# De Kerels van Vlaanderen

## Part 35

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-kerels-van-vlaanderen-13625/index.md

"Ja, Dakerlia; gij hebt het gezien, hoe ik sedert vele dagen onder treurnis en verdriet gebogen ga; hoe de moedeloosheid mij bestormt en dreigt geheel te overwinnen. Gij meent, dat het verlies mijnes arme zuster de eenige oorzaak was? Neen, uwe tegenwoordigheid in deze plaats, het lot dat u beschoren schijnt, zijn de voorname bronnen mijner smart. Ach, ik bemin u, gij weet het, uit al de krachten mijner ziel. Moeten vreezen, bijna zeker zijn dat gij hier eenen akeligen dood zult vinden, uwe verlossing, uwe vrijheid in handen hebben, en ze u zien weigeren! Begrijpt gij niet, Dakerlia, dat zulke overwegingen mij wreedelijk martelen? Ach, wees goed, geef mij het liefdebewijs dat ik u smeekend afbid! Volg mijnen oom en ga naar Lampernisse. O, ik bezweer u, schenk mij dus, met de zekerheid uwer behoudenis, den verloren moed terug!"

Dakerlia schudde weigerend het hoofd.

"Gij blijft ongevoelig voor mijne bede?" zuchtte mher Sneloghe pijnlijk.

"Maar, Robrecht, en gij, heeren", zeide Dakerlia met eene verrassende bedaardheid, "hebt gij wel waarlijk de minste hoop gevoed dat ik kon toestemmen den burg te verlaten en mijnen verloofde een koel en eigenzuchtig vaarwel te zeggen? Gij doet allerlei gevaren voor mijne oogen spoken? Maar bestonden deze gevaren niet, dan slechts zou ik doen wat gij van mij eischt. Nu wil en moet ik blijven. Hoe? Gij voorzegt mij de komst van een Fransch leger en geweldige aanvallen des vijands? Robrecht, dien God behoede, kan gekwetst worden. Wie zal hem verzorgen en troosten! De Kerlinnen die daar binnen zijn? Zal ik, Dakerlia. deze zending aan vreemde handen overlaten, en rust en vrijheid te Lampernisse gaan zoeken, terwijl mijn verloofde hier stervend misschien ligt uitgestrekt en om hulp en lafenis kermt? Neen, neen, wat gij vraagt is onmogelijk. Het denkbeeld zulker lafheid alleen brengt mijne verontwaardigde ziel in opstand, en ik bid u, ik bezweer u, heeren, spreekt mij er niet meer van!"

Allen erkenden innerlijk dat men te vergeefs zou pogen de sterkmoedige maagd van besluit te doen veranderen. Robrecht, die diep was bedroefd bij de gedachte dat Dakerlia, door te weigeren, alle hoop op redding verloor, zeide haar nog met aangejaagdheid:

"Maar, vriendinne, verschrikt het beeld van den pijnlijksten dood u niet, er is toch iets, iets schromelijks, dat uw fier en kuisch gemoed kan doen terugdeinzen. Vooronderstel dat de Kerels hier bezwijken en de burg worde ingenomen. Dan zegeviert de verrader Disdir Vos, hij vat u aan, rukt u naar zijne woning ... Ach, de booswicht is bekwaam tot de gruwelijkste misdaad!"

Terwijl hij deze woorden sprak, was Dakerlia's blik fonkelend geworden; ja, hare oogen vlamden, toen hij door de bedreiging van een grooter ongeluk dan de marteldood zelf, haar met angst en vervaardheid had geslagen.

Robrecht en zijne ooms zagen haar aan met de twijfelachtige hoop dat zij door het denkbeeld van zulk vreeswekkend gevaar overwonnen, tot de vlucht ging toestemmen.

"Welnu, welnu, Dakerlia?" murmelde mher Sneloghe.

"Welnu?" herhaalde zij met sombere stemme. "Disdir Vos, de verrader, de lafaard? Ik kan terug in zijne handen vallen? Ja, ik heb er aan gedacht...."

