Part 33
De gedane beloften van den eenen kant en de schrikkelijke bedreigingen van den anderen hadden voor gevolg, dat de hoofdmannen stilzwijgende zich van de stelling verwijderden, om hunnen gezellen de verrassende tijding der benoeming van eenen nieuwen graaf te gaan mededeelen.
De ridders bleven op de stelling staan en keken in het ronde. Zij wilden, vooraleer deze plaats te verlaten, naspeuren welke de houding der poorters en ambachtslieden zou zijn bij het vernemen van 's konings boodschap.
In den eersten bemerkten zij wel eenig gewoel en hoorden zij hier en daar afkeurend gemompel; maar het duurde evenwel niet lang, of zij zagen de poorters en ambachtslieden in scharen over het plein trekken en bij gedeelten juichend de poort ingaan.
Dan daalden de ridders insgelijks van de stelling, om zich naar de stad te begeven.
De veldheer, die alleen met Baudewijn Van Aelst de anderen vooruitstapte, zeide, na eene wijl in stille overweging te zijn verslonden gebleven, tot zijnen gezel:
"Onder ons durf ik het u wel bekennen, mher Baudewijn, 's konings boodschap bedroeft mij diep."
"Betreurt gij den keus die wij hebben gedaan?" morde Baudewijn
"Neen; mher Willem van Normandië is een jong vorst, die de eer van het ridderschap zal staande houden. Daarom verwondert het mij des te meer, dat hij nu den poorters der steden eene volledige vrijheid vergunt. Weet hij dan niet, dat onze goede graaf Karel is vermoord geworden, alleenlijk omdat hij de ridderschap wilde verheffen en de onedele menigte in dienstbaarheid houden? Ha, kon Karel van Denemarken uit zijn graf opstaan, hoe zou hij klagen over de zonderlinge wijze waarop de koning zijne gedachtenis meent te wreken!"
"Zulke overweging is insgelijks in mij opgestaan", zeide mher Baudewijn, "en ik heb mij zelfs verstout bij den koning eenige opmerkingen in dien zin te wagen. Hij heeft mij doen begrijpen dat men iets moet opofferen om de poorters der steden van Vlaanderen gunstig te stemmen. Wat het verlies betreft van den balfaart dien de ridders op vele poorters van Brugge beweren te mogen heffen, dit zal na onderzoek tiendubbel vergoed worden, bij middel der uitdeeling van de verbeurde rijkdommen en grondbezittingen der Erembalds en hunner aanhangers. Daarenboven, mher Gervaas, wat is gemakkelijker, indien de poorters een slecht gebruik van de hun verleende rechten maken, dan hun die rechten weder te ontnemen?"
De veldheer stapte mijmerend voort.
"Maar zeg eens, mher Gervaas", vroeg Baudewijn Van Aelst, "mij heeft de koning nog eenen anderen last opgelegd. Ik ging het haast vergeten. Karel van Denemarken was rijk. Waar is zijn schat gebleven?"
"De Kerels hebben 's graven rekenmeester gedwongen hun dien schat ter hand te stellen."
"En zij bezitten hem nog?"
"Zeker: vele duizenden marken zilvers en kostbare juweelen."
"De koning eischt dat die schat hem overgeleverd worde."
"Met den besten wil der wereld is het ons vooralsnu onmogelijk den koning hierin te gehoorzamen. Hij zal moeten wachten totdat wij de Kerels, die nog op den burg zijn, geheel hebben overwonnen."
"Wel hoe? Men heeft mij daar, op het plein, gezegd, dat gij den burg na eene hevige bestorming hebt ingenomen!"
"Inderdaad, mher Baudewijn, maar wij krijgen hem niet geheel. De Kerels bezetten op den burg nog de proostdij, het klooster en de kerk van St-Donaas."
"Dit verwondert mij!" mompelde mher Baudewijn. "Indien gij zegevierend binnen den burg kondet dringen, waarom hebt gij uwe overwinning dan niet voortgedreven? Wat kon u daarin beletten?"
