# De Kerels van Vlaanderen

## Part 34

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-kerels-van-vlaanderen-13625/index.md

Dit was evenwel slechts eene betooging, want onmiddellijk deed hij ze verre op de Markt en tot buiten net bereik der Kerels achteruitgaan.

Hier raapte hij eenen stroohalm van den grond en brak hem aan twee stukken. Zoo deden insgelijks de ridders en wapenknechten. Dit was een teeken dat zij voortaan alle vriendschap, alle betrekking met de Kerels afbraken, hun eene eeuwige vijandschap toezwoeren en zonder genade naar hun leven zouden staan[77].

Bij het gezicht van dit snood verraad hadden de Kerels eene wijl verbluft gestaan, als konden zij niet aan zulke verregaande valschheid gelooven.

De proost en de kastelein schenen er door verpletterd; maar even ras was in het hart der anderen de wraakzucht ontvlamd, en zij riepen luid dat zij zich over dien uitslag verblijdden en hun leven duur, zeer duur aan die trouwelooze Isegrims wilden verkoopen.

"Welaan, ooms", riep Robrecht, "nu weten wij dat wij op niets mogen hopen dan op onze eigene kracht en moed. Het lot is geworpen: de vijand zal hier niet binnentreden dan door plassen van zijn eigen bloed en op der Kerlen laatste lijk!"

Bn om den Isegrims te toonen dat hunne bedreigingen hun geene vrees inboezemden, hieven de Kerels hun strijdlied aan en deden het zoo machtig klinken, dat het over de gansche stad weergalmde.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 74: Deze brief bevindt zich bij GALBERTUS, p. 325 en 326.]

[Voetnoot 75: Zie den tekst van dezen brief bij GALB., p. 333.]

[Voetnoot 76: Zie deze boodschap van den koning van Frankrijk, waarbij hij Willem van Normandië als graaf van Vlaanderen opdringt en den poorters de aangehaalde vrijheden schenkt, bij GALBERTUS, p. 415.]

[Voetnoot 77: Maar de oversten lieten zich weinig gelegen aan de beloften en aan de eeden welke zij den belegerden deden; want het was slechts een middel om het geld en den schat van den graaf uit hunne handen te krijgen." GALBERTUS. p 296]

XXI

Sedert men de Kerels had bedrogen, om hen tot afleveren van 's graven schat over te halen, was er bijna eene gansche week verloopen, zonder dat de Isegrims de schuilplaats hunner vijanden nog met macht hadden bedreigd.

Zij bepaalden zich met nu en dan de Kerels door eenen geveinsden aanval te verontrusten en de gebouwen der proostdij nauw omzet te houden, opdat niemand er uit mocht ontsnappen.

Onderwijl maakten de Gentenaars en de ridders evenwel groote toebereidselen om eenen nieuwen en beslissenden stormloop te wagen; want op de Markt, onder het gezicht der Kerels zelven, bouwden zij eenen houten toren, ladders en beukgestellen.

De kastelein Hacket had deze dagen van rust niet werkeloos laten voorbijgaan. Integendeel, men had binnen de proostdij onophoudend gearbeid en gezwoegd, om allerlei middelen tot verdediging in gereedheid te brengen. Zelfs had men in het klooster twee binnenmuren uitgebroken, om achter de kanteelen en op de gaanderijen der torens geheele hoopen steenblokken te kunnen verzamelen.

Overal op de wallen stonden de ketels met ziedend pik en olie, bewaakt door lieden die belast waren de vuren te onderhouden.

De dienst der schildwachten was derwijze ingericht geworden dat dag en nacht immer de eene helft der Kerels op de wallen zich bevond en men geene verrassing meer had te vreezen.

Aangezien de kloostergebouwen en zelfs de proostdij niet al de voorwaarden tot eene lange verdediging aanboden, terwijl integendeel de kerk schier oninnemelijk was, had men den meesten voorraad van levensmiddelen en van wapenen in den tempel gedragen.

