaal den dood verdiend", zeide hij. "Te Veurne naamt gij als aanleider een werkelijk deel aan eene samenspanning tot opstand tegen uwen wettigen graaf; in dezen burg hebt gij weken lang den moordenaar en zijne aanhangers verdedigd, en gij zijt meer dan anderen de schuld dat er zooveel kostbaar bloed is moeten vergoten worden, om wraak te nemen over den dood van graaf Karel. Gaven wij slechts gehoor aan onzen plicht, wij zouden u onmiddellijk tot den pijnlijksten dood moeten veroordeelen; maar de gebeden en smeekingen der goede lieden van Brugge doen ons tot zachtmoedigheid jegens u overhellen. Wij zijn bereid u het leven te schenken, op voorwaarde dat gij hier in het openbaar erkennet dat de Kerels geene vrijgeboren lieden zijn, en gij verklaret in alle geval, voor u en uw geslacht de vrijheid te verzaken[92]".
Een stille glimlach bewoog Robrechts lippen.
"Ik mij dienstbaar erkennen? Het juk der slavernij voor mij en mijn geslacht aanvaarden? Onmogelijk, heer koning, liever twintigmaal den dood dan zulke vernedering, dan zulke schande. Mijne voorvaderen zien uit den hemel op mij neder; zij zullen daar niet te blozen hebben over de lafhartigheid van hunnen zoon."
"Zinnelooze!" riep de koning, over zulke koele hardnekkigheid verbaasd, "gij wilt mij dus dwingen u in de handen der beulen te leveren?"
Robrecht zweeg.
"Spreek een goed woord; de koning wenscht u het leven te sparen", zeide hem Willem van Normandië.
"De koning kan mij niet redden", antwoordde Robrecht. "Er is eene hoogere macht dan de zijne."
"Waarom? Wat wilt gij zeggen?" vroeg de graaf met verwondering.
"Omdat God zelf heeft beslist dat ik en mijne dappere gezellen moeten sterven tot boete voor de snoode misdaad van Burchard Knap. Na onzen dood zal de Heer des hemels misschien verzoend worden en zijne wrekende hand oplichten van Kerlingaland."
"Kerlingaland heeft zijne vrijheid beslissend verloren en zal nimmer opstaan uit de dienstbaarheid!" morde Rambold Tancmar, met eenen zegevierenden spotlach.
Robrecht hief eensklaps het hoofd op en, terwijl zijne oogen van ontroering glansden, sprak hij met luider stemme:
"Menschen kunnen bezwijken, een volk kan neergedrukt worden voor eenigen tijd;--wij Kerels hebben dit lot reeds dikwijls onderstaan,--maar wat niet kan versmacht worden, wat niet kan sterven, is de vrijheid. Wat gij ook aanwendet om die ingeboren zucht der bewoners van Vlaanderen uit te roeien, zij zal immer, als een onuitdoofbaar vuur opnieuw ontvlammen en eindelijk hare vijanden verslinden. Uit het bloed der martelaars zelven zal de verlossing opdagen, en eens zullen de zonen van het volk, dat gij nu met voeten treedt, u dwingen tot eerbied voor zijn aangeboren recht ... Doet met mij naar uwen wil, ik ben bereid!"
Vooraleer hij deze laatste woorden had kunnen uitspreken, waren van alle kanten wraakkreten tegen hem opgegaan, en de meeste ridders riepen woedend:
"Ter dood, ter dood, de onbeschaamde!"
Maar de koning, door een teeken zijner hand, legde hun de stilte op en zeide:
"Heeren, mij behoort het na beraadslaging der rechtbank over het lot van den beschuldigde te beslissen. Men voere hem terug naar de gevangenis!"
Mher Sneloghe werd ter zaal uitgeleid en door de wapenknechten in den grooten kerker gebracht, waar de andere Kerels, sedert zijn vertrek, niet zonder angstige nieuwsgierigheid zich vroegen wat toch zijn wedervaren voor het gerechtshof zou zijn.