"Gij hebt gelijk", antwoordde de veldheer, "eene beklaaglijke omstandigheid heeft ons te midden der overwinning teruggehouden Men had den Gentenaars en onze wapenknechten beloofd hun den burg ter plundering over te geven. Zoohaast waren wij er niet binnen, of al onze mannen, in stede van de Kerels te vervolgen en tot het einde toe te bestrijden, zijn in verwarring en door de gierigheid verblind, naar de veroverde gebouwen geloopen en hebben beginnen te plunderen. Het was ons, ridderen, niet meer mogelijk iets gedaan te krijgen van mannen, die tot bezwijkens toe beladen waren met buitgemaakte voorwerpen. Onderwijl hebben de Kerels zich binnen de geestelijke gestichten van den burg opnieuw versterkt. Deze gestichten zijn omringd met wallen, gaanderijen en torens, als eene afzonderlijke vesting."
"Maar indien gij nu opnieuw eenen algemeenen storm geboodt?"
"Onmogelijk, mher Baudewijn. Wij hebben schrikkelijke verliezen geleden. Mijne mannen moeten rusten; de stormtuigen en ladders kunnen zonder herstelling niet meer dienen."
"De koning heeft mij nochtans gelast u te zeggen dat gij zonder verwijl alle mogelijke pogingen hoeft te beproeven om den schat des graven uit de handen der moordenaars te krijgen. Hij weet, door mher Frumold zelven, dat zij hem bezitten, en vreest dat zij hem bedektelijk naar den zeekant zullen zenden of, vooraleer te bezwijken, hem op eene andere wijze zullen doen verdwijnen. De koning belooft u door mij niet alleen het kasteleinschap van Brugge, maar nog uitgestrekte leenen, indien hij door uw toedoen 's graven schat bekomt."
"Het onmogelijke kan ik evenwel niet!" zuchtte de veldheer.
Na eenige oogenblikken de zaak bedacht te hebben, zeide mher Baudewijn:
"Die hardnekkige Blauwvoeten, wat hopen zij? Hebben zij nog niet de minste neiging getoond om zich over te geven?"
"Zich overgeven? De Kerels? Het zijn ontembare leeuwen Zij zullen zich tot den laatste toe op hunne wallen laten doodslaan. Van hen is er niets te verhopen dan door geweld!"
"En indien gij hun de vrijheid aanboodt, op voorwaarde dat zij u des graven schat geheel en volledig ter hand stellen?"
"Dit is onmogelijk; al wilde ik het doen, ik zou niet kunnen", antwoordde mher Van Praet. "Oordeel zelf: wij, ridders, die allereerst te wapen geloopen zijn om den dood van onzen graaf te wreken, hebben elkander met duren eede toegezworen niet te dulden dat één der moordenaars of hunner vrienden, in één woord, dat één der Erembalds gespaard worde of hem genade des levens worde verleend. Allen moeten sterven!"
"Maar, veldheer, de koning wenscht zoo vurig des graven schat te bezitten, dat hij u zeker zou goedkeuren en mild beloonen, indien gij, om den schat hem te kunnen leveren, deze weinige Kerels in vrijheid liet gaan."
"Onmogelijk, ik herhaal het u, mher Baudewijn; mijne ridders zouden tegen mij opstaan, en ik geloof zelfs niet dat de koning in persoon, hoezeer wij hem ook eerbiedigen, machtig genoeg zou zijn om hen daarin te doen toestemmen."
Zij waren nu tot op de Groote Markt gekomen en naderden het huis, dat de veldheer sedert de overrompeling der stad tot zijn verblijf had gekozen.
"Ziedaar mijne woning", zeide mher Van Praet. "Gelief mij te volgen, mher Baudewijn. Het middaguur is reeds voorbij. Gij moet vermoeid en hongerig zijn. Wees mijn gast."
