De Kerels van Vlaanderen

Part 39

Chapter 39 3,894 words Public domain Markdown

Eensklaps toch scheen de bewustheid van wat er was geschied in hem terug te keeren. Hij sprong achteruit, trok zij'n zwaard en riep tot Burchard, terwijl vele Kerels, die zijn inzicht begrepen, hem wilden weerhouden:

"Moordenaar van den graaf, moordenaar van Bertulf, moordenaar mijner zuster, moordenaar van Kerlingaland, uw bloed moet ik hebben! Weze mijn arm de uitvoerder van Gods wraak! Het hoofd zal ik u klooven, vervloekte duivel, geboren tot ramp en schand van uw geslacht!"

Hij was zoodanig door woede vervoerd, dat hij eenigen zijner gezellen overhoop smeet, zelfs Dakerlia met geweld terugdreef en bulderend vooruit liep naar Burchard die, met het zwaard in de vuist en eenen spotlach op de lippen, hem verwachtte.

Nog immer poogden hunne gezellen hen van elkander verwijderd te houden; maar Robrecht riep op eenen toon, die geene wederspraak meer toeliet:

"Kamp! Kamp! Wilt gij mij niet dwingen een moordenaar te worden, laat mij strijden tegen het wangedrocht! Achteruit, achteruit! Hij verdedige zich, of ik vel hem, onmensen die hij is, voor mijne voeten neder!"

Door den kreet "kamp! kamp!" welken de beide vijanden terzelfder tijd aanhieven, zagen de Kerels zich gedwongen hen in vrijheid elkander te laten bevechten.

Stervende van schrik en hare onmacht voelende, was Dakerlia op beide knieën nedergezonken en hield nu de handen ten hemel en bad God om bescherming.

De zwaarden slingerden door de lucht en vielen nu en dan bonzend of knarsend op pantser of op helm. De uiterste woede zelve der strijders maakte hunne slagen onzeker. Na eene korte wijl echter bekwam mher Sneloghe zulken harden slag op den schouder dat hij er onder bukte en met eene knie ten gronde zonk. Een gil van doodelijken angst ontsnapte Dakerlia, die haren verloofde reeds dood waande; maar vooraleer Burchard opnieuw zijn zwaard kon verheffen, was Robrecht opgesprongen en achteruitgeweken.

Onder het bulderen van sombere wraakkreten, liep hij weder tegen zijnen vijand in en trof hem zoo geweldig terzijde onder zijnen helm dat hij hem den hals half doorhakte.

Eene onduidbare vermaledijding bonsde op uit Burchards borst; het bloed ontsprong hem in eenen dikken straal, en hij viel zonder beweging achterover.

De Houtkerels naderden hunnen overste om zijnen helm te ontgespen en hem hulp te brengen; maar zijne wijde wonde en de doodverf op zijn gelaat lieten hun slechts weinig hoop--Burchard Knap had het leven verloren, en zijne ziel was opgeklommen tot God, om daar te verantwoorden over hetgeen hij op de wereld had gedaan.

In den eerste had Robrecht met eenen glim van voldoening op zijnen gevallen vijand gestaard, doch na een kort oogenblik keerde het gevoel eener akelige zekerheid in hem terug, en hij sprong met eenen scherpen kreet naar de gaanderij.

Over de leuning gebogen, schouwde hij naar beneden ... Hij zag hoe men het bloedig lijk zijner zuster van den grond ophief om het elders te voeren, en hoe een wapenknecht het afgehakte hoofd bij de haren hield en het zoo de arme doode achternadroeg ...

Dit gezicht doorboorde hem het hart als een moordpriem. Hij viel ontzenuwd en vertwijfelend op de leuning der gaanderij, en begon te weenen en te snikken als een kind:

"Dood, dood, mijne arme Witta!... Onschuldig en rein als een offerlam! God, o, God, Gij hebt ons vermaledijd!... maar waarom mijne arme zuster?... Wee, wee; mocht ik sterven!..."