Hij verhaalde hun hoe de koning van Frankrijk hem de genade des levens had aangeboden, op de enkele voorwaarde dat hij de Kerels als in dienstbaarheid geboren erkende, en verklaarde voor zijn geslacht alle aanspraak op vrijheid te verzaken.
"Het is dus de dood ... de onvermijdelijke dood!" mompelden zijne gezellen.
De meesten schenen bij deze schrikkelijke overtuiging geenszins ontsteld. Slechts eenigen, die ongetwijfeld eene vrouw of kinderen of andere geliefde wezens zouden achterlaten, bogen het hoofd en zonken weg in eene sombere mijmering.
Het bleek evenwel schier onmiddellijk dat geen hunner, ware het zelfs om meer dan één dierbaar leven te redden, zich bekwaam gevoelde tot het aanvaarden der eeuwige slavernij. Werden zij voor de rechtbank geroepen, zij zouden den koning en den Isegrims hetzelfde koel en trotsch antwoord geven, dat zij uit den mond van mher Sneloghe hadden bekomen. Zij wisten wel dat dit waarschijnlijk hun doodvonnis zou zijn; maar, zooals Robrecht het zeide, hun bloed moest vlieten als een boetoffer, om den vertoornden God met Kerlingaland te verzoenen.
[Illustratie: Robrecht hief eensklaps het hoofd op ... (Bladz. 519.)]
Zij besloten, als ware Kerels, onverschrokken en met eenen glim van misprijzen op de lippen, alles te onderstaan, zelfs de wreedste martelingen. Niemand hunner zou de minste klacht slaken, noch eenige acht op de scheldwoorden of verwijten hunner vijanden slaan. Ja, zij verbonden zich jegens elkander door eene plechtige belofte, in het uur des doods zich gansch gevoelloos te toonen en geen enkel woord te spreken, ten einde de verdrukkers van Kerlingaland door hunne koele hardnekkigheid te beschamen. Zij zouden zelfs niet hoorbaar bidden, en slechts op het laatste oogenblik hunne ziel in den grond des harten Gods bevelen, voor hem getuigende, dat zij wilden sterven als zoenoffers voor het heil en de vrijheid van Kerlingaland.
Met ongeduld wachtten zij nu dat men hen voor de rechtbank riepe; maar wel een gansch uur ging er voorbij zonder dat zij iemand zagen verschijnen.
Robrecht Sneloghe stapte met aangejaagdheid over en weder, om de wreede ontroering zijns harten meester te blijven. Dakerlia zweefde voor zijne oogen; zijne lippen murmelden een treurig en pijnlijk vaarwel. Hij zou haar wellicht niet meer zien op aarde! Maar bij zulk gepeins voelde hij dat er tranen in zijne oogen wilden opwellen, en hij sprak eene vuriger taal nog tot zijne makkers, opdat de invloed zijner eigene woorden zijne treurende ziele de macht leende om niet onder het gewicht der smart te bezwijken.
De kerker werd eindelijk geopend, en een overste, door wapenknechten vergezeld, riep bij name Ivo-den-wolvenjager en Benkin-den-schutter op, om hem voor de rechtbank te volgen.
Men drukte den geroepenen de handen en herinnerde hun de gedane belofte tot onplooibaren moed.
Ivo en Benkin volgden de wapenknechten, wel besloten den koning en den Isegrims door hunne manhaftige taal te toonen dat tusschen den dood en de slavernij een Kerel niet in zijne keus kon aarzelen.
Buiten het Gyselhuis gekomen, vonden zij daar nog andere wapenknechten, aan wier hoofd Disdir Vos als overste zich bevond. Zij werden te midden der wacht gesteld en over het plein geleid.
Hun scheen het zonderling dat de poorten van den burg gesloten waren en men geenen enkelen poorter bemerkte. Bijna gansch het plein was overdekt met gewapende benden.
