# De Kerels van Vlaanderen

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-kerels-van-vlaanderen-13625/index.md

Dergelijke vragen werden hem van alle kanten toegestuurd; hij antwoordde er met zekere verstrooidheid op en scheen haast te hebben om hen van andere dingen te spreken. Nauwelijks kon hij met zijne vrienden eenige korte groetenissen gewisseld hebben, of hij stapte naar de deur, sloot ze toe en, tot de tafel terugkeerende, zeide hij:

"Heeren, ik ben vermoeid van de lange vaart en vraag u oorlof om te zitten. Ik heb ernstige berichten u mede te deelen."

Hij nam eenen stoel; en toen hij zag dat de anderen hem hierin hadden nagevolgd en hem nieuwsgierig aanzagen, sprak hij:

"Volgens hetgene ik onderwege van eenige vrienden heb vernomen, vleit gij u hier met de hoop dat men het ontwerp om de Kerels van hunne vrijheid te berooven heeft laten varen. Het doet mij leed uwe gerustheid te moeten storen; maar gij bedriegt u. De Kerels zijn integendeel bedreigd met eene nieuwe en ergere vervolging."

Een kreet van verrassing en gramschap ontsnapte den ridderen; Burchard Knap stampte geweldig op den vloer en gromde eene vermaledijding, maar de proost gebood hem de stilte en vroeg aan Isaac:

"Waarop, mher Van Reninghe, vestigt gij dit vermoeden? Zijn er bewijzen?"

"Bewijzen?" was het antwoord. "De leenheeren, de Isegrims sedert wij uit Aquitanië wederkeerden, beroemen zich openlijk dat zij de wapens niet zullen nederleggen voordat de Kerels den balfaart op den nek hebben en in eeuwige slavernij zijn gedompeld."

"Verstikke mij de nachtmare!" riep Burchard. "Indien wij door onze lankmoedigheid...."

"Zwijg, mijn neef, laat mher Isaac ten minste voortgaan", onderbrak hem de proost. "Wat heeft deze pocherij der Isegrims te beduiden? Wij zijn er aan gewend. Waarom zou ze ons nu verwonderen als iets nieuws?"

"Het zijn de Isegrims niet meer alleen", hernam Isaac. "De koning van Frankrijk en de voornaamste ridders, die hem omringen, moeten zich sedert eenigen tijd met de zaak der Kerels bezighouden; want zij spreken er van en beslissen den twist met de Walsche spreuk: _pas de terre sans seigneur, geen grond zonder heer_".

"Bij Loki en zijne horens! wat is dit voor eene taal?" riep Burchard. "Is elk vrij man niet meester van den grond die hem toebehoord? De Fransche koning? Ha, ha, de Fransche koning bemoeit zich met onze zaken? Niet genoeg dat men ons slaven wil maken, onze dwingeland zelf zou slaaf zijn van eenen vreemden vorst! Het is om te barsten van schaamte!"

"In dit geval blijft ons niets anders te doen dan geheel Kerlingaland te wapen te roepen", zeide Willem Van Wervick. "De schermzeis uit de scheede getogen voordat het te laat zij!"

"Ja, en zonder toeven al de burchten afbranden, die onze vijanden, om onze vrijheid te bedreigen, te midden der Ambachten hebben gebouwd!" voegde Burchard er bij. "Ik heb omtrent Eerneghem, in de bosschen, tweehonderd Houtkerels, echte Blauwvoeten, die snakken naar den strijd."

"Heeren, ik kan u niet genoeg de voorzichtigheid aanbevelen", zeide de proost, "u bovenal, mijn oploopende neef Burchard! Ontijdig geweld redt geene zaak, zelfs niet de rechtvaardigste. Houd u stil; blijf bedaard, zooals het een redelijk man betaamt."

Een somber gegrol ratelde in Burchards keel. Hij zou zulke berisping van geenen anderen man op aarde verdragen hebben; maar de proost, die als hoofd der Erembalds recht had om hier te gebieden, gaf geene acht op zijne spijt.

