De Kerels van Vlaanderen

Part 40

Chapter 40 3,872 words Public domain Markdown

De oorzaak dezer ontevredenheid wae, dat Rambold Tancmar en andere neven of magen van den hofraadsheer, die met graaf Karel was vermoord geworden, den koning volgden. Tot nu toe had geen hunner binnen Brugge zich durven vertoonen; maar sedert de nederlaag van het Kerlenleger vreesden zij niets meer, en tergden nu zelfs de verbitterde poorters door spottende blikken en hoogmoedig lachen.

Zoo trok de stoet, bij den klank van bazuinen en trompers, nevens de St-Christoffelskapelle voorbij, en begaf zich naar den Maalberg, alsof des konings doel ware geweest de Kerels van boven den toren zijnen zegevierenden intocht te doen aanschouwen.

Op den Maalberg hield de stoet stil, en men voerde, met een bepaald inzicht ongetwijfeld, den open wagen zoo dicht mogelijk naar den toren.

De ridder, die op den wagen gebonden lag, woelde zich om en wrong zijne leden, als wierd hij door de stuiptrekking eener vurige woede geschokt. Zoo geraakte hij half opgericht en schreeuwde met eene machtige stem tot de Kerels:

"Moordenaars, vuige, laffe moordenaars, gij hebt Kerlingaland en mij in het verderf gestort! Wees vermaledijd!"

Dan herkenden de Kerels in den gevangen ridder Willem Van Loo, dien zij te Veurne in de Hoop tot graaf van Vlaanderen hadden gekozen.

Hij lag gebonden op eenen wagen en werd in eenen zegevierenden optocht, ter eere des konings van Frankrijk, rondgevoerd! Het Kerlenleger was dus overwonnen; niet alleen was alle hoop op behoudenis des levens hun ontnomen, maar zelfs hun vaderland was verloren!

Deze overtuiging trof hen met zulken diepen angst, dat zij in den eerste geene acht op des ridders woorden gaven; maar dewijl hij zijne beschuldiging meer dan eens herhaalde, ontvlamden zij in toorn en riepen hem toe:

"De lafaard, de verrader zijt gij, valsche ridder, die den moord des graven hebt bevolen, en dan den onschuldigen proost van St-Donaas hebt doen martelen en ons zonder hulp hebt gelaten, om de wereld te doen gelooven dat gij vreemd waart aan de misdaad! Ja, de gruwelijke moord, door Burchard Knap gepleegd, is de oorzaak van Gods toorn tegen ons geslacht; maar gij, gij hebt den wreeden arm van Burchard bestierd ... Wees vermaledijd, valschaard, vermaledijd tot in den dood!"

Misschien verstond Willem Van Loo de bittere verwijten niet welke de Kerels hem toestuurden; want zij spraken verscheidene te gelijk, en daarenboven was reeds de wagen omgewend geworden en voerde men hem nu verder het plein op, om hem buiten het bereik van der Kerlen pijlen te stellen.

Intusschen had de koning zijn gevolg van ridders en wapenknechten den ruststand bevolen, en was zelf van paard gestegen, om van zoo dichtbij als mogelijk de kerk en den toren te bezichtigen.

Hij deed nu eenige stappen vooruit met den veldheer der Isegrims en met Baudewijn Van Aelst, die zich gereed hielden om hem desnoods de uitleggingen te geven, welke hij zou kunnen verlangen.

Eene wijl bleef de koning in stilte naar den toren blikken. Dan, zich tot Gervaas Van Praet wendende, vroeg hij:

"Men heeft mij daar straks gezegd dat zij nog wel met hun honderd daarboven zijn? Zij schijnen mij zoo talrijk niet!"

"Uwe gissing is gegrond, heer koning", antwoordde de veldheer "zij kunnen, volgens de nauwste berekening, niet meer boven de vijftig sterk zijn. Maar wanneer onze mannen, om hen te verontrusten, eenen aanval veinzen, weren zij zich zoo hardnekkig en zoo krachtig, dat men inderdaad wel zou denken dat zij nog met honderden te zamen zijn."

"En zij dooden u vele mannen?"

"Ja, heer koning, zij deden ons aanzienlijke verliezen onderstaan Daarom hebben wij, sedert eenige dagen, van alle vijandelijkheid tegen hen afgezien, totdat wij uwe hooge bevelen mochten ontvangen."

"Het zijn dus verwoede, zinnelooze lieden, die Kerels? Wat hopen zij?"

Mher Gervaas haalde twijfelend de schouders op.