En overvloediger nog stroomden hem de tranen langs de wangen

Dakerlia, niet min ontsteld en door droefheid verpletterd, poogde evenwel hem nog te troosten. Hij scheen haar niet te hooren en bleef in stomme hopeloosheid verslonden, totdat zij eindelijk, als laatste toevlucht, zijne mannelijke fierheid aanriep en hem deed begrijpen dat het gezicht zijner tranen de Kerels verschrikte en hun den moed geheel zou benemen.

Hetzij de storm zijner smart een weinig was bedaard of dat hij eenige schaamte gevoelde over zijne weekhartigheid, hij luisterde naar de liefderijke vermaningen van Dakerlia, stond op, vatte haar de hand en stapte met haar in den toren, om daar in eenzaamheid zijne tranen te verbergen en zonder stoornis den dood zijner zuster te betreuren.

Onderwijl waren de meeste Kerels bij het lijk van Burchard gebleven, en hadden hem helm en harnas ontgespt en hem de hand op het hart gehouden, om zich te verzekeren dat geen spoor van leven meer in hem overbleef.

Dan zeide Ivo-de-wolvenjager tot hen:

"Hij is dood, gansch dood!--Hij is het die graaf Karel heeft vermoord. Geen onzer heeft werkelijk deel aan deze misdaad genomen. De gezellen, die Burchard tot den noodlottigen slag hebben geholpen, zijn allen gesneuveld. De Isegrims wilden ons martelen alleenlijk omdat mher Burchard zich met ons bevond. Laat ons nu den wapenbode den dood van den moordenaar melden; en wellicht zullen de Isegrims ons dan gunstige voorwaarden tot onze overgaaf toestaan."

Eenigen morden tegen dit voorstel; maar de meesten keurden het goed.

Ivo-de-wolvenjager stapte naar den zuiderkant der gaanderij en riep uit al zijne macht tot de ridders:

"Heeren, onder ons allen bleef nog slechts één man die schuldig was aan des graven moord, namelijk Burchard Knap. Ik maak u kond dat hij niet meer leeft; Robrecht Sneloghe heeft hem daareven in eenen kamp gedood!"

Een gemompel van verbaasdheid of van twijfel ontstond tusschen de ridders.

"Wij willen ons in uwe handen overgeven", zeide Ivo, "op de voorwaarden welke daar straks door mher Sneloghe, onzen overste, u zijn bekend gemaakt. Wij zijn niet plichtig en zullen onze onschuld voor de rechters bewijzen."

"Het is eene list! Gij poogt ons te bedriegen! De moordenaar van graaf Karel is niet dood!" riep men verwardelijk van alle kanten hem toe.

"Welnu, heeren, gij zult overtuigd worden van de waarheid mijner woorden", riep Ivo. "Wij gaan het lijk van Burchard tot u aflaten. Doe het bezichtigen door ridders die Burchard in zijn leven hebben gekend. Beraadslaagt dan over bet besluit dat gij ten onzen opzichte wilt nemen. Wij wachten uw antwoord met vertrouwen."

Hij trad terug op de gaanderij en haalde een lang touw, zooals er vele in de nabijheid gereed lagen. Door zijne makkers geholpen, bond hij het einde aan Burchards lijk en droeg dit op den boord der ganderij.

"Geeft acht, heeren", riep hij, "daar daalt het doode lichaam van Burchard Knap tot u af!"

En onder het uitspreken dezer verwittiging, lieten zij hunnen last tot op het plein van den burg nederzakken, en wierpen zelfs het touw naar beneden.

Onmiddellijk stroomde eene menigte ridders, poorters en wapenknechten naar den voet des torens om eenen blik te werpen op het lijk van den booswicht, wiens misdadige handen graaf Karel voor Gods altaar het hoofd hadden gekloofd.

Langen tijd heerschte daar een verward gewoel en gedrang en tevens een schaterend gedruisch, waaruit men niets duidelijks hoorde opgaan dan de kreten:

"Hij is het! Ik ken hem. Hij is het niet! Zij willen ons bedriegen. Het is een Kerel die hem gelijkt. Zeker, het is de barsche, de wreede Burchard wel![84]"

Maar wat ook het gevoelen was, dat hier de bovenhand behield, niet lang bleef de menigte zoo twisten. Welhaast begonnen poorters en wapenknechten hunnen haat en hunne wraakzucht op het lijk te koelen. Zij doorstaken het eerst met honderd wonden, en traden het met de voeten, totdat eene machtige stem zich verhief en uitriep:

"Naar het galgeveld, de moordenaar! Op het rad het kreng! Naar de galg het monster, naar de galg! naar de galg!"

En op zijn voorbeeld grepen eene menigte lieden het touw aan, sleepten juichend en schreeuwend het lijk over het plein, stroomden als een rollende vloed er mede door de Hof straat en verdwenen achter den hoek der Markt.

Er kwam dan weder eene betrekkelijke stilte op den burg.

Ivo-de-wolvenjager zag van boven de gaanderij dat de oversten der Isegrims onder elkander beraadslaagden, en hij twijfelde niet of zij waren bezig met de voorstellen der Kerels te overwegen.

Na eenigen tijd te hebben gewacht, riep hij:

"Welnu, heeren, wat is uw besluit? Geeft ons een antwoord?"

De ridders gingen uiteen. Velen hunner schreeuwden tot de Kerels:

"Sterven, sterven! voor u allen niets dan de dood!"

Onmiddellijk klonken eenige bazuintonen en galmde de stem van mher Gervaas bevelend over het plein.

De duizenden wapenknechten spanden hunne bogen en een oogenblik daarna vlogen zoovele pijlen naar den toren, dat de lucht als door eene wolk werd verduisterd.

Dewijl de Kerels het inzicht des vijands hadden bemerkt, konden zij zich intijds achter de kanteelen der gaanderij verbergen, en zoo kwam het dat buiten eenen Kerel, die eene wonde aan de wang bekwam, niemand hunner werd getroffen.

Zij hielden zich reeds lang op deze wijze schuil, en de vijand ging nog immer voort met schieten, zonder dat de Kerels er op bedacht waren eenige tegenweer te bieden.

Dan trad Robrecht Sneloghe op de gaanderij. Hij scheen kalm en er fonkelde eene genster van trotschheid in zijne oogen, alhoewel zijn aangezicht nog de sporen van gestorte tranen toonde.

Hij wierp eenen blik over het plein en riep dan met eene bittere grijns op de lippen tot zijne gezellen:

"Op, Kerels! Zijn wij waarlijk veroordeeld tot den dood, sterven wij ten minste gewroken! Welke gunstige gelegenheid! Eisenen wij van deze wreede beulen den prijs van den akeligen dood mijner zuster, den prijs van onzer broederen bloed! Haastig, pijlen, steenen, kokende olie! Zij zijn onverbiddelijk voor ons: geene genade meer voor hen!"

En het voorbeeld bij het woord voegende, slingerde hij eenen zwaren steen naar beneden en verpletterde eenen ridder het hoofd.

Zijne mannen sprongen allen te gelijk recht en schoten pijlen en smeten steenen met razende woede en overspannen kracht. De vrouwen zelven kwamen vooruit en sproeiden, met groote ijzeren lepels, vlammend pik en olie over het plein.

In min dan eenige oogenblikken lagen er vele poorters, wapenknechten en ridders met verpletterd hoofd, verbrande leden of doorboorde borst ten gronde.

De veldheer Gervaas Van Praet, die zich niet op zulke moorddadige tegenweer had verwacht, schrikte bij de gedachte dat hij hier nutteloos een aanzienlijk getal mannen zou verliezen. Hij deed de bazuin aanheffen en den aftocht blazen.

De wapenknechten liepen te zamen en weken schier in wanorde door de Hofstraat.

Eene wijl daarna was het op den burg zoo stil als ware er niets geschied.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 84: "De belegerden kondigden ... den dood van Burchard aan, roepende dat een twist tusschen hem en den jongen Robrecht was opgerezen, en deze hem had nedergeveld en met zijn zwaard doorstoken." GALB., p. 551.]

XXV

Er waren vijf of zes dagen verloopen sedert den dood van Witta en van Burchard Knap, zonder dat de Kerels op den toren eenige tijding van buiten hadden vernomen.

De Isegrims hadden bemerkt dat er uit een huis op den hoek van den Maalberg pijlen met brieven naar de Kerels werden geschoten Zij hadden daarop den graankoopman Elfrid Rooster, als plichtig aan verstandhouding met den vijand, uit zijne woning gerukt en in de gevangenis gezet. Tevens hadden zij rondom de kerk en den burg de schildwachten verdubbeld en doen afkondigen dat elk poorter, wapenknecht of ridder die tot de Kerels sprak of hun eenig bericht toestuurde, de straf der landverraders zou onderstaan.

Van dan af bleven de Kerels geheel zonder kennis van hetgeen er in de stad of elders geschiedde.

Het verwonderde hun dat men reeds bijna gedurende eene gansche week hen met rust had gelaten en geenen nieuwen aanval tegen hen had beproefd. Misschien had men besloten hen van honger op den toren te laten sterven? Dit was geheel onwaarschijnlijk. Wel bezaten de Kerels nog eenigen voorraad aan levensbehoeften maar zij voorzagen dat deze welhaast ontoereikend zou worden en zij hun dagelijksch voedsel moesten verminderen, wilden zij niet door gebrek gedwongen worden zich in de handen hunner vijanden over te leveren.

Intusschen poogden zij allerlei middelen tot de hardnekkigste verdediging bijeen te dragen. Zelfs braken zij steenen en balken uit den toren, om daarmede bij eenen ernstigen aanval den vijand duchtig te treffen.

Dat de Franschen of de Isegrims langs de trap eene bestorming zouden wagen, dit was niet te gelooven. Inderdaad, deze toegang, die als eene kreukel binnen den toren naar de hoogte draaide, was zoo nauw dat geene twee menschen te gelijk hem konden beklimmen Kwamen er vijanden langs daar, dan zou het den Kerels gemakkelijk zijn ze een voor een te dooden, naarmate hunne hoofden opvolgend uit de trapval opdaagden.

Evenwel, om tegen alle verrassing te zijn beveiligd, hadden da Kerels den mond van de trap, waar deze zich op de gaanderij opende, met balken en zware steenen overdekt en beladen.

Robrecht Sneloghe had nog meer dan eens, wanneer hij zich alleen binnen den toren bevond, tranen gestort over het beklaaglijk einde zijner zuster en ongetwijfeld tevens over het schrikkelijk lot dat zijne verloofde te wachten stond. Maar hetzij de krachtige woorden van Dakerlia hem moed inboezemden, of dat de onvermijdelijkheid van den dood zelven hem tegen den rampspoed deed opstaan, hij ademde niets meer dan wraak en hield zijne gezellen geen ander doel meer voor oogen dan hun leven duur te verkoopen en dus de Isegrims te dwingen zelfs bij hunne zegepraal nog de onversaagdheid en de onplooibaarheid der Kerels te bewonderen.

Weinigen onder hen behielden nog eene zwakke hoop op verlossing Wat zou de uitslag zijn van den eersten strijd tusschen het Fransche leger en der Kerlen heirkracht? Wel scheen Willem Van Loo de Erembalds te haten; maar indien hij overwinnaar bleef, zou toch de vijand Brugge verlaten, en zij zouden zonder eenig beletsel van den toren komen en in vrijheid naar huis gaan.

