De Kerels van Vlaanderen

Part 38

Chapter 38 3,847 words Public domain Markdown

"De proost, alhoewel ziek en uitgeput, stapte met opgeheven hoofd tusschen den razenden volkshoop; hij had, zooveel zijne banden het hem toelieten, de handen samengevoegd en scheen te bidden. Wij kwamen te midden der Markt, en vonden daar Willem Van Loo met de oversten der Kerels. Mher Willem verweet den proost met hevige gramschap, dat hij tot den moord van graaf Karel had geholpen, en door deze afschuwelijke daad der Kerlen macht had gebroken. De proost beschuldigde integendeel mher Willem en beweerde dat hij zelf aan zijnen neef Burchard bevel had gegeven om Karel van Denemarken te dooden. Mher Willem loochende en zwoer dat hij niets er van had geweten; maar dewijl de proost zijn gezegde staan hield en de waarheid er van poogde te bewijzen, werd mher Willem zoo woedend, dat hij luidop bevel gaf om den ouden proost ter dood te brengen ... Mocht ik hier mijne openbaring eindigen! Mijn hart beeft en mij spookt nog het ijselijk schouwspel voor de oogen ... Op een kruis genageld, met ijzeren tangen verscheurd, door de menigte met modder overdekt, gehoond, bespot, vermaledijd, de oogen tot God en voor zijne beulen biddend ... zoo is de oude proost van St-Donaas gestorven[82] ."

Ivo-de-wolvenjager borst in tranen. Er bleef gedurende eene wijl eene doodsche stilte heerschen, zoo diep waren allen onder schrik en droefheid neergedrukt.

"Ach, Burchard, ongelukkige, wat hebt gij gedaan!" riep de kastelein. "Gij zijt niet alleen de schuld van mijns broeders gruwelijken dood, maar tevens van het verderf uws vaderlands! Geheel uw geslacht zal vernietigd worden tot straf uwer misdaad. Waarom zeidet zij ons dat mher Willem u had bevolen den graaf te dooden?"

"Willem Van Loo is een snoodaard; hij liegt!" schreeuwde Burchard. "Hij was de eerste wien het ontwerp werd bekend gemaakt, en hij heeft het goedgekeurd. Is hij nu valsch genoeg om het pak zich van de schouders te schudden, ik veracht hem als een lafaard die hij is. Men beticht mij de zaak van Kerlingaland te hebben verdorven? Het is belachelijk! Neen, wie onze vijand heeft vermoord, wie ons machteloos ten prooi der Isegrims heeft geleverd, is niemand dan de proost Bertulf zelf ..."

"O, mijn God, dat gaat te verre! Zijnen armen oom, zijn slachtoffer hoonen tot in het graf!" galmde Robrecht, de verkrampte vuist tot Burchard vooruitstekende.

"Ha, ik vrees uwe bedreigingen niet!" zeide deze. "Het zijn de toegevingen, de aarzelingen, de vreesachtigheid, de traagheid van den proost, die de zaak van Kerlingaland hebben verloren."

"Neen", kreet Robrecht, "gij alleen hebt ons verraden; gij alleen hebt onze vrijheid en ons vaderland vermoord. Indien de gansche wereld ons vermaledijdt, dan is het omdat gij uwe misdadige handen in het bloed van graaf Karel hebt gedoopt. Ha, ha, zeg wat gij wilt, maar op uw graf kleeft nog na vele eeuwen Vlaanderens onuitwischbare vloek!... Laffe, valsche moordenaar!"

Burchard had zijn zwaard opgeheven en riep bulderend dat hij mher Sneloghe het hoofd wilde klooven. Robrecht, niet min door woede ontsteld, wilde insgelijks met uitgetogen wapen naar Burchard springen. Beiden, door hunne verschrikte gezellen met geweld wederhouden, worstelden om elkander te kunnen naderen. Maar op dit oogenblik hoorden zij achter den autaar der kapelle een bonzend gerucht als van eenen hoop nederrollende steenen, en onmiddellijk daarop den korten toon van eenen hoorn, die door de donkere kerk weergalmde.