Baudewijn hield hem staan en zeide in gedachten, als hadde hij geene acht op deze uitnoodiging geslagen:
"Er moet evenwel een middel zijn om 's graven schat uit hunne handen te krijgen! Om den wensch des konings te volbrengen zou men hemel en aarde willen verroeren."
"Welk middel? Ik weet er geen."
"Wij zullen er nog eens goed over nadenken, veldheer. Men heeft mij een uwer ridders, die hier achter ons komt, aangewezen als een doortrapt en spitsvondig man ..."
"Mher Disdir Vos?"
"Ja, geloof ik. Die weet misschien raad ... Kom, ik aanvaard uwe minzame uitnoodiging; want waarlijk, ik gevoel eenen koortsigen eetlust na de reis."
Door eenige andere ridders gevolgd, traden zij in de woning des veldheers ...
Een paar uren later verliet Disdir Vos dit huis. Hij keerde welhaast terug met eenen wapenbode en twee bazuinblazers.
Baudewijn Van Aelst, vergezeld door vijf of zes ridders, kwam hem vervoegen; en na de veldheer hun geluk had gewenscht in hunne onderneming, gingen zij te midden der Markt en deden de bazuinen aanheffen en eenen witten wimpel in de hoogte steken.
De Kerels liepen te zamen boven den vestingmuur en toonden kort daarop eene vredevlag, om te betuigen dat zij in de opschorsing der vijandelijkheden toestemden en den bode zouden aanhooren.
Baudewijn Van Aelst, Disdir Vos en hunne gezellen begaven zich naar den kant der Hofstraat en traden welhaast op het plein van den burg.
Hier hadden de Gentenaars, om den vijand van nabij te kunnen bewaken,--zonder gevaar te loopen van door zijne pijlen te worden getroffen--eenen langen dam opgeworpen, schier van manshoogte en als met een dak tegen alle werptuigen beschut. Dus konden zij op het plein over en weder gaan, zoo dicht bij den muur der proostdij, dat zij, door de stem te verheffen, met de Kerels uitdagingen en scheldwoorden konden wisselen.
De ridders gingen op raad van Disdir Vos eerst achter den dam. De verrader zeide hun dat de Kerels valsche lieden waren en men niet roekeloos zich aan hunne wraak mocht blootstellen.
Zijne woorden deden de ridders glimlachen. De vervaardheid van Disdir Vos scheen hun natuurlijk, en zij erkenden in hun gemoed dat, indien de Kerels, zelfs verraderlijkerwijze, hem eenen pijl door den boezem dreven of hem het hoofd met eenen steen verpletterden, hij slechts zou hebben wat hij ten minste jegens hen verdiende.
Baudewijn Van Aelst gaf den wapenbode bevel om, buiten den dam, tot aan den voet van den muur der proostdij te naderen en daar de bazuin te blazen. Hij volgde hem zonder vrees met twee andere ridders.
Na eene wijl verschenen de oversten der Kerels boven den muur: Bertulf de proost, zijn broeder de kastelein, zijn neef Burchard Knap, Yorg Koevoet en eenige anderen. Robrecht Sneloghe was niet met hen, alhoewel men hem de komst van den wapenbode had gemeld.
De jonge ridder was sedert het verlies zijner zuster, wier lot hij niet kende, zeer treurig en in schijn aan alles onverschillig geworden. Wel hield hij zich gereed om, bij het eerste sein, naar de wallen te vliegen en zijn leven te wagen; maar zoohaast zijne tegenwoordigheid niet op de muren werd vereischt, ging hij naar de kamer waar Dakerlia den gekwetsten Eggard verzorgde, en bleef daar uren lang over zijne zuster spreken of bad met zijne verloofde voor de ziel van het arme meisje, wanneer de gedachte, dat zij waarlijk dood was, zijn lijdend hart kwam bestormen.