Alhoewel ze bij de inneming van den burg wel honderddertig gezellen hadden verloren, en hun getal nu tot ongeveer tweehonderd weerbare mannen was verminderd, hadden zij nog de hoop zich te kunnen verdedigen totdat zij door het groote Kerlenleger wierden ontzet.

De vijand mocht nu hunne schuilplaats komen bestormen. Zij waren gereed en wachtten hem af met koele beradenheid en vasten moed; zij zouden hem zijne vermetelheid zoo duur doen betalen, dat, indien hij de proostdij overweldigde, de Isegrims hunne zegepraal zelve als eene bloedige ramp zouden beweenen ...

De namiddag was reeds ver gevorderd.

Bertulf, de proost, zijn broeder Hacket, Robrecht en de andere oversten stonden boven de muren en keken nieuwsgierig over de Markt, als verwachtten zij zich aan iets van dien kant.

Er was dien dag een brief op het kerkhof geschoten geworden, waarin men den proost Bertulf verwittigde, dat een ridder zich met eenen wapenbode zou aanbieden, om opnieuw met de Kerels aangaande de overgaaf der proostdij en der kerk te onderhandelen. De brief eindigde met deze woorden:

"Weigert niet dezen ridder te hooren. Hij is altijd een goed en trouw vriend geweest. Laat hem tot u opklimmen; hij heeft u eene gewichtige zaak te openbaren en wenscht u te redden. Zijn leven stelt hij ten pande voor zijne oprechtheid."

Wat zouden zij nu doen? Was dit schrift niet weder bedrog en valschheid? Een vijand binnen de proostdij laten? Misschien eenen bespieder, die hunne middelen tot verdediging kwam afmeten of den weg zoeken om hen te overrompelen?

Maar het kon insgelijks een oprechte vriend zijn, die hun gewichtige tijdingen bracht, misschien vanwege mher Willem Van Loo? Men kon hem boven den muur doen blijven; daar toch zou hij niets zien dan de ontzaglijke toebereidsels, die men voor het afslaan van eenen stormloop had gemaakt. Zooals nu de meeste Kerels boven den wal gereedstonden om alle pogingen tot verrassing of verraad oogenblikkelijk te verijdelen, mocht de komst van eenen enkelen ridder hun geene vrees inboezemen.

Zij hadden dus besloten den wensch, hun door den brief uitgedrukt in te willigen, en zagen nu naar de woning van den veldheer uit, of de aangekondigde ridder zich niet vertoonde.

Na eene lange wijl nog, naderde inderdaad een wapenbode; maar deze was door vele ridders gevolgd, en de Kerels konden dienvolgens niet herkennen wie hunner hun het bericht had toegezonden.

Toen de bode door bazuingeschal den wapenstilstand had gevraagd, en men tot antwoord op den wal der proostdij de vredevlag had opgestoken, traden de gezondenen op het binnenplein van den burg; een hunner naderde meer tot den voet van den muur en riep den Kerels toe:

"Vanwege den gezant des konings, mher Baudewijn Van Aelst, kom ik tot u om u nieuwe voorwaarden tot overgaaf der proostdij en der kerk aan te bieden. Van hier is het mij moeilijk met u te spreken. Onze onderhandeling kan lang en moeielijk zijn. Ware ik met u daarboven, wij zouden beter over de hangende zaak kunnen beraadslagen. Ik vertrouw mij op uwe eerlijkheid en zou tot u willen opklimmen. Stemt gij toe?"

"Het is Walter Van Lillers!" zeide de proost tot zijnen broeder Hacket. "Hij was inderdaad vroeger een verkleefde vriend."

"Ja, wij stemmen toe", werd den ridder geantwoord, "maar voor u, voor u alleen!"

Walter Van Lillers deed eene lange ladder aanbrengen; en eenige oogenblikken daarna bereikte hij de kruin van den muur en stapte tusschen de oversten der Kerels op den wal.