"Harop, harop! De vijand, de vijand!" schreeuwden de Kerels, terwijl zij, alles vergetend, naar den autaar vooruitsprongen om hun leven te verdedigen.

Hier begon alweder eene bloedige worsteling. De Gentenaars waren door den uitgebroken muur in groot getal binnen de kapel gedrongen, en onder een luid krijgsgeschreeuw vielen zij de verraste Kerels met groote woede aan. Zij bekochten echter hunne vermetelheid zeer duur: want de eersten werden onmiddellijk neergehakt en degenen die na hen in de nauwe opening zich vertoonden smaakten den dood vooraleer zij den voet op den vloer der kapelle konden zetten.

Gewis, de Kerels zouden het hier zeer lang volgehouden hebben en misschien des vijands poging geheel verijdeld; want, daar de Gentenaars door eene lange gang moesten komen om tot hen te naderen, was het hun gemakkelijk ze allen opvolgend te verpletten Maar terwijl zij door dit gevecht naar de andere zijde der kapel waren gelokt, kwamen de ridders en wapenknechten in de kerk met lichte ladders toegeloopen, en beklommen zonder eenig beletsel te ontmoeten de gaanderij.

Onder het aanheffen van zegevierend krijgsgeschreeuw vielen zij in groote menigte de Kerels van achter op het lijf; en dezen, dus geheel ingesloten, moesten onfeilbaar in korten tijd bezwijken. Nog eene wijl hielden zij het vol en weerden zich met leeuwenmoed, den vloer bezaaiend met de verminkte lichamen hunner vijanden en met hunne eigene lijken, totdat de overblijvenden, hun klein getal bemerkende, alle hoop opgaven, immer strijdend naar eenen kleinen trap weken en hun heil op den toren zochten[83].

Dewijl zij ook de mogelijkheid zulker vlucht hadden berekend, en op voorhand de middelen tot redding hadden bereid, was de toegang naarboven in een oogenblik verbalkt en de enge trap met steenbonken opgevuld.

[Illustratie: "Ha, ik vrees uwe bedreiging niet!" (Bladz. 453.)]

Toen zij op de gaanderij van den toren kwamen en elkander met wanhoop riepen, bevonden zij dat zij slechts nog veertig in getal waren; zevenendertig man en drie vrouwen!

De kastelein Hacket was niet meer met hen!

VOETNOTEN:

[Voetnoot 81: "In de kerk vocht men met de hevigste vurigheid, en bij den toren was er zulke groote bloedstorting en menschenslachting, dat ik het niet zou kunnen beschrijven, noch het getal uitdrukken dergenen die werden gedood of gewond."

GALB., p. 380.]

[Voetnoot 82: Zie het verhaal van Bertulfs schrikkelijke folteringen en dood, op bevel van Willem Van Loo, bij GALBERTUS, p. 341.]

[Voetnoot 83: Volgens GALBERTUS (p. 353) werden de Kerels den 14 April, na een bloedig gevecht, uit de opperkerk op den toren gedreven.]

XXIV

Er gloeide in Robrechts hart een diepe haat tegen den moordenaar Burchard, die, wel zeker de oorzaak van al hunne ongelukken zijnde, echter boos genoeg was geweest om de schuld op zijnen armen oom Bertulf te leggen en hem zelfs na zijnen ijselijken marteldood nog te hoonen.

Van zijnen kant, was Burchard zoo verbolgen dat hij geenen blik op mher Sneloghe of op Dakerlia kon werpen, of hij sidderde van woede en wraakzucht.

Zij hadden op den toren nog hevige verwijten en uitdagingen gewisseld; maar de krachtdadige tusschenkomst hunner gezellen en de zekerheid dat zij bij het eerste morgenlicht weder zouden worden aangevallen, brachten hen, in schijn ten minste, tot bedaren.

