De Kerels van Vlaanderen

Part 42

Chapter 42 3,839 words Public domain Markdown

"Sa, begrijp ik het wel", viel de koning half vergramd uit, "dan zoudt gij vermetel genoeg zijn om te wenschen en te verwachten dat wij genade schenken aan deze lieden die ten minste vrienden en handlangers der moordenaars zijn?"

"Neen, heer koning, genade niet; maar wij durven u smeeken hun de voorwaarden toe te staan welke zij op hunne overgaaf stellen. Zij willen zich in de gevangenis begeven en onderwerpen zich op voorhand aan de straf welke de rechters, na hen gehoord te hebben, over elk hunner zullen uitspreken. Zij vragen geene genade, zij eischen slechts rechtvaardigheid. Zeker, grootmoedige vorst, zij zijn in dezen oorlog uwe vijanden; hun lot is in uwe handen, en, wat gij ook over hen gelieve te beslissen, elkeen moet met eerbied zich onderwerpen aan uwen wil. Maar, hebben zij geen recht op uwe genadigheid, wees dan toch den poorters dezer goede stad Brugge goedgunstig en doe, op hun gebed, wat gij den Kerels zoudt weigeren. Wij smeeken op de knieën uwe koninklijke grootmoedigheid af! Spaar, spaar den toren en den tempel van onzen grooten heiligen Donaas!"

Bij deze laatste aanroeping zonken al de schepenen en poorters geknield ten gronde en bleven zoo, met neergeslagen blik, voor den koning gebogen.

De vorst scheen gevoelig aan hunne hulde en aan hunne bede. Hij keerde zich tot de ridders, waarschijnlijk om hen te raadplegen over de beslissing welke hij geneigd was te nemen. De Isegrims morden hevig; hunne gebaren konden laten gissen dat zij den koning poogden over te halen tot het volstrekt verwerpen van het verzoek der poorters.

Wat ook de indruk dezer korte samenspraak op des vorsten gemoed ware geweest, hij wendde zich weder tot de schepenen en zeide op minzamen toon:

"Staat op, heeren. Wat gij van ons vraagt is moeilijk toe te staan. De Kerels sparen? Zouden dan al onze mannen, die zij gedood hebben, ongewroken moeten blijven? Evenwel, wij zouden indien het ons mogelijk ware den toren te behouden, ons gelukkig achten, deze gelegenheid te vinden om den goeden lieden der stad Brugge een hoog bewijs onzer bijzondere welwillendheid te geven. Gaat tot uwe mannen, stelt ze gerust en zegt hun dat wij het werk van den beukram zullen doen opschorsen, totdat wij met rijp beraad hebben overwogen wat ons mogelijk is, ten believe der poorters dezer goede stad Brugge te doen. Hebt vertrouwen ik hoop dat wij den toren van St-Donaas zullen kunnen behouden."

Onder het uiten van dankzeggingen en met blij gemoed, verlieten de schepenen en hun gevolg de Loove.

Het middelplein van den burg krielde van volk, zelfs tot aan den voet van den toren; want ieder wist dat de Kerels, sedert den dood van Burchard Knap, nooit meer op ongewapende poorters schoten.

De schepenen deelden aan de menigte de goede woorden des konings mede. Dit bericht ontlokte het volk een schallend gejuich en, terwijl menige kreet van "Leve de koning!" in de hoogte steeg, poogden eenige stoutere lieden met de Kerels te spreken en hun door sterk roepen te doen verstaan dat er nog groote hoop op verlossing voor hen was.

Maar nu traden eenige wapenknechten op het plein en dreigden de poorters met gevangenis indien zij, tot de Kerels sprekende, het gebod des konings overtraden.

Het duurde zeer lang eer men iets nieuws vernam. De toevloed der menigte groeide immer aan, en met ongeduld wachtte een ieder op het besluit des konings.

Eindelijk liep een blij gemor door het volk, dat zich opende om eenen wapenbode en eenen bazuinblazer door te laten.