Daar zij hem omringden en hem vroegen wat hij hun te zeggen had, betuigde hij den wensch om beneden in de proostdij te worden geleid; maar men deed hem verstaan dat men zijne boodschap hier wilde hooren.

Walter Van Lillers, min of meer verlegen en zonderling glimlachende als wilde hij beduiden dat hij aan zijne eigene woorden niet geloofde, zeide hun:

"Ziehier de zaak, heeren: heeft 's konings bode geweigerd u in vrijheid te laten gaan na de overlevering van 's graven schat, dan is het niet door berekende trouweloosheid, zooals gij waarschijnlijk meent. Neen, het is omdat gij zelven, volgens zijne meening, hebt gepoogd hem te bedriegen. Er ontbraken toch kostbare voorwerpen aan dien schat, onder anderen een drinkkelk van zeven marken gouds en een gedreven vat van eenentwintig marken zilvers. Wilt gij deze beide voorwerpen mij ter hand stellen, dan zal mher Baudewijn Van Aelst, zooals hij mij gelast heeft u te beloven, de voorwaarden der overgaaf aanvaarden en vervullen."

De omstanders lieten een hevig gemor hooren en betuigden luid dat zij geen het minste vertrouwen meer in de beloften der Isegrims hadden en in deze boodschap niets zagen dan eene nieuwe poging tot verraad.

In stede van zich daarover verwonderd of spijtig te toonen, haalde Walter Van Lillers twijfelend de schouders op, als wilde hij zeggen:

"Dit raakt mij niet; gelooft er van wat gij wilt."

"De voorwerpen door u aangeduid als ontbrekende, mher Walter", antwoordde de proost, "heb ik, omdat ze tot den dienst van 's graven kapelle werden gebezigd en dus de kerk zijn toegewijd, aan den pastoor-deken Helias gegeven, en hij heeft ze waarschijnlijk in St-Christoffelskapelle geborgen. Wil s' konings bode ze bezitten, hij vrage ze den deken."

Maar Walter Van Lillers scheen weinig acht op deze uitlegging te slaan, en poogde door velerlei gebaren en oogwenken den proost te doen verstaan dat hij iets geheims aan hem alleen te veropenbaren had.

Eindelijk herhaalde hij zijne vraag om beneden in de proostdij te worden geleid; men mocht hem eenen doek voor de oogen binden en hem dus beletten iets te zien. Eenige woorden slechts wenschte hij met den proost te verwisselen. Dan zou hij onmiddellijk naar mher Baudewijn Van Aelst terugkeeren, en hem boodschappen wat men hem aangaande den gouden kelk en het zilveren vat had gezegd.

Op aandringen van Bertulf stemden de anderen toe. Mher Walter werd met eenen doek geblind en naar beneden geleid. Hier vatte de proost hem bij de hand, bracht hem in eene kamer, nam den doek van voor zijne oogen weg en vroeg:

"Nu, mher Walter Van Lillers, welk geheim hebt gij mij mede te deelen?"

"Luister, heer proost", zeide deze, "ik heb weinig tijds; want mijne gezellen, indien ik lang met u bleef, zouden mij mistrouwen Ik begin met u eenen raad te geven. Welke voorstellen tot overgaaf men u ook doe, verwerp ze hardnekkig: zij kunnen niets zijn dan bedrog. De koning van Frankrijk en al de ridders die in het beleg zijn, hebben gezworen dat de Erembalds tot den laatste toe den schrikkelijksten dood zullen sterven. Had onze veldheer niet met groote krachtdadigheid mher Baudewijn Van Aelst belet de trouweloosheid tot het uiterste te drijven, geen uwer zou heden nog leven. Men hadde u, na de aflevering van 's graven schat, uit den burg laten gaan, u verraderlijk aangevat en u allen denzelfden dag vermoord."

