Part 32
In den eerste hadden de Kerels, rondom de vuren gezeten, hunne schitterende zegepraal geroemd of den dood van velen hunner gezellen door eenige woorden van treurnis beklaagd; maar welhaast deed de warmte hen onder eene onweerstaanbare sluimerigheid bezwijken, en zij legden zich langs de wanden der kamers gansch gekleed te slapen.
Alles werd doodstil op den burg.
Zelfs de schildwachten boven de wallen wankelden in hunnen stap of zwijmelden, met gesloten oogen, achter de kanteelen voort.
Zij waren toch zoo moede van eenen ganschen dag hevig strijden; al hunne gewrichten deden hun zeer, en de afgematheid beroofde hen schier van gevoel en besef. Daarbuiten, op de Markt en in de straten rondom den burg, was het even stil. Men zou gemeend hebben dat in gansch Brugge geen enkel mensch meer waakte. Zeker, de Isegrims, na een zoo schrikkelijk verlies, konden dien nacht niets tegen den burg meer ondernemen. Daarenboven, het was wapenstilstand tot het rijzen der zon.
Door dergelijke overwegingen gansch gerustgesteld, sloten de schildwachten allengs de oogen en vielen in slaap achter de kanteelen, of daalden van den muur om zich bij de vuren te gaan warmen.
Toen het uur van middernacht naderde, was een groot gedeelte van den wal door de schildwachten verlaten.
In de kamer van des kasteleins Steen zat Robrecht in eenen leunstoel; hij had het hoofd achterover tegen den rug van den zetel laten vallen en sliep met hoorbare hijgingen.
Tegen den wand der kamer, op een bed, lag Eggard Van IJsendijke uitgestrekt. De arme ridder had in de bestorming eene ijselijke wonde ontvangen; zijn hoofd was schier geheel bedekt met bebloede doeken, en men zou hem dood gemeend hebben, indien niet de zwoeging zijner borst en bijwijlen de krampachtige beweging zijner lippen hadden komen getuigen dat hij nog leefde.
Dakerlia en Witta zaten nevens hem, met verkropt hart en tranende oogen zijn lijden afspiedende. Robrechts zuster scheen bovenal bedrukt en wanhopig. Zij hield eene hand van den gekwetste, en wanneer hij door de krampachtige trekking zijner leden eenen aanval van hevige smart verried, murmelde zij woorden van troost en medelijden aan zijn oor of verfrischte zijne dorre lippen met eenige druppels water.
Er kwam een oogenblik, dat de ongelukkige Eggard, door de hersenpijn aangejaagd, schrikkelijk begon te woelen en den naam van Robrecht als eene bede tot hulp en lafenis uitsprak.
Witta, verschrikt en vreezende dat Eggards laatste stond was verschenen, wekte haren broeder.
Mher Sneloghe rekte zich de leden, ging nog gansch verdwaasd van den loomen slaap tot zijnen vriend en beschouwde hem eene wijl.
"Arme Eggard!" zuchtte hij, o wat moet hij lijden! Waarom roept gij mij, zuster?"
"Ach, ik beef er nog van," antwoordde Witta. "Hij scheen te willen sterven in eene schromelijke kramp en murmelde uwen naam, als wenschte hij u een laatst vaarwel toe. God zij er om gezegend, nu is het weder voorbij!"
"Gij weet wel, Dakerlia, wat de heelmeester heeft bevolen", zeide Robrecht berispend. "Men mag omtrent den zieke niet spreken, en buiten het bevochtigen zijner lippen, moet men beweegloos en stil hem bewaken. Doe mijne zuster bedaard blijven. Hier is ons medelijden, hier is onze hulp machteloos. God alleen beschikt over het leven van onzen armen vriend. Bidden is alwat gij voor hem kunt doen. Morgen zal hij misschien beter zijn. Wie kan het weten? Wellicht zal hij nog genezen. Hopen wij het...."
Onder het mompelen dezer laatste woorden was hij tot zijnen zetel wedergekeerd. Nog eene wijl bleef hij van daar met de uitdrukking der diepste droefheid op den gekwetste staren; doch allengs zakte het hoofd hem op den schouder, en hij sloot de oogen. Weinig tijds daarna kwam de zwoegende hijging zijner borst getuigen dat hij opnieuw in eenen diepen slaap was weggezonken....
Had Robrecht, hadden de Kerels binnen den burg geweten wat daarbuiten in de stad geschiedde, zij zouden zeker zich niet zoo ongekommerd overgeleverd hebben aan het genot der rust.