"Vrienden", ging hij voort, "ik beken dat de berichten, ons door mher Isaac Van Reninghe aangebracht, in schijn, ten minste, van aard zijn om u te kwetsen en te verbitteren; maar gelieft in te zien dat wij nooit iets anders dan zulke grootspraak vanwege de Isegrims te verwachten hebben."

"Ja, maar het is nu veel erger dan te voren", wedersprak hem Isaac. "Er moet eene geheime reden tot den eensklaps aangegroeiden overmoed der leenheeren bestaan. Kondet gij het hooren, vrienden, hoe onbeschaamd de Isegrims hunnen haat tegen de Kerels lucht geven! Zij zingen zelfs, met de hanaps in de hand, een spotlied tegen ons. Het is zeer lang en vol hoon. Ik heb er slechts de volgende rijmen van kunnen onthouden:

Wij willen de Kerels doen greinsen, Al dravende over het velt; Het 's al kwaad dat si peinsen, Ic weetse wel bestelt, Men sal se slepen en hangen, Haar baart is al te lanc; Sine connens niet ontgangen; Sine dogen niet sonder bedwanc."

Een storm van verontwaardigingskreten borst los.

"Zoo sla mij Thors hamer, indien ik den eersten Isegrim die slechts een woord van dit lied in mijn bijwezen durft zingen het hoofd niet kloof!" schreeuwde Burchard boven het gerucht uit.

"Klachten genoeg, daden moeten er zijn", zeide Willem Van Wervick. "Wat blijft ons te doen? Het is gansch eenvoudig: ons in de Ambachten begeven en alles tot den opstand bereiden."

"Ja, en onmiddellijk Willem Van Loo, den burggraaf van Yperen, tot graaf van Vlaanderen uitroepen", viel Burchard woedend uit, "te wapen loopen met dien wettigen erfgenaam onzer graven aan het hoofd en Karel van Denemarken het land uitjagen!"

"Zijt gij daar alweder met die dwaze gedachte?" schertste de kastelein Hacket. "Is het zoo dat men beraadslaagt over de hoogste belangen? Gij maakt gerucht en tiert. Dit zijn geene redenen."

"Dwaze gedachte?" herhaalde Burchard. "Is Willem Van Loo niet de kleinzoon en erfgenaam van den graaf Robrecht De Vries, door de mannen, terwijl Karel van Denemarken dit slechts is door de vrouwen? Haddet gij, mijne ooms, in den oorlog tusschen beiden, Karel niet geholpen, wij zouden nu eenen vorst hebben met Kerlenbloed in de aderen; want de moeder van Willem was eene Kerlinne[21]."

"En haddet gij en mher Isaac en velen uwer vrienden in den oorlog voor de Kroon u onzijdig gehouden", wedervoer Hacket, "de Kerels zouden waarschijnlijk nu de ongunst van den graaf niet te vreezen hebben."

"Ik verzoek u bedaard te blijven, heeren", zeide de proost. "Laat mij mher Isaac Van Reninghe vragen of hij ons met eenige zekerheid kan bevestigen dat graaf Karel dezelfde inzichten als de Isegrims jegens ons heeft."

"In der waarheid, ik moet bekennen", antwoordde Isaac Van Reninghe, "dat, welke moeite ik ook aanwendde, ik desaangaande niets heb kunnen vernemen. Maar gij weet hoe ondoorgrondelijk onze graaf is; en daarenboven, men mistrouwt mij omdat men vermoedt dat ik een vriend der Erembalds ben."

"Welnu", bemerkte de proost met eene zegevierende uitdrukking, "ik, integendeel, heb daarover rechtstreeksche berichten van iemand die meer dan anderen het vertrouwen van onzen graaf bezit en hem nooit verlaat, namelijk den ouden Frumold, wiens geloofbaarheid wel niemand uwer zal betwisten. Deze heeft mij geschreven dat wij alle redenen hebben om te gelooven dat men de Kerels voortaan aangaande hunne vrijheid niet meer zal verontrusten; en hij raadt ons aan onzen heer graaf met betuigingen van eerbied en verkleefdheid te onthalen en hem in zijne goede stemming ten onzen opzichte te versterken. Het is onze plicht dezen wijzen raad te volgen. De oorlog tegen onzen wettigen vorst, indien wij er toe gedwongen worden zal, in alle geval, een groot ongeluk zijn, dat wij behooren te ontwijken zoolang wij kunnen. Is dit niet het gevoelen der meerderheid dezer vergadering?"