"Maar, veldheer", zeide de koning, op eenigszins strengen toon, "het is u mogelijk geweest de kerk en de kapelle stormenderhand te winnen. Waarom hebt gij niets tegen den toren beproefd? Mij dunkt het gemakkelijk deze handvol uitgeputte mannen met geweld van daarboven af te rukken."

[Illustratie: "Moordenaars, vuige, laffe moordenaars!" (Bladz. 479.)]

"Veroorlove mij de heer koning hem eenige uitleggingen over den toestand der zaken te geven", antwoordde de veldheer. "Men kan de gaanderij van den toren niet bereiken dan langs eenen wenteltrap die zoo nauw is dat men haar man voor man moet beklimmen. De heer koning begrijpt dat bij eenen aanval langs dezen weg de Kerels den tijd zouden hebben om duizenden ridders en wapenknechten opvolgend het hoofd te klooven of den hals af te snijden ... Beter dunkt het mij onze vijanden daarboven van honger en gebrek te laten bezwijken, dan nutteloos zoovele dierbare menschenlevens op te offeren."

"Maar zij willen zich overgeven", bemerkte Baudewijn Van Aalst.

"Ja, op voorwaarde dat men hun het leven laat behouden", antwoordde de veldheer.

"Welnu, waarom aanvaardt gij dit niet?" vroeg de koning; "gij hebt mij daar straks gezegd dat de moordenaar des graven dood is en men zijn lijk door de straten heeft gesleurd totdat het ontkennelijk geworden was."

"Maar, heer koning, wij, ridders van Vlaanderen, hebben gezworen dat geen enkele Erembald,--dit is het geslacht waaraan de moordenaar toebehoort,--genade des levens zou bekomen. Daarenboven op den toren bevinden zich nog Erembalds; onder anderen de rijkste en machtigste Kerel, Robrecht Sneloghe. Gelieve de heer koning zich te herinneren dat onze nieuwe graaf Willem van Normandiƫ beloofd heeft de groote grondbezittingen van dezen Kerel tot belooning aan de Vlaamsche ridders uit te deelen. Werd Robrecht Sneloghe gespaard, de vervulling van des graven belofte wierd onmogelijk. Daarenboven, deze jonge ridder Robrecht is onder de Kerels zeer geacht en bemind; hij zou onfeilbaar door hen tot opperhoofd worden gekozen; en nauwelijks zou onze graaf Willem bezit van den troon genomen hebben, of een nieuwe en misschien gevaarlijkere opstand zou hem bedreigen."

"Ware het mijne zaak", zeide Baudewijn Van Aelst, "ik zou er spoedig mede gedaan hebben!"

"Door welk middel?" vroeg de koning.

"Het is door de goddelijke en menschelijke wetten toegelaten verraders te verraden. Men aanvaarde hunne voorstellen ... en zoohaast ze beneden komen, vatte men de schelmen aan en brenge ze ter dood!"

"Aan zulk bedrog weiger ik deel te nemen", morde de veldheer "Men zal van mij niet verhalen dat ik, aan het hoofd van een machtig leger staande, vijftig ellendige vijanden door list en valschheid heb verrast en doen vermoorden!"

"Gij hebt gelijk zoo teergevoelig op uwe krijgseer te zijn", viel de koning met ongeduld uit, "maar het is eene even groote schande voor u, veldheer, en voor mij, koning van Frankrijk, dat wij met twee legers voor dezen toren staan en gedurende dagen en weken onmachtig zouden blijven om vijftig ellendige vijanden, zooals gij hen noemt, in handen te krijgen."

De veldheer boog het hoofd en zweeg.

"Indien wij het klooster en de kerk in brand deden steken?" mompelde de vorst. "De dolle Kerels zouden zich overgeven of door het vuur worden vernield?"

"O, heer koning, denk daar niet aan!" zeide Gervaas Van Praet, schier smeekende. "De Bruggelingen zouden hun bloed vergieten om den oudsten tempel hunner stad te verdedigen of zijne verdelging te wreken. Ook de geestelijkheid van Vlaanderen zou dit verlies als een schrikkelijk onheil beklagen."

"Maar, veldheer, ik wil niet dat de Kerels nog langer van daarboven mij en mijne ridders blijven hoonen! Er moet een middel zijn om een einde aan hunne trotschheid te stellen. Al moest ik den toren omverre werpen, zij zullen er af voordat de week verloopen zij! Mijne gewerkmeesters en mijngravers zijn ongelukkiglijk in het leger met Willem van Normandiƫ. Zonder dit toeval ..."