In den morgen van den zesden dag trad de veldheer Gervaas Van Praet zelf met eenigen zijner voornaamste ridders op den burg, en deed den Kerels door eenen wapenbode hunne overgaaf afeischen, hen bedreigende met den schromelijksten marteldood indien zij nog langer weigerig bleven.

De Kerels herhaalden hunne vorige voorstellen, maar wilden van geene overgaaf op genade hooren.

Het verbitterde den veldheer ten hoogste zich dus onmachtig tegen eene handvol mannen te gevoelen; ja, het vernederde hem te moeten denken dat zij den toren wellicht zouden behouden tot den terugkeer des konings van Frankrijk, die ongetwijfeld daarover zeer ontevreden zou zijn.

Zijne ridders spoorden hem aan om, in schijn ten minste, de voorwaarden der Kerels aan te nemen; maar dezen eischten een vrijgeleide door den veldheer onderteekend en bezegeld, en Gervaas Van Praet was te eerlijk ridder om dus een verraad te plegen dat als eene eeuwige vlek, meende hij, op zijnen naam zou kleven.

Terwijl hij nog daarover met zijne ridders in beraadslaging was, kwam een overste van de Markt geloopen en zeide hem dat er een bode met eenen brief van 's konings wege was gekomen met zeer haastig nieuws. Deze bode wachtte hem in zijne woning.

Hij voegde er met luider stemme bij:

"Verheugt u, heeren, de koning heeft de Kerels overwonnen! Yperen is bezweken en Willem Van Loo is in 's konings macht!"

Een groot gejuich ontstond onder de ridders; en dewijl zij den veldheer zich zagen verwijderen, liepen zij insgelijks van den burg om de blijde tijding overal te gaan verspreiden.

De veldheer vond des konings bode in zijne woning. Zeer nieuwsgierig, opende hij den brief dien hij hem had gebracht. Dit schrijven behelsde in slechts weinige woorden de aankondiging der nederlaag van Willem Van Loo, maar meldde tevens dat de ridder Pierre de Bohain, drager des briefs, hem verdere bijzonderheden zou doen kennen.

"Aldus, uw heer koning heeft de Kerels verwonnen? God zij dank! Ik vreesde dat het zoo gemakkelijk niet zou gaan", zeide Gervaas Van Praet. "Het is te Yperen dat de slag werd geleverd?"

"Ja, veldheer, te Yperen", antwoordde de bode, "maar dat het eene gemakkelijke zaak was, daarin bedriegt gij u. Die Kerels zijn eene soort van reuzen of van duivels: zij strijden als dolle leeuwen, en laten zich liever tot den laatste toe doodslaan dan eenen voet te wijken. Gelukkiglijk waren zij niet talrijk, en daarenboven, zij werden verraden door hunne eigene landslieden."

"Verraden? Ik bid u, heer Van Bohain, heb de goedheid en vertel mij toch hoe de gansche zaak is toegegaan."

"Het is mijne zending dit te doen, veldheer. Luister dan; ik zal pogen kort en duidelijk te zijn. Wij waren met den koning en den graaf van Vlaanderen opgetrokken naar het land der Kerels. Slechts omtrent een open vlek, dat men Staden noemt, vonden wij eerst een duizendtal vijanden, en tastten hen onmiddellijk aan met al onze macht. Het is onbegrijpelijk welken hardnekkigen tegenstand deze lieden ons boden. Wij moesten elk huis van Staden elke plooi des gronds, elke gracht, eiken boom stormenderhand innemen. Het bloedig gevecht duurde tot den avond, en het eindigde slechts toen ook de laatste dezer wilde Kerels was verpletterd. Wij bleven daar den volgenden dag, om onze dooden te begraven en onze gekwetsten te verzorgen; want, veldheer, wij hadden zulke groote verliezen geleden, dat de koning een oogenblik aarzelde om zijn leger verder te leiden in eene onbekende streek, door zulke sterkmoedige en strijdbare lieden bewoond.--Hier kwam ons het bericht toe dat de valsche graaf Willem Van Loo, met een weinig machtig leger, zich voor Yperen had nedergeslagen, en voornemens was deze stad tegen den koning te verdedigen. Het bevel tot den optocht werd ons gegeven.--Voor Yperen hadden wij een even lang en hardnekkig gevecht te leveren en de avondduisternis kwam zelfs ons dwingen den veldslag te onderbreken, met de zekerheid dat de akelige bloedstorting des anderen daags bij het opgaan der zon met meer woede nog zou beginnen."