"Gruwelijk, gruwelijk!" zuchtte Bertulf. "Ik dank u voor uwen raad, mher Walter. Zal men dan in deze verdorvene wereld zelfs aan het woord der koningen niet meer mogen gelooven?"

"Ik ben van meening dat de koning van Frankrijk van dit verraad niet weet."

"Was de goede raad, dien gij mij gegeven hebt, de eenige veropenbaring welke gij mij wildet doen?"

"Neen, heer proost; nu ga ik u het ware doel mijner komst mededeelen. Toen mher Baudewijn van de achterhouding der twee kostbare vaten sprak en het verlies dezer voorwerpen betreurde, maakte ik mij sterk ze u door een nieuw bedrog te ontrukken; en het is zoo dat ik belast werd als bode tot u te komen. Mijn doel was u te redden, heer proost. Gij weet dat ik altijd u veel vriendschap en eerbied heb toegedragen; van den eersten dag des belegs ben ik er op bedacht geweest, ten minste u van den wreeden dood te verlossen, en nu ben ik alleenlijk hier om u te vragen of gij door mij behouden uit den burg en uit de stad wilt geleid worden."

"Zoo in vollen dag, dwars door de Isegrims?" schertste de proost met eenen twijfellach.

"Neen, in den nacht."

"Onmogelijk; tienmaal wierd ik ontdekt en aangevat."

"Daarin bedriegt gij u: ik ben niet alleen om u te redden. De zaak is goed ontworpen. Wij komen te elf uren juist, onder voorwendsel van rondom den burg te waken, met eene kleine bende Gentenaars nevens den achtermuur van het klooster voorbij en zwaaien tot sein eene ontstoken lantaarn over en weder. Op dit oogenblik laat gij u, bij middel van eene koord, van den muur dalen. Wij, zonder gerucht te maken, vatten u aan en leiden u naar de gevangenis ... dit is te zeggen buiten de Smedepoort, die dezen nacht zal bewaakt worden door een mijner vrienden. Ik vergezel u totdat gij geheel buiten de legerwachten zijt en niets meer hebt te vreezen. Dan gaat gij een gedeelte van den nacht. Des anderen daags bevindt gij u te midden der Kerels, buiten het bereik uwer vijanden. Wat zegt gij van dit ontwerp?"

"Het is waarlijk niet slecht beraamd", antwoordde Bertulf, na eene korte overweging. "Ik ben u uiterharte dankbaar voor dit bewijs uwer vriendschap; doch ik kan uw voorstel niet aanvaarden Hier zal ik blijven met mijne magen en gezellen."

"Maar er is geene hoop voor u. De koning van Frankrijk nadert met een ontzaglijk leger. Men zal u martelen, u doen sterven in de akeligste pijnen!"

"Eilaas!" zuchtte Bertulf, "gij zegt misschien de waarheid, mher Walter; maar zulke vlucht ware een verraad jegens mijnen broeder en jegens mijne neven. Liever nog deel ik hun lot en sterf met hen."

"Gij zijt verbitterd en verblind door de wanhoop", wedervoer Walter Van Lillers met ongeduld, "Waartoe kunt gij den uwen hier nuttig zijn, gij, die waarschijnlijk nooit de wapens hebt behandeld? Het verwonderd ons, ridders, dat; Willem Van Loo, die toch aan het hoofd van een leger staat en het veld houdt, u nog niet ter hulp is gekomen. Verwondert u dit niet?"

"Inderdaad."

"Weet gij de redenen van zijn wegblijven, heer proost?"

"Neen."

"Wij evenmin; ja, wij hebben dagelijks zijne nadering verwacht en onze voorzorgen tegen hem genomen. Indien hij u ter hulp snelde, voordat de koning te Brugge komt, dan zou er voor u misschien nog hoop op ontzet blijven."

"Hoe verstaat gij het, mher Walter?"