De bode, nadat men de aandacht der Kerels door een kort geschal had opgewekt, riep hun toe:

"Op de bede der poorters van deze goede stad Brugge en om den toren van St-Donaas te sparen, vergunt onze heer, de koning van Frankrijk, u de voorwaarden op welke gij aangeboden hebt u over te geven. Gij zult in de gevangenis geleid worden en daar afwachten totdat rechters over uw lot uitspraak hebben gedaan. Laat mij weten of gij deze gunst aanvaardt: ik wacht uw antwoord."

Na eene wijl onder elkander te hebben geraadpleegd, riepen de Kerels[91]:

"Wij aanvaarden met vertrouwen in 's konings woord!"

"Komt dan beneden!" zeide de bode. "Men zal den uitgang van den trap vrijmaken en u in de kerk uwe wapens afnemen!"

"Het zij zoo!" antwoordden de Kerels.

Een lang gejubel klonk over het plein, en herhaalde malen weergalmden er kreten ter eere van den Franschen vorst.

Ongetwijfeld hadden de Kerels nog druk te arbeiden om zich eenen doorgang te banen tusschen al de hindernissen waarmede zij tot hunne verdediging de torentrap hadden versperd.

Schier een uur verliep er, vooraleer een dof gebruis en een koortsig gewoel onder de menigte aankondigden dat de Kerels gingen verschijnen.

Inderdaad, uit de kerkpoort trad nu eene sterke wacht van wapenknechten; daarachter stapten de Kerels, ten getalle van slechts zevenentwintig man en drie vrouwen.--Zij waren sedert meer dan veertig dagen in den burg opgesloten gebleven, en hadden daarvan zestien dagen op den toren doorgebracht! Gedurende deze lange tijdruimte hadden zij met onplooibaren heldenmoed zich verdedigd tegen twee legers en tegen al de befaamde stormtuigen van den burg van Gent!

Ook was het wel aan hun ellendig opzicht te zien wat zij hadden doorstaan en geleden. Allen waren geel en mager, met ingevallen wangen en weggezonken oogen. Velen droegen op aangezicht en handen de roode litteekens van slecht geslotene wonden; hunne kleederen waren vuil en hingen aan flarden. Ware het niet hunne trotsche houding geweest, hadde niet uit hun somber oog nog de vonk der onplooibare trotschheid ontschoten, men zou voorzeker gewaand hebben eene bende verhongerde bedelaars te zien.

Dakerlia alleen, met hare rijzige gestalte, hare bekoorlijke wezenstrekken en reine, nette kleeding scheen eene koningin tusschen eenen hoop noodlijdenden. Zij stapte aan Robrechts zijde en verbaasde elkeen door den stillen, zoeten glimlach en door den glans van fierheid die haar schoon gelaat verlichtte.

Ridders en wapenknechten boden als met eerbied eenen vrijen doorgang aan deze heldhaftige vijanden, en bekeken hen zonder een enkel hoonend woord te laten hooren of door eenig zegevierend gebaar hen in hun ongeluk te bespotten.

Menig poorter, terwijl de arme Kerels hen voorbijgingen, wischte zich eenen traan van medelijden en bewondering uit de oogen.

Verre hoefden de gevangenen niet te gaan: het Gyselhuis, in welks kerker men ze ging opsluiten, stond op den burg, schuins over de proostdij.

Toen de Kerels binnen in het Gyselhuis gekomen waren, gebood de overste der wachten, dat men de mannen in den grooten kerker ter rechterzijde, en de vrouwen in de cellen ter linkerzijde zou opsluiten.

Een angstschreeuw ontsnapte terzelfdertijd aan Dakerlia en Robrecht en, als vreesden zij dat dit afscheid eeuwig zou zijn, sprongen hun beiden de tranen uit de oogen.

Dakerlia hief met een plechtig gebaar den vinger ten hemel, wees dus aan haren verloofde de baak der hoop en riep:

"Robrecht, Robrecht, er is een beter leven. Vaarwel, tot wederziens daarboven ... mijn vader, Witta!"