Velen der tegenwoordig zijnde ridders knikten met het hoofd of antwoordden bevestigend.

"Laat ons dan tot een besluit komen, heeren", hernam de proost. "Mijn tijd is kostelijk; ik verwacht den voorschepen van Brugge. Ziet hier mijn gevoelen. Wij moeten ons bereiden om onzen heer graaf bij zijne intrede met de meest mogelijke eerbewijzen te verwelkomen. Diegenen onzer die niet gehouden zijn hem af te wachten, zullen hem te gemoet rijden...."

"Ik den graaf te gemoet rijden?" kreet Burchard. "Mij door de Isegrims uitdagend laten bekijken? Neen, neen, ik zou een ongeluk doen!"

"Daarom juist, mijn neef, omdat gij zoo oploopend zijt en u zelven niet kunt bedwingen, wilde ik u verzoeken dien dag te Bethferkerke te blijven[22]."

"Ha, vrees niet: men zal mij in Brugge niet zien!"

"Tot nu toe, heeren", ging de proost voort, "hebben wij geene redenen om den graaf als een vijand der Kerels te beschouwen. Integendeel, ik durf de overtuiging uitdrukken dat vorst Karel een edelmoedig hart heeft en nooit ons recht zal te kort doen, indien slechte raadslieden hem niet valschelijk tegen de Kerels aanhitsten. Wij zullen ons nu eerbiedig en verkleefd jegens hem toonen en zelfs, indien het geval zich voordoet, de hoonende houding der Isegrims over het hoofd zien, om geene reden van ontevredenheid aan den vorst te geven. Ontstaat het kwaad dat gij vreest, wij zullen onzen plicht doen en met goed en bloed de vrijheid van Kerlingaland verdedigen; maar niemand toch zal ons kunnen beschuldigen dat wij zelven de oorzaak der bloedige botsing waren.... In deze omstandigheid, heeren, verheugt het mij ten hoogste u te kunnen melden dat ik er gelukt ben het machtige huis van Rijkaard Van Woumen door een huwelijk aan onzen stam te verbinden. Rijkaard en de zijnen zijn machtig bij den graaf en hunne hulp is ons meer waard dan duizend zwaarden."

"Zoo? heeft mehr Robrecht Sneloghe dan eindelijk toegestemd?" vroeg Matfried Wegel. "Hij scheen van dit huwelijk niet te willen hooren."

"Inderdaad", bevestigde de proost, "hij heeft wel eenigen tegenstand geboden; maar gij weet het, onder ons is er geen die met meer edelmoed dan mijn neef Robrecht zich bereid toont tot zelfopoffering, zoohaast hij iets kan doen ten goede van ons geslacht en van Kerlingaland. Het was mij genoeg hem te doen begrijpen welke gelukkige gevolgen dit huwelijk, zoowel voor de Erembalds in het bijzonder als voor de Kerels in het algemeen, moest hebben, om hem de eervolle verbintenis te doen aanvaarden."

"En is Rijkaard Van Woumen met dit huwelijk tevreden?"

"Zeer tevreden."

"Een der machtigste leenheeren zich verbinden met eenen Kerel!"

"Met den rijksten en machtigsten Kerel", verbeterde Bertulf. "Wie weet niet dat mijn neef meer vrije gronden bezit dan mher Rijkaard leengoederen?"

"Het is gelijk, heer proost, indien dit huwelijk voltrokken wordt zult gij iets wonders gewrocht hebben dat, inderdaad, de Kerels sterk moet maken tegen de kuiperijen der Isegrims."

"Maar Ghijselbrecht Tancmar stond insgelijks naar de hand van jonkver Placida", bemerkte Yorg Koevoet. "Indien zijn oom, de hofraadsheer, met den graaf terugkomt, zou hij dit huwelijk nog wel kunnen beletten."