"Het is eenvoudig: Willem Van Loo weet waarschijnlijk niet dat gij reeds een gedeelte van den burg hebt verloren. Hij meent u sterk genoeg om in veiligheid op hem te wachten. Waart gij vrij, gij kondet tot hem gaan, hem den waren toestand onder de oogen leggen en hem overhalen om onmiddellijk met al zijne macht naar Brugge te komen."

"Het is waar, gij hebt gelijk", bevestigde de proost. "Ik zou over dit gewichtig voorstel mijnen broeder en mijne neven moeten raadplegen. Gunt gij mij den raad daartoe?"

"Ja, maar er is eene omstandigheid welke ik u niet eerder kon te kennen geven", antwoordde sher Walter. "Ik, die vroeger u een vriend was, handel belangeloos in deze zaak. Gij begrijpt evenwel, heer proost, dat ik, om eene bende Gentenaars en hunne oversten tot verraad over te halen,--want wat gij gaan doen is verraad,--om dus eenige ridders en vele wapenknechten om te koopen, hun groote sommen gelds heb moeten beloven."

"Groote sommen gelds?" herhaalde de proost met eenig mistrouwen.

"Ja, niet minder dan vierhonderd marken zilvers;--en, wil een tweede persoon u vergezellen, dan nog honderd marken meer."

De oude Bertulf schrikte terug bij de gedachte van zulke aanzienlijke hoeveelheid gelds voor zijne vrijheid te moeten betalen; maar mher Walter deed hem begrijpen dat, in den neteligen toestand waarin de Kerels zich bevonden, het geld niet veel prijs meer in hunne oogen kon hebben. Wat was nu een klein gedeelte hunner ontzaglijke rijkdommen, wanneer men, door het op te offeren, misschien de schier hopelooze zaak van Kerlingaland nog kon redden?"

De proost kwam eindelijk met hem overeen, dat hij het voorstel zijnen broeder en zijnen neven zou mededeelen, en, stemden zij toe, dan zouden de Kerels langs den kant der Markt eene banier uit St-Donaastoren steken. Dit zou voor Walter van Lillers een teeken zijn dat men zijne voorwaarden had aanvaard en de proost zich in den nacht boven den muur gereed zou houden om tot hem af te dalen.

Mher Walter zou 's konings gezant zeggen, in wiens handen de twee kostbare vaten zich bevonden, en, daarover zeer tevreden, zou deze geen hoegenaamd vermoeden van verstandhouding met de Kerels tegen hem opvatten.

Bertulf bond Walter opnieuw den blinddoek voor de oogen en leidde hem tot boven den muur. Zonder groetenis daalde mher Walter naar beneden. De ladder werd weggenomen en de vredevlag ingetrokken.

Dan wenkte Bertulf zijnen broeder en eenige oversten en verzocht hun met hem binnen de proostdij te gaan, om daar te vernemen wat de bode hem had geopenbaard.

Toen hij hun het ontwerp had medegedeeld, vroeg hij hun gevoelen er over.

Allen, behalve Burchard Knap, toonden zich zeer verheugd en juichten mher Walters voorstel toe. Zij eerbiedigden en beminden den ouden Bertulf zeer. Het was toch hier zijne plaats niet. Van welk nut kon het hun zijn dat de proost met hen in gevaar des levens bleef verkeeren? Neen, neen, hij moest gered worden, welke groote hoeveelheid gelds men ook voor zijne verlossing eischte.

Daarenboven, hij zou tot Willem Van Loo gaan en hem overtuigen dat hij onmiddellijk met het Kerlenleger naar Brugge moest komen afgezakt. Zoo was er dan voor hen allen nog hoop op ontzet, en voor Kerlingaland nog hoop op zegepraal.