Wat ging hier geschieden? Zou men, nog denzelfden dag en binnen den burg hen ter dood brengen? Alles kondigde het hun aan. Deze gedachte deed hen zwijgen en, zelfs toen Disdir Vos met barschheid Ivo-den-wolvenjager voortstuwde, sprak deze geen woord, ofschoon hij den verkooper van Kerlingaland kende en zijn hart van spijt en verontwaardiging overstroomde.
Men bracht de twee gevangenen in de kerk van St-Donaas; zij meenden, zooals het in dien tijd nog geschiedde, dat de koning en de ridders in den tempel zouden vergaderd zijn; maar nauwelijks waren zij onder de poort doorgetreden, of op een sein van Disdir Vos grepen een tiental wapenknechten hen aan en bonden hun de handen op den rug.
Daar traden van onder de zijbeuk vier ongewapende mannen, wier opgestroopte mouwen en gespierde armen getuigden dat zij gereed waren tot het volvoeren van een werk dat lastig kon zijn en geweld vorderen. Waren zij de beulen, die de Kerels moesten martelen?
Inderdaad, degene die onder hen de meester scheen, vatte Ivo-den-wolvenjager bij den schouder en duwde hem naar de trap van den toren, terwijl hij zeide:
"Makkers, alle tegenstand is nutteloos; gij zijt veroordeeld tot den dood en moet sterven."
Een scherpe glimlach van misprijzen was het eenige antwoord der Kerels, en zij volgden hunne beulen op de trap zonder den minsten onwil te toonen.
Toen zij de groote gaanderij hadden bereikt, leidde men hen tegen de leuning naar den kant die over de opene achterplaats van het klooster uitzag.
"Beveelt uwe ziel aan God", morde de beul, "en haast u!"
Hij wees naar beneden en zeide:
"Ziedaar voor u de weg der eeuwigheid!"
Men zou dus de arme Kerels van den toren naar beneden werpen en zij zouden daar op de vloersteenen, met hoofd en leden verbrijzeld, een akelig einde vinden!
Wel doorliep eene ijskoude siddering de aders der gevangenen, toen zij den blik nederstuurden in den afgrond die hen aangrijnsde als een hongerig graf; maar zij bedwongen den opstand hunner menschelijke natuur tegen den dood, hieven de handen tot God en spraken in stilte het gebed, waardoor zij Hem hun bloed en hun lijden tot zoenoffer voor hun vaderland en voor de vrijheid aanboden.
De beul boog zich over de leuning der gaanderij en blikte naar beneden. Waarschijnlijk zag hij daar eenige wapenknechten over en weder loopen; want hij riep uit al zijne kracht:
"Van onder! van onder!"
Dan, door zijne drie struische makkers geholpen, greep hij Benkin-den-schutter om de lenden, hief hem boven de leuning en smeet hem in de ruimte ...
"Nu gij!" morde hij, de handen tot Ivo-den-wolvenjager uitstekende om hem te grijpen; maar Ivo sprong met eenen schaterlach over de leuning en riep, terwijl hij reeds in de ledige ruimte nederzonk:
"Vrij, vrij tot in den dood!"
Disdir Vos, die tot dan een weinig terzijde was gebleven en de wreede strafpleging had bijgewoond zonder er eenig werkelijk deel aan te nemen, naderde nu tot den rand der gaanderij en schouwde op de opene plaats van het klooster. De lijken der twee Kerels lagen daar verbrijzeld; geen lid verroerde nog aan hen ..., de beulenknechts, die de verminkte lichamen kwamen wegnemen, sleepten er mede langs den grond als met voorwerpen waarin nooit eenig leven had gewoond.
Een verwijderd gebruis en onduidelijke galmen deden hem den blik over de stad richten. Hij zag de markt en alle omliggende straten overdekt met Fransche krijgsknechten en, daarachter in de verte, de poorters, die de handen ophieven, als riepen zij nog om genade voor de ongelukkige Kerels, manhaftige verdedigers der bedreigde volksvrijheid.
Nauwelijks waren er eenige minuten verloopen, of men bracht twee andere Kerels op den toren en smeet ze, zonder hun meer dan een oogenblik tot bidden te gunnen, over de leuning ... en daarna weder twee, en nog twee, en zoo voorts, totdat er reeds twintig den vloer der opene plaats van het klooster met hun bloed hadden geverfd[93].