Toen de kastelein Hacket den ridders vroeg wat de reden hunner komst was, riep Baudewijn Van Aelst hem toe:
"Ik spreek tot u als afgezant des konings van Frankrijk, die met een leger van twintigduizend man op weg is om naar Brugge te komen. Mij heeft hij belast van u de teruggaaf van 's graven schat te vragen, en mij gemachtigd u daartoe al zulke voorwaarden aan te bieden als ik zal goedvinden. Ontsluit eene der poorten en laat mij binnen, opdat ik met u over mijne zending onderhandele."
De Kerels antwoordden hem van boven dat zij wel wilden aanhooren wat hij hun te zeggen had, doch het hun volstrekt onmogelijk was eene poort te openen, aangezien alle uitgangen zoodanig van binnen waren gebalkt en met steenen bedamd, dat een gansche dag arbeid ontoereikend zou zijn om zelfs den minsten toegang vrij te maken. Had 's konings bode hun iets bijzonders te melden, zij konden niet anders dan van boven den muur hem aanhooren.
"Het zij zoo!" riep mher Baudewijn. "Hebt gij des graven schat met u?"
"Ja, wij hebben hem hier met ons", werd hem geantwoord.
"Geheel?"
"Ongeschonden en geheel, zooals Frumold, des graven rekenmeester hem volgens eene door hem geteekende lijst ons heeft ter hand gesteld."
"Welnu", zeide mher Baudewijn, "luistert wat ik u voorstel als gemachtigd door den koning van Frankrijk en door den nieuwen graaf, dien hij heeft verheven. Indien gij mij des graven schat overlevert, zonder er iets van achter te houden, zult gij allen in vrijheid dezen burg en de stad mogen verlaten, met de eenige verplichting u na den oorlog voor het wettelijk gerecht aan te bieden, wanneer gij daartoe wordt gedagvaard."
Dit voorstel verraste en verwonderde de Kerels zoodanig, dat zij elkander een oogenblik zwijgend aanzagen. Zoohaast zij echter een klaar denkbeeld van de zaak zich hadden gevormd, borsten eenigen in eenen schaterlach uit, en de anderen morden eene grammoedige weigering; maar de proost Bertulf gebood zijnen gezellen de stilte, en vroeg aan 's konings bode:
"Sluit gij niemand uit? Zijn wij allen in uw voorstel begrepen?"
"Allen."
"En mher Burchard Knap?"
"Hij insgelijks. Wil hij het land van Vlaanderen ten eeuwigen dage ontruimen, het staat hem vrij. Anders zal hij voor zijne daden na den oorlog verantwoorden."
"Wij zullen uw voorstel onderzoeken en er over raadplegen; gun ons den tijd daartoe!" riep Bertulf.
"Ik zal wachten. Overweegt dat binnen eenige dagen het Fransche leger te Brugge komt en er voor u geen ander uitzicht overblijft dan eene onmiddelijke nederlaag en de schrikkelijkste dood!"
Mher Baudewijn verwijderde zich met zijne gezellen achter den dam.
De Kerels, boven den muur, begonnen het voorstel van 's konings bode te overwegen. Velen spotteden er mede als met iets belachelijks, anderen wilden de zaak in ernst onderzocht hebben, ofschoon zij geneigd waren om te denken dat er bedrog onder dit verrassend aanbod schuilde.