"Onmogelijk", antwoordde Bertulf, "heden nog, dezen morgen zelfs, zal Placida Van Woumen de beloftegift uit Robrechts handen ontvangen. Het is daarom dat mijn neef zich niet hier met ons bevindt."

"God zij dank, dit is eene goede tijding!" juichten al de aanwezigen. Burchard zelf glimlachte van tevredenheid en loofde uitbundig zijnen oom over deze zegepraal.

De proost was bezig met hun uit te leggen, hoe dit huwelijk den Kerels in eenmaal vele invloedrijke vrienden aan het hof des graven zelven moest verschaffen en hoe hij hoopte daardoor beter dan door eenen verderfelijken oorlog de rechten en de vrijheid van Kerlingaland te doen eerbiedigen. Een dienaar opende zachtjes de deur en meldde hem dat de voorschepen van Brugge verlangde hem te spreken.

Al de ridders stonden op. Zijne aanbeveling tot voorzichtigheid herhalende, leidde de oude Bertulf hen tot aan de deur.

Hier zeide zijn broeder Hacket in stilte tot hem:

"Maar, proost, waarom verbergt gij den toestand der zaken? Onze berichten zijn niet zoo geruststellend als gij het voorgeeft."

"Wat wij te vreezen hebben is dat de Kerels der Ambachten in beroering geraken. Dit zou de graaf ongunstig stemmen en de Isegrims in de hand werken. Met zulken onvoorzichtigen woestaard als onze neef Burchard, kunnen wij de waarheid niet gansch openbaren. De minste genster ware genoeg om het vuur van eenen ontijdigen opstand in Kerlingaland te doen ontvlammen. Ga zonder kommer, broeder, en gelief den deurwaarder te zeggen dat men den voorschepen binnenlate."

De kastelein drukte hem de hand en verwijderde zich.

Een voornaam en rijk poorter, die als voorschepen of burgemeester aan het hoofd van het stadsbestuur stond, trad in de zaal en groette den proost, terwijl deze hem minzaam eenen zetel aanbood.

Toen beiden gezeten waren, zeide de oude Bertulf:

"Heer voorschepen, dringende bezigheden, zooals gij aanstonds zult begrijpen, laten mij niet toe ten uwent te gaan; daarom deed ik u bidden u ten Burg te willen begeven. Ik moet u melden dat onze heer graaf overmorgen in Brugge komt...."

"Ik weet het reeds, heer proost", bemerkte de voorschepen.

"Gij weet het? Heeft dan de graaf u insgelijks eenen bode gestuurd?"

"Neen, maar de hofraadsheer Tancmar Van Straten bracht zelf mij de tijding."

"De raadsheer Tancmar?" herhaalde Bertulf met zichtbare bekommerdheid.

"Ja, en tevens de hofbottelier Walter Van Lokeren."

"Zij hebben wel veel haast om in Brugge te verschijnen, heer voorschepen."

"Inderdaad."

"Brachten zij u ook eenige bijzondere bevelen van den graaf?"

"Bevelen wel niet; maar zij raadden mij aan eene houten trede op de markt te doen timmeren om daarop de sleutels der stad den graaf te overhandigen alsof hij eene eerste intrede deed. De reden daarvan is dat eenige voorname Fransche ridders onzen vorst zullen vergezellen en hij verlangt dat zijn onthaal zoo plechtig mogelijk geschiede. Ik zie geen beletsel om onzen heer graaf hierin te vergenoegen. Daarenboven, ik zal de poorters uitnoodigen hunne huizen op den doortocht van den stoet met alle mogelijke pracht te versieren."

"Ik hoor wel dat voor alles naar behooren zal gezorgd worden", sprak de proost. "Het spijt mij u zoo verre te hebben doen komen, dewijl ik u niets anders te zeggen of te raden had."

De voorschepen stond op.

"Alzoo de raadsheer Tancmar is in de stad?" vroeg de proost peinzend.

"Ja, maar hij keert terug op de baan naar Atrecht om den graaf te gemoet te gaan."