En zij stak langzaam de hand in hare borst en trok er eenen glinsterenden moordpriem uit, dien zij stilzwijgend toonde.

De anderen deinsden met eenen angstkreet terug.

Het staal in de vuist wringende, zeide Dakerlia, zonder de minste drift:

"Zoolang Robrecht nevens mij staat, zal hij mij verdedigen; beschikt God over zijn leven, dan wordt deze moordpriem mijn beschermer. Disdir Vos? Wat kan hij tegen mij? Ik ben eene Kerlinne! Tusschen den dwingeland en het slachtoffer graaft de dood in een oogenblik eenen onoverschrijdbaren afgrond."

Vooraleer de anderen van hunne verbaasdheid konden bekomen, verborg zij het wapen weder in hare borst en zeide met eenen stillen glimlach:

"Robrecht, uit liefde tot mij, wilt gij mij van hier verwijderd zien; ik, uit liefde tot u, wil u niet verlaten. Het is dus eene worsteling tusschen ons beiden. Wie van ons volhoudt en verwint, toont de grootste liefde. Meent gij dat ik, in dit gevecht der ziel, u de zegepraal zal gunnen? Verzaakt dus uwe pogingen, heeren; zij zijn volstrekt onmachtig en nutteloos."

Robrecht greep Dakerlia's handen en drukte vurig in de zijne, terwijl tranen uit zijne oogen rolden. Hij bewonderde de sterkmoedigheid en de eindelooze liefde der maagd, ofschoon hare noodlottige weigering hem het hart met droefheid en schrik vervulde. Er was echter niets aan te doen; hij moest zich onderwerpen en alle verdere poging opgeven; want dat Dakerlia onplooibaar zou blijven, daaraan kon hij niet meer twijfelen.

Hij trad met haar en zijne ooms in de andere kamer, waar het lijk van mher Eggard, gansch gekleed en met een zwaard in de hand, op eene soort van rusttafel lag uitgestrekt. Hier brandden wel waskaarsen nevens een kruisbeeld, maar aan de voeten van den dooden stonden insgelijks kommen met gortebrij en eene kruik bier, zoodat hier, evenals onder de Kerels der Ambachten, terzelfder tijd Christelijke en Heidensche plechtigheden werden geoefend.

Om eenige oogenblikken te bidden, knielde Robrecht met Dakerlia op eene bank en boog in stilte het hoofd.

De proost verliet de kamer met zijnen broeder. Het was tijd dat hij de noodige maatregelen name, om zijne vlucht te bereiden; want de dag begon zichtbaar te dalen, en welhaast zou de duisternis invallen.

Opgesloten in eene zaal der proostdij, wogen en wikten zij goud en gesteenten, om het geld, dat zij Walter Van Lillers beloofd hadden, onder het minste gewicht bijeen te brengen. Dan overwogen zij welke kleederen de proost zou aantrekken, opdat hij min herkennelijk ware, en hoe hij zijne pogingen bij Willem Van Loo zou berekenen om zeker te zijn dat hij onmiddellijk naar Brugge zou komen.

Toen zij eindelijk onderzochten welke baan hij volgen zou om zonder ongeval het vrije Kerlingaland te bereiken, stieten zij tegen eene groote moeielijkheid. Rondom Brugge mocht men de groote wegen niet volgen, dewijl men daar reizende ridders of wapenknechten kon ontmoeten. Om met eenige kans op veiligheid te kunnen reizen, moest Bertulf de afgelegene voetpaden door velden en door bosschen volgen; maar dewijl hij nooit te voet deze streek des lands had doorkruist, was hij met de kleine wegenissen in het minste niet bekend.

Zeker, zonder leidsman en zoo gansch alleen, zou hij in de duisternis verdwalen en misschien in de handen der Isegrims vallen!

In hunne verlegenheid herinnerden zij zich dat er tusschen de mannen, welke hun door Willem Van Loo waren toegezonden geworden, een Houtkerel zich bevond, die men den wolvenjager noemde. Deze had zijne gansche jeugd in de velden en bosschen zwervend doorgebracht, en moest diensvolgens beter dan iemand de afgelegene wegenissen en doorgangen kennen. Hij was daarenboven onversaagd, verstandig en verkleefd, en kon den proost niet alleen een leidsman zijn, maar nog desnoods hem verdedigen tegen allen aanval.

Zij deden Ivo-den-wolvenjager roepen en gaven hem te kennen wat zij van hem verlangden. In den eerste verraste hun voorstel den Houtkerel, die in het geheel geenen lust gevoelde om uit den burg te vluchten, zooals hij het noemde; maar hunne beloften en hunne smeekingen overwonnen na lange moeite zijnen tegenstand en hij stemde toe den proost te volgen.

Toen eindelijk het uur zou naderen, riep Bertulf zijne neven en de bijzonderste oversten te zamen, om afscheid van hen te nemen. Hij beloofde hun dat hij rechtstreeks naar de legerplaats van Willem Van Loo zou gaan, en door onweerstaanbare redenen, zelfs door het aanbod van aanzienlijke hulpgelden, hem zou overhalen om onmiddellijk met gansch zijne macht naar Brugge te komen. Hij poogde zijne magen en vrienden vertrouwen in te boezemen, en moedigde hen aan om den burg met hardnekkigheid te verdedigen, in de zekerheid dat een spoedig ontzet hen allen uit hunnen gevaarlijken toestand zou komen verlossen.

Hun beurtelings de handen gedrukt hebbende, verzocht hij hun hier in de benedenzaal der proostdij te blijven; want, indien zij hem op den muur volgden, ter plaatse waar hij zou nederdalen, dan, ongetwijfeld, zouden de schildwachten der Isegrims argwaan opvatten en hunne gezellen te wapen roepen. Niemand zou met hem daarboven gaan dan zijn broeder Hacket, zijn neef Robrecht en vier sterke Kerels, die hem en zijnen leidsman zouden aflaten.

Na het uitspreken van een laatst vaarwel, en onder de gelukwenschen zijner vrienden, verliet hij de gebouwen der proostdij en beklom den wal nevens het klooster.

Hier stond hij achter de kanteelen met degenen die aangewezen waren om tot zijne vlucht te helpen. De kastelein, Robrecht Sneloghe en Ivo-de-wolvenjager waren insgelijks met hem.

Zij zwegen en ontweken zooveel mogelijk alle bewegingen, om niet door de wakende schildwachten des vijands opgemerkt te worden.

Eens toch fluisterde Robrecht aan het oor van den proost:

"Ik weet niet, oom, mij ontstelt een zonderlinge schrik. Indien gij het slachtoffer werdt van bedrog en verraad?"

"Stil, stil, gij hebt ongelijk", suisde Bertulf. "In alle geval, het lot is nu geworpen!"

Reeds hadden zij zeer lang gewacht, en sommigen hunner begonnen te denken dat het ontwerp door een of ander beletsel was mislukt; want het vastgestelde uur was reeds voorbij.

Maar daar hoorden zij in de verte de zware stappen van eene bende wapenknechten, en zelfs de galmen van verwarde stemmen. Zij bogen zich dieper achter de kanteelen en keken bespiedend door de schietgaten, terwijl de bende meer en meer naderde.

Eensklaps zagen zij iemand eene ontstoken lantaarn over- en wederzwaaien. Het zwakke licht werd onmiddellijk uitgedoofd.

Op dit sein omhelsde Bertulf in stilte zijnen broeder en zijnen neef.

Allen sprongen haastig boven den wal; de proost en Ivo-de-wolvenjager zetteden den voet in eenen strop, grepen een dik touw met beide handen aan en daalden neder tot aan den voet van den muur.

Hier werden zij zeer ruw aangegrepen, vastgehouden en weg gerukt als echte gevangenen. Zij begonnen te vreezen, en zouden zich zeker verraden gewaand hebben, had niet de waarschijnlijk berekende stilte der wapenknechten hun nog eenig vertrouwen ingeboezemd.

Walter Van Lillers, die den proost bij den schouder hield en hem voortstuwde, fluisterde aan zijn oor:

"Laat u doen en wees stom; niet al mijne mannen zijn met ons. Een gedeelte slechts kent geheel het ontwerp; de anderen meenen dat wij u in eenen strik hebben gelokt. Veins evenals wij."

Omtrent de St-Janskapelle hield Walter Van Lillers zijne bende staan en sprak:

"Wij hoeven niet zoo sterk te zijn om deze twee Kerels naar de gevangenis te leiden. Meester Daneel, ga met tien wapenknechten terug naar den burg, langs den kant van den Maalberg; daar zullen, zooals ik u heb gezegd, nog andere van die vermaledijde Blauwvoeten u in de handen vallen."

Mher Daneel moest wel van de zaak weten; want hij koos, niet zonder geheim inzicht, onder zijne mannen er tien uit, en keerde met hen terug in de Wapenmakersstraat.

Dan begaf mher Walter zich met zijne gevangenen op weg door afgelegene straten, totdat zij de Smedepoort gingen naderen.

Hij deed zijne gezellen achter eenen hoek blijven staan, en zeide tot den proost en zijnen leidsman:

"Neemt nu eene losse, onbekommerde houding; spreekt luid en gebaart u alsof gij niet in het minste op eenig gevaar bedacht waart."

Na deze woorden stapte hij met hen naar de poort, waar de overste hem scheen af te wachten.

"Mher Ogier", zeide hij, "ziehier twee poorters die met mij uit de stad moeten gaan. De veldheer...."

"Ik weet het; mij zijn daarover bevelen toegekomen", onderbrak de overste. "De stormegge is reeds opgehaald. Zie, daar opent men de poort. Vaarwel en goede reis!"

Eenige oogenblikken daarna bevonden zij zich in het open veld. Weder had Walter Van Lillers hun de stilte bevolen, en zij volgden hem zwijgend gedurende schier eene halve mijl.

Hier bleef hij staan en zeide hun:

"Nu zijt gij verre buiten den kring der brandwachten. Ik ga u verlaten en naar de stad terugkeeren. Mijne belofte heb ik gansch vervuld; geef mij nu het geld, om mijne vrienden en de wapenknechten te betalen[78]."

Bertulf ontgespte de lederen tassche, die hem aan den gordel hing en reikte ze aan Walter.

"Zij weegt inderdaad zwaar", mompelde deze verheugd. "Hoeveel bevat ze?"

"Vijfhonderd marken."

"In goud."

"In goud en in kostbare juweelen."

"De rekening is zeker juist."

"Er is meer in waarde, mher Walter; maar om u geen mistrouwen te laten, beloof ik u, indien ik het leven behoud, u in betere tijden en op uwe eerste vraag, nog vijftig marken zilvers te schenken als bewijs mijner dankbaarheid."

"Nu dan, ik druk u de hand, heer proost, en wensch u alle geluk."

Hij verwijderde zich in de baan naar Brugge.

"Langswaar nu onze stappen gewend?" vroeg Bertulf aan zijnen leidsman. "In dien pikdonkeren nacht kan men zelfs den weg niet zien."

"Nog twee boogschoten verder", antwoordde Ivo-de-wolvenjager, "komen wij aan eene zandbaan die dwars door het Frinte-bosch loopt, tot aan Aertryke toe. Daar wenden wij ons links af naar Thourout en zonder deze stad te naderen, bereiken wij de baan naar Staden en naar Yperen.... Geef mij de hand, heer proost; want hier is eene drooge gracht die wij overstappen moeten. Wij verlaten de groote baan."

De proost liet zich leiden. Hij drong aan de hand van Ivo in een dicht bosch.

Daar eerst achtte hij zich in veiligheid; het was hem alsof een steen hem van de benauwde borst viel.

"Ha, God zij geloofd!" riep hij uit. "Ik vreesde nog verraad, maar hij was oprecht en trouw. Verlost! Verlost!"

VOETNOTEN:

[Voetnoot 78: "Bertulf, geld gegeven hebbende aan Walter, tot de som van 100 mark, liet zich af aan een touw."

GALB., p. 316.]

XXII

Den dag Na de ontsnapping van den ouden Bertulf hadden de Kerels, van op de wallen der proostdij, eene ongemeene beweging van poorters, ridders en wapenknechten in de stad opgemerkt. Terzelfder tijd hadden zij verre bazuingeschal en dof gedruis gehoord, als van reizende legerbenden.

Zij meenden te mogen vermoeden dat Willem Van Loo met zijne heirkracht de stad was genaderd, en de Isegrims buiten Brugge togen om hem te gaan bestrijden.

Hunne dwaling desaangaande duurde echter niet lang. Zij telden vele vrienden onder de poorters van Brugge, zelfs onder degenen die, door Gervaas Van Praet gedwongen, nu met de Isegrims hen bestreden. Dezen, uit eigen beweging of door Jan Haring en Elfried Rooster er toe aangespoord, schoten hun zeer dikwijls pijlen met geheime berichten toe.

Zoo vernamen zij al spoedig dat de koning van Frankrijk en Willem van Normandië, met de voorhoede van hun leger, te Brugge waren aangekomen, en men poorters en ridders buiten de stadsvesten op het Zand had doen vergaderen, om den koning en den nieuwen graaf hulde te bewijzen en trouw te zweren[79].

Men zeide hun insgelijks dat men de bestorminng der proostdij had uitgesteld om het Fransche leger af te wachten; maar dat men nu, binnen weinige dagen, eenen geweldigen en waarschijnlijk beslissenden aanval zou doen.

Deze berichten onstelden de Kerels niet zeer. Vanwege Walter Van Lillers was hun een bericht toegekomen, waardoor men hun de verzekering had gegeven dat de proost behouden buiten de stad was geraakt en zijne reis naar Yperen in volle vrijheid had begonnen.

Bertulf was diensvolgens ongetwijfeld op dit oogenblik reeds in tegenwoordigheid van Willem Van Loo, en zij mochten hopen dat het groote Kerlenleger morgen of overmorgen voor Brugge zou verschijnen.

In alle geval, zij waren bereid om de bestorming moedig en hardnekkig af te slaan, en dus de proostdij en de kerk tot de komst van Willem Van Loo te behouden. Wel waren zij niet meer boven de tweehonderd man sterk; maar dewijl de genaakbare plaatsen van den muur niet veel uitgestrektheid hadden, waren zij talrijk genoeg om eenen voor den vijand vreeselijken tegenstand te bieden.

Dien dag hadden zij tot den avond op de wallen gestaan, en zij hadden gedeeltelijk zelfs den gansehen nacht gewaakt; maar de vijand had zich niet vertoond.

Nauwelijks was echter de zon boven den gezichteinder gerezen of alles voorzeide hun dat zij dien dag eene algemeene bestorming zouden te doorstaan hebben.

Inderdaad, er kwam allengs eene ongewone bedrijvigheid onder den vijand. Niet alleen trokken alle oogenblikken aanzienlijke legerbenden, meest van Fransche wapenknechten, over de Markt voorbij, om stand te gaan nemen op de plaatsen en in de straten rondom den burg; maar de Gentenaars waren tevens langs alle kanten bezig met hunne stormtuigen te stellen of ze nader bij den burg te voeren.

Een groot gedeelte van den morgen verliep aan deze ontzaglijke toebereidsels.

De Kerels lieten intusschen niet na alles aan te brengen wat hun tot eene hardnekkige verdediging van dienst kon zijn. Overal boven den burg stegen zwarte rookwolken in de hoogte, als wilde men den vijand verwittigen dat men zich gereed hield om hem met kokend pik en olie te begroeten.