"Dat de heer koning zich daarom niet bedroeve", zeide Baudewijn Van Aelst. "Onder de lieden van Gent zijn behendige gewerkmeesters, een onder anderen, meester Arnold, die om zijne spitsvondigheid befaamd is door geheel Vlaanderen en tot in Duitschland toe."

De koning wendde zich om en deed een teeken tot de oversten die op zijn bevel stonden te wachten.

Eene groote beweging liet zich oogenblikkelijk tusschen de ridders en wapenknechten opmerken. Ieder steeg te paard of schikte zich in zijn gelid.

Insgelijks naar zijn paard stappende, vroeg de koning aan mher Van Praet:

"Veldheer, heeft men nu eene betere herberg voor mij doen bereiden?"

"Ja, heer koning", was het antwoord, "De schepenen hebben eene woning als een paleis in gereedheid gebracht. Zij is niet verre van de Markt gelegen en men noemt ze sher Gherwijns Steen."

"Het is wel, veldheer; heb de goedheid te bevelen dat men dezen namiddag den Gentschen gewerkmeester Arnold tot mij leide. Ik wil met hem spreken."

Onder het uiten dezer laatste woorden was hij te paard gestegen. Hij gaf nog een sein met de hand; de bazuinen werden aangeheven, de stoet bewoog zich en zakte den Maalberg af.

De Kerels keken hem zwijgend achterna, totdat hij voorbij de St-Janskapelle uit hun gezicht verdween.

Dan begonnen zij onder elkander over de waarschijnlijke nederlaag van het leger der Kerels en over de gevangenneming van Willem Van Loo te kouten. Hun lot was schrikkelijk, geene de minste hoop bleef hun over. Had God waarlijk hen vervloekt en tot eenen ijselijken dood gedoemd, om voor den moord des graven te boeten? Volgens de wetten en gebruiken der Kerels waren alle magen en vrienden van eenen moordenaar mede verantwoordelijk voor de misdaad. Zij vroegen in zich zelven, waarom het daarboven in den hemel met insgelijks zoo zou zijn. Ja, er was niet aan het hoogere vonnis te ontsnappen; zij zouden sterven tot den laatste toe!

In den eerste versomberde deze mistroostige overweging hunne gemoederen; maar welhaast stonden zij weder met nieuwe hardnekkigheid uit de hopeloosheid op en maanden elkander aan om geen het minste teeken van zwakheid te geven en als onversaagde mannen te volharden, tot onder het zwaard des vijands zelven, opdat hun dood getuigenis gave van der Kerlen onverwinbaren heldenmoed.

Daar hoorden zij onverwachts weder bazuingeschal hergalmen, en zagen van den kant der Markt een tiental ridders en eene bende wapenknechten door de Hofstraat den burg naderen. De standaard, die men voor de bazuinblazers hield opgeheven, verklaarde hun wie deze lieden waren.

Inderdaad, de standaard droeg de wapenteekens der Tancmars, Het geslachtszinnebeeld van de bloedvijanden der Erembalds!

Wat kwamen deze booze vervolgers der Kerels op den burg doen? Ha, indien zij tot onder het bereik der pijlen durfden naderen, met welke vreugd zouden Robrecht en zijne gezellen de vernedering van Kerlingaland op hen wreken!

Maar de Tancmars keerden ter rechterzijde en gingen achter den opgeworpen dam tot bij de Hoogpoort. Hier traden zij met hunne wapenknechten in de gebouwen van het klooster.

Vele poorters hadden hen tot daar gevolgd, onder het uitspreken van afkeurende woorden en zelfs met dreigende gebaren; maar de Tancmars, zich door 's konings bescherming sterk wanende, hadden nu en dan de verbitterde poorters door de wapenknechten doen terugdrijven, zonder eenige acht op hunne vijandige houding te slaan.

Terwijl de volkshoop steeds voor het klooster aangroeide en men elkander tegen Rambold aanhitste, als zijnde hij de oorzaak van des graven beklaaglijken dood, werd eensklaps de standaard der Tancmars uit het bovenste venster van den gevel der proostdij gestoken.

Dan begrepen de poorters en tevens de Kerels boven op den toren wat er geschiedde: de Tancmars namen bezit van de proostdij als van hunnen eigendom. Had de koning hun dit toegelaten of was het enkel eene daad van zwetserij en overmoed?

De Kerels toonden de gebalde vuisten en deden de lucht onder hunne verontwaardigingskreten weergalmen; de poorters morden en schreeuwden, en wierpen de Tancmars scheldwoorden toe.