Bertulf was van een geheel ander gevoelen. Bedrog vermoedde hij in het geheel niet; want het was volgens zijne meening onmogelijk dat de Fransche koning, in aanzien der gansche wereld, zijn gegeven woord zou breken. Zou deze machtige vorst, met tot zulke vuige listen zijne toevlucht te nemen, zijnen naam van eerlijk en trouw ridder willen schenden? Zeker, indien men eenige kans zag, om het gedeelte van den burg, dat zij nog bezaten, tot de komst van Willem Van Loo te behouden, dan zou hij, Bertulf, zelf het volstrekt verwerpen van alle voorstellen aanraden; maar die kans zag hij niet. Hij had reeds bericht ontvangen over hetgeen er dien morgen op het Zand was geschied, en hij wist voor waar dat er inderdaad een Fransch leger van twintigduizend man op gang was om naar Brugge te komen. Door zulke macht aangevallen zouden de Kerels in den burg wel zeker bezwijken en tot den laatste toe worden vermoord. Wat nut kon hunne dood op zulke wijze Kerlingaland toebrengen? Geen het minste. Bijaldien zij integendeel den burg nu verlieten, konden zij zich in het leger van mher Willem Van Loo begeven; en wie, zooals hij en zijn broeder en neven, uitgestrekte landgoederen bezat, kon de Ambachten doorloopen en overal de lieden tot den algemeenen landstorm opwekken.
In den eerste werden zijne redenen door gemor en tegenspraak onthaald; de gedachte, dus de proostdij en het klooster den vijand te leveren, kwetste den hoogmoed der Kerels.
Burchard bovenal gromde en tierde; maar de proost schetste hem met schrikkelijke kleuren den marteldood af, die hem wachtte, indien zij, zooals het zeker was, onder den aanval van het Fransche leger bezweken. Hij deed hem insgelijks begrijpen dat hij aan de zijde van mher Willem Van Loo, in het open veld, zijn land en de vrijheid meer ware diensten kon bewijzen dan besloten achter muren, die bestemd waren om onder de aanvechting des vijands te vallen.
Eindelijk stemde Burchard Knap in alles toe, en zoo deden insgelijks de meesten zijner gezellen.
Op dit oogenblik naderde Robrecht Sneloghe, dien de proost had doen roepen.
Men deelde hem mede wat hier was verhandeld. Hij verwierp het voorstel met verontwaardiging, en betuigde dat hij liever op de muren van den burg sneuvelde dan door eene daad van zwakmoedigheid ja van lafheid den naam der Erembalds te onteeren. Indien mher Willem Van Loo nu met het Kerlenleger voor Brugge kwam, en vernam dat zij den vijand den burg hadden geleverd, wat zou hij van hen zeggen?
Bertulf en Hacket vereenigden hunne pogingen om Robrecht in hun gevoelen te doen deelen. Zij herhaalden de redenen welke zij reeds hadden doen gelden en beriepen zich beurtelings op zijne vriendschap voor hen, op hunne overheid en op het belang van Kerlingaland en van de vrijheid, voor welker heil en behoud men zelfs de menschelijke eer ten offer moest brengen.
Zooverre brachten zij het, dat Robrecht Sneloghe hun antwoordde:
"Ik ben niet machtig genoeg op mijn gemoed om het voorstel goed te keuren en vrijwillig de schande te aanvaarden; maar, ooms, vermits gij meent dat ik ongelijk heb, laat mij mijn gevoelen behouden en handelt volgens uw goeddunken: ik zal mij onderwerpen, ofschoon met schaamte en verdriet."
Dan wendden de proost en de kastelein zich weder tot andere Kerels, die opnieuw zich onwillig toonden en tegenwerpingen maakten.
Robrecht, in gedachten naar beneden kijkende, bemerkte en herkende den verrader Disdir Vos die, eenigszins verstout, bij eenen doorgang van den dam een paar stappen was vooruitgetreden en spotlachend tot hem opzag.
"Ha, daar zijt gij, Disdir Vos, valsche verkooper van uw land!" riep hij hem toe. "Gij zijt het die den raad tot het vermoorden des graven hebt gegeven; en nu, nu gij ons in den nood ziet, nu verblijdt gij u over ons ongeluk! Gave de hemel dat ik u kon bereiken! Ik zou u dwingen tot een gevecht om leven en dood; en, wees zeker, ik zou haar het hoofd verpletten, de vuige slang die ons arm Kerlingaland bezoedelt met haar venijn. God zelf roep ik hier tot getuige, dat gij een verachtelijk booswicht zijt; want eerst hebt gij uw vorst verraden, en nu verraadt gij uw eigen geslacht en uw vaderland!"