"Vaarwel, dat God u bescherme!" murmelde de jonge ridder, schier bezwijkende van smart.

De wapenknechten grepen de Kerels en de vrouwen bij de armen en leidden ze naar de kerkers die hun waren toegekend.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 87: "Zij sloegen de klokken aan stukken om daarmede hunne vijanden te verpletten." GALB., p. 319.]

[Voetnoot 88: "In zijne gramschap gebood de koning den toren spoedig omverre te doen storten ... Onmiddellijk begonnen zij met ijzeren werktuigen den toren van onderen uit te breken." GALB., p. 370.]

[Voetnoot 89: "Zij wierpen kolen, gedoopt in pik, in was en in boter. Deze kolen, zich hechtende aan de daken, deden vlammen ontstaan, welke de wind aanblies, en die, zich uitbreidende, het dak naar alle kanten verslonden." GALB., p. 354.]

[Voetnoot 90: Den Maandag, 18 April, wierpen onze burgers zich weder geknield voor den koning neder, en smeekten om genade voor Robrecht. GALB., p. 370.]

[Voetnoot 91: "De koning verleende aan de belegerden, volgens hunne vraag, oorlof om van den toren te komen, dewijl het voordeeliger was dat zij zich zelven overgaven zonder de belegeraars aan de gevaren der Instorting bloot te stellen."

GALB., p. 371.

"Zij kwamen dus uit de kerk ten getalle van zevenentwintig."

GALB., p. 371.

Volgens Galbertus werd de stad Brugge bij verraad ingenomen den 9en Maart, en gaven de Kerels zich over den 19en April. Het beleg had dienvolgens tweeënveertig dagen geduurd]

XXVII.

Dakerlia zat gevangen in het Gyselhuis op den burg. Een enkel verheven venstertje liet in haren engen kerker eenen flauwen lichtstraal nederdalen, en men moest zijne oogen aan den twijfelachtigen schemer, die er heerschte, gewend hebben, vooraleer er de voorwerpen duidelijk te kunnen onderscheiden.

Ongetwijfeld wilden de vorsten of de ridders, die over het lot der jonge Kerlinne beschikten, haar niet met de uiterste strengheid behandelen; misschien was er iemand die haar geheimelijk beschermde, want in haren kerker stonden een paar stoelen en eene tafel en, in den duisteren hoek, verre van het licht, had men eene soort van bed geschikt, om haar eene gemakkelijke rustplaats te bezorgen.

Het was de vierde dag, nadat de Kerels van den toren waren gedaald en zich in de handen hunner vijanden hadden overgegeven op voorwaarde dat men hen door eene wettelijke rechtbank zou doen onderhooren en vonnissen.

Dakerlia zat op haren stoel nevens de tafel en, met het hoofd op de hand rustende, schouwde zij droomend in de ruimte.

De bewegingen haars gelaats getuigden dat velerlei gedachten haar door den geest stroomden. Nu zweefde er een glimlach op hare lippen, dan liep er eene angstige siddering haar door de leden of bevochtigde een traan haar oog; dan weder hief zij den blik ten hemel en vouwde de handen tot een gebed.

Wie haar dus gezien hadde, zou geraden hebben dat haar hart over en weder vlotte tusschen hoop, schrik en medelijden. Waren de rechters onpartijdige lieden,--mijmerde zij in zich zelve,--dan zouden zij Robrecht wel eene straf opleggen, omdat hij, ter vervulling van eenen onverbiddelijken bloedplicht, den moordenaar Burchard had helpen verdedigen; zij zouden misschien zijne goederen verbeurd verklaren, om de gierigheid en den haat der Isegrims te bevredigen; maar zijne dood zouden zij niet eischen, en hem in vrijheid laten gaan of hem uit het graafschap bannen. Was de rijkdom wel noodig tot hun geluk? Hoe arm Robrecht mocht worden en waar hij zich ook bevonde, zij zou zijne echtgenoote zijn en haar leven toewijden aan het verzachten, aan het verhelderen van zijn lot. Misschien zou zij hem dan den geleden rampspoed kunnen doen vergeten, misschien waren hun door den barmhartigen God nog schoone, vreedzame dagen voorbewaard?