"Wanneer vertrekt hij? Dezen morgen nog?"

"Neen, in den vooravond."

Bertulf schudde het hoofd.

"Verwacht gij dan een erg kwaad van Tancmars tegenwoordigheid?" vroeg de voorschepen verwonderd.

"Zit nog een oogenblik, heer voorschepen", zeide de proost. "Wat goeds kunnen de poorters zoowel als de Kerels van deze aanleiders der Isegrims verwachten?"

"Niet veel goeds", antwoordde de voorschepen, het hoofd schuddende. "Zij zijn de erfvijanden des volks in het algemeen. Verbeeld u, heer proost, dat zij nu beweren het recht te hebben om den balfaart der dienstbaarheid door een groot getal Brugsche poorters te doen betalen, onder voorwendsel dat dezen voortgesproten zijn uit onvrije lieden welke vroeger tot bezittingen der leenheeren behoorden. Onze keure, door vorige vorsten ons verleend, stelt als wet vast dat een onvrij man, die gedurende een jaar en eenen dag in onze stad woont zonder dat zijn heer hem teruggevorderd hebbe, tot poorter mag aanvaard worden en van dan af de vrijheid dezer poort geniet[23]."

"En de lieden welke de Isegrims den tol der dienstbaarheid willen doen betalen, wonen meer dan een jaar in Brugge?"

"Vele jaren, heer proost. Van sommigen weet men zelfs niet meer wanneer zij of hunne ouders binnen deze poort zijn komen wonen."

"Gij zult dit onrecht niet lijdzaam onderstaan, hoop ik, heer voorschepen?"

"Wij zullen ons bij den graaf beklagen en rechtvaardigheid eischen."

"Ja, onze heer graaf zal u waarschijnlijk tegen de aanmatiging der leenheeren beschermen. Wij moeten het hopen ... maar indien hij onzen vijanden gelijk gaf en men u wilde dwingen?"

"Wat er zou geschieden, heer proost? Wie kan het voorzien? Wij poorters hebben een taai geduld; maar des te meer gespaard bloed zouden wij voor het behoud onzer rechten kunnen opofferen indien eens de boog door overspanning brak."

Bertulf greep den voorschepen de hand.

"Wel gesproken", zeide hij. "Geduld hebben en door zachte middelen het onheil, dat ons dreigt, pogen af te weren, zoolang het mogelijk is; maar intusschen waken en zich bereid houden om op het uiterst oogenblik de dwingelandij der Isegrims eenen hardnekkigen tegenstand te kunnen bieden. Werden de poorters eerder dan de Kerels aangerand, wij zouden allen u ter hulp vliegen; want het geldt hier het dierbaarste dat onze vaderen ons hebben nagelaten. Hoezeer vroegere tijdsomstandigheden de instellingen dezer landen hebben veranderd, wij zijn toch altemaal van hetzelfde bloed: uwe voorouders en onze voorouders waren Kerels van éénen stam."

"Het is waar, heer proost", murmelde de voorsehepen.

"De Isegrims begrijpen ons daarom in denzelfden haat", ging Bertulf voort. "Poorters, Kerels, vrije mannen van binnen en buiten de steden, wil men doen bukken onder eene zelfde verdrukking. Slaan wij dus immer de handen te zaam en, waar het volk bedreigd wordt door degenen die niets beoogen dan al wat werkt of handel drijft in slavernij te dompelen, daar vinde het gevaar ons als broeders in dezelfde scharen!"

"Zoo zal het zijn als de worsteling ooit uitbreekt", bevestigde de voorschepen. "Wij poorters, zijn allen uwe vrienden, gij weet het wel; en wij zullen u helpen tegen uwe vijanden, die ook de onze zijn."

Hij reikte den proost tot vaarwel de hand.