"Die onplooibare Kerels!" zuchtte Gervaas. "Het zijn manhaftige lieden, heer ridder, en zij zouden een beter lot verdienen, indien zij niet wars waren van alle overheid en van allen dwang. Eilaas, waarom willen zij zich niet onderwerpen! Nu moeten wij ze vernietigen, het sterkste en dapperste volksras van Vlaanderen!... En den dag daarna hebt gij de Kerels beslissend overwonnen?"

"Vooraleer ik mijn verhaal voortzet, is het noodig dat ik u iets zegge", antwoordde de ridder Van Bohain. "Gij moet weten dat binnen Yperen meer dan de helft der poorters, sedert den moord van graaf Karel, vijanden der Kerels geworden zijn; want alhoewel Willem Van Loo en zijne gezellen beweren van dezen aanslag niet te hebben geweten, blijven de poorters denken dat Willem Van Loo en andere machtige lieden van het land de Kerels tot den moord hebben geraden of geholpen.--Wij waren dus in de nabijheid van Yperen gelegerd, ons voorbereidende tot den strijd van morgen, toen eenige burgers geheimelijk tot ons kwamen en den koning aanboden eene poort der stad en den burg in onze macht te leveren. Zij zouden, terwijl wij de Kerels aanvielen, de wapens opnemen en dezen van achter aanvallen, onderwijl eene poort openen en den burg, waar zij de wacht hielden, aan de Fransche krijgsknechten overleveren.--Ofschoon wij niet veel vertrouwen in deze lieden hadden, aanvaardden wij hunne voorstellen. De zaken gebeurden echter zooals zij ons hadden beloofd.--Bij de eerste morgenschemering werd de strijd hervat, en wel gedurende twee uren met veel woede voortgezet; maar dan wierpen de gewapende poorters zich langs achter op de Kerels; en dezen, dus van alle kanten ingesloten en bevochten, en daarenboven afgesneden van hun steunpunt, den burg, verzwakten allengs en bezweken eindelijk geheel, in onze handen slechts een vijftigtal gevangenen latende, waaronder de valsche graaf zich bevond.[85]"

"Willem Van Loo is waarlijk 's konings krijgsgevangene!"

"Ja, veldheer, gij zult hem ongetwijfeld heden nog zien."

"Voert men hem dan naar Brugge?"

"De koning komt naar Brugge met een klein gedeelte des legers. Uw graaf Willem van Normandië zal met de meeste macht door het land der Kerels trekken; want het schijnt dat Willem Van Loo reeds vele sterke steden en burchten had ingenomen. Zijn onze berichten echt, dan bezetten de Kerels Veurne, Vormezeele, Cassel, Arien, Berghe, Bodenburg en andere vestingen nog; maar, nu hun hoofdleger is verpletterd, kunnen zij echter geenen ernstigen tegenstand meer bieden. Het schijnt daarenboven dat er veel verdeeldheid onder hen heerscht en zij elkander den moord van graaf Karel verwijten."

"Maar, heer Van Bohain, indien de koning u heeft gezonden om mij zijne komst te boodschappen, verlangt hij wellicht als overwinnaar met plechtigheid te worden ingehaald. Ik moet daartoe in allernaast bevelen geven en de schepenen en de geestelijkheid verwittigen."