Door deze overwegingen verblijd, juichten zij het ontwerp toe. Burchard alleen morde en gromde, dat men elkander had toegezworen tot het einde te zamen te blijven. Zulke nachtelijke vlucht was een bewijs van vrees, dat de Kerels zou ontmoedigen. In alle geval, door het voorstel te aanvaarden, beging men eene domheid; want zeker, Walter Van Lillers was een Isegrim, en dus een bedrieger; zijn eenig doel kon slechts zijn den proost in de handen des veldheers te leveren.

De anderen bestreden zijn gevoelen, en betuigden een volledig vertrouwen in Walters oprechtheid. Zij wilden deze gunstige gelegenheid om Willem Van Loo eenen invloedrijken bode te sturen, niet laten ontsnappen.

Dewijl de proost meende de geheime rede van Burchards tegenstand te doorgronden, zeide hij:

"Nog iets heb ik vergeten u mede te deelen. Mher Walter stemt er in toe met mij eenen tweeden persoon buiten de stad te brengen, tegen eene belooning van honderd marken zilvers. Ik doe mijnen neef Burchard het voorstel, mij dezen nacht te volgen; ik zal de gevraagde marken zilvers voor hem betalen."

"Ja, ja, dit is goed!" riepen de anderen, verheugd bij de gedachte dat zij zouden verlost worden van den somberen en woesten Burchard, van den moordenaar des graven, wiens tegenwoordigheid in hun midden hen bedroefde en kwetste.

Maar Burchard verwierp dit voorstel met misprijzen; en dewijl men hevig bij hem aandrong, en hem ter dier gelegenheid de onaangename woorden niet spaarde, liep hij scheldend en bulderend de kamer uit.

Sedert een oogenblik was Robrecht Sneloghe in eene diepe overweging weggezonken. Nu zeide hij met eenen blijden lach op de lippen:

"Ach, mijne ooms, ach, mijne vrienden, bewijst mij eene gunst! Laat jonkver Dakerlia Wulf dezen nacht met den heer proost den burg verlaten!"

Deze onverwachte vraag verraste iedereen.

"De honderd marken zilvers zal ik betalen, driemaal zooveel, indien het noodig is!" voegde Robrecht er bij.

"Eene vrouw, is dit wel mogelijk?" mompelde Hacket. "Hare witte kleederen? Men zal ze zelfs in de duisternis herkennen ..."

"Neen, neen, in eenen zwarten mantel gewikkeld, in donkere stoffen gekleed ... O, weigert niet! Een arm meisje zoo binnen eene belegerde sterkte besloten, alle oogenblikken bedreigd niet alleen met den dood, maar nog met de gruwelijkste mishandeling der zegevierende wapenknechten! Neen, dit kan, dit mag niet langer blijven duren. Ik smeek u, vermits de barmhartige God haar die eenige kans aanbiedt, geeft uwe toestemming; ik zal er u eeuwig dankbaar om zijn."

Zijne ooms en de andere oversten betuigden dat, indien hij zijn ontwerp goed en uitvoerbaar oordeelde, zij gereedelijk hunne volle toestemming gaven en niets meer wenschten dan jonkver Dakerlia den burg te zien verlaten, in de hoop dat de arme maagd behouden het nog vrije Kerlingaland zou bereiken.

Mher Sneloghe verzocht zijne ooms met hem naar Dakerlia te gaan, om haar deze goede tijding mede te deelen en desnoods haar te overtuigen dat zij deze poging om haar te redden moest aanvaarden.

Zij vonden Dakerlia geknield en biddend tusschen de Kerlinnen die weenden rondom het lijk van Eggard Van IJsendijke. Deze jonge ridder was den dag te voren aan zijne wonde bezweken, en zou den anderen morgen op het kerkhof van St-Donaas ter aarde worden besteld.

Robrechts gelaat was bij zijne intrede door zulke heldere blijdschap verlicht, dat Dakerlia eenen kreet van verrassing slaakte en met glinsterenden blik opsprong, als om eene gelukkige tijding te ontvangen; maar de proost deed haar een teeken, dat zij hen in de naastgelegene kamer zou volgen.