Terwijl de Kerels als eene uitdaging hun lied over de Markt deden schallen, zagen de Fransche ridders en wapenknechten verwonderd op naar deze handvol mannen, die zoo onbevreesd en vroolijk schenen, een oogenblik zelfs voor hunne nederlaag en hunnen dood. Wat hun nog onbegrijpelijker voorkwam, was de tegenwoordigheid boven de muren van eenige hoogstaltige vrouwen, die lachend en dreigend hun onverstaanbare scheldwoorden toeriepen.

Eensklaps vertoonde zich bij den ingang der Steenstraat eene bende ridders te paard, allen zeer rijk gekleed en overdekt met wapenrustingen welke blonken van zilver en van goud.

Deze ridders keerden den hoek om en reden voort langs de huizen der Markt, buiten het bereik van der Kerlen pijlen. Zij waren eene lijfwacht of eene voorhoede; want onmiddellijk achter hen kwam de koning van Frankrijk, op een groot en sterk strijdpaard gezeten.

Deze vorst, Lodewijk, bijgenaamd de dikke, was inderdaad zoo zwaarlijvig en zoo vet, dat de aanschouwers verwonderd zich afvroegen hoe zulk wanstaltig dik mensch wel te paard kon stijgen. Evenwel, ondanks zijne zwaarlijvigheid, zag de koning er tamelijk rap en levendig uit, en getuigden zijne gebaren en bewegingen niet van de minste loomheid.

Nevens hem reed de nieuwe graaf Willem van Normandië, wiens jonkheid en tengere leden hem nevens den Franschen vorst bijna als een kind deden voorkomen.

De koning, met zijn gevolg, begaf zich in de straten rondom den burg, onderzocht met den blik de sterkte der wallen, verzekerde zich dat alles doelmatig was bereid, gaf hier en daar nog eenige bevelen en keerde dan terug op de Markt.

Hier vergaderde hij de oversten der Vlaamsche en Fransche strijdmacht rondom zich, sprak eene wijl met hen en zond ze dan terug, elk naar zijne standplaats, om op het sein tot den algemeenen aanval te wachten.

Eindelijk werd door den koning het bevel gegeven om den stormloop te beginnen. De bazuinen en hoorns herhaalden tot in de verre straten hun aanhitsend geschal....

Langs alle kanten van het gedeelte van den burg, dat nog in bezit der Kerels was, werden de ladders gerecht en klommen ridders en wapenknechten, door hunne beukelaars beschut, naar boven.

Maar eer zij de kruin van den muur konden bereiken, waren zij of door steenen verpletterd of door pijlen getroffen of door kokende olie verbrand of door lange haken naar beneden geworpen. Hoevelen er ook sneuvelden, hoe velen er met verbrijzelde of verzengde leden nedervielen, hoe de gekwetsten en de dooden zich bij den voet van den muur ook ophoopten, de moed en de woede der aanvallers verminderden niet. Integendeel, de gedachte dat zoo weinig mannen weerstand konden bieden aan twee legers, aan de bloem van Frankrijks krijgslieden, strijdende onder de oogen des konings zelven, dreef hen tot razernij en tot blinde strijdzucht.

Ook verdrongen zij, om de ladders te kunnen beklimmen, elkander zoo woest en zoo vurig, dat deze groote drift zelve hun schadelijk werd. Nu zij beneden den muur als een zwoegende zwerm krielden, konden de Kerels geenen pijl schieten, geen steenblok werpen, geene vlammende olie storten, of zij troffen onder den dichten hoop en maakten slachtoffers in verbazend getal.

Na een half uur dezer geweldige bestorming lagen er honderden en honderden dooden en gekwetsten rondom de wallen der proostdij en der kerk.