Bij zulke gepeinzen rees er een stille glimlach op hare lippen en ontschoot eene vonk van vertrouwen aan hare vochtige oogen; maar weldra versomberde eene kommervolle overweging haren geest. Zouden de valschhartige Isegrims, in hunnen onverbiddelijken wrok, de rechtbank niet doen samenstellen uit vijanden der Kerels? Eilaas, dan zou een doodvonnis den armen Robrecht treffen, en het zwaard des beuls zou dit edel en dierbaar hoofd van het bloedige kapblok doen rollen!

Schrikkelijke gedachte, die Dakerlia deed ijzen en haar eenen angstkreet ontrukte ... Evenwel, haar beweegbaar en sterk gemoed kwam onmiddellijk in opstand tegen de wanhoop; en dan bief zij de oogen ten hemel, als om de plaats te zoeken waar hare ziel welhaast met de ziel van Robrecht en met andere dierbare zielen zou vereenigd zijn.

Zij bedwong op dit oogenblik hare ontsteltenis, en eene uitdrukking van blijde verwachting beglansde haar gelaat. Het gerucht van sleutels en zware stappen in den gang kondigde haar aan dat Reinbert, de gevangenbewaarder, haar met het morgeneten tijding van Robrecht ging brengen.

Reinbert, die nu de deur des kerkers opende en met eene kruik en een weitebroodje in de hand binnentrad, was een reeds bejaarde man, wiens gelaat niet van gevoeligheid getuigde; maar hij had vroeger in den oorlog onder het bevel van mher Wulf gestaan, en herinnerde zich met erkentenis den heldenmoed en de goedheid van zijnen overste. Daarom behandelde hij nu zijne dochter in het ongeluk met eerbied en genegenheid, en verschafte haar, niet zonder gevaar voor zich zelven, wat haar lot in deze treurige plaats kon verzachten.

"Jonkver Wulf", zeide hij bij zijne intrede, "ik heb hier warme melk en van het fijnste brood dat er in Brugge te vinden is. Dezen middag zal ik ..."

Maar Dakerlia, door haar ongeduld aangejaagd, onderbrak zijne vriendelijke rede:

"Dank, dank; God zegene u, Reinbert, voor uwe goedhartigheid! Hebt gij heden reeds mher Sneloghe gezien?"

"Ik heb hem gezien, jonkvrouw."

"En hoe vaart hij?"

"Wel, tamelijk wel."

"Gij zegt het zoo twijfelachtig! Treurt hij?"

"Ja en neen, jonkvrouw. Als hij tot zijne gezellen spreekt, glanzen zijne oogen van mannelijke trotschheid, en hij boezemt allen de verachting des doods in, met eene onweerstaanbare welsprekendheid Sterven op zulke wijze dat men den onplooibaren heldenmoed der Kerels tot den einde toe bewondere, schijnt zijn eenige droom en zijn eenig doel; maar zoohaast hij het woord tot mij richt, wordt hij droefgeestig, en niet zelden schieten hem dan tranen in de oogen."

"Waarom toch? Zegt gij hem bedroevende dingen, Reinbert?"

"Neen, jonkvrouw; maar mij spreekt hij immer van u, van u alleen. Uw tegenwoordig lot, het lot dat u nog te wachten staat, verschrikt hem. De tranen, welke hij met zooveel geweld op zich zelven poogt te bedwingen, zijn tranen van medelijden en van liefde."

Dakerlia zweeg eene wijl; een zucht ontsnapte haar en hare oogen glinsterden van ontroering.

"Maar, Reinbert", vroeg zij in gedachten, "gelooft dan mher Sneloghe, gelooven de andere Kerels dat men de doodstraf tegen hen zal uitspreken?"