Te zamen konden zij evenwel niet blijven; want bij het minste woord zouden zij elkander aan het lijf willen, en dan werden de Kerels blootgesteld aan het gevaar van elkander in eenen gruwelijken broederstrijd te vernielen.

Het verlies van den kastelein liet de Kerels zonder opperhoofd. Wie zou nu over hen gebieden? Robrecht? Burchard? Geen van beiden zou de bevelen van den anderen aanvaarden. Ja, zij konden elkander niet meer naderen zonder in gramschap te ontvlammen.

Toen de dag reeds lang was aangebroken en men geene beweging onder de vijanden opmerkte, brachten de algemene vermoeidheid en de nood tot rusten, als van zelf de oplossing van het lastig raadsel.

Op den toren der kerk waren twee gaanderijen. De laagste was groot en breed; de opperste, die wel vijftig voet boven de eerste was verheven, had eenen minderen omvang. Zoo was insgelijks het binnenste van den toren in twee verdiepen gedeeld, welke ruimte genoeg aanboden om zoo weinig menschen tot woning te verstrekken.

Burchard, met een twaalftal Houtkerels, die uit plichtgevoel hem nog bijbleven, klom naarboven en nam bezit van de opperste gaanderij. Hij zou tot de verdediging medewerken zonder echter iemands bevel te erkennen.

Opmerkelijk was het,--en Burchard bevond het nu met spijt en schrik,---dat van al de Houtkerels die op den morgen van den moord met hem in de kerk geslopen waren, geen enkele meer op den toren was. Allen waren gesneuveld of gevangen.

De overige mannen bleven met Robrecht op de groote gaanderij waar zij, binnen den toren, in allernaast met planken en tapijten eene soort van kamer timmerden, om den drie vrouwen eene behoorlijke slaapstede te bezorgen.

Na langs de vier zijden des torens schildwachten te hebben gezet, met den last bij den minsten schijn van aanval hen door den Harop-kreet te wekken, gingen de overige Kerels binnen den toren en legden, zoo zij best konden, zich hier of daar ter rust.

Van de hoogte waarop zij stonden zagen de schildwachten over de gansche stad heen en niets van alwat op de Markt, op den Maalberg of in de naastbijgelegene straten gebeurde, kon hunne aandacht ontsnappen.

Wel bespeurden zij dien ganschen morgen eene groote beweging van poorters en wapenknechten in de stad; maar dezen volgden allen de richting naar St-Salvators, alsof zij daar eenen plechtigen kerkdienst gingen bijwonen.

Een weinig voor elf uur werd hun de reden dier beweging verklaard

Uit de kerk stroomde alsdan een groote toevloed van lieden, die de Steenstraat geheel overdekte en langzaam naar de Markt vooruitkwam. Hij was samengesteld uit ridders, poorters en wapenknechten klaarblijkend niet op vijandelijkheden bedacht, aangezien zij met elkander waren vermengd en nu pogingen deden om zich in eenen stoet te schikken.

Na eene wijl traden uit de kerk een groot getal priesters, diakens en zangers, met vanen, standaarden en wierookvaten. Dezen stelden zich aan het hoofd van den stoet en gaven, door het aanheffen van een treurigen lijkzang, het sein tot den optocht.

In den eerste wisten de schildwachten op den toren niet wat deze plechtigheid te beduiden had; maar toen de zingende priesters met hun gevolg over de Markt kwamen en de Hofstraat insloegen, twijfelden zij niet meer, of hun doel moest zijn het lijk van Karel van Denemarken uit St-Donaas weg te halen en het op niet ontwijde aarde en in eene betere grafstede te leggen.

Zij wekten hunne gezellen en zeiden hun wat er geschiedde, en hoe duizenden menschen in den burg gingen treden; maar dewijl de Kerels uiterst vermoeid en slaperig waren, wilden de meesten hunne rust niet laten, om naar iets te gaan kijken dat hun als geen gevaar aanbiedende, geheel onverschillig was.