Bertulf vergezelde hem tot bij de deur, keerde dan terug naar de tafel en mompelde in gedachten:

"Tancmar is in de stad! Wat komt hij er doen? En indien hij iets van het ontworpen huwelijk verneemt? Zijn zoon Ghijselbrecht heeft lang naar de hand van jonkver Placida gestaan. Gelukkig dat op dit oogenblik de beloftegift reeds moet aanvaard zijn en het dus geheel onwaarschijnlijk is dat Rijkaard Van Woumen nog op eene wederzijds bevestigde verbintenis kan terugkomen.... Maar Tancmar is zoo vol list en zoo bedrijvig!"

Hij hief het hoofd op en zag Robrecht Sneloghe die met droef en spijtig gelaat te midden der zaal stond.

"Nu, mijn neef, wat beduidt dit treurig aangezicht?" vroeg hij verwonderd en bekommerd. "Heeft jonkver Van Woumen uwe gift aanvaard?"

"Ik heb mij nog niet bij haar aangeboden", was het antwoord.

"Hoe, gij zijt nog niet in sher Rijkaards Steen[24] geweest?" riep de proost met verbazing uit. "Welk noodlottig beletsel hield u terug?"

"Wees toegevend voor mij: laat mij afzien van dit huwelijk!" zeide Robrecht.

"Onmogelijk, gij zijt zinneloos!" kreet de proost, die zich door zijne spijt liet vervoeren.

Robrecht zou anders van niemand zulke harde woorden geduld hebben; maar hij onderstond deemoedig den uitval van zijnen ouden oom.

"Ik bezweer u, heer oom", smeekte hij, "bij de gedachtenis mijns vaders, dien gij zoo liefhadt, dwing mij niet tot het aangaan dezer verbintenis!"

"Zij is noodig tot het heil van Kerlingaland. De Isegrims bedreigen onze vrijheid."

"Welnu, oom, dat het zwaard dan onze rechter weze! Mijn bloed wil ik geven tot den laatsten druppel; maar gij eischt mijne ziel...."

"Uwe ziel?"

"Ja, gij slachtoffert mij zonder mededoogen, ik weet niet ten gevolge van welke diepe berekeningen. Bestrijden wij de Isegrims, maar het weze niet door sluwe middelen. De list was altoos de toevlucht der zwakken en der lafaards; wij zijn sterk en onversaagd."

"Waarlijk, gij doet mij twijfelen aan de vastheid uwer zinnen" morde de proost, sidderend van verontwaardiging en ongeduld. "Waarom breekt gij uwe belofte?"

"Ik zal ongelukkig zijn, geheel mijn leven!"

"Met Placida Van Woumen? Is zij niet schoon genoeg?"

"Schoon als eene lelie is zij, heer oom."

"En rijk en edel geboren?"

"Ik zal ze nooit kunnen beminnen. Dit huwelijk boezemt mij schrik en afkeer in."

"Waarom toch?"

Robrecht aarzelde om de bekentenis, die hem op de lippen zweefde, uit te spreken. Evenwel hij deed geweld op zich zelven en zeide met vaste stem:

"Omdat ik eene andere vrouw bemin."

"Gij bemint eene andere vrouw?" kreet de proost met verbaasdheid.

"Dakerlia Wulf."

"Kom, kom, dit is onmogelijk, mijn neef! Disdir Vos staat naar de hand van jonkver Dakerlia en haar vader stemt toe in haar huwelijk met hem."

"Mher Wulf laat zijne dochter de vrije keus. Mij bemint Dakerlia."

"Gij hieldt dezen band uws harten voor mij verborgen! Gij hebt mij dus bedrogen?"

"Eerst heden ontving ik hare bekentenis."

"En om deze liefde van eenen enkelen dag gehoor te geven wilt gij de hoogste belangen uws vaderlands slachtofferen en mijne gelukkige pogingen verijdelen?" gromde de proost bitter schertsend. "Het is eene onbegrijpelijke dwaasheid. Spreken wij er niet langer van. Wilt gij niet dat ik, door de diepste treurnis getroffen, u voor altoos mijne vriendschap en mijne achting onttrekke, begeef u onmiddellijk naar sher Rijkaards Steen en bied jonkver Placida uwe beloftegift aan!"

"Dus geene genade voor mij?"

"Geene. Uwe belofte moet u heilig zijn."