"Zij schijnen inderdaad weinig hoop op het behoud des levens te koesteren", antwoordde de gevangenbewaarder, "en zij hebben wel reden, dunkt mij, om zich vanwege hunne vijanden aan het ergste lot te verwachten. Arme Kerels, hunne onzekerheid zal niet lang meer duren!"

Door deze koele bevesting harer vrees verschrikt, hief Dakerlia de handen in de hoogte en riep kermend uit:

"Genade, genade voor hem, almachtige God! Hij is onschuldig. Ach, wreek den gruwelijken moord niet op hem. Laat hem leven, ik zegen Uwen heiligen naam tot mijnen laatsten snik!"

"Jonkver Wulf, vertwijfel zoo niet", zeide de gevangenbewaarder "Hoor mij aan, ik bid u. Worden de andere Kerels ter dood veroordeeld, men zal naar alle waarschijnlijkheid mher Sneloghe het leven sparen."

"Gij wilt mij troosten en poogt mij te bedriegen, uit goedheid des harten!" murmelde Dakerlia ongeloovig.

"Neen, jonkvrouw, ik heb u reeds gezegd dat de schepenen en voorname poorters niet ophouden bij den koning allerlei pogingen aan te wenden om genade voor mher Sneloghe te bekomen. Gisterenavond heb ik hier, in de groote zaal van het Gyselhuis, twee ridders,--mher Gervaas Van Praet, die nu kastelein van Brugge is geworden, en een Fransch overste van 's konings raad over deze zaak hooren spreken en twisten. Uit hunne woorden kon ik verstaan dat de koning geneigd is om mher Sneloghe in genade te ontvangen, en hij het reeds zou hebben gedaan, indien de Isegrims hem tot nu toe niet hadden wederhouden. Wie zal hier overwinnen de poorters of de Isegrims?"

"De rechtvaardigheid of de haat?" mompelde Dakerlia.

"Men zal het waarschijnlijk heden nog weten, jonkvrouw."

"Heden?"

"Het gerucht loopt dat dezen morgen een gerechtshof van daartoe door den koning aangewezen ridders in de Loove zal vergaderen om de Kerels te vonnissen. Het is zeker dat er iets gewichtigs gaat geschieden: de burg is sedert een paar uren vol wapenknechten en eene menigte ridders hebben zich in de Loove begeven Zelfs de Markt is overdekt met Fransche benden, die gisteren met den nieuwen graaf uit Kerlingaland zijn teruggekeerd ..."

"Ons arm Kerlingaland is gansch onderjukt!" zuchtte de maagd.

"Dit kon men wel voorzien, jonkvrouw. Zoo aangevallen door de krijgsknechten van gansch Vlaanderen en van het groote Frankrijk ..."

"Ja, ja, en van God verlaten tot boete eener afschuwelijke misdaad ..."

"Kon Kerlingaland slechts zijnen heldenmoed betoonen en dan bezwijken ... Maar, wat mher Sneloghe betreft, jonkvrouw, hebt gij alle redenen om te hopen. Hij zal ongetwijfeld voor het gerechtshof der ridders zijne onschuld bewijzen, en de koning, door de smeekingen der poorters tot mildheid gestemd, zal hem genade schenken. Wie kan het weten? Misschien zult gij nog met Sneloghe vreedzame en gelukkige dagen slijten ... Vaarwel, jonkver Wulf; verneem ik iets gewichtigs, ik zal pogen een oogenblik te vinden om het u te komen zeggen."

Onder het uitspreken der vurigste dankbetuigingen vergezelde Dakerlia hem tot bij de deur.

Toen deze weder gesloten was, bleef de maagd langen tijd te midden van den kerker staan, en overwoog wat de gevangenbewaarder haar had gezegd. Zij kwam door hare gepeinzen tot het besluit dat er inderdaad nog veel hoop op eenen gunstigen uitslag bestond; haar gemoed was verlicht.