Dan verscheen Rambold Tancmar voor de deur des kloosters en gebood zijnen wapenlieden deze grove, vermetele lieden met geweld uiteen te drijven.

Het volk week morrend achteruit. Een enkel poorter weigerde eenen voet te verzetten, en kwetste zelfs een der wapenknechten met zijn mes. Hij werd doorstoken en viel neder in zijn bloed.

Toen de andere poorters dit zagen, vloden zij allen met groot gekerm van den burg en liepen op de Markt en door de straten, met de handen in de hoogte, schreeuwende:

"Wacharm! Wacharm! De Tancmars zijn in de proostdij! Zij hebben den beenhouwer Han Bout vermoord! Harop, harop!"

Op dit oogenblik keerden juist de Bruggelingen, die des konings stoet gevolgd hadden, naar hunne woningen terug; de straten krielden van volk, dat eveneens als de vluchtelingen van den burg: "Wee! Wee! Wacharm! Harop! Harop! Harop!" begon te roepen.

Zoo weergalmde onmiddellijk de gansche stad van den honderdmaal herhaalden noodkreet, en weinig tijds daarna stroomden van alle kanten gewapende poorters en ambachtslieden te zamen op de Markt, rondom de standaarden der neringen en der gilden.

Men zou gezegd hebben dat deze lieden elkander lang op voorhand verstaan hadden, om op dezen dag allen te gelijk onder de wapens te komen. Het was echter niet zoo. Hun haat tegen de Tancmars was alleen de oorzaak dezer eensgezindheid. Zoolang de Kerels machtig waren en konden laten hopen dat zij zich zelven zouden verdedigen, hadden de meeste poorters het inwendig goedgekeurd, dat men tegen hen wraak name over des graven moord; maar nu de Kerels voor goed waren bezweken, gevoelden de poorters dat zij voortaan hunne vrijheden alleen en zonder hulp tegen de dwingelandij en de verdrukking der leenheeren zouden te verdedigen hebben en waarschijnlijk in deze ongelijke worsteling zouden bezwijken. Zij waren door het gevoel van dit gevaar verbitterd. Tegen den koning en tegen het ridderleger konden zij niets. De Tancmars, welken zij reeds sedert jaren eenen diepen haat hadden toegedragen, boden zich nu van zelven tot doel hunner gramschap aan.

Nauwelijks waren zij op de Markt ten getalle van eenige honderden te zamen, of zij liepen naar den burg en bestormden daar de deur van het klooster, en schoten de wapenknechten neder, evenals in eenen waren oorlog.

De Kerels, van boven de toren, zagen niet alleen dit gevecht, maar bemerkten nog met groote vreugde hoe uit al de straten der stad een ontelbare vloed gewapende poorters naar den burg kwam gestroomd. In de meening dat het Brugsche volk, tegen de Franschen en tegen de Isegrims in opstand was gekomen, om hen te verlossen, moedigden zij de strijdenden aan en riepen zelfs de poorters bij hunnen naam, hen met vurige woorden tegen de Tancmars en tegen de wapenknechten ophitsende.

Eensklaps verscheen de veldheer Gervaas Van Praet met eenige Vlaamsche ridders op den burg. Zonder acht te slaan op het gevaar, wierp hij zich met zijne gezellen voor de poort van het klooster en bezwoer, schier met tranen in de oogen, de poorters deze bloedige worsteling te staken. Wat was de oorzaak dezer beroerte? Wat eischten zij? Men zou hun bevrediging geven.

Door de woede van den strijd verhit, wilden de poorters in den eerste op zijne stem niet luisteren, en dreigden zelfs den veldheer en zijne ridders te doorsteken, indien hij de booze en verfoeilijke Tancmars tegen hunne woede wilde beschermen; maar eindelijk toch bedaarde het gewoel en geschreeuw een weinig, en dan traden eenige oversten der neringen vooruit, om den veldheer de eischen der poorters te doen begrijpen.

"Mher Van Praet", zeide een hunner, nog zeer door toorn ontsteld, "de Tancmars zijn de schuld van des graven ellendigen dood en van al de ongelukken die ons arm Vlaanderen daarom bedreigen. Zij hebben onophoudelijk den vorst aangeraden den Kerels en tevens den poorters der steden hunne vrijheden te ontnemen. Wanneer alles rustig was, en wij den vorst over onzen vrede en onzen voorspoed zegenden, dan waren de Tancmars nacht en dag er op bedacht om door listen en lagen de Erembalds, de Kerels en de poorters te verbitteren, en zoo 's lands rust te storen. Zij hebben den graaf verleid tot onrecht en verdrukking en zij zijn dus de ware moordenaars van onzen armen vorst ..."

