De Kerels van Vlaanderen

Part 28

Chapter 28 3,910 words Public domain Markdown

Hier trokken zij hunne zwaarden en vielen op de vijftig Kerels der wacht die, verrast en overrompeld, een oogenblik aarzelden; maar, door Landfried aangemoedigd, schier onmiddellijk in de nauwe Mariastraat eene onverwachte tegenweer boden, terwijl zij uit al hunne kracht om hulp riepen en de lucht deden hergalmen onder den noodkreet: "Verraad! verraad! Harop! harop!"

Van boven de muren kwamen in korten tijd vele Kerels toegeloopen en het gelukte hun de Isegrims eenigen tijd terug te houden; maar dewijl deze laatsten meester van de poort waren, vonden hunne makkers van buiten geen beletsel om in de stad te komen.

Welhaast was het hoofd van het ridderleger de poort genaderd, en nu drongen de Isegrims met weergalmend geschreeuw door de Mariastraat vooruit.

Zoohaast een duizendtal ridders en wapenlieden de poort binnen waren, kon niets meer aan hunnen drang wederstaan, en zij stormden, elkander omverre loopende, naar de Markt.

De noodkreet der aangevallen wacht was tot in den burg gehoord geworden. In minder dan eenen oogwenk waren al de Kerels te been; en, zonder goed te weten welk gevaar hen bedreigde, richtten zij zich naar de plaats der stad vanwaar de haropschreeuw in de hoogte steeg.

Reeds toen de dikke drom der Isegrims den ingang van de Oudebrugstraat bereikte, werden zij van terzijde met woede aangevallen en boorden de Kerels eene breede klove in hunne schaar.

Om elkander in de duisternis te kunnen herkennen, begonnen de Kerels elkander toe te roepen met het woord: "Blauwvoet! Blauwvoet!" En, hen daarin navolgende, riepen hunne vijanden: "Isegrim! Isegrim!"

Geene dapperheid, geen geweld kon echter het ridderleger wederhouden van op de Markt zich te ontplooien; en daar begon dan eindelijk de afgrijselijke menschenslachting te midden eener duisternis die niemand toeliet vriend of vijand te onderscheiden.

Men hoorde er niets anders dan het wraakgehuil der strijders, het noodgekerm der stervenden, het geknars der zwaarden en boven dit alles het aanhitsend geschreeuw: "Blauwvoet! Blauwvoet! Isegrim! Isegrim!" dat onophoudend door duizenden monden ten hemel werd geworpen, en als het gebruis eener stormachtige zee met klimmende en dalende kracht over de Markt heen en weder golfde. Men struikelde er over lijken, men vertrappelde er gekwetsten, men waadde er door plassen bloed, men viel er neder met gekloofd hoofd of doorboorde borst, zonder dat men zelfs de schaduw zijns vijands had kunnen zien.

Wel waren er vele honderden Kerels en poorters uit den burg en van de stadswallen komen toegeloopen; maar de Steenstraat spuwde nog immer nieuwe gedeelten van het ridderleger op de Markt.

Niemand kon oordeelen over den gang of over de kansen van den akeligen nachtstrijd. De eenige en onzekere maatstaf waren de oorlogskreten "Blauwvoet! Isegrim!" maar tot nu toe galmden ze beide met evenveel kracht en hevigheid.

De kastelein Hacket, die te midden der Kerels had gevochten, meende dan te bemerken dat zijne mannen, onder den druk eener onweerstaanbare overmacht, allengs achteruitweken. Door een angstig gepeins aangegrepen, verliet hij den strijd en ging terug tot bij de Hofstraat, om over den toestand te kunnen oordeelen. Hier bekwam hij, na eenige oogenblikken te hebben geluisterd, de droeve overtuiging dat het krijgsgeroep der Kerels verzwakte, terwijl integendeel het geschreeuw der Isegrims meer en meer in kracht verdubbelde.

Hij liep achter de schaar zijner mannen en kreet daar uit al zijne macht:

"Wijkt naar den burg! Kerels, naar den burg! Langzaam, langzaam naar den burg!"