Zij ging tot de tafel, schonk de melk in eene kleine kom en begon van het brood te eten ...

Daar hoorde zij weder den sleutel in de deur steken. Zij stond met blijdschap op en trad eenige stappen vooruit, in de verwachting dat Reinbert terugkeerde, om haar eenig belangrijk nieuws van Robrecht te brengen.

Toen de deur werd geopend, ontsnapte haar een kreet van verschriktheid, en zij deinsde met eene uitdrukking van afkeer terug naar de tafel, waar zij zich op den stoel liet nederzakken.

Disdir Vos stond voor haar.

Op een teeken van hem ging de gevangenbewaarder uit den kerker.

Haar met eenen bitteren grimlach in de oogen starende, zeide Disdir Vos:

"Ik kom tot u uit edelmoed, uit medelijden; en gij, Dakerlia, ik zie het wel, gij haat hem altijd even vurig, den mensch, die, door loutere liefde tot u vervoerd, zich in gevaar bracht zijn leven en zijne eer te verliezen."

"Verrader, verkooper van Kerlingaland!" morde de maagd. "Voltrek uw verfoeilijk werk: doe hem sterven, den Kerel, wiens edelheid, wiens trouw aan land en vrijheid uwe lage ziel moeten beschamen!"

"Het is hij, het is Robrecht, niet waar", wedervoer Disdir Vos met spottende koelheid, "die mij dus bij u heeft beschuldigd? Niets kon Kerlingaland van den val behoeden. De ware oorzaak dezer ramp is de langwijligheid, de lijdzame traagheid van den proost Bertulf, van den kastelein Hacket, van Robrecht Sneloghe en van alwie met hem den Kerels hebben belet tegen de Isegrims en tegen den graaf het geweld der wapenen in te roepen, toen het nog tijd was."

"Valsch, valsch!" kreet Dakerlia verontwaardigd. "De ware oorzaak is de moord van graaf Karel, afschuwelijke misdaad, waartoe gij, door uwen raad, hebt geholpen, en die ons God en de gansche wereld tot vijanden heeft gemaakt!"

"Ik ben niet gekomen om daarover te twisten", zeide Disdir, zich op eenen stoel nederzettende. "Mijn tijd is kort; hoor met aandacht, jonkver Wulf, wat ik u te melden heb ... De ridders, door den koning benoemd om mher Sneloghe en zijne gezellen te vonnissen, gaan in de Loove vergaderen. Het is slechts veinzerij, om in schijn ten minste te voldoen aan de voorwaarde door de Kerels op hunne overgaaf gesteld. Men zal zelfs zich niet gewaardigen de Kerels te onderhooren. Allen zullen worden veroordeeld tot den schrikkelijksten marteldood. Gij schijnt mij niet te gelooven?"

"Ware het zoo, welnu, zij zouden sterven zonder beven!" antwoordde Dakerlia. "Maar zulk vonnis is niet zeker; gij zoudt nog kunnen bedrogen worden in uwen onverbiddelijken haat. Indien de koning van Frankrijk genade wil schenken aan Robrecht?"

"De koning van Frankrijk?"

"Ja, de koning."

"Aldus, men heeft u hier veropenbaard wat er in de Loove geschiedt?" mompelde Disdir Vos, het hoofd schuddende. "Gij streelt u met eene ijdele hoop, Dakerlia. Wel schijnt de koning geneigd om toe te geven aan de smeekingen der schepenen; maar de veldheer, Gervaas Van Praet, in naam van al ds Vlaamsche ridders, eischt den dood van mher Sneloghe, en de koning zelf heeft betuigd dat hij zonder hunne toestemming geenen enkelen Kerel het leven zal laten behouden. Hij is daartoe door zijnen eigen eed verbonden. Robrecht zal dus sterven in de wreedste martelpijnen, en zijn lijk zal onder de voeten der wapenknechten worden vertreden ..."

"Mijn God, mijn God, zulk akelig lijden, zulke vernedering in den dood!" kreet de maagd terugschrikkende. "Ach, kan niets, niets het gruwelijk noodlot dan verbidden?"