Terwijl alles sliep, waren eenigen der stoutste Gentenaars op de gedachte gekomen, in het midden van den nacht nog eene poging tot het innemen van den burg te beproeven. Zij zouden met twee of drie der lichtste ladders geheimelijk en zonder hunne nadering door het minste gerucht te verraden, naar den wal kruipen en den muur nevens de Hofpoort beklimmen. Waren daar, volgens hun vermoeden, de schildwachten afwezig of ingeslapen, dan zouden zij zich boven den muur stilhouden, totdat een zeker getal hunner gezellen hen kon vervoegen. Eens sterk genoeg, zouden zij van den wal dalen en bij middel van door hen medegebrachte werktuigen de Hofpoort openen, om het overige hunner mannen een vrijen doorgang te bieden.
Gelukte die list, zooals zij haar hadden berekend, dan viel de burg nog voor den morgen in hunne macht en werden de slapende Kerels verrast en verplet.
Toen men den veldheer Gervaas Van Praet van dit ontwerp kennis gaf, keurde hij het af en wilde de Gentenaars beletten dus verraderlijk den aanvaarden wapenstilstand te breken; doch de ridders zelven laakten zijne teergevoelige eerlijkheid jegens moordenaars die in den ban der kerk lagen.
En daar hij nog wederstand bood, verklaarden hem de oversten der Gentenaars, dat zij en hunne mannen alleen den slag zouden wagen, de veldheer mocht hun voornemen goedkeuren of niet.
Mher Gervaas, om de verdeeldheid niet in het leger te brengen, gaf met onwil en spijt zijne toestemming, doch zou niet zelf deelnemen aan deze poging.
Onmiddellijk hadden de Gentenaars in stilte begonnen hunne toebereidsels te maken. Een uur na middernacht slopen ongeveer honderd man, tusschen hen uitgekozen als de behendigsten en stoutsten, met slechts twee der lichtste ladders door de duisternis over de Hofbrug.
Dewijl boven den muur geene schildwachten meer tegenwoordig waren, werd hunne nadering niet opgemerkt....
Het was op dit oogenblik dat Robrecht Sneloghe voor de tweede maal in zijnen zetel door den slaap was overwonnen geworden.
Reeds sluimerde hij nu weder zeer diep sedert een goed kwart uurs, toen eensklaps de kreet "Harop! Harop!" met bijzondere haast en kracht uit alle hoeken van den burg ontstond en hem verrast uit den slaap deed opschieten.
Eer hij gansch was ontwaakt, hoorde hij het gedonder van zware hamersslagen, het geklingel van wapenen, het noodgeroep der Kerels en de zegekreten der Isegrims.
"Blijft, blijft!" zeide hij tot de verschrikte jonkvrouwen. "Wij worden aangevallen, valsch, verraderlijk. Het zal niets zijn. Wacht op mijne terugkomst. Houdt u stil...."
En met uitgetogen zwaard sprong hij naar buiten.
Hier vond hij zijne gezellen naar den kant der Hofpoort in eenen schrikkelijken strijd gewikkeld. De vijand was binnen den burg!
Aan het geroep "Isegrim, Isegrim!" "Blauwvoet, Blauwvoet!" dat tot herkenningsteeken in de duisternis van wederzijde werd aangeheven, meende Robrecht te kunnen oordeelen dat de vijand niet overmachtig was en door de Kerels, die nu uit al de gebouwen kwamen gestormd, wel ras zou verplet zijn.
Onder het uitgalmen van den kreet: "Ravenschoot, Ravenschoot met mij!" wierp hij zich vooruit en hakte links en rechts op den vijand.
Maar alhoewel het grootste getal der Gentenaars, die over den wal geklommen waren, reeds in hun bloed lagen te spartelen en door de Kerels werden vertreden, gelukte het den overblijvenden op dit oogenblik de poort te openen.
Dan drong zulke machtige vloed van strijdzuchtige en plunderzieke mannen den burg binnen, dat de Kerels, na eenen langen en hardnekkigen wederstand, gedwongen werden te wijken, en zij stap voor stap den grond zich voelden ontnemen[73].
Robrecht Sneloghe dacht aan Dakerlia en aan zijne zuster. Hem schoot als een bliksem de overweging door den geest, dat zij in des kasteleins Steen niet veilig waren en onmiddellijk in des vijands handen zouden vallen.
Hij liep uit het gevecht, sprong in de kamer, waar de jonkvrouwen zich bevonden, en riep:
"Gauw, gauw, volgt mij! Spoedig, of het is te laat!"
"Ach, de arme Eggard, onze beschermer, onze verlosser!" riep Witta. "Verlaat gij hem zonder medelijden, Robrecht? Zij zullen hem ijselijk martelen!"
Op dit oogenblik woelde de gekwetste, hief de handen in de hoogte en murmelde op klagenden toon:
"Robrecht, Robrecht!"
Mher Sneloghe, tot in het diepste der ziel geroerd door zijnen roep, dien hij als een gebed tot bijstand aanzag, omvatte het lichaam van zijnen gekwetsten vriend, hief door eene geweldige krachtinspanning hem op den schouder en liep naar de deur, terwijl hij met koortsigen klem tot de jonkvrouwen zeide:
"Volgt mij van nabij, verlaat mij niet! In het klooster, in de proostdij zijn wij niet veilig! Komt, komt!"
Buiten, langs den kant der Love, vond hij nog eene talrijke schaar Kerels, die zich woedend verdedigden, alhoewel het plein schier op zijne gansche uitgestrektheid weergalmde van den roep "Isegrim, Isegrim!"
Het gelukte Robrecht, immer door de jonkvrouwen van nabij gevolgd, voorbij de Loove te geraken. Nog een tiental stappen, en hij zou de enge poort van het klooster bereiken. Eens binnen de geestelijke gestichten, dan was hij veilig; want deze gebouwen waren omvangen door eene afzonderlijke versterking, die na het verlies van den burg nog eene lange belegering kon doorstaan.
Reeds juichte de jonge ridder, want hij raakte schier de poort des kloosters; maar nu werden eensklaps de nog strijdende Kerels door eenen woedenden aanval van duizenden vijanden overrompeld en tegen den gevel der Loove verpletterd.
Degenen, die nog vrij in hunne beweging waren, stroomden vluchtend, en met den vijand vermengd, als een stortvloed naar het klooster, en zoo drongen zij Robrecht met zijnen last er insgelijks binnen.
Onmiddellijk werd deze poort verbalkt en van achter met allerlei voorwerpen versterkt en bedijkt.
Robrecht liep tot in eene der kloosterkamers en legde zijnen gekwetsten vriend Eggard Van IJsendijke op een bed. Dan keerde hij, als uitzinnig van schrik, terug tot achter de poort.
"Ha, God dank, Dakerlia, gij zijt gered!" kreet hij, zijne verloofde aan den hals vliegend.
Maar even ras stuurde hij zijne blikken kommervol in het ronde.
"Dakerlia, waar, waar is mijne zuster?" vroeg hij. "Gij weent, o hemel!"
"Arme Witta, arme Witta!" zuchtte jonkver Wulf.
"Zij is niet met u!" kreet Robrecht, sidderend van schrik. "Zij is buiten gebleven? Eilaas, eilaas!"
En hij zakte, door de wanhoop verpletterd, op eene bank neder.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 71: "Segher, kastelein van Gent, kwam toegeloopen met al zijne macht.... De burgers van Gent, met eenen hoop _brigands_ uit hunne omstreken, zeer dorstig naar buit, vergaderden om in het beleg te komen, als mannen befaamd in den oorlog en behendig tot het innemen en verdelgen van sterke vestingen."
GALB., p. 299; zie ook KERVYN DE LETTENHOVE, I, p. 391.]
[Voetnoot 72: "Den Zaterdag bevalen de oversten eenen algemeenen aanval.... Het gevecht duurde tot den avond, en de aanvallers, na groote schade en verlies, verwijderden zich van de muren van den burg, beducht voor de gevaren van den nacht."
GALBERTUS, pp. 298 en 299.]
[Voetnoot 73: Zie het verhaal dezer nachtelijke overrompeling en der plundering van den burg bij GALBERTUS, p. 315.]
XX
De poorters van Brugge, te zamen geroepen, om bij openbare stemming eenen nieuwen graaf te kiezen, overdekten in onderscheidene groepen of scharen het groote plein buiten de Smedepoort dat men het Zand noemde.
In het midden dezer vlakte had men eene breede stelling getimmerd waarop nu de schepenen der stad en de voornaamste Vlaamsche ridders met hunnen veldheer, mher Van Praet, zich hielden, zoowel om hunne stem te geven, als om de plechtigheid te bestieren en over de oprechtheid der kiezing te waken.