Men herkende zijne stem, en zijn bevel werd door vele Kerels herhaald.

Het was tijd; want op dit oogenblik boorde eene machtige bende Isegrims van terzijde door den vijand en sneed aldus meer dan de helft der Kerels van hunne gemeenschap met den burg af.

Aan het ontvangen bevel gehoorzamende, weken de Kerels, wien de baan nog vrijstond, al vechtende door de Hofstraat naar den burg, en een groot getal hunner geraakte er nog behouden binnen.

Men had even de egge neergelaten en de poort gesloten, toen de Isegrims, onder het bulderen van vermaledijdingen en zegevierend geschreeuw, met hunne zwaarden er begonnen op te beuken. Maar hier werden zij van boven de poort en van boven de wallen zoo overvloedig en zoo woedend met steenbonken, met balken, met pijlen en met allerlei werptuig onthaald, dat elke Isegrim, die dorst naderen, even ras verpletterd nederviel[68].

Het was als lage daar voor de poort een bodemloos graf, in welks gewapenden muil honderden ridders en wapenlieden werden verzwolgen; want dewijl van op de Markt immer nieuwe Isegrims in de nauwe straat vooruitdrongen, werden de voorsten onweerstaanbaar tot voor de poort gedreven, waar zij onder den hagel steenen en pijlen onmiddellijk werden verpletterd.

In weinige oogenblikken was de gansche brug zoodanig met hoopen dooden overdekt, dat de opgestapelde lijken zelven een onoverstapbaar beletsel werden om nog de poort te naderen.

Onderwijl werd de akelige strijd nog op de Markt voortgezet door de Kerels die van de gemeenschap met den burg waren afgescheiden geworden. Zij vochten als verwoede leeuwen en zaaiden rondom zich dood en vernieling in de schaar hunner vijanden, zoolang totdat, hun getal schier geheel weggesmolten zijnde, hun geene hoop meer overbleef om te kunnen overwinnen.

Dan, op de stem van Ingelram Van Eessen, drongen zij met eene laatste inspanning van krachten door den drom hunner vijanden en weken, altijd strijdende, in de St-Jakobsstraat.

Zoo geraakten zij, alhoewel aanzienlijk in getal verminderd, buiten de Ezelpoort, en vonden hun behoud in het vrije veld.

Mher Gervaas Van Praet, die den noodlottigen toestand zijner mannen voor de poort van den burg zelf had gaan erkennen, en de duizenden pijlen der Kerels tot op het midden der Markt door de lucht hoorde snorren, deed de trompers blazen en riep zijn leger naar den kant der St-Christoffelskapelle te zamen.

Hier verhief zich een zoo lange en zoo dikwijls herhaalde zegeschreeuw, dat de veldheer in langen tijd zich door niemand kon doen verstaan of hooren.

Eindelijk gelukte het hem zijne bevelen aan eenige oversten mede te deelen. Men moest bezit nemen van al de huizen rondom den burg en de uitgangen dezer vesting met sterke wachten bezetten, opdat niemand der Kerels, die er zich bevonden, mocht ontsnappen. De overige benden, de wapenlieden bovenal, zouden bij De Christoffelskapelle gelegerd blijven, en niemand hoegenaamd zou zich tot slapen begeven, aangezien men niet twijfelen kon of de Kerels van den burg zouden nog eenen uitval beproeven.

[Illustratie: ... De egge neergelaten en de poort gesloten....]

Daarom tevens verbood hij dat iemand zich tot plunderen begave. Wel was hij voornemens de woningen der Erembalds te laten verdelgen en hunne goederen den wapenlieden tot buit te geven; maar daarover wilde hij, zooals de voorzichtigheid het gebood, slechts morgen bij klaren dag beslissen.

Nauwelijks had hij dus zijne bevelen uitgedeeld, of hij trad nevens de kapelle in een openstaand poortershuis, waar hij licht bemerkte. Hoe hij ook riep, niemand antwoordde hem; de bewoners, door het akelig nachtgevecht verrast en verschrikt, waren gevlucht.

Mher Van Praet zette zich neder op eenen stoel en veegde zijn zweet af.

Daar verscheen voor hem Disdir Vos, die met eenen zegevierenden lach op het gelaat hem vroeg:

"Welnu, veldheer, heb ik mijn woord gehouden, of niet?"

"Ja, mher Vos", antwoordde Gervaas, "het kostte evenwel veel, veel bloed."

"Maar zooveel te meer gerucht zal deze overwinning maken, zooveel te grooter zal de roem zijn voor u en uwe ridders, die de sterke stad Brugge hebt gewonnen zonder hulp der Gentenaars."

"Het is waar, mher Vos; ik ben u dankbaar en zal mijne belofte jegens u vervullen, wees des zeker."

"Ik kom u reeds iets vragen", zeide Disdir.

"Spreek stoutelijk."

"Mij zou het vermaak doen, veldheer, dat gij een twintigtal trouwe, moedige wapenlieden onder mijn bevel steldet. De jonkvrouw, waarvan ik u heb gesproken, Dakerlia Wulf, zou ik zoowel tegen mishandeling door uwe wapenknechten als tegen ontvoering vanwege de Erembalds willen behoeden."

"Doe naar uw goeddunken, mher Vos. De twintig wapenlieden zullen u worden gegeven."

"Er is nog eene andere jonkvrouw, de eigen zuster van Robrecht Sneloghe. Indien ik deze terzelfder tijd onder mijne bewaking nam, zou zij u kunnen dienen als gijzelaresse. Ik zal de beide jonkvrouwen naar mijnen Steen in de Moerstrate leiden. Zult gij gelieven bevelen te geven, opdat iedereen dien Steen eerbiedige?"

"Onmiddellijk. Roep, bid ik u, mher Raas Van Gaveren, die in de kamer aan de straat met eenigen zijner gezellen zich bevindt."

Toen Disdir Vos deze boodschap had vervuld en met den aangewezen ridder was teruggekeerd, zeide de veldheer:

"Mher Van Gaveren, ik verzoek u onder uwe wapenlieden er twintig uit te kiezen en dezen ter beschikking van onzen vriend Disdir Vos te stellen. Zij zullen onder zijn bevel staan en hem gehoorzamen totdat zij door anderen worden vervangen."

Disdir verliet het huis met mher Van Gaveren, die de twintig man onder de wapens riep en hun het bevel van den veldheer mededeelde.

Zij volgden zonder spreken den nieuwen overste die hun was gegeven.

Disdir Vos leidde hen door de St-Jansstraat, om de nabijheid van den burg te ontwijken, en bracht hen zoo voor sher Wulfs Steen.

Hier klopte hij op de poort en riep dat men zou openen. Daar hij na lang wachten geen antwoord bekwam, klopte hij nog eens met dreigend geweld, en meende juist terug te wijken om naar hamers of naar eenen balk uit te zien, ten einde de poort te verbrijzelen; maar nu liet zich achter het kijkgat eene verschrikte stem hooren, die vroeg:

"Wie zijt gij? Wat wilt gij? Er is niemand te huis."

"Ik ben Disdir Vos, en gij kent mij wel, Peter. Open onmiddellijk: ik kom uwe jonkvrouw redden."

Een oude schalk ontsloot de poort.

"Ach, mher Disdir, wat akelige dingen gebeuren er toch? Vergaat de wereld?" kermde hij. "God zegene u, mher Vos, die ons ter hulpe komt in onzen nood.--Al de andere huisbedienden zijn gevlucht...."

"Zwijg. Waar is uwe meesteresse?"

"Achter, in de zaal. Zij bidt."

"Is zij alleen?"

"Jonkver Sneloghe is met haar."

"Houd u stil en blijf hier, totdat ik wederkeer."

Hij deed de twintig wapenlieden binnen de poort treden, koos er vier uit, die hem zouden volgen, en ging met dezen over den neerhof naar de aangewezene zaal, waar hij door het venster bemerkte dat er licht brandde.

Bij zijne verschijning in de zaal zag hij de beide jonkvrouwen nog geknield, maar met den angstigen blik naar de deur gekeerd.

Hem herkennende, sprongen zij met eenen noodkreet recht en vluchtten tot in het diepe einde des vertreks.

Dit bewijs van afkeer en mistrouwen kwetste Disdir zeer diep; maar hij bedwong zijne spijt en poogde zijn gelaat eene uitdrukking van droefheid en tevens van vriendschap te geven.

Hij gebood den wapenlieden, die hem vergezeld hadden, op den neerhof terug te keeren, sloot de deur der zaal, en dan tot de bevende jonkvrouwen gaande, zeide hij:

"Hebt vertrouwen in mij, ik kom u het leven redden. Ach, de Kerels zijn bezweken; onze vijanden, de Isegrims, hebben de stad Brugge verrast en ingenomen. De Markt is overdekt met de lijken onzer ongelukkige vrienden!"

"O, God, en mijn arme broeder?" kreet Witta.

"Wie kan het weten?" antwoordde Disdir op treurigen toon. "Een gedeelte onzer mannen zijn op den burg gevlucht. Of Robrecht behouden is of dood, dit is het geheim der duisternis."

Witta begon luid te kermen; Dakerlia stortte stille tranen.

"Gij moet mij volgen, jonkvrouwen; ik wil u in eene veilige schuilplaats brengen."

Maar deze woorden ontrukten de wanhopige meisjes eenen nieuwen angstkreet, en zij sprongen terzijde, als boezemde Disdir Vos hun eene diepe vervaardheid in.

"Ik begrijp", zeide hij, "dat gij liever in dezen Steen zoudt blijven; maar het is onmogelijk. Morgen, bij het eerste daglicht, zal men al de woningen der Erembalds en hunner vrienden aan de plundering der woeste wapenlieden overleveren. Wie er zich in bevindt, zal men vermoorden en martelen. Hier blijven is u zelven veroordeelen tot den ijselijksten dood. Beeft niet; ik zal u redden."

"O, dank, dank, mher Vos", riep Witta met opgehevene handen. "Dit zal God u loonen in zijnen hemel!"

En zij meende tot Disdir te gaan; maar Dakerlia greep haren arm en hield ze met koortsig geweld terug, terwijl zij haar zeide:

"Onnoozele! Het is een strik; hij komt hier met Isegrims!"

Disdir Vos trad nader en zeide, in schijn kalm en treurig:

"Dakerlia, gij zijt onrechtvaardig jegens mij; ik vergeef het u. Mijne eenige belooning zal zijn u te hebben gered ondanks u zelve. Ja, ik kom hier met Isegrims. Verwijt het mij niet; want daarin bestaat juist het hoogste bewijs van opoffering dat ik u kan geven. Toen ik te midden van het gevecht mij bevond en aan de zijde van mher Sneloghe den vijand hopeloozen weerstand bood, bemerkte ik alras dat de Kerels zouden bezwijken. Dan dacht ik aan u, Dakerlia; voor mijne oogen ontstond, als een akelige droom, uwe marteling en uw vervaarlijke dood. God zelf boezemde mij eene plotselijke gedachte in. Ik liep in de gelederen der vijanden, huilde tegen de Kerels en veinsde hen te bevechten. Na den slag vleide ik de Isegrims, spuwde venijn tegen onze arme broeders, en won zoo het vertrouwen van mher Gervaas Van Praet, den veldheer. Wat zal daarvan voor mij het gevolg zijn? Door de Kerels als een verrader verfoeid, door de Isegrims als een lafaard veracht. Ik verlies aan dit spel meer dan mijn leven; ik verlies er mijne faam en mijne eer aan. Voor u alleen, Dakerlia, om u te redden, om u tegen de wreede mishandelingen der wapenknechten en tegen eenen ijselijken dood te behouden, heb ik deze eeuwige schande aanvaard. De veldheer, die meent dat ik rechtzinnig mijn zwaard tegen mijn geslacht heb gekeerd, vroeg mij welken prijs ik voor mijn verraad eischte. Weet gij wat ik hem met saamgevoegde handen heb toegeroepen? "O, schenk mij het leven van jonkver Wulf; anders wil ik niet, anders verlang ik niet!" Uwe oogen vragen mij wat mij tot zulke slachtoffering van mij zelven aandrijft? Gij weet het. Het is mijne schuld niet en ik spreek er niet van. In mijn geweten en in mijn hart ligt mijne belooning."

Hij had deze reden op zulken toon van oprechtheid gesproken, er was zooveel medelijden en treurnis in zijne stem, dat Dakerlia haar mistrouwen geheel voelde vergaan. Ja, door eene plotselijke omkeering haars gemoeds, bewonderde zij nu den man die haar tot dan eenen diepen afkeer had ingeboezemd. Het was toch wel eene daad van ongehoorde opoffering, zich dus der eeuwige oneer toe te wijden, om twee ongelukkige meisjes te kunnen redden.

Dakerlia trad vooruit en reikte Disdir te hand.

"Heer, ik geloof in uwe edelmoedigheid", zeide zij. "Ik heb u miskend; vergeef het mij. Beschik over ons lot: wij volgen u."

Disdir leidde de jonkvrouwen over den donkeren neerhof. Hier voelde Dakerlia dat de hand van Disdir gloeide en hij hare hand koortsig drukte. Zij poogde zachtjes zich los te rukken; maar hij hield haar vast totdat hij de bende wapenknechten had bereikt.

"Ho, Dakerlia, Dakerlia, gij zijt ondankbaar en wreed!" gromde hij. "Ik geef u meer dan mijn leven, en gij mistrouwt mij, als ware ik uw vijand."

Dakerlia slaakte eenen zucht, doch antwoordde niet.

"Eerbiedigt en bewaakt deze jonkvrouwen", gebood Disdir Vos. "Men volge mij!"

Allen verlieten den Steen en daalden door de duisternis naar de Spiegelrei.

De oude schalk Peter, zonder er zelfs aan te denken de poort te sluiten, ging naar de zaal, waar zijne jonge meesteresse daareven nog had geknield. Hij liet zich op eenen stoel vallen en begon haar lot te beklagen en overvloedige tranen te storten.

Reeds een half uur zat hij daar, schier bewusteloos in zijne droefheid verslonden, toen hij, het gerucht van sluipende mannenstappen meenende te hooren, het hoofd ophief.

Inderdaad, door de opene deur der zaal zag hij in de halve duisternis menschenschaduwen bewegen en zwaarden glinsteren.

Hij liet zich op de knieƫn vallen en smeekte reeds om genade; maar toen hij den ridder herkende, die tot teeken van geheim met den vinger op de lippen tot hem kwam, sprong hij op en riep met verdoofde stem:

"Mher Sneloghe, gij hier, o, hemel! Vlucht, vlucht, de Isegrims hebben de stad overrompeld. Zij zullen de Erembalds vermoorden. Wapenknechten hebben het mij gezworen...."

Een tweede ridder, die met Robrecht in de zaal was getreden, legde hem de hand op den mond en brak zijn gekerm af.

"Peter, waar is Dakerlia? Waar is mijne zuster?" vroeg Robrecht.

De schalk verhaalde hem hoe Disdir Vos met een bende Isegrims was gekomen, en hoe dezen de beide jonkvrouwen hadden weggeleid.

Een sombere kreet van angst en afgrijzen bonsde op uit Robrechts borst.

"Waar? Waar naartoe?" riep hij.

"Ja, heer, ik weet het niet. Naar de Isegrims zeker, naar de gevangenis misschien."

Mher Sneloghe wrong zich de vuisten en sloeg zich de borst met teekens der diepste vertwijfeling.

"Te laat, te laat!" zuchtte hij. "Dakerlia, mijne zuster in handen van Disdir Vos! O, mijn God, wat akelig lot hebt Gij die onnoozele slachtoffers voorbewaard? Zij insgelijks moeten boeten voor den gruwelijken moord? En niets, niets kunnen doen voor hunne verlossing!"

De andere ridder greep hem bij den arm en zeide:

"Robrecht, wij moeten met haast deze plaats verlaten. Het is een groot ongeluk dat u treft; maar hier kunnen wij niets nuttigs meer verrichten."

"Deze plaats verlaten zonder Dakerlia, zonder mijne zuster?" kermde mher Sneloghe. "Ach, hadde de dood mij getroffen dezen nacht!"

"De vijanden kunnen komen; wij zouden bezwijken. Ons leven behoort toe aan de verdediging van den burg; het hier langer nutteloos wagen, ware verraad."

"Verraad, verraad?" mompelde Robrecht, terwijl hij zijnen gezel lijdzaam volgde. "Ja, Eggard, verraad! Nu begrijp ik alles. Disdir Vos had de wacht bij de Kathelijnepoort. Zoo had Burchard het gewild. Disdir heeft ons verkocht en den Isegrims de poort geopend...."

"Zwijg, zwijg", mompelde zijn gezel, "stap zacht, buk neder en ga langs de huizen."

Zij slopen met looze stappen door de duisternis, tot bij den hoek der Hoogstraat.

Hier werden zij uit een nevensstaand huis door Isegrims bemerkt of gehoord; want men riep hun dreigend het: "Wie daar?" toe, en onmiddellijk snorden drie of vier pijlen boven hunne hoofden voorbij.

Zij liepen op de brug van den burg. Daar stonden voor de poort een twintigtal Kerels op hen te wachten.

De poort werd voor hen en hunne gezellen geopend, en dan weder gesloten.

De egge daalde neder, en de diepste stilte verving het lichte gerucht, dat hunne komst had veroorzaakt.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 65: Eene mijl van Brugge, op de baan naar Kortryk.]

[Voetnoot 66: Dit oud lied, in 1847 ontdekt en uitgegeven, is te vinden In de Nederlandsche Dichterhalle, van prof. Heremans, in de Nederl. Geschiedzangen van Dr.J.Van Vloten en in Trois chants historiques, van De Coussemaker.]

[Voetnoot 67: "Het verhaal van Galbertus (zegt de hr. KERVYN DE LETTENHOVE, t. I, p. 389) laat toe te gelooven dat de eedgenooten werden verraden door Disdir ... Hij hoopte daardoor te doen vergeten welk deel hij genomen had aan de misdaad."]

[Voetnoot 68: Zie het verhaal van dit gevecht en de vlucht der Kerels op den burg bij GALBERTUS, pp. 293 en 294.]

XVII

Des anderen daags, zoohaast het klaar dag was geworden, had de kastelein Hacket aan alle kanten boven de muren een zeker getal schildwachten gesteld, en dan de horens doen blazen en bevel rondgezonden, dat alwie zich binnen den burg bevond, op het plein zou vergaderen.

Hij wilde door dezen oogenschouw het verlies afmeten dat zij in het noodlottig nachtgevecht hadden geleden, en tevens zijne overblijvende macht berekenen.

Daar stonden nu de Kerels en hunne oversten in gelederen geschaard, te midden van den burg. Zij konden ten hoogste nog vierhonderd in getal zijn. Achter hen hielden zich de tien of twaalf Kerlinnen, die met hunne mannen binnen Brugge gekomen waren. Eene geringe bende gewapende poorters vormde den linkervleugel.

Verder, naar den kant van het Gyselhuis, stond een groote hoop ongewapende poorters, waartusschen insgelijks vele vrouwen. Dezen waren op den burg gekomen als arbeiders of handelaars, om een hoog dagloon te verdienen of door het verkoopen van drank of eetwaren winst te doen.

Voor de deur van het kloostergebouw zag men eenige kanunniken en klerken die, ofschoon niet geroepen, buiten waren gekomen om te zien wat er op het plein geschiedde.

Zeer verschillend was de houding van al deze lieden. De Kerels, alhoewel hunne kleederen waren gescheurd of doorhakt en velen een verband aan hoofd of arm droegen, zagen er moedig en trotsch uit. Het ongeluk van dezen nacht, door het verraad van eenen valschen broeder hun berokkend, had hen diep verbitterd en met wraakzucht vervuld; doch hun vertrouwen in eene eindelijke zegepraal was er niet door verminderd. Zij wisten dat op dien dag het groote Kerlenleger in het Wolvennest-bosch vergaderen zou. Morgen reeds misschien zou graaf Willem Van Loo naar Brugge komen afgezakt, en zouden dan vijftien- of twintigduizend Kerels eenige moeite hebben om de Isegrims te verpletten of te verstrooien, als de rukwind het stof?

Zoo gerust en zoo vertrouwend waren de Brugsche arbeiders, zoetelaars en vrouwen niet. De mannen keken treurig en met den schrik op het aangezicht naar de Kerels, in de zwakke hoop dat dezen iets ten hunnen gunste zouden beslissen; de vrouwen weenden en hieven biddend de handen in de hoogte, God de wreede ramp klagende die hen zoo onverwachts van hunne kinderen had gescheiden om hen toe te wijden aan eenen schrikkelijken dood.

Zij wisten dat men bij het aanbreken van den dag eenen bode naar den vijand had gezonden, met den last om oorlof te verzoeken om de onschuldige poorters en vrouwen uit den burg te laten gaan; maar, eilaas, hij was wedergekeerd met het droevig antwoord dat de ridders al degenen die met de moordenaars van graaf Karel zich op den burg bevonden, als medeplichtig aan de gruwelijke misdaad beschouwden, en zonder genade zouden dooden en martelen wie, om den burg te verlaten, zich buiten eene poort durfde vertoonen. Zelfs hadden de ridders geweigerd de kanunniken en leekebroeders van St-Donaas bij het vellen van dit vonnis uit te zonderen zoolang de bisschop over hun lot niet zou hebben beslist, dewijl men in het leger wel meende te weten dat sommige kanunniken het met den proost van St-Donaas hielden.

Robrecht Snelooghe stond voor de gelederen zijner Ravenschootsche Kerels. Hij liet het hoofd hangen en scheen onverschillig aan hetgeen er rondom hem geschiedde. Dakerlia, zijne verloofde, Witta, zijne zuster, in de macht van zijnen vijand, van den snoodaard, die zoo laf zijn geslacht en zijn vaderland had verraden! Dit schromelijk gepeins vervolgde hem als eene nachtmare en hield zijne geestkracht verslonden. In zijne ooren bromde de schaamtelooze taal van Disdir Vos, daar hij Dakerlia bedreigde en haar zijne liefde aanbood! Voor zijne oogen spookte het tooneel van den smaad en de mishandelingen waarmede hij de arme Witta bejegende! Dakerlia, de moedige, fiere Dakerlia zou hem verstooten en verachten, en hij, de booze, wat zou hij doen? Was het een voorspellend gezicht, de gemartelde lijken die in het verschiet voor zijne blikken heendreven?

Hij was wel ongelukkig, de arme ridder. Waar bevonden zich Dakerlia en zijne zuster? Welk was hun lot? Zou hij hen nog ooit wederzien? Deze onzekerheid pijnigde hem verschrikkelijk, en deed zijn minnend hart bloeden.

De andere oversten en de Kerels eerbiedigden Robrechts smart, waarvan de bron hun bekend was; zij staarden soms ontroerd op hem en schudden medelijdend het hoofd.

Slechts een enkele Kerel aanschouwde hem half spottend en met eenen glimlach van misprijzen. Het was Burchard, die in zich zelven mompelde dat het eene lafheid was over het lot van vrouwen te treuren en den moed te laten zakken, wanneer land en vrijheid in gevaar verkeerden.