"Ja, Dakerlia, gij alleen op aarde kunt Robrecht nog het leven redden."

"Ik, o hemel!"

"Hem redden en hem de vrijheid terugschenken."

"Eilaas, gij bedriegt mij door eene valsche hoop; gij wilt mij verrassen!" zuchtte de maagd, terwijl zij, gansch ontmoedigd, het hoofd op de borst liet vallen.

"Ziet gij, Dakerlia", sprak Disdir Vos, "ik heb den veldheer Gervaas Van Praet groote diensten bewezen. Hij is mij nog daarvoor eene uitstekende belooning schuldig. Vraag ik van hem, als kwijtschelding zijner belofte jegens mij, levensgenade voor mher Sneloghe, dan zal hij zonder twijfel mij mijne bede toestaan en den koning de goedwilligheid jegens Robrecht aanraden. Zoudt gij mij dankbaar zijn, indien ik, alle andere gunsten verzakende, de verlossing van Robrecht Sneloghe als het eenige loon mijner zelfopoffering eischte?"

Dakerlia stond op en trad eenen stap vooruit; zij zag Disdir aan met eenen smeekenden glimlach, die vriendschap of erkentenis scheen te ademen.

Hij, door dien eersten straal van mogelijke genegenheid tot hem verrast en ontroerd, greep Dakerlia's hand; maar als hadde deze aanraking haar door een gevoel van afschuw tot bewustheid van haren toestand teruggeroepen, de jonkvrouw ontrukte hem sidderend hare hand.

"Gij blijft onverbiddelijk voor mij!" gromde Disdir gekwetst. "Het zij dan zoo, vergiet gij zelve het bloed van Robrecht uit haat tegen mij. Ik vertrek en ga het woord uitspreken dat hem een doodvonnis moet zijn. Nog een uur en zijn trillend lijk zal op het Zand, verminkt en verpletterd, door de wapenknechten met voeten worden getreden ..."

Hij meende den kerker te verlaten; maar Dakerlia liep tot hem en weerhield hem, terwijl zij bevend kermde:

"Disdir, Disdir, ach, wees barmhartig! Genade, genade voor hem!"

"Genade voor hem?" morde mher Vos, zich omkeerende. "Gij alleen, Dakerlia, kunt hem het leven nog redden; een enkel woord van u is daartoe genoeg."

"Een enkel woord? Welk woord?" stamelde de maagd met angstig vooruitzicht.

"Zeg, dat gij na het vertrek van Robrecht,--want indien men hem het leven spaart, zal hij zeker gebannen worden,--zeg, dat gij toestemt mij tot echtgenoot te aanvaarden."

Een doffe schreeuw van afgrijzen ontsprong uit Dakerlia's benauwde borst, en zij deinsde wankelend naar de tafel, waar zij met de hand eenen steun zocht.

"Ik eisch niet", ging Disdir voort, "dat dit huwelijk in de eerste maand voltrokken worde. Ik wil u den tijd gunnen om u aan de gedachte van dit nieuw lot te gewennen. Beloof mij slechts op dit oogenblik, dat gij aan uwe liefde voor mher Sneloghe verzaakt en laat mij de hoop dat ik u ten altaar zal mogen leiden, zoohaast de herinnering aan uwe tegenwoordige beproevingen genoeg zal verzwakt zijn, om in uw hart plaats voor een ander gevoel te maken. Gij ziet het, ik ben toegevend tot het uiterste; maar langer kan ik in dezen kerker niet blijven. Neem een besluit: van dit opperst ja of neen hangt het leven van Robrecht af. Zult gij mijne vrouw worden of niet?"

Dakerlia staarde hem aan met eenen zuren spotlach en met oogen die eensklaps van heldhaftige trotschheid blonken.

"Gij antwoordt niet?" vroeg bij. "Gij veroordeelt dus Robrecht tot den schandelijksten marteldood?"