Allen waren gestorven zooals zij het hunnen gezellen hadden beloofd: zonder tegenstand, zwijgend en onverschrokken en met eenen koelen glimlach op den mond. Hadden sommigen geweend bij de gedachtenis aan vrouw of kinderen, hunne tranen hadden in het binnenste van hun verscheurd hart gevloeid, en niets had hunne ontroering voor het oog hunner beulen verraden.
Op dit oogenblik kwam er een dienaar van den gevangenbewaarder op de gaanderij. Tot Disdir Vos naderende, fluisterde hij hem iets in het oor dat hem scheen te verrassen en diep te treffen; ja, het lokte eenen blijden glimlach op zijne lippen.
Disdir wenkte eenen overste, die onder hem de wacht gebood, en zeide hem iets aangaande Robrecht Sneloghe. Dan volgde hij den dienaar, daalde met hem de trap af en begaf zich met groote stappen naar het Gyselhuis, waar hij den kerker van Dakerlia deed openen.
"Gij hebt mij doen roepen, jonkvrouw?" zeide hij.
De maagd, wier oogen rood waren van tranen, kwam hem te gemoet geloopen en kreet met saamgevoegde handen:
"Disdir, Disdir, hij is dood?"
"Nog niet, jonkvrouw", was het antwoord.
"O, red hem, red hem!"
"Onmogelijk, het vonnis is geveld, ik ben onmachtig."
"Hij moet sterven?"
"Straks."
"Mijn God, mijn God, men zal hem van den toren werpen, niet waar?"
"Wie heeft u dit gezegd, jonkvrouw?"
"Ach, ik weet het; reeds tien onzer arme broeders zijn dood."
"Reeds twintig, Dakerlia. Het is te laat!"
"Dus geene genade meer voor hem?"
"Geene; de koning zelf heeft hem veroordeeld."
Dakerlia deinsde een paar stappen achteruit; de bleekheid des doods ontverfde haar gelaat en zij sidderde in al hare leden, als hadde eene diepe vrees haar aangegrepen. Misschien schrikte zij terug van hare eigene gedachten; want zij deed zichtbaar geweld om hare ontsteltenis te bedwingen.
Eensklaps viel zij geknield neder en, de handen tot Disdir Vos opheffende, kreet zij:
"O, ik smeek u, wees medelijdend voor mij! Gun mij eene genade, eene enkele; ik zal u daarvoor dankbaar zijn mijn leven lang!"
"Welke genade? Het is te laat, zeg ik u!"
"Neen, neen; hij sterve, vermits het wreede noodlot zijnen dood eischt; maar, Disdir, laat mij hem vergezellen, hem troosten tot het einde!"
Verwonderd over deze zonderlinge vraag, schudde Disdir weigerend het hoofd.
"Ach, dat het mij vergund weze jegens hem ook dezen laatsten plicht der liefde te vervullen!" riep Dakerlia, tot Disdir op de knieën voortkruipende. "Ik zal u dankbaar blijven voor deze weldaad ... en, wie weet, wie weet?... indien ik daardoor de overtuiging kon bekomen dat er goedheid in uw harte ligt!"
Bij het uitspreken dezer woorden schouwde zij Disdir in de oogen met eenen blik zoo biddend en zoo vriendelijk, dat hij er tot in de ziel door werd ontroerd. Dakerlia zou hem kunnen beminnen? Gaven niet hare woorden hem die hoop? Straalde niet uit hare oogen de belofte dat zij zou pogen hare dankbaarheid tot een zoeter gevoel te laten vergroeien?
Hij reikte de maagd de hand, hief haar op en zeide:
"Dakerlia, ik wil, ofschoon het gevaarlijk voor mij kan worden, u de genade toestaan die gij zoo verleidend van mij afsmeekt."
"Dank, dank, Disdir!" murmelde zij.