Robrecht, met vier of vijf zijner gezellen, kwam op de gaanderij en schouwde neder op den stoet die nu binnen den burg trad en, zonder der Kerlen pijlen of hunne steenen te vreezen, tot aan den voet van den toren zelven vooruitstapte, om in de kerk te gaan. Mher Sneloghe begreep dat de priesters vertrouwen genoeg in der Kerlen godvruchtigheid hadden gehad om te denken dat zij deze lijkplechtigheid niet door het plegen van vijandelijkheden zouden storen. Hij gebood zijne mannen hunne bogen neder te leggen om in stilte te aanschouwen wat daarbeneden geschiedde.

De stoet bleef weinigen tijd in de ontheiligde kerk.

Eerst traden de priesters, zingend en in wolken wierook gehuld, er uit. Achter hen kwamen eenige ridders met eene lijkbaar waarop, onder een zwart kleed met zilveren kronen, de doodkist, die het lichaam van graaf Karel bevatte, werd gedragen.

Al de poorters volgden met ontdekten hoofde. Velen weenden zichtbaar, en het klagen en jammeren der vrouwen klom, als een beschuldigend gebruis, tot op de gaanderij waar de Kerels zich bevonden.

Tot alsdan was alles stil en vreedzaam toegegaan; maar nu werden er eensklaps door de Houtkerels der bovenste gaanderij eenige pijlen onder den dichten stoet geschoten, en drie of vier poorters vielen gewond neder.

Dan rees er een lange en schallende wraakkreet onder de menigte op, en terwijl velen der tegenwoordig zijnde lieden den burg afvloden, staken de anderen de gebalde vuisten dreigend tegen de Kerels op en stuurde hun de schrikkelijkste vermaledijdingen toe.

Aangezien het voorste gedeelte van den stoet reeds in de Hofstraat was getreden en buiten het bereik der Kerels zich bevond, stoorde deze vijandelijke aanval de plechtigheid niet ernstigerwijze.

Eenige oogenblikken daarna hadden al de poorters het plein van den burg verlaten en, ofschoon nog immer van verre de Kerels bedreigende, volgden zij de priesters naar de St-Christoffelskapelle waar men, in afwachting van 's konings terugkomst, het lijk des graven zou nederzetten.

Het geschreeuw en gedruisch der vluchtende menigte had al de Kerels op de gaanderij gelokt.

Robrecht, ten uiterste verbitterd over den aanval door de Houtkerels tegen den lijkstoet gepleegd, meende naarboven te loopen om Burchard rekening over deze nuttelooze baldadigheid te vragen maar zijne gezellen en Dakerlia wederhielden hem door hunne gebeden ...

In den namiddag stond Robrecht met Dakerlia op de gaanderij. Hij poogde zijnen mannen nog eenige hoop in te boezemen. Het Kerlenleger kon in den eersten veldslag tegen den koning van Frankrijk de overwinning behalen. Dan werden zij verlost; en vermits zij allen hunne onschuld aan den moord des graven konden bewijzen, zouden zij hunne vrijheid bekomen en ongehinderd naar Kerlingaland mogen terugkeeren.

Terwijl hij nog sprekende was, werd hij in zijne rede onderbroken door eenen Kerel die over de Markt wees en zeide:

"Ziet, ziet, ginder ten einde der Markt! Men gaat ons aanvallen! Vele benden wapenknechten, boogschutters ..."

Inderdaad, uit de St-Jacobsstraat kwam op dit oogenblik, met ontrolde banieren en klinkende bazuinen, eene talrijke schaar krijgslieden over de Markt en richtte zich naar den burg.

Op Robrechts bevel werd in allerhaast het vuur onder de ketels met olie ontstoken en steenen naar den Zuiderkant des torens in hoopen bijeengedragen.