"Neen, veldheer, dit wenscht onze koning niet. Het zal voldoende zijn, het nieuws zijner overwinning door de stad te verkondigen Hij heeft liever, aangezien de oorlog nog niet is geëindigd dat men het volk de vrije uitboezeming zijner hulde en zijner blijdschap late. Wilt gij, veldheer, met een twintigtal uwer voornaamste ridders den koning te gemoet rijden, het zal hem genoegen doen. Geef mij nu oorlof om u te verlaten; ik keer terug op de baan naar Yperen."

"Eenige oogenblikken!" riep Gervaas Van Praet. "Ik haast mij de noodige bevelen te geven en mijne ridders te doen verwittigen; dan vertrek ik met u. Gelief mij nu te volgen, heer Van Bohain; ik vraag u slechts een klein half uur."

"Het zij zoo, ik zal mij gelukkig achten, in uw vereerend gezelschap te reizen", antwoordde 's konings bode, terwijl hij met den veldheer de zaal verliet.

Het nieuws van des konings overwinning en van zijnen terugkeer te Brugge verspreidde zich met wonderlijke snelheid door de stad. Welhaast zagen de Kerels van boven den toren hoe vele poorters, gewapend en ongewapend, zelfs vrouwen en kinderen, van alle kanten zich naar de Steenstraat en naar de St-Amandsstraat spoedden, ongetwijfeld om op het Zand eene of andere plechtigheid te gaan bijwonen.

Alhoewel men uit de nevenstraten nu en dan zonderlinge teekens tot de Kerels deed, en door de handen in de hoogte te heffen hen scheen te beklagen of hun te willen berichten dat een groot ongeluk hen bedreigde, verstonden zij echter niet wat men hun wilde zeggen.

In de verwachting van eenen mogelijken aanval, maakten zij hunne werptuigen gereed en ontstaken het vuur onder de ketels met pik en olie.

Er verliep een goed gedeelte van den dag zonder dat zij werden verontrust; ja, het was zelfs zoo stil in de stad en in den burg geworden, alsof poorters en Isegrims meest allen buiten de vesting waren gegaan.

Slechts toen het ongeveer twee uren na middag was, hoorden zij in de verte een hevig bazuingeschal en daartusschen een galmend gejuich dat, onduidelijk nog, met korte onderbrekingen over de stad weergalmde.

Dit gerucht groeide aan en naderde immer, totdat de volksvloed uit welke schoot het opklom, zich bij den ingang der Steenstraat en op de Markt vertoonde.

Wat dit gewoel en deze luidruchtige verwelkomingen te beduiden hadden, konden de Kerels niet raden. Wel zagen zij eindelijk den koning van Frankrijk, op een wit paard gezeten, van eenen prachtigen ridderstoet omringd en door de wapenknechten en een gedeelte des volks toegejuicht; wel bemerkten zij achter den koning eenen open wagen, waarop een ridder, dien men hoonde en met vuisten dreigde, gebonden lag; maar de stoet, die aan de overzijde der Markt voorbijtrok, was nog te zeer verwijdert om hun toe te laten duidelijk te zien wat er geschiedde.

Het was hun klaarblijkend dat de toejuichingen op des konings baan werden aangeheven door wapenknechten, schalken en mindere lieden, waartusschen slechts weinige poorters zich bevonden. De groote meerderheid der welhebbende of der neringdoende Bruggelingen hield zich stil langs de huizen, en bepaalde hare betuiging bij eenen eerbiedigen groet.

Maar telkens wanneer de koning eenige stappen voorbij was, ontstond er onder deze poorters een afkeurend gemor, en velen waren zelfs stout genoeg om openlijk door uitroepingen of door gebaren hunne gramschap en hunne verontwaardiging te betuigen.