Disdir Vos, de verrader, die sedert de nachtelijke overrompeling der stad het bijzondere vertrouwen van den veldheer scheen te genieten, stond nu insgelijks achter hem.
Voor de stelling waren een groot getal poorters, meest bejaard en met zekere pracht gekleed, in eenen afzonderlijken hoop vergaderd Het waren de hoofdmannen der wijken en der gilden of neringen, die hier kwamen hooren wat de schepenen of ridders het volk te zeggen hadden. Zij zouden dan tot hunne mannen gaan, die wat verder op het plein langs alle zijden waren geschaard hun de woorden der overheden mededeelen, hunne stemmen opnemen en den uitslag der kiezing naar de schepenen brengen.
Deze hoofdmannen spraken in afwachting zeer luid en vurig over de zaak, die hen hier te zamen riep. Eenigen wilden de stemming geweigerd hebben, om reden dat de koning van Frankrijk zich in geenen deele met het bestuur van Vlaanderen te bemoeien had, en hij het was die de Brugsche poorters niet alleen den raad, maar zelfs het bevel had gezonden tot het kiezen van eenen nieuwen graaf.
De meesten waren van gevoelen, dat men zonder tegenwerping en in allerhaast des konings bevel moest volbrengen, uit vreeze dat hij, beter beraden, het nog zou kunnen intrekken. In oude tijden hadden hunne voorouders het recht genoten tot het kiezen hunner vorsten. Nu werd dit recht, dat eeuwen lang hun ontroofd was gebleven, hun werkelijk teruggeschonken. Zouden zij dwaas genoeg zijn om het te verwerpen, alleenlijk omdat zij het bekwamen door toedoen van eenen vreemden vorst? Waarom toonden de poorters, die voornemens waren ten gunste van Willem Van Loo te stemmen, zich zoo ontevreden? Waren zij niet even vrij in hunne keus als de aanhangers van Diederik van den Elsas of van den jongen graaf van Holland?
Deze en andere zulke redenen hadden de meest ontevredene hoofdmannen eenigszins tot bedaren gebracht; evenwel bleef het gerucht der driftige samenspraak tusschen hen voortduren, dewijl elk nu groote pogingen inspande om de anderen tot het stemmen voor dezen of genen vorst over te halen.
Op dit oogenblik bracht een wapenbode de bazuin aan den mond en gebood door eenige scherpe galmen de stilte en de aandacht.
De veldheer Gervaas Van Praet trad vooruit op de stelling, met een bezegeld perkament in de hand, en, zich tot de hoofdmannen wendende, zeide hij:
"Ziet hier, vrienden, wat Lodewijk, de machtige koning van het Fransche rijk, aan de ridders van Vlaanderen en aan de inwoners der goede steden schrijft."
Hij vestigde zijne oogen op het perkament en las:
"Beminden en getrouwen, ridders en burgers van het graafschap Vlaanderen. Het schijnt mij nu niet raadzaam u te gaan bezoeken. Ik zal met eenigen mijner lieden tot u komen, zoohaast ik den uitslag van het beleg van den burg van Brugge zal kennen. Want volgens mijn gevoelen zou ik niet wijselijk handelen met mij in de handen der verraders van uw land te gaan werpen, wel wetende dat er nog velen zijn die het lot der belegerde moordenaars betreuren, hunne misdaden verdedigen en op alle wijze werkzaam zijn tot hunne verlossing. Uw ongelukkig land is in verwarring. Reeds zijn er samenspanningen gesmeed om de grafelijke kroon met geweld voor Willem Van Loo te bekomen; maar meest al de inwoners der steden hebben gezworen nooit dezen Willem voor graaf te aanvaarden, omdat hij van onedele geboorte is, dit is te zeggen, geboren van eenen edelen vader en van eene onvrije moeder die, zoolang zij leefde, niet heeft opgehouden schapenwol te kaarden. Ik wil en ik beveel dat de ridders en burgers van Vlaanderen zonder uitstel vergaderen om eenen bekwamen graaf te kiezen. Het land zou niet langer van eenen wettigen vorst kunnen beroofd blijven, zonder blootgesteld te zijn aan grootere gevaren dan degene waarmede het nu wordt bedreigd.
Heil in Gode. LODEWIJK[74]
Deze brief verwekte eene korte opschudding onder de hoofdmannen. Het waren de aanhangers van Willem Van Loo, die luidop riepen, dat de koning zich door lasteraars had laten bedriegen. Willem was niet van onechten bloede; zijne moeder zaliger was eene Kerlinne, en dus geene onvrij geborene, zooals de brief het valschelijk beweerde. Al de Kerlinnen, buiten de steden, waren zij ook edel en rijk als vorstinnen, hadden de gewoonte en den plicht te werken; en, omdat de moeder van Willem Van Loo schapen wol had gekaard, was zij niet min edel dan of zij haar leven in ijdele werkeloosheid had gesleten.
Mher Gervaas Van Pract en de voorschepen daalden van de stelling tusschen de hoofdmannen. Zij maanden hen aan, de brieven des konings te eerbiedigen, en deden hen begrijpen dat, indien iets daarin hun niet gegrond voorkwam, zij desniettemin vrij in hunne keus bleven en zelfs voor Willem Van Loo konden stemmen, indien zij zulks goed vonden.
Min of meer bevredigd, gingen de hoofdmannen tot hunne gezellen om de stemming te doen beginnen.
Men hoorde welhaast ten allen kant op het plein een groot geraas en geroep ontstaan, naarmate de hoofdmannen aan de menigte mededeelden wat de veldheer hun vanwege den koning had voorgelezen.
Ondertusschen begon de stemming, en deze werkzaamheid duurde zeer lang voort.
Terwijl men er nog mede bezig was, galmden eensklaps, in de baan naar Thourout, de klanken van eenige hoorns, als wierd de nadering van krijgslieden aangekondigd.
Even ras zag men een twintigtal ridders te paard, door eene tamelijke sterke bende wapenknechten gevolgd, op het plein treden en zich naar de stelling richten. Iedereen keek met nieuwsgierigheid deze ridders achterna; doch in de meening dat zij, evenals vele anderen, die dagelijks in Brugge kwamen, slechts hier verschenen om deel aan het beleg te nemen, zette men, na eene korte onderbreking, het opnemen der stemmen weder voort.
De aangekomene ridders beklommen de stelling. Baudewijn Van Aelst, die hun aanleider scheen, begon in stilte met mher Gervaas Van Praet en met den voorschepen te spreken.
Ongetwijfeld deelde hij hun gewichtige dingen mede; want de veldheer scheen spijtig en betuigde zijne ontevredenheid door bittere woorden.
"Zouden wij klagen, veldheer", zeide hem Baudewijn Van Aelst, "omdat de koning de poorters van den balfaart en van eenige andere schattingen wil ontslaan? Hij en de nieuwe graaf, van eenen anderen kant, beloven, dat zij al de eigendommen der Erembalds en hunner aanhangers aan de ridders tot belooning zullen schenken. Daarin zult gij eene ruime vergoeding vinden voor het verlies van uw recht op sommige poorters. Komt, heeren, de zaak eischt spoed; eerbiedigen wij den wil des konings. Geef den bazuinblazers bevel om de hoofdmannen te zamen te roepen. De stemming is gelukkiglijk nog niet afgeloopen; anders mochten wij moeielijkheden ontmoeten, welke het onze plicht is te voorkomen."
Eene wijl daarna stonden de geroepene hoofdmannen weder voor de stelling en keken verwonderd op, elkander vragende wat zwaarwichtige tijding er toch mocht gekomen zijn, daar men de kiezing opschorste om hun iets nieuws mede te deelen.
Baudewijn Van Aelst trad vooruit en, na de stilte door eenige bazuinklanken was bevolen geworden, zeide hij tot de hoofdmannen: "Poorters van Brugge, ik ben tot u gezonden door den koning van Frankrijk. Hoort, wat hij u schrijft."
Een perkament ontplooid hebbende, las hij den volgenden brief, hem bij de lezing in het Dietsch vertalende:
"Lodewijk, de koning van Frankrijk, groet minnelijk al zijne goede zonen, de inwoners van het graafschap Vlaanderen, en kondigt hun aan dat hij van Atrecht is vertrokken om tot hen te komen, aan het hoofd zijner koninklijke legers, vervuld met dapperheid en met de kracht Gods, zijne onverwinnelijke hulp. Bedroefd omdat wij voorzagen dat de moord des graven uw land in het verderf zou storten, hebben wij besloten onze wraak uit te oefenen met eene onverbiddelijke strengheid en door lijfstraffen, tot nog toe ongehoord. Wij hebben, om uw land voor grootere onheilen te behoeden, u eenen graaf gekozen. Opdat dezen den vrede in het graafschap zou kunnen herstellen en den verloren voorspoed doen herbloeien, gehoorzaamt en doet wat mher Baudewijn Van Aelst, mijn bode en uw vriend, ingevolge mijnen wil, dien hij kent, u zal raden en gebieden[75]."
Er heerschte eene groote stilte onder de luisterende hoofdmannen Zij hielden zwijgend de oogen op den koninklijken bode, van wien zij eene uitlegging over de zonderlinge tijding schenen te vragen.
Baudewijn Van Aelst nam het woord en sprak:
"Hoort, poorters van Brugge, wat de koning van Frankrijk mij belast heeft u te boodschappen. De ridders van Frankrijk en de ridders van Vlaanderen hebben, op raad en bevel des konings, tot graaf van Vlaanderen gekozen en verheven Willem, den jongen hertog van Normandië."
Er rees een hevig gemor en ook wel hier en daar een luid geroep van ontevredenheid tusschen de hoofdmannen.
Een hunner zeide zelfs verstaanbaar:
"Wat? Een Normandiër graaf van Vlaanderen? De Isegrims hebben ons weder verraden. Het was te voorzien: zij zijn altoos de dienaars en vleiers der vreemdelingen geweest!"
Een nieuw bazuingeschal herstelde de stilte, en Baudewijn Van Aelst zette dus zijne rede voort:
"Wij allen, ridders, die nu tot u gekomen zijn, en vele anderen nog, hebben Willem van Normandië tot graaf gekozen en hem als zulken eed gezworen en hulde bewezen. Hij, tot onze belooning, heeft den ridderen van Vlaanderen al de landen en eigendommen geschonken die tot nu toe hebben toebehoord aan de moordenaars van graaf Karel en aan degenen die hen aanhangen of verdedigen. De verraders zijn door den koning veroordeeld tot den wreedsten en schandelijksten dood, en geen hunner zal worden gespaard. Ik, in naam des konings, gebied en raad u, poorters van Brugge, en al wie hier tegenwoordig zijn, voor uwen wettigen vorst te aanvaarden Willem van Normandië, die door ons is gekozen en door den koning met de grafelijke kroon is begiftigd."
Weder ontstond er luid gemor en driftig gewoel onder de hoofdmannen; maar Baudewijn Van Aelst verhief de stem en ging voort:
"De koning en de nieuwe graaf, om den lieden van Brugge hunnen goeden wil te betuigen, hebben besloten dat voortaan geen poorter nog eenige persoonlijke schatting zal betalen. Alle belastingen hoegenaamd ook, of balfaart of beste hoofd, of staande op huizen of op neringen, zijn en blijven afgeschaft ten eeuwigen dage. Daarenboven zullen de burgers van Vlaanderen voortaan macht en vrijheid hebben om hunne eigene wetten en gebruiken te behouden, of ze te veranderen volgens hun goeddunken[76]."
Zulke volledige vrijmaking van alle schatting en dus ook van de teekens der dientsbaarheid, was eene gift en eene weldaad, waaraan de poorters zich des te minder vanwege den koning konden verwachten, daar hunne eigene graven sedert langen tijd nooit opgehouden hadden pogingen te doen om het volk der steden dieper en dieper in slavernij te dompelen. Ook werd dit besluit door de meeste hoofdmannen met onverborgene vreugd en zelfs met luid gejubel onthaald.
Er waren evenwel nog eenigen die zich ontevreden toonden en luidop riepen dat zij in zulke beloften niet geloofden, aangezien de koning en de graaf, die willekeurig hun dit recht toestonden, even willekeurig het hun konden ontnemen.
Baudewijn Van Aelst, om deze laatste tegenwerpingen te versmachten gebood nog eens de stilte en sprak:
"De koning van Frankrijk is nu op reis naar Vlaanderen, aan het hoofd van twintigduizend uitgelezene krijgslieden. Binnen eenige dagen zal hij zelf met den nieuwen graaf te Brugge komen, en zijne beloften u in het openbaar bij eede bezweren. Wie zich tegen zijnen wil opwerpt en weigert Willem van Normandië als vorst te erkennen, zal aanschouwd werden als een aanhanger der moordenaars en dezelfde straf onderstaan, dit is te zeggen dat hij zal worden ter dood gebracht en zijne goederen verbeurd. Gaat nu, deelt uwen mannen mede wat de koning u door mij heeft geboodschapt. Beveelt hun zich vreedzaam naar huis te begeven. Gij, als overheid op hen hebbende, blijft verantwoordelijk voor de rust der stad, die, werd ze gestoord, op uitdrukkelijk bevel des konings, door het geweld der wapenen zou worden hersteld."