"Wat wilt gij van hen?" vroeg de veldheer verschrikt, "gij eischt toch hun leven niet?"

"Ja, ja, hun leven!" kreet de menigte.

"Maar het is onmogelijk, vrienden", zeide de veldheer treurig. "Gij dwaalt. Vergeet niet dat de koning van Frankrijk te Brugge is, en dat ik een machtig leger tot mijne beschikking heb. Wilt gij mij dan dwingen u allen te vermoorden? Ach, ik bid u, bedaart en weest redelijk!"

"Neen, neen, veldheer", hernam de overste, die eerst gesproken had, "het leven van deze booze vijanden des volks eischen wij niet. Zij zijn met uitdagenden overmoed in Brugge verschenen, hebben bezit der proostdij genomen en eenen poorter doen doorsteken ..."

"Een wapenknecht, die zich verdedigde; het is een ongeluk!" mompelde Gervaas.

"Inderdaad; maar wij willen niet vernederd of getergd worden door degenen die de schuld zijn van des graven dood. Wij eischen dat de Tancmars oogenblikkenlijk niet alleen den burg, maar onze stad verlaten. En geeft men ons niet zonder uitstel deze bevrediging dan geschiede wat kan, zij geraken niet levend uit onze handen!"

De veldheer verzocht den poorters eene wijl zijn antwoord te wachten, en trad in het klooster.

Toen hij terugkwam, zeide hij tot den overste:

"Ik zal de Tancmars gebieden de stad Brugge te verlaten. Stemt gij toe om hun met hunne wapenknechten eenen vrijen doorgang te bieden?"

"Wij stemmen toe", was het antwoord.

"Maar zult gij hen niet volgen?"

"Tot bij de stadspoort, ja."

"En niet er buiten?"

"Neen, niet daarbuiten."

"Gaat dan achteruit en laat ons den weg vrij!"

De oversten der neringen en gilden dreven hunne mannen terug en spanden al hunne pogingen in, om hen tot bedaren te brengen. Meer dan de verwijdering, om zoo te zeggen de ballingschap der Tancmars konden zij nu niet eischen. Was hier noch bedrog noch list in het spel, en schonk men de poorterij deze bevrediging, dan moesten zij zich stilhouden en geene reden geven tot nuttelooze bloedstorting.[86]

De Tancmars, beschaamd en verschrikt, kwamen uit het klooster en schikten zich elk tusschen twee ridders, om tegen de woede des volks beveiligd te zijn.

Men leidde hen over de Markt, in de richting der Bouverypoort.

Wel werden zij onderwege nog met scheldwoorden en dreigende gebaren bejegend, maar toen het volk hen ter poort had zien uitstappen, en van op de vestingen hen eene wijl had achternagekeken ging elkeen juichend en bevredigd naar huis.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 85: "De koning en de graaf belegerden Yperen. Een hardnekkig gevecht had plaats tusschen de beide legers ... Booze inwoners van Yperen, hebbende een verbond met den koning gesloten, brachten hem en zijn ontelbaar leger in de stad ... Willem, niet wetende dat hij verraden was, kwam toegeloopen. De koning en de graaf maakten hem krijgsgevangen." GALBERTUS, p. 377.]

[Voetnoot 86: Zie het verhaal dezer volksberoerte en de uitdrijving der Tancmars, bij GALBERTDS, p. 322.]

XXVI

De koning van Frankrijk was lang met den Gentschen gewerkmeester Arnold in samenspraak gebleven, en had met hem overwogen welke middelen men zou kunnen uitdenken om de Kerels, die nog op den toren waren, levend of dood in handen te krijgen, zonder tot dit einde een al te groot getal zijner ridders en wapenknechten te moeten opofferen.

De uitslag dezer beraadslaging was, dat er geen ander middel bestond dan de toren te doen vallen, of ten minste de Kerels met dien val tot zooverre te dreigen dat zij, in de zekerheid van onder de puinen te worden verpletterd, zich in de genade des konings overgaven.

Men zou den voet van den toren ondermijnen, en daartoe eenen ontzaglijk zwaren beukram bouwen. Om de arbeiders en wapenknechten tegen de steenen en pijlen der Kerels te beschutten, kon men het groote werktuig binnen in het klooster stellen, daar, waar de refter van achter tegen den toren raakte. Dus onder dak staande, zouden degenen, die den beukram moesten bewegen of bestieren, geheel buiten bereik des vijands blijven, en men zou geene of zeer weinige mannen verliezen.