Hier zeide Robrecht haar met eene stem die door eene koortsige vreugde was ontsteld:

"Dakerlia, gij gaat vrij zijn, vrij en buiten alle gevaar! Dezen nacht zal mijn oom de proost door eenige goede, trouwe vrienden uit den burg en uit de stad geleid worden en naar Yperen gaan. Gij moogt hem vergezellen!"

[Illustratie: ...tot aan den voet van den muur. (Bladz. 423.)]

De jonkvrouw keek hem verwonderd aan, als verstond zij hem niet.

"Vrees niet, Dakerlia", ging hij voort, "gij zult in gezelschap van mijnen oom het vrije Kerlingaland bereiken. Gij begeeft u naar Veurne, naar Lampernisse, en blijft daar in veiligheid te midden uwer magen wonen, totdat betere tijdsomstandigheden mij toelaten u te gaan vervoegen ... Ach, u verlost weten, het verheugt mij ontzeglijk! Wees gij ook blijde, Dakerlia!"

"Ik zou u verlaten?" mompelde de jonkvrouw met eenen lichten spotlach op de lippen. "Verre van u gaan, u niet meer zien, duizend dooden sterven in de onzekerheid van uw lot? O, Robrecht, gij kent Dakerlia nog niet!"

"Hemel, weigert gij dan dit eenig middel om aan eenen bijna zekeren dood te ontsnappen?"

"Ja, ja; ik weiger", antwoordde de maagd met vast besluit. "Waar gij zijt, wil ik zijn: de dood zelf zal ons niet scheiden. Indien God over uw leven had beschikt, dan wierd uw graf het mijne. Alleen ben ik nu op de wereld met u; gij zijt mij alles en, wat er ook geschiede, Dakerlia verlaat u niet!"

Een angstkreet ontsnapte Robrechts borst. Hij had wel eenigszins den tegenstand zijner moedige verloofde voorzien; doch had tevens gehoopt dien te kunnen overwinnen. Hare koele beradenheid ontnam hem deze hoop schier geheel.

Zijn oom de proost kwam hem nu ter hulp en poogde door velerlei redenen jonkver Wulf te doen begrijpen dat zij ongelijk had dit eenig middel tot verlossing, dat God in Zijne goedheid haar aanbood, zoo vermetel te weigeren. Zij kon het zich niet ontveinzen dat de Kerels, in den burg, elk oogenblik met eene beslissende overrompeling waren bedreigd. Nu de koning van Frankrijk met zijn leger te Brugge ging komen, zouden zij misschien bezwijken. Dan stond hun allen niets te wachten dan een ijselijke dood. Wat nut kon zij, door de opoffering van haar leven, het vaderland toebrengen? Indien zij weigerde met hem den burg te verlaten, zou zij zich voor God niet schuldig maken aan eenen roekeloozen zelfmoord? Daarenboven, was zulke belegerde vesting wel de plaats waar het eene jonkvrouw betaamde te blijven? Moest haar gevoel van eerbaarheid haar niet zeggen dat bij de inneming van den burg door de Fransche wapenknechten, een veel ijselijker gevaar dan de dood haar kon bedreigen?

De kastelein Hacket voegde zijne pogingen bij die zijns broeders; doch welke moeite ze beiden ook inspanden of wat ze deden gelden, jonkver Wulf wilde naar niets luisteren en betuigde dat zij tot het einde toe het lot van Robrecht zou deelen.

Mher Sneloghe greep haar de handen en zeide op smartelijken toon:

"Dakerlia, ik bid u, wees beter beraden! Uit liefde, uit verkleefdheid voor mij wilt gij u opofferen; maar, dierbare, gij bedriegt u in uwen edelmoed. Uwe tegenwoordigheid in dezen burg is mij geen troost; integendeel, zij maakt mij diep ongelukkig."

"Ongelukkig?" herhaalde de jonkvrouw.