De wapenknechten traden op het middenplein van den burg, en terwijl zij zich daar langs de Loove en het Gijselhuis in een vierkant schikten, stapte uit hun midden een bazuinblazer met eenen wapenbode vooruit. Deze riep den Kerels toe dat hun een wapenstilstand tot het einde van den dag werd voorgesteld, opdat zij zouden kunnen aanhooren wat de veldheer door zijne zaakgelastigden hun wilde zeggen.

Ten teeken van toestemming hingen de Kerels eene witte vlag buiten de gaanderij. Den wapenbode aansprekende, vroegen zij hem wat hij hun vanwege den veldheer te melden had; maar hij gaf hun te kennen dat zij een weinig op de boodschap moesten wachten.

Over dit antwoord verwonderd, keken de Kerels met overspannen nieuwsgierigheid naar den kant der Markt, waar des veldheers woning stond. Wat ging men hun voorstellen? De vrijheid? de gevangenis? den dood? Hadden de Kerels over het Fransche leger gezegepraald?

Eensklaps werd hunne aandacht opgewekt door eenen verwarden volksdrom, die van uit de Steenstraat over de Markt kwam gevloeid en eenige wapenknechten scheen te omringen.

"Wat mag dit zonderling gewoel toch beduiden?" morde Robrecht.

"Eilaas!" zuchtte Dakerlia, de handen klagende opheffende, "de Isegrims, over de bloedige storing der lijkplecht verbitterd, komen zich wreken."

"Die wanordelijke volkshoop?" vroeg Robrecht verwonderd.

"Akelig, akelig! Zij zullen hier, onder onze oogen, iemand martelen!"

"Wie zou het zijn, meent gij?"

"Gave God, Robrecht, dat mijne vrees ongegrond ware. Arme Hacket!"

"Mijn oom, zij zouden mijnen armen oom onder ons gezicht vermoorden? Kom, Dakerlia, zulk schouwspel is te gruwelijk; ik zou het niet kunnen zien; treden wij binnen den toren."

En dit zeggende, verliet hij de gaanderij met zijne verloofde; maar nauwelijks had hij eenige stappen gedaan, of een Kerel kwam hem achternageloopen en riep hem toe:

"Mher Sneloghe, gij bedriegt u: het is onze kastelein Hacket niet, dien zij naar hier brengen. Neen, het is eene vrouw ..."

Robrecht en Dakerlia slaakten terzelfder tijd eenen grievenden noodkreet.

"Eene vrouw? O, hemel, eene vrouw!"

Meer zeiden zij niet: hun vervaarde blik en de ontsteltenis huns gelaats toonden genoeg dat zij door eene schrikwekkende gedachte waren aangegrepen.

Zij liepen terug naar de gaanderij en poogden, door het overspannen hunner gezichtskracht, te herkennen of de Kerel hun de waarheid had gezegd; doch nu de menigte zich verdrong om de Hof straat in te stroomen, was het hun onmogelijk iets te onderscheiden.

Welhaast bereikte deze verwarde stoet de Hofpoort en trad op het middelplein van den burg.

Dakerlia vloog haren verloofde met eenen angstschreeuw aan den hals.

"Arme Robrecht!" zuchtte zij. "Wee, wee ons, het is Witta, de goede Witta! Gruwelijk, Disdir Vos, de valsche verrader, stoot haar voort en mishandelt haar!"

"Mijne zuster? Zij ook, zij zou boeten voor de misdaad! O, neen, mijn God, laat mij sterven; maar behoed een arm, onschuldig kind!"

Witta Sneloghe stapte tusschen een twintigtal wapenknechten die haar nu en dan barschelijk bij den schouder namen of haar voortstuwden. Disdir Vos was niet meer met haar; ongetwijfeld had hij zich achter den dam of onder het kerkportaal verscholen in de gegronde vrees dat zijne tegenwoordigheid sommige Kerels kon aandrijven om hem eenen pijl door het lichaam te schieten.