"Maar op de strenge voorwaarde dat gij u stil houdet en geen gerucht maket. Vergezel Robrecht tot op den toren, vermits gij het zoo vurig wenscht; spreek hem aan, steun zijnen moed; maar blijf bedaard en wek niet te veel de aandacht der wapenknechten op. Bij de minste ontstuimigheid in de uitstorting uwer droefheid, zal ik mij verplicht zien u naar den kerker te doen terugleiden."
"Ik zal bedaard blijven. O, dank, Disdir, voor uw medelijden, voor uwe toegevendheid!"
"Volg mij dus, Dakerlia, en wees uwe belofte getrouw, heden en in de toekomst."
De maagd stapte achter hem uit den kerker. Was haar uiterste droefheid veinzerij geweest? Nu glimlachte zij geheimelijk, en eene vonk van zegevierende blijdschap glinsterde in hare oogen.
Evenwel, toen zij op het plein trad, ontsnapte haar een versmachte angstkreet en zij verbleekte van schrik.
Daar zag zij haren verloofde, met de armen op den rug gebonden tusschen eenige wapenknechten staan. Zij ging met wankelende stappen tot hem, blikte hem diep in de oogen en meende te spreken, doch de stem verkropte in hare keel.
"Dakerlia, o, Dakerlia", zuchtte Robrecht, "ik smeek u, spaar mij het gezicht uwer smart! Laat mij den moed om als een Kerel te sterven! Vaarwel, mijn uur is gekomen ..."
De maagd liet haar hoofd op zijne borst vallen en murmelde zoo zacht, dat hij alleen het kon hooren:
"Blijf sterk, Robrecht. Sterven is voor ons geboren worden tot een nieuw leven. Heden nog zullen wij vereenigd zijn voor eeuwig in Gods schoot. Ik wil u volgen tot het laatste oogenblik. Stel u niet tegen mijnen wensch ... Moed, moed! Der Kerlen vijanden moeten u bewonderen tot in den dood!"
Zij deed eenen stap terug; want op een bevel van Disdir Vos hadden de wapenknechten mher Sneloghe bij den schouder gegrepen en stuwden hem nu over het plein voort.
Dakerlia ging nevens hem, en wanneer hij een treurigen blik tot haar richtte, hief zij hare vochtige oogen met eene genster van begeestering ten hemel, als om het vrije vaderland der zielen aan te wijzen.
Te midden zijner wacht stapte Robrecht met opgeheven hoofd en koele beradenheid voort. Zijn blik was evenwel onvast en wijfelend, en zoozeer scheen hij vreemd aan alles wat rondom hem geschiedde, dat hij niet meer acht op de tegenwoordigheid van Disdir Vos scheen te slaan, dan of hij hem ooit hadde gekend. Al zijne denkingskracht was in een enkel gevoel verslonden. Dakerlia had gezegd: "heden nog zullen wij daarboven vereenigd zijn." De arme maagd wilde dus sterven uit liefde tot hem? Hij zag in den geest hoe zij den moordpriem, dien zij op zich droeg om zich desnoods tegen Disdir Vos te verdedigen, in haren eigen boezem plofte. Hij meende zelfs, toen men hem in de kerk had gebracht, Dakerlia dien wreeden aanslag op zich zelven af te raden en haar te bidden haar dierbaar leven te sparen; maar nu rukten de wapenknechten hem met barsch geweld naar de trap van den toren en stuwden en trokken hem naar boven.
Terwijl men hem bij de leuning der gaanderij bracht, en de beulen hem aankondigden dat zijn laatste uur gekomen was, deed Disdir Vos de maagd op eenige stappen blijven staan.
Dakerlia, nu de akelige stond nader was, liet zich geknield nedervallen en, alsof zij terugschrikte van het ijswekkend gezicht van Robrechts dood, sloeg zij de handen met eenen versmoorden kreet voor de oogen.
"Spreek uw laatst gebed; gij gaat sterven", morde de beul tot den veroordeelden Kerel.
Robrecht hief de oogen ten hemel en bad: