Part 3
"Wat zoet en helder leven sleet ik hier tusschen eene teedere zuster en eene zoete vriendinne!" zuchtte de jonge ridder, "Dit leven is ten einde voor mij!"
"Maar, Robrecht, het is nog niet zeker. Gij kunt weigeren! riep Witta. "Wie heeft het recht om u te dwingen?"
"Weigeren, zuster? Ik heb langen tijd geweigerd; er is niets aan te doen. Wie kan mij dwingen? Menschen niet; maar mijn plicht jegens Kerlingaland, jegens de vrijheid. Neen, neen. Mijn vonnis is geveld; en ik zelf heb het aanvaard. Hoe dit mogelijk, hoe dit onvermijdelijk was, zal ik u later verklaren, zuster lief. Nu heb ik geenen tijd; men wacht op mij."
Hij hoorde hoe Dakerlia snikte; hij zag hoe glinsterende tranen van hare vingeren ten gronde vielen. Het hart klopte hem fel bij het gezicht van Dakerlia's medelijden mij zijne smart. Tot haar gaande, sprak hij op diep ontroerden toon:
"Dakerlia, gij beklaagt mij, niet waar? Ik dank u, lieve vriendinne. Het is een bitter lot zijn leven te moeten slijten met eene vrouw die men niet bemint en vreest nimmer te zullen beminnen ... maar troost u, waarschijnlijk bedrieg ik mij. Placida Van Woumen is schoon; er is goedheid in haar hart. Wie weet? misschien zal ik haar de liefde kunnen schenken die zij verdient...."
In Dakerlia's oogen, welke zij nu ontdekte, vlamde een vreemde blik. De ridder begreep hem niet, doch deinsde er van terug en bleef vragend op de maagd staren.
"Placida?" riep zij, "Placida zal u ongelukkig maken, arme Robrecht!"
"Hoe kunt gij het weten?"
"Mijn hart, mijn hart, dat niet kan liegen, roept het luid."
Mher Sneloghe worstelde in eene pijnlijke verlegenheid tegen zijn eigen gemoed. Hij deed geweld op zich zelven om door woorden noch gebaren het gevoel te verraden dat de bron was van zijn verdriet. Dakerlia zou het in alle geval niet begrijpen, en zulke veropenbaring op dit oogenblik, ware niet alleen nutteloos, maar zelfs voor allen schadelijk, ja, misschien misdadig voor God!
Deze overweging deed hem besluiten de lastige, de droeve samenspraak af te breken.
"Uw medelijden doet u dwalen, Dakerlia", zeide hij. "Jonkver Placida is beminnenswaardig. Ik moet weder uitgaan en mij haasten. Ongetwijfeld wacht men reeds met ongeduld op mij. Kom dezen namiddag ... of ik zal met mijne zuster ten uwent gaan om u te verklaren wat mij tot dit huwelijk dwingt."
Hij stapte tot eene kas, trok ze open en nam er eene dooze uit welker deksel met gulden inlegwerk was versierd.
Dakerlia slaakte eenen angstschreeuw, sprong vooruit en rukte de doos uit zijne handen ... maar, alsof zij besef had van de onbetamelijkheid harer daad, gaf zij ze spoedig terug. Dan bezwijkende onder hare geweldige ontsteltenis, liet zij zich op eenen stoel vallen en bleef daar beschaamd en overvloedig weenend, met den blik neergeslagen zitten.
Eene hevige siddering had Robrecht aangegrepen en eene doffe angstkreet was hem ontsnapt. Hij aanschouwde haar eene wijl verbaasd en zeide dan op pijnlijken toon:
"Dakerlia, Dakerlia, indien gij een geheim in uw hart hebt gedragen, o, verberg het voor eeuwig uit medelijden! Er zijn dingen die, wanneer men ze weet, ons zoo rampzalig kunnen maken, dat wij elken verderen dag van ons leven God om den dood zouden bidden als om de verlossing."
Jonkver Dakerlia stond op en, terwijl de tranen nog over hare wangen rolden, sprak zij snikkend:
"Ik vertrek van hier; ik begrijp mijnen plicht, over den dorpel van dezen Steen mag ik niet meer treden. Het geheim dat, eilaas, tegen mijnen wil mij is ontsnapt, zal ik opsluiten in mijn lijdend hart. Wees gelukkig, Robrecht.... O, mijn God, Placida Van Woumen uwe vrouw! Ik zou ze zien aan uwe zijde, op de plaats die.... Zinnelooze droom die mij de zinnen ontstelt! Vaarwel, mher Sneloghe; bekreun u niet om mij: laat mij ziek worden, verkwijnen, sterven!"
Zij wierp zich aan den hals van Witta en riep tusschen haren koortsigen zoen:
"Nog eens, nog eens voor de laatste maal!"
En zich uit de omhelzing losrukkende, meende zij haren stap tot de deur te richten; maar Robrecht hield haar terug en zeide met aangejaagdheid:
"Blijf, Dakerlia, ik smeek u! Gij waant mij gevoelloos voor uwe smart? Mijn verdriet is dieper dan het uwe. Ach, hadde ik het vroeger kunnen gelooven! Maar alle hoop is nog niet verloren. Kerlingaland kan de slachtoffering van ons beider geluk niet eischen. Wees getroost, Dakerlia. Wij hebben in elkanders hart gelezen. Neen, neen, Placida Van Woumen wordt mijne echtgenoote niet! Laat mij gaan; ons levensheil kan afhangen van een enkel oogenblik."
Hij wierp de juweeldoos op de tafel en liep ter zaal uit.
Dakerlia staarde hem achterna; doch, alsof zij geen geloof had in zijne voorspelling, legde zij welhaast de handen voor de oogen en begon overvloediger nog te weenen.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 1: De kerk van O.L.V. te Brugge was eerst eene kapel, ten jare 745 door St-Bonifacius gesticht.... Haar schoone toren, die voor baak aan de zeevaarders dient, heeft eerst 442 voet hoogte gehad.
LANSSENS _aloude staat van Vl._, bl. 235]
[Voetnoot 2: Men noemde alsdan eene stad _eene poort_ en de burgers _poorters_.]
[Voetnoot 3: Bij verkorting zeide men, tot aanzienlijke personen sprekende, _mher_ voor mijnheer, _ver_ voor vrouw, _jonkver_ voor jonkvrouw.]
[Voetnoot 4: De woningen van aanzienlijke lieden, meest uit zware steenen gebouwd en met waaktorens voorzien, noemde men Steenen, welk woord gelijkstaat met het Fransch _manoir, donjon, castel_.]
[Voetnoot 5: Niet verre van de Fransche stad Boulogne lag alsdan de vermaarde zeehaven _Witsant_, dus genoemd naar het witte zand der duinen, evenals nu het Vlaamsche zeestadje _Blankenberghe_.]
[Voetnoot 6: Dat de bevolking der kusten tot onder de muren van Boulogne Vlaamsch sprak, bewijzen de namen der omliggende dorpen, zooals Helbedinghem Leubringhem, Santingheveld, Pepelingen, enz.]
[Voetnoot 7: "In diebus illis fuerunt homines quidam clavati sive clavigeri, quos vulgo _Colvekerlos_ nominatos audivimus, in terra Ghisnensium habitantes, qui clavati sive vlavigeri a clava dicebantur agnominati, eo quod non licebat eis aliquod genus armorum nisi clavas tantum bajulare. Hii siquidem, quadam impropitiationis specie, ab Hammensibus dominis quasi sub servilis conditionis jugo constricti tenebantur."
LAMBERTI _Ardensis ecclesiae presbiteri chronicon_, uitgegeven door le Mis Godefroy Menilglaise, Parijs. 1855, pag. 87.]
[Voetnoot 8: De wijde inham bij Sluis, vroeger de haven van Brugge, heette men het _Swin_.]
[Voetnoot 9: Nu de haven van Nieuwpoort.]
[Voetnoot 10: Nu Ardenburg.]
[Voetnoot 11:
In deser wijs so hadden die aren, Valken en de sperwaren, _Blauwvoeten_ ende smerlen mede Al vergadert daer ter stede.
Gedicht _van der Vledermuus_.
In het nabericht van den _Reinaert de Vos_, uitgegeven door J.F. WILLEMS, pag. 384.
Bij JOHANNES LEUNIS, _Synopsis der drei Naturreiche,_ t. I, p. 81, wordt deze vogel dus opgegeven: _Pandion Haliaetos_. L. Flussadler. Fischaar, Entenstosser.... BLEINE BLAU.]
[Voetnoot 12: Zie over deze lijkplechtigheden: _Overblijfsels van den Heidenschen godsdienst onzer voorvaderen_, J. HUYTENS, Messager des sciences hist. de Gand, année 1860.]
[Voetnoot 13: "De zeekust van Vlaanderen, die de Noormannen _Kerlingaland_ noemden." VICTOR DE RODE, _Annales du Comité flamand de France_, t. VIII, pag. 51]
[Voetnoot 14: Scharmasax, scarmsax.]
[Voetnoot 15: Zie over de bijgeloovigheid aangaande deze _Drollen_ J. HUYTTENS, _Messag. des sciences de gand_, 1860.
J.F. WILLEMS, in zijne uitgaaf van _Reinaert de Vos_, haalt de volgende verzen aan uit _eene genouchelijke clute van nu noch_:
Ic wil u belesen ende besweren By cocketoysen, by neckers, by maren Ende by den _drollen_....
]
II
In het midden der stad Brugge stond eene sterke vesting, weleer als wijkplaats tegen de invallen der wreede Noormannen gebouwd. Men noemde ze den Burg.
Ten zuiden en ten westen was zij ongenaakbaar gemaakt door zeer breede grachten; ten noorden en ten oosten was zij beschut door eenen hoogen steenen wal, met gaanderijen, schietgaten en kanteelen.
Drie bruggen en vier poorten gaven toegang tot het wijde vierkante binnenplein, waar rondom de aanzienlijkste gebouwen der stad zich verhieven.
Trad men van den kant der Markt, over de Hofbrug, den Burg binnen, dan zag men schuins voor zich 's Heeren hof, een schoon paleis, met eene overwelfde bovengang, die men de Loove noemde, en waarbinnen de graaf van Vlaanderen, als hij te Brugge zich bevond, zijn hof hield.
Ter rechterzijde verhief zich een even groot doch min prachtig huis, dat men den Steen heete en waarin de kastelein van Brugge, dit is de bevelhebber en bewaarder van den Burg, zijn verblijf had.
Daarnevens, met den achtergevel naar de Markt, stond het Gijselhuis, dat tot gevangenis diende.
De vierde zijde, ten noorden van het plein, was geheel ingenomen door geestelijke gebouwen, zijnde ten eerste de schoone kerk van St-Donaas, welker hooge, vierkante toren omringd was met twee breede, gekanteelde gaanderijen, opdat men ook van daar den vijand mocht bevechten, indien de Burg eenen aanval af te weren had[16]; dan het klooster St-Donaas met de huizen der kanunniken en de slaapsteden en eetzalen der broeders en eindelijk het hof der proostdij, dat door Bertulf, proost van St-Donaas en erfkanselier van Vlaanderen, werd bewoond.
Alhoewel deze geestelijke gebouwen binnen den algemeenen wal van den Burg waren begrepen, omringde hen nog een bijzondere muur, zeer hoog en sterk, met torentjes en kanteelen, zoodat, indien de Burg in de handen der vijanden mocht vallen, de kerk, het klooster en de proostdij nog lang wederstand konden bieden.
Tusschen de grootere gebouwen van den Burg zag men, in alle tusschenruimten, er nog andere van mindere uitgestrektheid, die tot voorraadstapels, wapenhuizen of stallingen waren bestemd.
De Burg was dus de zetel der openbare macht in Vlaanderen. Niet slechts omdat hij het paleis van den vorst bevatte; maar bovenal omdat de proost van St-Donaas en de kastelein van Brugge er hun verblijf hielden.
Trouwens, deze twee ambtenaren, staande de eene aan het hoofd der geestelijke en de andere aan het hoofd der wereldlijke overheid, opzichtens al de vrije Ambachten afhangende van Brugge, bezaten meer onmiddellijken invloed op dit groot gedeelte van het Westelijk Vlaanderen dan de vorst zelf. Hunne aanzienlijke grondbezittingen en hun persoonlijke rijkdom vermeerderden dien invloed tot zooverre, dat de ridders van de hofhouding des graven met nijdig oog zulke buitenmatige macht aanschouwden, meest nog omdat deze, volgens hunne meening, eenen ondraaglijken hoon voor allen waarlijk edelgeboren man daarstelde.
Inderdaad, Bertulf, de proost van St-Donaas, en zijn broeder Hacket, de kastelein, waren Kerels, afkomstig uit het Veurne-Ambacht, waar zij hunne grondbezittingen hadden.
Nog meer kerels genoten in Brugge door hunnen rijkdom eenen bijzonderen invloed. Men noemde hen de Erembalds, omdat de voornaamste onder hen afstamden van Erembald, den eersten Kerel die het ambt van kastelein bekwam, en daardoor in 's lands bestuur boven andere ridders zich verhief.
Hoe dit laatste geschiedde, is gemakkelijk te begrijpen. De leenheeren of de zoogenaamde edellieden aanzagen allen arbeid en allen handel als onteerend. Hunne eenige inkomsten bestonden in de lasten en schattingen welke zij hunnen lijfeigenen of dienstbaren veldbewoner opdrongen, en in de tollen van doorvaart die zij reizigers en kooplieden afpersten.
De vrije mannen van Kerlingaland aanschouwden daarentegen den arbeid als eenen plicht en den landbouw en den koophandel als vereerend. De gansche scheepvaart van Vlaanderen en de visscherij, tot de Engelsche kust, waren in hunne handen. Ontbrak er graan in het land, zij gingen het koopen tot in Denemarken, ja, tot in de Morgenlandsche zee.
Geen wonder dus, dat mettertijd de bedrijvigste en verstandigste dezer Kerels groote rijkdommen hadden verzameld.
Toen nu de vorsten en voorname leenheeren, om zich gemakkelijk geld aan te schaffen, hadden begonnen de ambachten, tollen en inkomsten, waarover zij beschikten, om zoo te zeggen, aan den meestbiedende te verkoopen, dan zullen zulke Kerels, zooals de genaamde Erembald, niet nagelaten hebben deze gelegenheid te benuttigen om zich tot de eerste waardigheden van den Staat te verheffen.
Dewijl zij deze waardigheden door zulken koop wettelijk en erfelijk bezaten, konden zij daarvan niet worden beroofd, al mochten ook de ridders, ja de graaf zelf, met geheime spijt de verheffing dezer machtige Brugsche Kerels aanzien.
Eene meerdere reden nog om de leenheerschap tegen de Erembalds te verbitteren was dat zij, als de erkende hoofden en beschermers der Kerels van de vrije Ambachten, dezen immer tegen de heerschzuchtige aanslagen der leenheeren verdedigden; maar daarom tevens durfde de graaf, noch zijne hovelingen, openlijk tegen de Erembalds ingaan, want zij wisten dat de Kerels der Ambachten met eede aan hen waren verbonden en niet zouden nalaten het leed, hun aangedaan, bloedig te wreken.
Dien dag heerschte er zekere geheimzinnige onrust of nieuwsgierigheid op den Burg. Men zag er niet alleen kanunniken, geestelijke broeders en vele poorters in groepen en met de hoofden te zamen staan kouten; maar aan de deur der proostdij hielden zich een aantal boden te paard, van welke er nu en dan een met de hem vertrouwde brieven of bevelen den Burg verliet. Van den graaf konden de bevelen niet uitgaan, want deze was met duizenden Vlaamsche ridders ten oorlog getrokken, om onder het Fransche vaandel in Aquitanië te gaan strijden.
De lieden, die op het plein stonden, poogden wel uit de ruiters te vernemen welke tijding zij voerden, doch zij konden geen voldoende antwoord bekomen, dewijl de boden den inhoud der brieven niet kenden.
Op dit oogenblik vertoonde zich onder de voornaamste poort van den Burg een persoon die aller aandacht tot zich trok en eene zonderlinge beweging onder de groepen der nieuwsgierige lieden deed ontstaan.
Het was een ridder, buitengewoon hoog van gestalte en sterk van leden. Zooals hij daar met zwaren tred en met het hoofd fier opgeheven den Burg opstapte, had hij het voorkomen van eenen reus. De genster, die uit zijne groote zwarte oogen lichtte, moest den aanschouwers ontzag inboezemen; want alhoewel men vermoedde dat hij de aangekomen tijding moest kennen, durfde niemand hem het woord toesturen, ja, men trad terug om hem eenen onbelemmerden doorgang te bieden[17].
Een vrij man en ridder moest hij zijn; want aan zijne zijde hing een groot, krom zwaard. Op zijne kleeding, waarin de blauwe verf heerschte, bemerkte men echter geene de minste pracht.
"Daar is Burchard Knap, de neef van onzen proost", murmelde een geestelijken broeder.
"Is hij niet de zoon van Lambrecht van Rodenburg, den eigen broeder van den proost?" vroeg de poorter.
"Ja, maar hij woont meest buiten, tusschen de Kerels. Wie hem zou durven ondervragen zou wel te weten komen wat er gaande is."
"Wel, vraag gij het hem."
"Ik zal er mij wel van wachten. Die mher Burchard is de ongenaakste en de gramstorigste man der wereld."
"Ja, en gij vreest dat hij met eenen slag zijner reusachtige vuist u zou kunnen verpletten?"
"Spot er niet mede; het is zooals gij zegt. Zwijgt, daar nadert die vervloekte bullekop!"
"Welnu, ik zal hem vragen wat nieuws er is", mompelde een oude zwaardveger. "Hij komt dikwijls in mijnen winkel; hij kent mij en zal minzaam mij antwoorden."
Inderdaad, hij ging den ridder te gemoet en stamelde, terwijl deze met scherpen blik van uit de hoogte op hem nederzag:
"Mher Burchard, duid mijne stoutheid niet ten kwade. Welke tijding is er toch gekomen?"
"Weet gij het?" vroeg de ridder met eene stem die uit eenen kelder scheen op te klimmen.
"Neen, heer."
"Ik even min. Gij verveelt mij; ga uit mijnen weg!"
Hij deed door zijnen zuren blik den verbluften zwaardveger terugdeinzen en richtte zich, zonder meer acht op de omstanders te geven, naar de poort der proostdij.
Hij stapte onder eenen langen zuilengang door, duwde eene deur open en trad in eene zaal waar een twaalftal ridders rondom eene tafel zaten, bij welke een paar groote leuningstoelen ledig stonden, als wachtte men hier op twee voorname personen.
"Welnu, wat is er ophanden?" vroeg Burchard, nadat hij den ridders eenen korten groet had toegestuurd.
"De graaf is terug uit Aquitanië[18]", antwoordde hem Segher Wulf. "Het Fransche leger is te Atrecht aangekomen. Onze ridders zullen nog daar blijven; want de koning van Frankrijk vreest eenen aanval der Engelschen uit Normandië; maar de graaf komt overmorgen te Brugge."
Eene uitdrukking van ongenoegen trok Burchards lippen te zamen.
"Waar is de proost?" vroeg hij.
"Hij is bezig met het schrijven van eenige bevelen; hij zal aanstonds komen."
"En de kastelein?"
"Die is met hem."
Burchard zette zich zoo zwaar neder dat de eiken stoel onder hem kraakte, als ginge hij breken.
"Het schijnt dat de komst van onzen graaf u niet verblijdt?" bemerkte Segher Wulf.
"De komst van den graaf is mij onverschillig" mordde Burchard.
"Waarom ziet gij er zoo ontevreden uit?"
"De Isegrims komen met hem?"
"Natuurlijk."
"En zijn duivel Tancmar insgelijks."
"Altijd even grimmig, mher Burchard?" lachte Yorg Koevoet, een der aanwezige ridders. "Wat vreest gij van de komst des graven? Toen hij ten oorlog trekken zou heeft hij eenen algemeenen landsvrede doen uitroepen en ons gelast in zijne afwezigheid over de openbare rust te waken. Hebben wij deze zending niet trouw volbracht? Gij zelf, mher Burchard, hebt gij niet toegestemd om uwen twist met den hofraadsheer Tancmar opgeschorst te laten tot des graven terugkeer!"
"Ja, ja, tot mijne groote schande", antwoordde Burchard gramstorig. "Tancmar had voor den oorlog mij een gedeelte mijner gronden ontnomen. Ik heb het hem voorloopig laten behouden, om den landsvrede niet te breken, zooals gij zegt, mher Yorg; maar wat gebeurt er nu? Tancmar is in het leger met zijne beide zonen en heeft intusschen het beheer zijner goederen toevertrouwd aan zijnen neef Rambold Tancmar. Weet gij wat deze doet om mij te hoonen en uit te dagen? Hij zaait en oogst op mijnen grond en bouwt er eene schuur op. Het is een ware diefstal ... en ik, Burchard Knap, dien men eenen woestaard en eenen trotschaard noemt, ik heb het tot nu toe kunnen verkroppen als een machteloos kind! De graaf komt overmorgen in Brugge, zegt gij? Welnu, hij zal mij doen teruggeven wat mijn eigendom is, of bij Thors hamer[19], ik verplet al wie het mij nog durft betwisten!"
"Mher Tancmar beweert dat de graaf zelf hem dien grond heeft geschonken", bemerkte Matfried Wegel.
"Maar mag de graaf het eigendom van eenen vrijen man onder zijne voeten wegschenken?"
"De listige Tancmar heeft onzen graaf bedrogen en hem doen gelooven dat die grond der kroon toebehoort."
"Ben ik dan een lijfeigene of een slaaf", bulderde Burchard.
"Kom, kom, onze heer graaf zal de zaak onderzoeken en u recht doen", zeide Gerwijn Eekel.
"Karel van Denemarken?" vroeg Burchard met eenen grijns van misprijzen op de lippen, "Is dit nu een vorst die Vlaanderen betaamt? Hij kruipt voor den koning van Frankrijk; en deze zal hem zeker niet leeren hoe men de rechten der vrije mannen van Kerlingaland eerbiedigen moet."
"Beschuldig onzen vorst Karel niet", bemerkte Segher Wulf. "Ware hij niet slecht geraden, hij zou in alles rechtvaardigheid plegen; maar de valsche Isegrims, die hem omringen...."
"Dit is juist de zaak", bevestigde Willem van Wervick. "De leenheeren, die bloedvijanden der Kerels, drijven hem onverpoosd tot onrecht aan. Men noemt ze Isegrims, dit is wolven, en zij verdienen het wel, zij, die niets betrachten dan het vrije volk van Vlaanderen te verslinden. Meent gij dat zij verzadigd zijn?"
"Dat geloove de duivel indien hij zich wil laten bedriegen!" riep Burchard. "Gij zult het zien, heeren: zoohaast de Isegrims in het land zijn zullen zij weder hunne kuiperijen beginnen om onzen Kerels den balfaart, het juk der slavernij op den nek te drukken![20]"
"De graaf zal het beletten", zeide Matfried.
"De graaf?" schertste Burchard. "Die huichelaar? Hij heeft het zelf gepoogd; de oorlog alleen...."
"Zwijg, zwijg, daar is de proost!" mompelden eenige stemmen.
Bertulf, de proost van St-Donaas, die nu met zijnen broeder Hacket, den kastelein, in de kamer verscheen, was een man van meer dan zestig jaar, met grijze haarkroon en een ernstig en eerbiedwekkend gelaat. Ondanks zijnen ouderdom ging hij rechtop, en het geheel zijner statige wezenstrekken ademde niet alleen wijsheid maar tevens een diep gevoel van eigen waarde.
Hij droeg eenen zwarten tabbaard, die hem in wijde plooien tot op de voeten daalde en rondom hals en schouders eenig wit bont, zoodat zijne kleeding half geestelijk en half wereldlijk scheen. Inderdaad, ofschoon eene hooge kerkelijke waardigheid bezettende, was hij evenwel geen priester.
Na zijnen bloedverwanten en vrienden eenen stillen groet te hebben toegestuurd, zette hij zich nevens den kastelein in eenen der groote leunstoelen en zeide tot de aanwezigen:
"Heeren, ik heb u de tijding mede te deelen dat onze heer graaf overmorgen te Brugge zal aankomen. Hij zal ditmaal nog niet in Vlaanderen blijven; want hij moet terug naar het leger te Atrecht, waar de koning van Frankrijk eenen aanval der Engelschen uit Normandië verwacht. Hoe het zij, het betaamt dat wij onzen vorst, na zijne lange afwezigheid, met de verschuldigde eerbewijzen onthalen. Ik heb u doen roepen, heeren, om uwe hulp te vragen ten einde op den dag van 's vorsten intrede een behoorlijk getal vrije lieden uit de Ambachten naar de stad te doen komen. Gij zult begrijpen dat zulks noodig is om te beletten dat onze vijanden bij den graaf de Kerels beschuldigen van onverschilligheid of oneerbiedigheid jegens hem. Onze zaken staan nu op eenen goeden voet. Wij zijn er in gelukt gedurende des vorsten afwezigheid Kerlingaland in eene volstrekte rust te houden. De graaf moet over ons voldaan zijn en wij hebben dus het recht te hopen dat hij ons tegen de booze aanslagen der Isegrims zal beschermen."
"Ja, verwacht u daaraan!" gromde Burchard. "Hij is zelf de grootste Isegrim...."
"Mijn neef heeft altijd iets onaangenaams voor onzen heer graaf in den mond", zeide de proost berispende. "Het zijn persoonlijke redenen waarop wij nu geene acht dienen te slaan.... Alzoo, heeren, gelieft brieven of boden naar uwe burchten en hofsteden te zenden, met het verzoek dat men van daar eenige lieden naar Brugge doe komen om bij de intrede des vorsten tegenwoordig te zijn. Laat hen begrijpen dat het voor de Kerels een plicht is, een vaderlandsche plicht, onzen heer graaf met eerbied en blijdschap te verwelkomen."
De aanwezige ridders toonden zich bereid om aan dit verzoek te voldoen. Dat de graaf waarlijk ten opzichte der Kerels gunstig gestemd was, daaraan twijfelde de meerderheid sterk; maar zij wilden in deze onzekerheid den Isegrims geenen schijn van reden geven om hen bij den vorst van vijandschap tegen hem te betichten.
Burchard Knap alleen riep luid dat hij zulk onthaal vanwege de Kerels als eene laffe kuiperij aanzag. Graaf Karel van Denemarken was, volgens zijn gevoelen, een valschaard en een geboren vijand van alle recht en alle vrijheid zijns volks.
Terwijl de proost met bitterheid de onvoorzichtige woorden van zijnen neef laakte, als de zaak der Kerels ten hoogst schadelijk, werd de deur geopend en een ridder, met den helm op het hoofd en het maliehemd aan het lijf, trad onder het uitspreken eener luide groetenis in de zaal.
"Welkom, welkom, onze vriend Isaac Van Reninghe!" riepen de ridders, van hunne zetels opstaande om hem de hand te drukken.
"Gij komt van het leger? Hoe is het in Aquitanië vergaan? Mher Luitprand van Rousbrugge was erg gekwetst. Is hij genezen? Zijn er vele Vlaamsche ridders gesneuveld? Wie heeft er zich het meest onderscheiden? Wanneer komt ons leger terug?"