Deze bloedige verwijten werden door iedereen gehoord, en vele ridders en wapenknechten zagen Disdir Vos met eenen blik van misprijzen aan. Hij scheen er geene acht op te slaan, en antwoordde door eenige scheldwoorden en bespottingen, waarin hij den naam van Robrechts zuster mengde.
Mher Sneloghe, die den zin zijner onduidelijke bedreigingen niet had verstaan, werd door eenen hevigen angst getroffen, en kreet met de handen opgeheven:
"Mijne zuster, mijne arme, onnoozele zuster, hij heeft ze vermoord! O, God, rechtvaardige God, waarom verbliksemt Gij het monster niet!"
"Neen, neen, gij bedriegt u, mher Robrecht!" riep van beneden een ridder, ongetwijfeld door een gevoel van medelijden gedreven. "Wanhoop zoo niet: uwe zuster zit gevangen in sher Jacobs Steen; haar is niets!"
"Zij leeft, mijne zuster leeft!" galmde Robrecht, terwijl hij, door blijdschap uitzinnig, zijnen vriend Yorg Koevoet juichend aan den hals vloog.
De oude Bertulf had gedeeltelijk deze laatste uitroepingen gehoord. Een heldere glimlach kwam nu eensklaps zijn gelaat verlichten, en, als hadde hij een plotselijk voornemen opgevat, gaf hij eenen Kerel, die nevens hem stond, bevel om den hoorn te blazen.
Toen Bandewijn Van Aelst weder aan den voet van den muur stond, riep de proost:
"De veldheer houdt eene jonkvrouw gevangen, die Witta Sneloghe heet en mijne nicht is. Neemt gij als voorwaarde onzer overgaaf aan dat zij insgelijks in vrijheid zal worden gesteld?"
Mher Baudewijn begon in schijn over deze vraag met zijne ridders te spreken. Men kon zien dat Disdir Vos met grammoedigheid zich tegen het aanvaarden van dezen nieuwen eisch verklaarde maar waarschijnlijk liet hij zich door des konings afgezant overreden; want deze riep tot den proost:
"Ja, wij nemen de verbintenis aan de jonkvrouw, uwe nicht, in vrijheid te stellen en u toe te laten ze met u uit de stad te leiden."
Robrecht drukte zijnen oom met ontroering de handen en dankte hem vurig.
Zich weder tot mher Baudewijn wendende, vroeg de proost:
"Zult gij, voordat wij dezen burg verlaten, ons een vrijgeleide ter hand stellen, door u geteekend in naam des konings van Frankrijk en in naam van al de ridders van Vlaanderen?"
"Levert ons des graven schat zonder achterhouding. Zoohaast wij zullen bevonden hebben dat er niets aan ontbreekt, zal men u zulk vrijgeleide, onderteekend en bezegeld, doen toekomen, en gij zult vrij, met al wat u persoonlijk toebehoort, den burg en de stad mogen verlaten."
De Kerels, op bevel van den proost, brachten eenige koffers, schrijnen en balen boven den muur, en lieten ze bij middel van touwen opvolgend naar beneden zakken.
Wanneer dus een twintigtal zware kisten en pakken aan den voet van den muur lagen, riep de proost Bertulf, dat daarin de geheele schat des graven was besloten. Ten bewijze der waarheid zijner woorden liet hij allerhaast een perkament nederzakken, waarop eene lijst, door 's graven rekenmeester onderteekend, de voorwerpen aanwees welke hij den proost van St-Donaas had ter hand gesteld.
"Het is wel!" riep mher Baudewijn. "Ik zal den schat naar des veldheers woning doen dragen; wij zullen de voorwerpen met de lijst vergelijken en, bevinden wij dat er niets achtergehouden is, dan keer ik tot u terug met het vrijgeleide. Wacht aldus met eenig geduld; wij zullen ons zooveel mogelijk haasten."
Robrecht daalde van den muur en liep naar de kamer, waar Dakerlia bij het bed van den gekwetsten Eggard Van IJsendijke waakte.
"Dakerlia, o Dakerlia!" riep hij, "goed nieuws: mijne zuster leeft!"
"Lieve hemel, wat zegt gij daar! Heb ik het wel verstaan? Onze arme Witta leeft?"
"Ja, ja, en ongedeerd."
"Daarom weze de barmhartige God eeuwig gezegend!" riep Dakerlia, met de handen in de hoogte, "Waar is zij?"
"Zij zit gevangen in sher Jacobs Steen."
"Gevangen, eilaas!"
"Ja, maar zij gaat verlost worden, heden nog!"
"Wie bracht u dit gelukkig nieuws?"
"Dakerlia", zeide Robrecht op treurigen toon, "ik heb nog eene andere tijding, min goed en wel pijnlijk voor mijn Kerlenhart maar het is nu zoo beslist. Dakerlia, wij gaan straks dezen burg in vrijheid verlaten."
"Mher Yorg is hier geweest; ik weet wat men daarboven heeft verricht", antwoordde Dakerlia met eenen zucht. "Het doet mij blozen, Robrecht. Ach, indien morgen onze graaf Willem Van Loo zich voor Brugge met het Kerlenleger aanbood, zou hij degenen niet veroordeelen die den vijand dezen burg hebben overgeleverd, wanneer zij hem nog weken lang konden verdedigen?" "Ja, gij hebt gelijk, vriendinne; maar de proost en de kastelein hebben het zoo gewild. Gij zult naar Lampernisse of naar Houthem vertrekken; ik zal mij in het leger te Yperen begeven." "En die ongelukkige ridder Eggard?" vroeg Dakerlia met medelijden.
"Kan hij vervoerd worden, wij zullen hem medenemen naar Yperen. Is dit onmogelijk, dan zal ik hier in Brugge eenen poorter zoeken die zich verbinde hem goed te verplegen. Nu, Dakerlia, maak intusschen u gereed voor het vertrek; mijne tegenwoordigheid kan boven op den muur noodig zijn: ik keer terug bij mijne ooms."
Toen hij den muur had beklommen langs de zijde der Hofpoort, waar nu zijne ooms stonden, zag hij op de Markt eene groote menigte wapenknechten en ridders staan die, omdat de vredevlag waaide, uit nieuwsgierigheid den burg waren genaderd of met poorters vermengd aan het twisten en aan het kouten waren over des graven schat en over de vrijlating der Kerels.
Wat den proost Bertulf vreemd voorkwam was, dat men, naar den kant van St-Christoffelskapelle, eene lange schaar schutters in geslotene gelederen zag staan, met hunne bogen op de schouders als gingen zij ten strijd trekken.
Eindelijk hoorden de Kerels een bevel herklinken, en de boogschutters, met mher Baudewijn Van Aelst en eenige ridders vooraan, kwamen verder op de Markt tot op eenigen afstand van den muur der proostdij.
Een bazuingeschal kondigde aan dat des konings afgezant tol de Kerels wilde spreken.
Misschien had men den schat des graven niet volledig bevonden en wilde men hen daarover ondervragen.
Baudewijn Van Aelst, de stem verheffende zooveel hij kon, riep tot de Kerels:
"Voor u geene genade, moordenaars! Gij hebt op u de eeuwige vermaledijding der gansche Christenheid geladen; gij zult sterven tot den laatste. Men is booswichten geene trouw verschuldigd. Wij breken dus met recht onze belofte, en zullen u bevechten zonder rust, totdat gij allen de straf der afschuwelijke misdaad hebt onderstaan. Niets, niets voor u, verwatene Blauwvoeten, dan de wreedste, de schandelijkste dood!"
En de daad bij het woord voegende, gaf hij de schaar der boogschutters bevel om hunne pijlen naar de Kerels te schieten.