Dit ontwerp bekwam des konings goedkeuring. Hij gelastte meester Arnold een groot getal timmerlieden en smeden aan het werk te stellen, opdat de ram binnen eenige dagen vaardig ware. Bleven de Kerels weigeren zich op genade over te geven, welnu, de toren zou dan nederstorten en deze hardnekkige, verstokte lieden onder zijne puinen begraven!

Meester Arnold had na weinige dagen de balken en gebinten van zijn gestel in gereedheid gebracht, en deed ze stuk voor stuk in het klooster dragen.

Toen eindelijk de reusachtige balk met het ijzeren ramshoofd werd aangevoerd, bemerkten de Kerels, ofschoon nog onduidelijk, wat de vijand voornemens was tegen hen te beproeven. Dat men den toren wilde doen vallen, of dat die val mogelijk ware, zulke gedachte was zoo buitengewoon en zoo ongegrond, meenden zij, dat ze eenen glimlach op hunne lippen verwekte. Wat was dan het doel hunner vijanden? Zouden zij op zekere hoogte in den toren een gat boren, om de trap te bereiken en dus tot hen op te klimmen? Maar deze vooronderstelling was even onwaarschijnlijk.

In deze onzekerheid moedigden zij elkander aan om voor niets te zwichten. Zij hadden het nu reeds zoolang volgehouden, twee machtige legers getrotst en hunne vijanden beschaamd; het was toch oneindig schooner en heerlijker tot den laatste toe vrij en met het zwaard in de vuist te bezwijken, dan gemarteld en door de Isegrims vertreden en bespot, te moeten sterven.

Alhoewel zij slechts weinige pijlen nog bezaten en reeds groote holten in den toren hadden gebroken, om zich werptuigen te verschaffen poogden zij elken vijand, die onder hun bereik kwam, met steenen of schichten te treffen.

Dagelijks sneuvelden er dus eenige Franschen en Vlamingen, ridders en wapenknechten. Dit verlies vergramde den koning uitermate en vuurde dusdanig zijn ongeduld aan dat hij bij dag zijn intrek in de Loove nam en niet zelden binnen het klooster ging om de arbeiders tot vlijt en haast aan te drijven.

Nu was hij weder met eenige ridders in het klooster getreden, omdat men hem de voltooiing van den grooten beukram was komen aankondigen. Met genoegen beschouwde hij het ontzaglijk gestel, dat waarschijnlijk in weinig tijd de Kerels tot overgaaf zou dwingen of door den akeligsten dood een einde aan hunnen onbeschaamden trots zou maken.

De refter van het klooster was bijna hoog als de beuk eener kerk. Daar hing nu, in evenwicht tusschen eene timmering van opgaande balken, een zware eikeboom, nauwelijks van zijne schors ontbloot en vooraan met een ijzeren ramshoofd beslagen.

Aan het achterst einde waren vele zelen gehecht en aan elk dezer zelen stonden vele arbeiders en wapenknechten. Om te beuken, moesten deze lieden achteruitloopen, den balk hoog uit zijn evenwicht trekken en dan, op een sein of een woord, allen te gelijk de zelen loslaten. Dan schoot de balk, om zijn evenwicht te zoeken, vooruit tegen den torenmuur en verbrijzelde de steenen en schokte het gebouw tot in zijne grondvesten.

Toen alles gereed was, gaf de koning zelf het eerste sein. Wel was de schok geweldig en sprong het vuur uit den verstaalden ramskop; maar de brokkelingen, welke hij van den muur deed vallen, waren zoo weinig aanzienlijk, dat de koning met ongeduld en mismoed het hoofd schudde. Nog drie of vier schokken deed hij in zijne tegenwoordigheid beproeven, met even geringen uitslag.

Dan betuigde hij zijne ontevredenheid aan meester Arnold; maar deze, door zijne eerbiedige uitleggingen, deed den vorst begrijpen dat de steen van den toren uitnemend hard was en daarom de ram, ondanks zijne zwaarte, bij elken afzonderlijken slag zoo weinig uitwerksel had. Het was evenwel slechts eene zaak van tijd, en hij kon de verzekering geven, dat na twee of drie dagen arbeids, de toren zou ten gronde liggen, indien de Kerels zich niet vroeger in 's konings genade overgaven.