Van zoohaast Witta op den burg was verschenen, had zij oogen en handen tot haren broeder en tot Dakerlia opgeheven, als wilde zij haar schrikkelijk lot hun klagen of hunne hulp afsmeeken. Tranen rolden de ongelukkige maagd over de wangen.

Het was Robrecht zoo bang om het hart, dat hij sidderend naar beneden schouwde en geene andere klacht deed hooren dan een heesch en somber keelgeluid.

Dakerlia, door zijnen angst en zijn lijden verschrikt, overwon hare eigene smart, om hem te steunen en te troosten. Zij zeide hem dat alle hoop niet was verloren. Misschien vreesden zij ten onrechte een ijselijk ongeluk. Zij kenden immers de inzichten des vijands niet ...

Maar nu trad een wapenbode dichter bij den toren en riep hun toe:

"In name van mher Gervaas Van Praet, veldheer der Vlaamsche heirkracht, spreek ik tot u. Hoort, wat hij u meldt. Geeft u over in zijne handen, opdat hij over het lot van elk uwer beschikke naar zijnen wil. Een half uur gunt hij u om tot deze overgaaf te besluiten. Indien gij voor het verloop van dien tijd u niet in zijne genade hebt overgegeven, zal, tot een voorbeeld en tot wraak over den moord van graaf Karel, deze jonkvrouw, Witta Sneloghe, zuster van een der moordenaars, onder uwe oogen door den beul het hoofd worden afgeslagen. Ziet aldus wat u te doen staat; wij wachten uw antwoord."

Robrecht slaakte eenen schreeuw en beefde in al zijne ledematen; hij was schier ijlhoofdig en kon zijnen blik niet afwenden van zijne arme zuster, die biddend en smeekend immer de handen tot hem ophief.

Dakerlia, door bedruktheid en schrik overstelpt, had de handen voor de oogen geslagen en weende bitter.

De eindeloosheid van het ongeluk dat hem bedreigde en de akeligheid van zijnen toestand deden Robrecht een uiterst geweld inspannen om zijne smart te bedwingen. Er was geen tijd te verliezen; wat doodelijke angst hem ook folterde, hij was man en moest zelfs te midden der gruwelijkste gevaren sterkmoedig blijven.

Zich tot zijne gezellen keerende, zeide hij haastig:

"Vrienden, wat gaan wij doen? Weigeren wij ons over te geven, dan vermoordt men mijne zuster,--onnoozel kind, zoet en argloos als een lam!--Geven wij ons over zonder voorwaarden, zooals men het eischt, dan dreigt ons een onvermijdelijke dood. Wat gedaan? O, hemel, geeft mij raad! Wat gedaan?"

De Kerels zwegen of morden binnensmonds. Het was klaarblijkend dat zij geenen lust gevoelden om zich weerloos in de handen hunner wreede vijanden te leveren; evenwel, uit medelijden voor den hachelijken toestand van hunnen overste, drukten zij hunne weigering niet door woorden uit.

"Ach, nog eene zwakke hoop!" kreet Robrecht, "misschien zullen onze vijanden niet onverbiddelijk zijn en ons de voorwaarden toestaan die mijn oom Hacket hun vroeger heeft uitgedrukt. Wat voordeel brengt het toch Kerlingaland toe, dat wij nog eenige dagen op dezen toren blijven? Sterven,--indien dit lot ons door God is voorbeschikt,--sterven moeten wij allen. Waarom mijne zuster, waarom een onnoozel kind nutteloos geslachtofferd? Laat mij het beproeven: wil men ons beloven ons onmiddellijk te dooden en ons toe te laten onze onschuld aan den moord te bewijzen, dan, vrienden, ik smeek u, geven wij ons over! Mijne arme zuster zal gered zijn en wij, misschien, zullen worden gespaard ..."

Burchard Knap die, om beter te hooren wat des veldheers bode zeide op de groote gaanderij was gekomen, viel Robrecht hier met eenen spotlach in de rede, en riep:

"Zinnelooze woorden! Ziet gij niet dat de Isegrims deze nieuwe list uitgevonden hebben om ons in handen te krijgen en ons te martelen, zooals zij onze ongelukkige broeders hebben gemarteld? Al wat zij zeggen is bedrog en valschheid. Zoohaast gij beneden zijt zal men u doodslaan en uwe lijken met voeten treden. Wat mij betreft, ik geef mij niet over. Moet ik sterven, het zij dan met met zwaard in de vuist!"

"Maar, maar, om Gods wille, Burchard", smeekte mher Sneloghe, "beneem mij dit laatste middel niet! Veroordeel mijne rampzalige zuster niet tot eenen gruwelijken dood!"

"Te veel reeds hebben vrouwen onze verdediging gehinderd", gromde Burchard. "Voor het behoud van het leven uwer zuster zoudt gij het leven van al deze dappere mannen gaan opofferen? Het is belachelijk!"

Robrecht meende tegen den barschen Burchard met woede uit te vallen; maar nu galmde hem van beneden eenen angstkreet in de ooren, die hem naar den boord der gaanderij deed springen. Hij zag de arme Wtta tusschen ridders en wapenknechten ten gronde geknield, terwijl een beul met uitgetogen zwaard nevens haar gereed stond om op het eerste sein haar het hoofd af te slaan.

Bevend als een riet en schier zinneloos van verschriktheid, deed Robrecht een teeken dat hij wilde spreken. De wapenbode naderde en mher Sneloghe gaf hem te kennen dat de Kerels er in toestemden den toren te verlaten en zich in des veldheers handen over te geven op voorwaarde dat men hen allen in de gevangenis zou leiden en men hen door een gerechtshof zou doen oordeelen, opdat elk hunner gestraft wierde in de maat zijner schuldigheid.

De wapenbode keerde terug naar de ridders die onder elkander met zekere hevigheid over deze voorstellen begonnen te raadplegen.

Intusschen was Disdir Vos, door den gang der onderhandelingen verstout, uit zijne schuilplaats getreden en stond nu nevens de geknielde Witta, waar hij met eenen ridder, die de overste der wapenknechten scheen, begon te spreken.

Burchard bemerkte den verrader van op den toren. Hij nam, zonder iets te zeggen, den boog uit de handen van eenen zijner mannen, legde er eenen pijl op en mikte ...

Met eenen angstigen gil sprong Dakerlia naar hem toe en wilde hem den boog uit de handen rukken, terwijl zij riep:

"Houd op, laat af, uw pijl is een doodvonnis voor de ongelukkige Witta!"

Maar hij, met eenen enkelen zwaai zijner linkerhand, wierp de smeekende maagd zoo geweldig achteruit dat zij tegen den kerkmuur viel.

De pijl snorde door de lucht en trof in eene schuinsche richting Disdir Vos op de schouderplaat; maar hier schampte hij af, verhief zich weder en doorboorde den hals van den overste der wapenknechten. Deze, zich doodelijk gekwetst voelende, begon te wankelen doch had nog, terwijl hij ineenzakte, de kracht om te roepen:

"Sla toe! Sla toe!"

De beul, op dit bevel, slingerde zijn bliksemend zwaard door de lucht ... en het hoofd der arme Witta rolde ten gronde ...

Een lange angstschreeuw, een akelige noodkreet weergalmde terzelfder tijd op het plein en op den toren.

Robrecht Sneloghe, als hadde het gezicht van het bloedend lijk zijner zuster hem met versteendheid en verbijstering geslagen, lag beweegloos over de gaanderij en hield den strakken blik naar beneden. Hij sprak geen woord, en welke pogingen de weenende Dakerlia ook inspande om hem uit den afgrond zijner smart op te heffen, hij antwoordde haar niet.