Robrecht bezag zijnen oom eene wijl met strakken blik, als worstelde hij nog tegen een pijnlijk besluit. Dan zeide hij, het hoofd verheffende:

"Gij weet, heer oom, hoe ik u sedert mijne kindsheid heb geëerbiedigd en bemind als waart gij mijn vader. Er is eene grens aan alles. Vermits gij onverbiddelijk blijft, welnu, laad uwe gramschap op mij: ik weiger u te gehoorzamen. De bruidegom van Placida word ik niet!"

"Niet?"

"Nimmer, heer oom. Dakerlia Wulf zal mijne levensgezellinne zijn."

"Ha, ha, dit zullen wij zien!" riep de proost met ongeduld. "Luister slechts op de tijding welke ik u mede te deelen heb. Overmorgen komt de graaf in Brugge. De Leenheeren, de Isegrims, onze vijanden, beroemen zich openlijk dat zij nu met geweld onze broederen, de Kerels der Ambachten, den balfaart gaan opdringen. Het uur van den grooten strijd om vrijheid of slavernij, om leven of dood nadert dus waarschijnlijk voor het Kerlingaland."

"God zij dank", mompelde Robrecht, "dat wij eindelijk ons leven mogen wagen voor de vrijheid!"

"Dat kan de minste Kerel", wedervoer de proost met drift. "Wie meer heeft brenge meer ten offer, indien hij zijnen plicht getrouw wil zijn. Daareven was ik, in deze zaal zelve, vergaderd met uwe ooms en neven en met eenigen onzer vrienden. Allen juichten bij de aankondiging van uw huwelijk, als bij iets dat de booze ontwerpen onzer vijanden voor altijd kon verijdelen. Want, misken het niet, dit huwelijk moet geheel een edelgeboren en aanzienlijk geslacht tot vrienden en verdedigers der Kerels maken. Door aldus de verdeeldheid onder de Isegrims zelven te brengen, breken wij hunne macht.

Rijkaard Van Woumen kan dit alles bij den graaf. Indien hij den vorst rechtvaardigheid jegens de Kerels inboezemt, wat hebben wij te vreezen?"

Robrecht was bleek geworden en hield den blik beweegloos op zijnen grijzen oom gevestigd.

"Volhard nu in uwe weigering", ging deze met klimmenden nadruk voort; "maak dat de hulp van mher Rijkaard ons ontbreke en de noodlottige botsing diensvolgens niet worde belet. De grond van Kerlingaland zal met lijken en puinen overdekt worden, en--wie kan het weten?--misschien zal in dit akelig bloedbad de vrijheid der Kerels, de vrijheid van ons geslacht voor eeuwig vergaan. Na zulke ijselijke ramp zou de vloek der overlevenden op eenen enkelen man geladen worden. Uit den afgrond der slavernij zou men, tot in de verre toekomst zelve, den naam van eenen trouwelooze, van eenen ondankbare vermaledijden, wien de noodige moed ontbrak om op het altaar van den plicht het offer te brengen dat zijn vaderland kon redden!"

Met het hoofd gebogen en als neergedrukt onder het gewicht der wreede noodzakelijkheid, luisterde Robrecht sprakeloos op de strenge woorden van zijnen oom.

Deze meende te voorzien dat zijn neef zich eindelijk weder zou onderwerpen en verzachtte daarom eenigszins den toon zijner stem.

"Mijn goede Robrecht", zeide hij, "ik kan waarlijk niet begrijpen hoe gij niet met blijdschap de hand van Jonkver Placida aanvaardt. Dit huwelijk moet niet alleen u tot eenen hoogen trap van roem verheffen, maar zelf gansch ons geslacht nader bij den troon brengen. Mher Wulf daarentegen is niet rijk; hoe eerlijk en hoe achtbaar hij ook weze, de hand zijner dochter doet u afdalen."

Eene hevige siddering doorliep Robrechts leden en een ongeduldige grijns verkrampte zijne lippen; doch hij antwoordde niets.

Bertulf aanzag deze zure uitdrukking als het teeken van nieuwen onwil.