Het leger des konings, evenmin als het leger der Vlaamsche ridders scheen eenig voordeel te hebben behaald. Wel hadden hier en daar verscheidene ridders de kruin van den wal bereikt, en waren onder daverende toejuichingen hunner makkers op den muur gesprongen; maar even ras hadden de Kerels hen neergehakt of met hamerslagen hun den schedel gebroken en tot antwoord hunne lijken naar beneden geslingerd.

De Fransche oversten moedigden hunne mannen aan door hunne woorden en door hun geroep, en deden hun begrijpen welke schande het zou zijn, indien zij dezen strijd tegen eenen zoo zwakken vijand slechts eenige oogenblikken moesten opgeven.

Immer duurde de moorddadige bestorming voort, en immer sneuvelden ridders en wapenknechten bij hoopen onder de muren, terwijl de Kerels al strijdend zegekreten lieten hooren of met afgebrokene galmen deze verzen van hun lied herhaalden:

"Gi ridders, dwingers, maect u van cant, Hier syn de Kerels van Vlanderlant! Ja, Isegrims, hoedt u voor den Blauvoet Of gi selt voelen wat sine clau doet!"

Misschien wel zou de Fransche vorst, in aanzien van het groote verlies, dat zijn leger onderstond, den storm hebben doen opschorsen, om andere middelen te bedenken; maar nu geschiedde er in den burg zelve iets dat de verdediging voor de Kerels schier onmogelijk moest maken.

Terwijl er buiten de vesting zoo hevig werd gevochten, was een gedeelte der Gentenaars met allerlei machtige gereedschappen in het paleis des graven gegaan, om te beproeven of men den binnenmuur, tusschen dit paleis en het klooster, niet zou kunnen doorboren of omverre werpen.

Zij hadden den bedoelden muur zeer onsterk bevonden, en waren er eindelijk in gelukt daar eene wijde opening te maken, die hun eenen vrijen ingang gaf tot het klooster en de gebouwen die nog in bezit der Kerels waren.

Dewijl dezen boven de muren in eenen drukken strijd waren gewikkeld, konden de Gentenaars, door een gedeelte der Fransche wapenknechtcn gevolgd, in het klooster sluipen, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten.

Toen zij in genoegzaam getal door den muur gedrongen waren, vertoonden zij zich en begonnen "zege! zege!" te roepen.

Het gezicht dezer nieuwe vijanden, binnen hunne vesting zelve, ontrukte den Kerels eenen langen noodkreet, en velen liepen van den muur om, ware het mogelijk, deze indringelingen te verpletten.

Zij wierpen zich als woedende leeuwen op Gentenaars en Franschen, en dreven ze inderdaad terug tot bij den uitgebroken muur; maar dewijl de bestormers van buiten nu op den wal geene genoegzame tegenweer meer vonden, gelukte het den Franschen ridders in groot getal boven den muur te geraken en de Kerels naar beneden te stuwen.

Welhaast zagen dezen zich langs alle kanten omringd door eene menigte vijanden, wier getal zeer snel en ontzaglijk aangroeide; want nu kwamen, zoowel van boven de wallen als door den uitgebroken muur, wolken vijanden toegestroomd.

Nog eenigen tijd verdedigden zich de Kerels met ontplooibaren moed, slechts de eene kamer na de andere verlatende, totdat de kastelein Hacket wel bemerkte dat het volstrekt onmogelijk was geworden het klooster en de proostdij te behouden.

Op zijn bevel staakten de overblijvende Kerels dit hopeloos gevecht en weken op een gegeven teeken altezamen binnen de kerk, waarvan de groote deur reeds van achter was bedamd.

Hier viel Dakerlia haren verloofde aan den hals en juichte en dankte God, dat Hij hen beiden in dit schrikkelijk en rampspoedig gevecht had behouden.

Maar Robrecht, door de overtuiging van het gevaar dat hen bedreigde, schier gevoelloos voor hare blijdschap, maakte zich uit hare armen los en riep tot de Kerels:

"Stopt, verbalkt, bedamt de deur ... en dan naar boven, naar boven, op den toren!"

